P U B L I C A T I E B L A D
LtANDSBESLUIT HOUDENDE ALGEMENE MAAT
REGELEN van de 11de Juni 1953 tot wijziging van de
Bezoldigingsregeling 19Jf8 (P.B. 19^8, no. 152).
IN NAAM DER KONINGIN!
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,
In overweging genomen hebbende, dat ter uitvoering
van artikel 32, 1ste lid der Landsregeling van de Neder
landse Antillen, het nodig is het navolgende vast te stellen;
Heeft, de Raad van Advies gehoord, besloten:
Artikel 1.
De Bezoldigingsregeling 1948 (P.B. 1948, no. 152),
eoals deze is gewijzigd, het laatst bij landsbesluit houdende
algemene maatregelen van de 9de Juni 1953 (P.B. 1953,
no. 83), wordt nader gewijzigd als volgt:
a. in schaal 31 in voetnoot 3 vervalt: „als leider van
de telefoondienst op Aruba;".
b. in schaal 41 in voetnoot 6 vervalt: „ƒ 600,— 's
jaars als leider van de telefoondienst op Aruba;".
A' 1953
N° 86
c. in schaal 41 wordt achter de woorden „Substituut
Griffier van de Staten" het verwijzingsteken „7" geplaatst,
waarna aan de schaal een voetnoot wordt toegevoegd ge
nummerd en luidende: „7) Aan deze rang is een tijdelijke
toelage van ƒ 480,— 's jaars verbonden als ambtenaar be
last met de bediening van het electrische geluidsopname
apparaat van de Staten van de Nederlandse Antillen.".
Artikel 2.
Dit landsbesluit wordt geacht in werking te zijn ge
treden met ingang van 1 October 1952, met uitzondering
van het bepaalde in artikel 1 onder c, hetwelk geacht wordt
in werking te zijn getreden met ingang van 22 Maart 1953.
Gegeven te Willemstad, de 11de Juni 1953.
STRUYCKEN.
Het lid van de Regeringsraad
voor Algemene Zaken,
M. F. DA COSTA GOMEZ
Het lid van de Regeringsraad
voor Verkeer en Vervoer,
F. KARNER.
Uitgegeven de 19de Juni 1953.
Het lid van de Regeringsraad
voor Algemene Zaken,
M. F. DA COSTA GOMEZ.
— 2 -
86
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 13de Juni 1953 no. 1, bepalende de
opneming in het Publicatieblad van het Koninklijk
Besluit van 29 December 1950 tot uitgifte van een
Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden.
(Staatsblad 1950, no. K. 667).
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,
Gelezen:
de brief dd. 22 Mei 1953 no. 47881/363 van de Minister
van Overzeese Rijksdelen, waarbij het Koninklijk Besluit
van 29 December 1950 tot uitgifte van een Tractatenblad
van het Koninkrijk der Nederlanden (Staatsblad 1950, no.
K. 667) ter bekendmaking wordt aangeboden;
HEFT GOEDGEVONDEN:
Te bepalen, dat bovenaangehaald Koninklijk Besluit
van 29 December 1950 (Staatsblad 1950 no. K. 667) ne
vens dit besluit in het Publicatieblad zal worden bekend
gemaakt.
Willemstad, de 13de Juni 1953.
STRUYCKEN.
Uitgegeven de 19de Juni 1953.
de wnd. Gouvernements-Secretaris,
BOOMGAART.
A" 1953
N° 87
BESLUIT van 29 December 1950 tot uitgifte van een
Tractateriblad van het Koninkrijk der Nederlanden.
WIJ JULIANA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DEK
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, enz., enz., enz.
Op de voordracht van Onze Ministers van Buitenland
se Zaken van 23 December 1950, Directie Kabinet en Pro
tocol/Afdeling Verdragen no. 127730, en van Justitie van
28 December 1950, 6e Afdeling no. 2157;
Overwegende, dat het wenselijk is, een Tractatenblad
van het Koninkrijk der Nederlanden uit te geven;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1.
Er zal, te beginnen met 1 Januari 1951, worden uit
gegeven een „Tractatenblad van het Koninkrijk der Ne
derlanden".
Artikel 2.
In het Tractatenblad zullen zo spoedig mogelijk wor
den geplaatst de tekst en voor zoveel nodig en mogelijk de
vertaling in het Nederlands van, alsmede gegevens be
treffende verdragen en andere overeenkomsten, welke Wij
met vreemde Mogendheden sluiten of waartoe Wij toetre
den.
Hierin kunnen tevens worden geplaatst de tekst en de
vertaling in het Nederlands van, alsmede gegevens betref
fende zodanige verdragen en overeenkomsten, ook indien
zij voor 1 Januari 1951 zijn gesloten.
- 2 —
87
Artikel 3.
De zorg voor de uitgifte van het Tractatenblad wordt
opgedragen aan Onze Minister van Buitenlandse Zaken.
Hij voorziet de in artikel 2 bedoelde tekst, vertaling
en gegevens van het navolgende onderschrift:
„Uitgegeven de
(invulling dagtekening en jaartal).
De Minister van Buitenlandse Zaken,
(ondertekening)"
Onze Minister van Buitenlandse Zaken is belast met
de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad en
in de Nederlandse Staatscourant zal worden geplaatst.
Soestdijk, 29 December 1950.
JULIANA
De Minister van Buitenlandse Zaken,
STIKKER.
De Minister van Justitie,
STRUY CKEN.
Uitgegeven de negentiende Januari 1951.
De Minister van Justitie,
STRUYCKEN.
— 3 —
87
A° 1953
N° 88
P U B L I C A T I E B L A D
LANDSBESLUIT van de 12de Juni 1953 no. 16 tot wijzi
ging van de Beschikking van de 31ste Juli 1947, no. 6152
(P.B. 1947, no. 109) tot vaststelling van een loonrege
ling voor gouvernements-arbeiders en gouvernements
werklieden (P.B. 1947, no. 109).
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,
Op voordracht van het lid van de Regeringsraad voor
Financiën van 13 November 1952;
Gelet op:
artikel 4 van de Gouvernements-Werkliedenverorde-
ning 1944 (P.B. 1944, no. 197),
HEEFT GOEDGEVONDEN:
I. De in de bijlage, opgenomen bij de beschikking van de
31ste Juli 1947 no. 6152 (P.B. 1947, no. 109), tot vast
stelling van een loonregeling voor gouvernements-ar
beiders en gouvernements-werklieden, zoals gewijzigd,
voorkomende loonschalen voor het eiland Bonaire
worden gerekend te zijn ingegaan 1 September 1952
vervangen door de navolgende loonschalen voor het
eilandgebied Bonaire:
WEEKLONEN.
Schaal 1.
Los
Vast
ƒ 38,
ƒ 40,50
ƒ 40,50 — ƒ 44,50
ƒ 1,— en ƒ 1,50
4 x ƒ 1,—
Chauffeur
Normaal aantal diensturen
per week: 50.
Schaal 2.
Los
Vast
ƒ 46,
ƒ 52,50
ƒ 49,
ƒ 57,50
5 x ƒ 1,— en 1 x ƒ 1,50
lx/ 1,— en 5 x ƒ 1,50
Timmerman
Normaal aantal diensturen
per week: 50.
MAANDLONEN.
Schaal 3.
Los
Vast
ƒ H6,
ƒ 132,—
ƒ 124,
ƒ 140,—
4 x ƒ 4,—
4 x ƒ 4,—
Matroos van de haven- Normaal aantal diensturen
boot
per week: 50.
Schaal 4.
Los
Vast
ƒ 240,
ƒ 275,—
ƒ 254,
ƒ 289,—
8 x ƒ 3,— en 2 x ƒ 5,50
8 x ƒ 3,— en 2 x ƒ 5.50
Stuurman-motorist v/d Normaal aantal diensturen
havenboot
per week: 50.
— 2
88
II. 'Te bepalen, dat dit landsbesluit in het Publicatieblad
zal worden opgenomen.
Willemstad, de 12de Juni 1953.
STRUYCKEN.
Het lid van de Regeringsraad
voor Financiën,
PLANTZ.
Uitgegeven de 27ste Juni 1953.
Het lid van de Regeringsraad
voor Algemene Zaken,
M. F. DA COSTA GOMEZ.
— 3 -
88
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 1, waarbij wordt af
gekondigd de Wet van den lsten Juli 1909, houdende be
palingen ter voorkoming van scheepsrampen, tot hel
instellen van een onderzoek omtrent voorgekomen
scheepsrampen en omtrent maatregelen van tucht ten
opzichte van schippers, stuurlieden of
machinisten
(Schepemvet) (Staatsblad 1909, no. 219).
IN NAAM DER KONINGIN!
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen.
Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot
afkondiging van onderstaande wet:
A° 1953
N°
89
(N°. 219.) W E T v a n d e n ls t e n J u l i 1 9 0 9 , h o u d e n d e
bepalingen ter voorkoming van scheepsrampen,
tot liet instellen van een onderzoek omtrent
voorgekomen scheepsrampen en omtrent maat
regelen van tucht ten opzichte van schippers,
stuurlieden of machinisten. (Schepemcet.)
WIJ WILHELMINA, BIJ DE GRATIE Gons, KONINGIN DEK
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te
weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben , dat het wenschelyk
is bepalingen vast te stellen ter voorkoming van scheepsrampen,
tot het instellen van een onderzoek omtrent voorgekomen
scheepsrampen en omtrent maatregelen van tucht ten opzichte
van schippers, stuurlieden of machinisten;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK I.
Inleidende bepalingen.
Artikel 1.
1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
het ondernemen van eene reis; het anders dan tot het doen van
eene proeftocht buitengaats brengen van een schip;
Onze Minister; Onze Minister met de uitvoering van deze wet
belast;
schepelingen; allen , die zich als scheepsofficieren of scheeps
gezellen aan boord bevinden of zich als zoodanig hebben ver
bonden ;
schippei-; elk gezagvoerder van een schip of die dezen vervangt.
2. Voor de toepassing van deze wet wordt onder „schip"
begrepen een vaartuig, een sleepschip, een dok en elk ander
dergelijk dravend voorwerp, hetwelk over zee naar zyne De-
stemming wordt gesleept.
3. Voor de toepassing van deze wet, ook wat de straf
bepalingen betreft, wordt onder „eigenaar" verstaan de persoon,
die het beheer over het schip heeft, hetzij hij eigenaar, reeder
of boekhouder van de reeder'ü van het schip is, hetzij hem het
schip in gebruik is gegeven.
Artikel 2.
1. De bepalingen van de hoofdstukken IT tot en met VI
van deze wet zijn van toepassing op:
a. een zeeschip in den zin van de wet van 28 Mei 1869
(Staatsblad n". 96) betrekkelijk de afgifte van zeebrieven en
vergunningen tot het voeren der Nederlandsche vlag, hetwelk
voldoet aan de eischen, gesteld in artikel 2 dier wet;
b. een in Nederland thuis behoorend vaartuig tot schelp-
visscherij of tot het vervoeren van visch of schelpen gebezigd
wordende;
c. een in Nederland thuis behoorend dok of ander der
gelijk drijvend voorwerp, hetwelk over zee naar zijne bestemming
wordt gesleept;
rf. een in Nederland thuis behoorend zeevisschersvaartuig,
tenzij ^e'; eene onoverdekte of gedeeltelijk overdekte boot is,
welke zich in den regel niet buiten het gezicht van de Neder
landsche kust begeeft;
e. een in Nederland thuis behoorend pleiziervaartuig;
voor zoover het bestemd is dan wel gebezigd wordt om, anders
dan tot bet doen van eene proeftocht, buitengaats te varen.
2. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid
onder b, c, <1 en c wordt een schip geacht in Nederland thuis
te behooren:
I. indien het kantoor, waarvoor het vaart, in Nederland is
gevestigd;
II. indien het in Nederland wordt uitgerust en zijne be
manning voor ten minste de helft uit ingezetenen van Neder
land bestaat.
2
219
HOOFDSTUK II.
VOORKOMING VAN SCHEEPSRAMPEN.
§ 1.
Fan de veiligheidsvoorschriften.
Artikel 3.
1. Er wordt geene reis ondernomen, tenzij voor het schip
overeenkomstig deze wet een certificaat van deugdelijkheid is
afgegeven, hetwelk nog geldig is op het oogenblik van vertrek.
2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat geldt gedurende
den daarin uitgedrukten tijd.
Artikel 4.
De schipper is verplicht, alvorens met zijn schip eene reis te
ondernemen te zorgen dat:
a. aan boord de noodige reddings- en veiligheidsmiddelen,
alsmede heel- en verbandmiddelen aanwezig zijn , in verband
met den dienst, waarin het schip wordt gebruikt, den aard en
den duur der voorgenomen reis en het aautal opvarenden en
de noodige aanwijzingen betrekkelijk een doelmatig gebruik
van de reddingsmiddelen zijn aangebracht;
b. aan boord de noodige zeekaarten, zeilaanwyzingen en in
strumenten aanwezig zijn en deze behoorlijk zijn bijgehouden
of op tijd zijn nagezien en gesteld;
c. alle hulpmiddelen, voorgeschreven ia de bepalingen tot
voorkoming van aanvaringen op zee, aan boord zijn en in
deugdelijken staat verkeeren, en de lantaarns in overeenstem-
miug met deze bepalingen kunnen worden geplaatst;
d. de lensinrichting in orde en van voldoende capaciteit is ;
e. de eventueel in het schip aanwezige electrische inrichtingen
de noodige waarborgen voor de veiligheid aanbieden;
/. het zóódanig is geladen, dat het geen grooteren diepgang
heeft dan blijkens een van Onzentwege, door eene door Ons
te benoemen commissie tot vaststelling van de minimum-uitwa-
tering, af te geven certificaat van uitwatering geoorloofd is;
g. de belading, de stuwage, het ballasten en in het algemeen
de uitrusting van het schip aan de eischen van zeewaardigheid
en veiligheid voldoen;
3
219
li. het schip behoorlijk bemand is en het personeel lichamemK
geschikt is om het schip veilig over zee te brengen;
i. aan boord eene voldoende hoeveelheid brandstof aan
wezig is;
k. — indien het schip een passagiersschip is — niet meer
passagiers z\in ingescheept dan blijkens^ aanteekening op het
certificaat van deugdelijkheid geoorloofd is.
Artikel 5.
1. Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt bepaald:
a. welke opgaven de aanvragen tot het verkrijgen van certi
ficaten van deugdelijkheid moeten bevatten en welke stukken
daarbij moeten worden overgelegd;
b. aan welke eischen ter voldoening aan het bepaalde in
artikel 4 moet worden voldaan;
<*. de regeling voor de vaststelling van den grootsten geoor-
loofden diepgang, het aanbrengen van de laadlijuinerken en de
afgifte van de certificaten van uitwatering;
d. de \v\ize van onderzoek en wat by het onderzoek zoo
door de belanghebbenden als door de ambtenaren moet worden
in acht genomen.
2. De algemeene maatregel van bestuur vermeldt de voor
waarden, welke bij de uitreiking van certificaten van deugde
lijkheid kunnen gesteld worden.
3. De algemeene maatregel van bestuur kan bepalen, dat door
Ons of in Onzen naam geheel, gedeeltelijk of voorwaardelijk
van de daarin vervatte voorschriften vrijstelling kan worden
gegeven.
,
,
,
,
4. De algemeene maatregel van bestuur kan bepalen, dat rte
ter plaatse bevoegde ambtenaar der scheepvaartinspectie in
elk bijzonder geval voorschriften kan geven ter bevordering
van de richtige naleving van in dien algemeenen maatregel
van bestuur vervatte voorschriften.
Artikel 6.
1. Certificaten van deugdelijkheid worden van Onzentwege
door het hoofd van de scheepvaartinspectie in twee exemplaren
mtgereikt^t ^ afgifte van eeu certificaat van deugdelijkheid
geweigerd, dan wordt die weigering inet opgaaf van redenen
aan den aanvrager schriftelijk medegedeeld.
4
219
3. I)e kosten, veroorzaakt door het onderzoek van schepen,
niet geclasseerd by een der door Ons erkende particuliere
onderzoekingsbureaux, worden berekend naar een door Onzen
Minister vast te stellen tarief, en bij de uitreiking van het
certificaat voldaan.
4. Eveneens wordeu de kosten, veroorzaakt door het onder
zoek van schepen en verdere werkzaamheden, noodig voor de
uitreiking van certificaten van uitwatering, voor zoover deze
werkzaamheden niet door een der door Ons erkende particuliere
onderzoekingsbureaux zijn verricht, berekend naar een door
Onzeu Minister vast te stellen tarief, en by de uitreiking van
het certificaat voldaan.
Artikel 7.
1. Certificaten van deugdelijkheid vervallen:
a. door verloop van den termijn, waarvoor zij gelden;
b. wanneer, in het geval van een schip, als bedoeld in artikel
2, eerste lid, onder a, de eigendom van het schip ophoudt te
voldoen aan de voorwaarden, gesteld in artikel 2 van de wet
van 28 Mei 1869 (Staatsblad n°. 96);
e. wanneer het schip wordt verbouwd.
2. Certificaten van deugdelijkheid kunnen door den bevoegden
ambtenaar van de scheepvaartinspectie wordeu ingetrokken, wan
neer het schip schade heeft beloopen of eene herstelling niet
naar behooren is geschied. Van de intrekking wordt den eigenaar
b\j geadviseerden dienstbrief bericht gezonden.
Artikel 8.
1. De beide exemplaren van een vervallen of ingetrokken
certificaat van deugdelijkheid moeten door den eigenaar zoo
spoedig mogelijk aan het hoofd van de scheepvaartinspectie
worden ingezonden, hetzij rechtstreeks, hetzij door tusscbenkomst
van ambtenaren der scheepvaartinspectie, waterschouten, ambte
naren met de in- of uitklaring belast, of van Nederlandsche
diplomatieke, consulaire of koloniale ambtenaren.
2.
Voor een ingezonden certificaat wordt desverlangd een
bewijs van ontvangst uitgereikt of toegezonden.
Artikel 9.
1. De schipper is verplicht om:
a. gedurende de reis alles wat tot de uitrusting van het
schip behoort in deugdelijken staat en voor onmiddellijk gebruik
5
219
gereed te houden, en ook overigens aan alle uit artikel 4 voort
vloeiende eischen te voldoen, een en ander met inachtneming
van de dienaangaande bij en krachtens den in artikel 5 bedoelden
algemeenen maatregel van bestuur gegeven voorschriften;
b. indien gedurende de reis aan het schip, de machinerieën
of de uitrusting gebreken blijken of ontstaan, te trachten deze
gebreken te herstellen;
c. den diepgang van het schip telkens na het innemen van
lading en van brandstoffen op te nemen;
d. — onverminderd het bepaalde bij artikel 359 van het
Wetboek van Koophandel — in het scheepsjournaal gedagtee-
kende en onderteekende verklaringen te stellen en door een der
scheepsofficieren — eerste stuurman of eerste machinist naar
gelang van de zaak, welke het betreft — te doen inede-onder-
teekenen betreffende datgene, wat ter voldoening aan de onder
a, b en c opgelegde verplichtingen is geschied;
c. afschriften van de certificaten van deugdelijkheid en van
uitwatering en van de voorwaarden, krachtens artikel 5, tweede
lid, gesteld, op eene zichtbare wijze aan te brengen op eene voor
alle schepelingen toegankelijke plaats, zoodat dezen van den
inhoud daarvan behoorlijk kunnen kennis nemen.
2. De inrichting van het journaal, waarvoor het model
van Staatswege kosteloos wordt verkrijgbaar gesteld, en de
verplichting om na volbrachte reis of na het verlaten van bet
schip daarvan inzage te geven en afschrift te laten nemen,
worden bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld.
3. In het geval, bedoeld in het eerste lid onder b, is de
schipper voorts verplicht om bij het aandoen van de eerste haven
in het ontbrekende te voorzien, voor zoover dit noodzakelijk is om
de veiligheid van het schip en van de opvarenden te verzekeren.
§ 2. Toezicht.
Artikel 10.
1. Alle schepen blijven aan een voortdurend toezicht van
Regeeringswege onderworpen.
2. Onder de bevelen van Onzen Minister wordt dit toezicht
opgedragen aan door Ons te benoemen ambtenaren, van welke
een door Ons, met den titel van hoofdinspecteur, als hoofd
van de scheepvaartinspectie wordt aangewezen.
6
219
3. De werkkring en de bevoegdheden van de in het vorige
lid bedoelde ambtenaren worden by algemeenen maatregel van
bestuur geregeld.
Artikel 11.
1. üe hoofdinspecteur zendt jaarlijks aan Onzen Minister een
beredeneerd verslag over de werking en toepassing van de wet
telijke voorschriften en den gang van den dienst gedurende
het afgeloopen jaar.
2. Dit verslag wordt, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, aan
de Staten-Generaal overgelegd.
Artikel 12.
De in artikel 10 bedoelde ambtenaren hebben te allen tijde
toegang tot de schepen, waarop deze wet van toepassing is en
tot de plaatsen , waar zoodanige schepen worden gebouwd of
hersteld.
Artikel 13.
De eigenaars, de schippers en de leden der bemanning van
schepen, waarop deze wet van toepassing is, zijn verplicht aan
de in artikel 10 bedoelde ambtenaren desverlangd de voor hun
toezicht noodige inlichtingen te geven.
Artikel 14.
1. Zoowel de werklieden als de hulpmiddelen, welke voor
het onderzoek van een schip noodig zijn, moeten op eene des
betreffende vordering van den bevoegden ambtenaar der scheep
vaartinspectie door den eigenaar of door den schipper ter
beschikking van dezen ambtenaar worden gesteld.
2. De eigenaar en de schipper, alsmede een of meer door
elk hunner aan te wijzen personen, z\jn bevoegd bij het onder
zoek tegenwoordig te zijn.
Artikel 15.
1. Meent de met het onderzoek van een schip belaste ambtenaar,
dat niet is of zal worden voldaan aan het bepaalde in artikel 4 of
aan de voorschriften krachtens artikel 5 gesteld of gegeveh, dan
bericht hij dit zoo spoedig mogelijk aan den eigenaar en aan den
schipper van dat schip en gelijktijdig aan den hoogsten in rang
der ter plaatse bevoegde ambtenaren der scheepvaartinspectie,
7
219
onder mededeeling aan ieder hunner van hetgeen naar zijne
meening ontbreekt.
2. Op verlangen van den eigenaar of van den schipper bericht
hij dezen op welke wijze naar zijne meening in het ontbrekende
kan worden voorzien.
3. Blijkt hem ten slotte, dat niet in voldoende mate aan
z^jne aanwijzingen gevolg is gegeven, dan geeft hij van zijn
gevoelen onder vermelding van redenen aan den eigenaar en
aan den schipper en aan den in het eerste lid bedoelden amb
tenaar der scheepvaartinspectie kennis.
Artikel 16.
1. Indien den ter plaatse bevoegden ambtenaar der scheep
vaartinspectie blijkt, dat een schip niet voorzien is van een
geldig certificaat van deugdelijkheid, is hij gerechtigd het schip
aan te honden.
2. Indien de ter plaatse bevoegde ambtenaar der scheepvaart
inspectie gegronde redenen heeft voor twijfel of een schip, niet
tegenstaande daarvoor een certificaat van deugdelijkheid, als
bedoeld in artikel 3 is afgegeven, voldoende zeewaardig is, dan
wel of aan het bepaalde in artikel 4 of aan de voorschrifteu krach
tens artikel 5 gesteld of gegeven, is of zal worden voldaan, en even
zeer wanneer niet voldaan wordt aan de bepalingen van de
artikelen 12, 13 eïi 14, eerste lid, is hij gerechtigd het schip
voor onderzoek aan te houden. Hij geeft van de aanhouding
onmiddellijk kennis aan den hoofdinspecteur, die zoo spoedig
rnogeliik beslist of een onderzoek zal plaats hebben.
3. Indien schepelingen ten opzichte van hun schip redenen
meenen te hebben voor twijfel over de zeewaardigheid of de
voldoende uitrusting van het schip, zijn zij gerechtigd zich te
wenden tot den ter plaatse bevoegden ambtenaar der scheep
vaartinspectie.
Artikel 17.
1. Van elke aanhouding en van de opheffing daarvan geeft
de bevoegde ambtenaar der scheepvaartinspectie zoo spoedig
mogelijk bij onderteekend en gedagteekend schrijven kennis aan
den eigenaar en aan den schipper van het schip en aan de
betrokken ambtenaren met de in- en uitklaring belast of —
wanneer het een visschersvaartuig geldt — aan den betrokken
waterschout. Aan deze laatsten geeft hij zoo noodig telegrafisch
kennis.
2. Na ontvangst van een bericht van aanhouding, als in het
eerste lid bedoeld, verleenen de daar genoemde belastingambte
naren geene expeditie en laten de daar bedoelde waterschouten
8
219
2.
De onbevoegdverklaring gaat in op den dag van de be-
teekening van de uitspraak.
Artikel 37.
1. Is de betrokkene niet persoonlijk of bij vertegenwoordiger op
de gedane oproeping verschenen , dan wordt verstek tegen hem
verleend en het onderzoek buiten zgne tegenwoordigheid voort
gezet en te zijnen aanzien beslist.
2. Heeft de behandeling der zaak plaats gehad buiten tegen
woordigheid van den onbevoegdverklaarde of diens gemachtigde,
dan kan hij binnen veertien dagen na de beteekening der uit
spraak daartegen verzet doen by eeue schriftelijke memorie, in
te dienen bij den hoofdinspecteur, die daarvan desverlangd
een bewijs van ontvangst afgeeft.
8. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van de uitspraak niet.
4. Was de onbevoegdverklaarde
tijdens de beteekening
der uitspraak niet hier te lande, dan begint de termijn van
veertien dagen eerst te loopen op den dag der aankomst hier
te lande van het schip, waarop de onbevoegdverklaarde dienst
deed, of op den dag van aankomst hier te lande van den on
bevoegdverklaarde, indien deze niet op dat schip terugkeert.
Artikel 38.
1. De hoofdinspecteur geeft van de indiening van de memorie
onmiddellijk kennis aan den voorzitter van den Raad, die onver
wijld dag en uur bepaalt voor de behandeling van het verzet.
2. De hoofdinspecteur roept den onbevoegdverklaarde tegen
het tijdstip, voor de zittiug bepaald, op.
3. De Raad is bevoegd het onderzoek te heropenen of, na den
onbevoegdverklaarde in de gelegenheid te hebben gesteld zijne
memorie mondeling toe te lichten , dadelijk einduitspraak te doen.
4. Wordt bij de einduitspraak na gedaan verzet het ontnemen
der bevoegdheid niet gehandhaafd, dan wordt de bevoegdheid
geacht niet te zyn ontnomen.
Artikel 39.
1. De onbevoegdverklaarde, die in het bezit is van in Neder
land geldige diploma's, is verplicht de diploma's zijner vroegere
bevoegdheid onmiddellijk na de beteekening der uitspraak af
te geven aan den hoofdinspecteur, die de stukken aan Onzen
Minister opzendt.
2. Van de onbevoegdverklaring wordt door Onzen Minister
kennis gegeven aan de waterschouten.
3. Wordt iemand onbevoegd verklaard om als schipper maar
17
219
niet tevens om als stuurman op te treden, dan zal hem ,
zoo hij in bet bezit is van een diploma, waaraan bij zijne be
voegdheid ontleende, desverlangd door Onzen Minister een diploma
als stuurman worden uitgereikt, op welk diploma wordt aange-
teekend, dat by onbevoegd is om als schipper op te treden.
Artikel 40.
Wanneer, nadat door den Raad voor de scheepvaart krachtens
artikel 36 eene bevoegdheid is ontnomen, nieuwe feiten aan
het licht komen, welke tijdens het eerste onderzoek nog niet
bekend waren en welke op de beslissiug invloed zouden kunnen
hebben gehad, wordt door den Raad opnieuw een onderzoek
ingesteld en wordt de zaak voor zooveel noodig opnieuw
behandeld.
Artikel 41.
1. Door den Raad voor de scheepvaart kan de ontnomen
bevoegdheid aan den belanghebbende worden teruggegeven,
wanneer mag worden aangenomen, dat hy geschikt is zijne
beroepsplichten te vervullen.
2.
Van het teruggeven van de ontnomen bevoegdheid wordt
door Onzen Minister kennis gegeven aan de waterschouten.
§ 3.
Algemeene bepalingen.
Artikel 42.
1. Wanneer de behandeling van eene zaak voor den Raad
is afgeloopen, wordt nopens de ramp door den voorzitter van
den Raad in het openbaar uitspraak gedaan.
2. Deze uitspraak moet een overzicht bevatten van den gang
van het gehouden onderzoek.
3. Is door den Raad krachtens het bepaalde in artikel 36
eene bevoegdheid ontnomen, of heeft de Raad tot het ontnemen
van eene bevoegdheid niet besloten, hoewel de hoofdinspecteur
daartoe heeft geraden, dan worden aan dit deel van het onder
zoek in de uitspraak afzonderlijke overwegingen gewijd.
4. Een gewaarmerkt afschrift van de uitspraak wordt zoo
spoedig mogelijk aan Onzen Minister medegedeeld.
5. De uitspraken worden op door Ons te bepalen wijze open
baar gemaakt.
Artikel 43.
1. De termijn van oproeping van getuigen, deskundigen
18
219
en van betrokkenen is, voor het geval zij in het R\jk in Europa
woonachtig
zijn of verblijf houden, van twee vrije dagen.
Is hunne woonplaats elders-of onbekend, dan stelt de voorzitter
van den Raad voor de scheepvaart dien termijn vast. _
2.
De beteekeninpr van oproepingen, van beslissingen en
uitspraken van den Raad voor de scheepvaart geschiedt op last
van den hoofdinspecteur door den deurwaarder van eenig rechter
lik college met achterlating van een afschrift aan den persoon
of aan zijne woon- of verblijfplaats hier te lande.
3.
In geval de beambte met de beteekening belast noch den
persoon van den opgeroepene of beteekende noch iemand van
diens huisgenooteu aan diens woon- of verblijfplaats aantreft,
zal hü het afschrift terstond ter haud stellen aan het hoofd van
het plaatselijk bestuur, of aan dengene, die hem vervangt, die
het oorspronkelijke met gezien zal teekenen en het afschrift zoo
mogelijk aan den betrokkene zal moeten doen toekomen, zonder
dat van dit laatste echter zal behoeven te blijken.
4. Indien de opgeroepene of beteekende hier te lande geene
bekende woon- of verblijfplaats heeft, geschiedt de beteekening
door middel van aauplakking van een afschrift aan het gebouw,
waarin de Raad voor de scheepvaart zitting houdt en van een
ander afschrift aan het gebouw, waarin de havenmeester te
Amsterdam kantoor houdt.
Artikel 44.
1.
De Raad is bij de behandeling van zaken, als in dit hoofd
stuk bedoeld, aan geene andere vormen gebonden, dan bij deze
wet zijn bepaald.
2.
De hoofdinspecteur is bevoegd de zittingen van den Raad,
ook die, welke met gesloten deuren worden gehouden, bij te
wonen. Hij kan zich echter bij alle werkzaamheden in dit
hoofdstuk bedoeld door een inspecteur doen vervangen.
Artikel 45.
De kosten van het onderzoek volgens de bepalingen van dit
hoofdstuk worden gedragen door het Rijk.
Artikel 46.
Aan belanghebbenden wordt kosteloos inzage en voor hunne
kosten uittreksel of afschrift van de uitspraken van den Raad
door den secretaris verstrekt, berekend volgens het tarief voor
uittreksels of afschriften van vonnissen in strafzaken.
Artikel 47.
Blijkt bij het onderzoek, dat door iemand een strafbaar feit
19
219
is gepleegd, dan wordt de bevoegde ambteraar van het open
baar ministerie daarmede door den leider van het onderzoek in
kennis gesteld.
HOOFDSTUK V.
MAATREGELEN VAN TUCHT.
Artikel 48.
1. De schipper, die zich ten opzichte van zijne reederg, de
bevrachters, de schepelingen of
de passagiers op eenigerlei
wijze heeft misdragen, kan, onafhankelijk van de burgerlijke
en de strafvordering, door den Raad voor de scheepvaart, na
ingesteld onderzoek, disciplinair worden gestraft door het uit'
spreken van eene berisping of door ontueming van de bevoegd
heid om gedurende eenen bepaalden tijd, twee jaren niet te
boven gaande, als schipper op een schip, als bedoeld in artikel 2,
te varen.
,
2. Desgelijks kan de schipper, stuurman of machinist door den
Raad voor de scheepvaart disciplinair worden gestraft door het
uitspreken van eene berisping of door ontneming van de bevoegd
heid om gedurende eenen bepaalden tijd, twee jaren niet te
boven gaande, in eene of meer dezer betrekkingen op een
schip, als bedoeld in artikel 2, te varen, een en ander wanneer
de Raad bij het in hoofdstuk IV bedoelde onderzoek tot de
overtuiging komt, dat door zijne daad of nalatigheid eene
scheepsramp is veroorzaakt.
. .
3. De Raad kan bij eene met redenen omkleede beslissing den
betrokkene onbevoegd verklaren om gedurende het onderzoek
als schipper, stuurman of machinist op een schip, als bedoeld
in artikel 2, dienst te doen.
Artikel 49.
1. Het onderzoek ter zake van de in artikel 48, eerste lid,
bedoelde misdragingen heeft, zoo daartoe naar het oordeel van
den Raad voor de scheepvaart termen bestaan, plaats indien
eene aanklacht is ingediend door of op last van den hoofd
inspecteur, door den boekhouder of door een of meer van de
reeders, van de assuradeuren, van de bevrachters, van het scheeps
v o l k o f v a n d e p a s s a g i e r s .
. . . . . . . * .
2.
De aanklacht moet om ontvankelyk te z\jn b^ den hoofd
inspecteur of bij den Raad voor de scheepvaart zijn ingekomen
binnen drie maanden na den dag, waarop de tot klacht ge
rechtigde kennis heeft bekomen van het gepleegde feit, met
219
20
uitbreiding van dien termijn tot drie weken na den dag van
aankomst van het schip ter plaatse van bestemming hier te
lande of van aankomst hier te lande van den aangeklaagde,
indien deze zonder het schip terugkeert.
3. Indien een der tot het indienen van eene aanklacht ge
rechtigde personen, die zich in het buitenland of in de koloniën
of bezittingen van het R\jk in andere werelddeelen bevindt,
grond heelt om te vermoeden verhinderd te zullen zijn, om
binnen den bepaalden termen zijne aanklacht bjj den hoofd
inspecteur of tyj
den Raad in te dienen, kan hij zich binnen
drie weken na den eersten dag, waarop h\j daartoe in de gele
genheid kwam, onder opgave van de redenen van verhindering,
tot het indienen van eene aanklacht wenden tot den bevoegden
consulairen ambtenaar of tot het plaatselijk gezag, door wiens
tusschenkomst de aanklacht wordt ingezonden aan den Raad
voor de scheepvaart.
4. Het recht van onderzoek vervalt wegens verjaring, door
verloop van één jaar nadat de aanklacht bij den Raad voor de
scheepvaart is ingekomen, behoudens, dat elke daad van onder
zoek de verjaring stuit, mits blijke, dat die daad ter kennis
van deu aangeklaagde gebracht is.
Artikel 50.
Ten aanzien van de aanklachten , van het onderzoek en van de
uitspraken van den Raad vóór de scheepvaart, gelden de bepa
lingen van hoofdstuk IV, voor zoover deze voor toepassing
vatbaar zijn.
Artikel 51.
Door Ons kan, den Raad voor de scheepvaart gehoord, de
ontnomen bevoegdheid aan den belanghebbende worden terug
gegeven, of de duur der onbevoegdheid worden bekort.
HOOFDSTUK VI.
STRAFBEPALINGEN.
§ 1.
Straffen in verband mei hel bepaalde in Hoofdstuk II.
Artikel 52.
Met hechtenis van ten hoogste een jaar wordt gestraft de
schipper van een schip, die het verbod, vervat in het vierde lid
van artikel 17, overtreedt.
21
219
Artikel 53.
Met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren wordt gestraft
de eigenaar van een schip, die den schipper van dat schip, door
een der in artikel 47, n° 2 van het Wetboek van Strafrecht
vermelde middelen, opzettelijk beweegt ten aanzien van dat schip
het verbod, vervat iu het vierde lid van artikel 17, te overtreden.
Artikel 54.
Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van
ten hoogste zeshonderd gulden wordt gestraft:
a. de schipper, wiens schip gedurende de reis dieper is ge
laden dan blijkens het certificaat van uitwatering geoorloofd is;
b. de schipper, die in liet geval, bedoeld in artikel 9, derde
lid, nalaat in het ontbrekende te voorzien.
Artikel 55.
Met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren wordt gestraft
de eigenaar van een schip, die den schipper van dat schip, door
een der in artikel 47, n°. 2 van het Wetboek van Strafrecht
vermelde middelen, opzettelijk beweegt om zijn schip gedurende
de reis dieper te laden dan blijkens het certificaat van uit
watering geoorloofd is, of om het voorschrift van artikel 9,
derde lid, te overtreden.
Artikel 56.
Met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van
ten hoogste honderd gulden wordt gestraft overtreding van
een der artikelen 8, eerste lid en 9, eerste lid.
§ 2.
Straffen in verband met het bepaalde in de
Hoofdstukken IV en V.
Artikel 57.
Met geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden wordt ge
straft hij, die in strijd met het bepaalde bij artikel 28 nalaat
inlichtingen te geven of het proces-verbaal mede te onderteekenen.
Artikel 58.
Met geldboete van ten hoogste zestig gulden wordt gestraft
hij, die nadat hij ingevolge artikel 29, artikel 33 of artikel 34
219
22
behoorlijk is opgeroepen, niet verschijnt, of verschenen zijnde, op
de gestelde vragen niet antwoordt.
Artikel 59.
Met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt
gestraft de schipper, die in strijd met het bepaalde bij artikel 32
de opgevorderde bescheiden niet overlegt.
Artikel 60.
Met geldboete van ten hoogste vijfduizend gulden wordt ge
straft de derde, onder wiens berusting de in artikel 32 bedoelde
bescheiden zich bevinden en die de ingevolge dat artikel opge
vorderde bescheiden niet overlegt.
Artikel 61.
Met
geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden wordt
gestraft de onbevoegdverklaarde, die in strijd met het bepaalde
in artikel 39 de diploma's zijner vroegere bevoegdheid niet
inlevert.
§ 3.
Algemeene bepalingen.
Artikel 62.
Indien de eigendom van eeu schip behoort aan eene naam-
looze vennootschap, eene coöperatieve of andere rechtspersoon
lijkheid bezittende vereeniging of eene stichting, worden voor
de toepassing van de artikelen 53 en 55 als eigenaren aange
merkt alle leden van het bestuur, die het strafbare feit hebben
gepleegd.
Artikel 63.
Met het opsporen van de overtredingen van deze wet, zijn,
behalve de bij artikel 8 van het Wetboek van Strafvordering
aangewezen personen, belast de marechaussee, alle ambtenaren
van Rijks- en gemeentepolitie, alsmede de in artikel 10 bedoelde
ambtenaren.
Artikel 64.
1. De in artikel 10 bedoelde ambtenaren zijn, uitgezonderd
tegenover de boven hen gestelde ambtenaren , verplicht tot
geheimhouding van hetgeen hun in plaatsen, waar zij krachtens
artikel 12 binnentreden, omtrent het daar uitgeoefend wordend
bedrijf 's bekend geworden, voor zoover het niet in strijd is
28
219
met de bepalingen van deze ot van eene audere wet. Gelijke ver
plichting rust op den voorzitter, den plaatsvervangenden voor
zitter, den secretaris, den plaatsvervangenden secretaris, de
vaste en buitengewone leden en de plaatsvervangende leden
van den Raad voor de scheepvaart.
.
2. Hij, die opzettelijk de in het vorige lid opgelegde geheim
houding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd
gulden, met of zonder ontzetting van het recht om ambten of
bepaalde ambten te bekleeden.
, • ,
3. Hij, aan wiens schuld schending van die geheimhouding
te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste dne
maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.
4. Geene vervolging heeft plaats dan op klachte van den
eigenaar van het schip of van den schipper of van den bestuurder
van het bedrijf, dat ter plaatse wordt uitgeoefend.
Artikel 65.
De bij deze wet strafbaar gestelde feiten worden beschouwd
als overtredingen, behalve de feiten, strafbaar gesteld b\j
artikel 53, artikel 55 en bij het tweede en derde lid van artikel
64, welke als misdrijven worden beschouwd.
Artikel 66.
Op overtreding van voorschriften der krachtens deze wet uit
gevaardigde algemeene maatregelen van bestuur kan daarbij
straf wordeu gesteld, doch geene andere of hoogere dan hetzy
hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten
hoogste driehonderd gulden, hetzij geldboete van ten hoogste
driehonderd gulden.
HOOFDSTUK VIL
SLOTBEPALINGEN.
Artikel 67.
1. De bij of krachtens deze wet uitgevaardigde bepalingen
betreflende den diepgang en in verband daarmede de des
betreffende bepalingen, vervat in artikel 16. tweede lid, en
artikel 17, eerste, tweede en vierde lid, benevens alle andere b\j
of krachtens deze wet uitgovaardigde bepalingen, welke door
Ons bij algemeenen maatregel van bestuur hiervoor zullen worden
aangewezen, alsmede de desbetreffende strafbepalingen, zijn
inede van toepassing op een schip van vreemde nationaliteit,
24
219
niet vallende onder artikel 2, waarmede uit eene Nederlandsche
haven eene reis zal worden ondernomen, wanneer:
a. in het land, waartoe het schip door zijne nationaliteit
behoort, betreffende dit punt geene bepalingen van kracht zijn,
welke door Ons wordeu geoordeeld in voldoende mate eene
overeenkomstige strekking en draagwijdte te hebben als de hier
te lande geldende wettelijke bepalingen;
b. in het land, waartoe het schip door zijne nationaliteit
behoort, wel bepalingen als onder a bedoeld, van kracht zijn
en deze bepalingen aldaar ook op Nederlandsche schepen worden
toegepast.
2.
De in het vorige lid bedoelde bepalingen zijn echter niet
van toepassing op een schip van vreemde nationaliteit, niet
vallende onder artikel 2, waarmede uit eene Nederlandsche
haven eene reis zal worden ondernomen, wanneer in het land,
waartoe het schip door zijne nationaliteit behoort, wel voor
schriften als in dat lid onder a bedoeld, van kracht zijn, doch
in de wetgeving van dat land eene bepaling voorkomt, krachtens
welke
Nederlandsche schepen, ten
aanzien van welke de
Nederlandsche bepalingen worden
nageleefd, niet aan de
aldaar geldende voorschriften zijn onderworpen , mits blijke, dat
ten aanzien van het vreemde schip wordt voldaan aan de voor
schriften , welke in het eigen land van kracht zijn.
3. Een algemeene maatregel van bestuur, als bedoeld in het
eerste lid, vervalt, indien de daarbij bepaalde aanvulling niet
binnen een jaar na de afkondiging van dien maatregel be
krachtigd is door de wet. Wanneer een voorstel van zoodanige
wet binnen het jaar b\j de Staten-Generaal is aanhangig ge
maakt, kan door Ons deze termijn eenmaal met zes maanden
worden verlengd.
Artikel 68.
Wanneer eeu schip krachtens het bepaalde in het vorige artikel
is aangehouden, wordt van de aanhouding en van de opheffing
daarvan ook kennis gegeven aan den dichtstbii gevestigden cou-
sulairen ambtenaar van het land, waartoe het schip door zijne
nationaliteit behoort.
Artikel 69.
1. Onafhankelijk van het bepaalde in artikel 67 is de ter plaatse
bevoegde ambtenaar der scheepvaartinspectie gerechtigd tot
aanhouding van
een schip van vreemde nationaliteit, niet
vallende onder artikel 2, hetwelk ten gevolge van den ondeug-
25
219
delijken toestand van den romp, de werktuigen ot de uitrusting
of ten gevolge van ondoelmatige belading gevaar voor de op
varenden oplevert.
2.
De ambtenaar geeft van elke aanhouding zoo spoedig
mogelijk, onder opgave van redenen, kennis aan den hoofdinspec
teur, aan den eigenaar er aan den schipper van het schip en
aan den dichtstby gevestigden consulairen ambtenaar van het
land, waartoe het schip door zijne nationaliteit behoort.
3. De consulaire ambtenaar is bevoegd iemand aan te wgzen
om met den ambtenaar de zaak te onderzoeken.
4. Deelt deze persoon de ongunstige meening van den amb
tenaar, dan wordt de aanhouding van het schip niet opgeheven,
vóórdat het gebrek is verholpen.
_
5. Deelt deze persoon de ongunstige meening van den amb
tenaar niet, dan kan tegen de aanhouding beroep worden in
gesteld, en gelden de bepalingen van hoofdstuk II, § 3, alsmede
het bepaalde in artikel 17 betreffende de vergoeding vau kosten
by ongerechtvaardigde aanhouding.
Artikel 70.
Wanneer op de Nederlandsche kust of in de Nederlandsche
zeegaten en riviermonden een niet in artikel 2 bedoeld schip
door eene ramp is getroffen, wordt naar de oorzaken daarvan
een onderzoek ingesteld met inachtneming van de bepalingen
van hoofdstuk IV, voor zoover deze voor toepassing vatbaar zijn.
Artikel 71.
Bij het in werking treden van deze wet zijn ingetrokken de
artikelen 25 a tot en met 25* van de wet van 7 Mei 185C'< (Staats
blad n°. 32), houdende bepalingen omtrent de huishouding
en tucht op de koopvaardijschepen, zooals deze gewijzigd is bu
de wetten van 13 November 1879 (Staatsblad- n . 190) en van
15 April 1886 (Staatsblad n". 64).
Artikel 72.
Alle ten gevolge van deze wet opgemaakte of overgelegde
stukken , verzoekschriften , beroepschriften en beschikkingen zyn
v-r« van het recht van zegel en van de formaliteit van registratie
en worden kosteloos uitgereikt.
Artikel 73.
Bij algemeenen maatregel van bestuur worden de noodige
voorzieningen getroffen ter verzekering van de goede werking
dezer wet, voor zoover (le koloniën en bezittingen in andere
werelddeelen b\j de uitvoering daarvan betrokken zijn.
26
219
Artikel 74.
Hetgeen nog ter uitvoering van deze wet noodig is, wordt
bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld.
Artikel 75.
Deze wet kan worden aangehaald onder den titel „Schepenwet".
Artikel 76.
1. De behandeling van zaken, welke op het oogenblik van
in werking treden van deze wet bij den Raad van Tucht voor
de koopvaardij aanhangig zijn, wordt door dit College beëindigd
met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van de wet
van 7 Mei 1856 {Staatsblad n°. 32), gewijzigd bij de wetten van
13 INovember 1879 (Staatsblad n°. 190) en van 15 April 1886
(.Staatsblad, n°. 64), welke bepalingen, in afwijking van het be
paalde by artikel 71, voor de behandeling van de bedoelde zaken
van kracht blijven.
2. De Raad van Tucht voor de koopvaardij blijft tot na de
afdoening van de in het eerste lid bedoelde zaken in stand.
Artikel 77.
1. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te
bepalen tydstip, met uitzondering van het bepaalde in de
artikelen 3 en 4.
2. Later wordt het tijdstip van in werking treden van de
artikelen 3 en 4 eveneens door Ons vastgesteld.
i
T?4 ^rdt met. betrekking tot het schip, dat zich op
laatstbedoeld tijdstip buitengaats bevindt, eerst van toepassing
na verloop van zes maanden of zooveel vroeger, als dit schip
eene haven in Nederland binnenloopt.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden ge
plaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauw
keurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten paleize het Loo, den Isten Juli 1909.
W I L H E L M I N A .
De Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel,
A. S. T A L M A.
Uitgegeven den tienden Juli 1909.
De Minister van Justitie,
n e l i s s e n .
27
219
9
219
de aangehouden visschersvaartuigen niet vertrekken, alvorens
hun zal zijn bericht, dat de aanhouding is opgeheven.
3. De in het eerste lid bedoelde belastingambtenaren ver-
leenen geene expeditie voor een schip, waarvoor geen geldig
certificaat van deugdelijkheid kan worden vertoond.
4. Het is den schipper verboden met zijn schip eene reis
te ondernemen, wanneer en zoo lang het op grond van het
bepaalde in het eerste of tweede lid van het vorige artikel
door den bevoegden ambtenaar der scheepvaartinspectie voor
onderzoek is aangehouden , of zoo lang als door de ambtenaren,
niet de in- en uitklaring belast, geene expeditie is verleend.
5. Wanneer bij het op de aanhouding gevolgde onderzoek
van den bevoegden ambtenaar of — indien tegen de aanhouding
beroep is ingesteld — by het in beroep ingestelde onderzoek
blijkt, dat het schip in strijd met de aanvankelijke meening van
den ambtenaar op het oogenblik der aanhouding in zeewaar-
digen toestand verkeerde, dan wel dat op dat oogenblik aan
de voorschriften werd voldaan, worden de directe kosten van
het onderzoek door het Rijk gedragen, en worden de eventueel
door het onderzoek aan den eigenaar van het schip veroorzaakte
indirecte kosten, geheel of gedeeltelijk, berekend naar een b\j
algemeenen maatregel van bestuur vast te stellen tarief, door
het Ryk aan den eigenaar vergoed, voor zoover deze de bedoelde
kosten niet heeft kunnen voorkomen.
C.
De toeschatting der in het vorige lid bedoelde vergoeding
geschiedt, ook wanneer geen beroep is ingesteld, door den Raad
voor de scheepvaart.
7. Geene vergoeding wordt uitgekeerd in geval de aanhouding
heeft plaats gehad op grond, dat geen geldig certificaat van
deugdelijkheid kon worden vertoond.
§ 3.
Beroep.
Artikel 18.
1. Beroep van beslissingen en voorschriften van de in artikel 10
bedoelde ambtenaren en van beslissingen van de in artikel 4,
onder ƒ, bedoelde commissie betreffende de afgifte van certifi
caten van uitwatering, kan door den betrokken eigenaar of
schipper worden ingesteld b\j den voorzitter van den Raad voor
de scheepvaart.
2. De voorzitter is verplicht vóór het geven van zijne beslissing
de ter zake meest bevoegde leden van den Raad te raadplegen
en zijne uitspraak niet redenen te omkleeden.
Artikel 19.
1. Eene uitspraak in beroep gegeven, waarbij wordt afge-
weken van de beslissing of het voorschrift, waarvan beroep is
ingesteld, treedt in de plaats daarvan.
2. Indien de uitspraak strekt tot vernietiging van eene be
slissing, houdende weigering van afgifte van een certificaat van
deugdelijkheid wordt alsnog zoo spoedig mogelijk van Onzent-
wege door het hoofd van de scheepvaartinspectie een certificaat
van deugdelijkheid in twee exemplaren uitgereikt.
3. Strekt de uitspraak tot wijziging van eene beslissing van
de in artikel 4, onder ƒ, bedoelde commissie betreffende de af
gifte van een certificaat van uitwatering, dan wordt zoo spoedig
mogelijk van Onzentwege door deze commissie een nieuw cer
tificaat van uitwatering afgegeven.
4. Van elke in beroep gedane uitspraak wordt onverwijld
een gedagteekend afschrift gezonden aan hem, die het beroep
heeft ingestefd.
Artikel 20.
Behalve waar het eene beslissing betreft door den bevoegden
ambtenaar van de scheepvaartinspectie krachtens artikel 16
genomen, vloeit uit eene beslissing of een voorschrift geenerlei
verplichting voort, zoolang omtrent een daarvan ingesteld beroep
niet is beslist.
Artikel 21.
1. Hij, die een beroep van eene beslissing of een voorschrift
instelt, zet in z\jn beroepschrift zijne bezwaren tegen die beslissing
of dat voorschrift uiteen en zendt gelijktijdig een afschrift van
het beroepschrift aan den ambtenaar of de commissie, van
wiens of wier beslissing of voorschrift hij beroep instelt en aan
den hoofdinspecteur, indien deze niet is de ambtenaar van wiens
beslissing of voorschrift beroep wordt ingesteld.
2. Alvorens uitspraak te doen is de voorzitter van den Raad
voor de scheepvaart steeds bevoegd en op aanvrage van den
appellant, van den ambtenaar van wiens, of van den voorzitter
der commissie, van wier beslissing of voorschrift beroep is inge
steld of van den hoofdinspecteur, verplicht aan ieder hunner
gelegenheid te geven hunne bezwaren mondeling in persoon of
bij gemachtigde toe te lichten.
Artikel 22.
De verdere regelen, bij de behandeling van beroepen in acht
te nemen, worden door Ons vastgesteld.
10
219
11
219
HOOFDSTUK III.
VAN DEN RAAD VOOR DE SCBEKPVAAKT.
Artikel 23.
1. De Raad voor de scheepvaart is gevestigd te Amsterdam,
maar is bevoegd bij uitzondering in andere gemeenten hier te
lande tö vergaderen.
2. De Raad bestaat uit een voorzitter, die moet zijn doctor
in de rechtswetenschap, en vier vaste leden, van wie twee
zee-officier of oud zee-officier en twee schipper of oud-schipper
ter koopvaardij.
3. Verder worden benoemd twaalf buitengewone leden, vau
wie drie reeders of oud-reeders en drie schippers of oud-schippers,
onderscheidenlijk van de groote vaart, de kleine vaart en de
zeevisschery, een werktuigkundige, een electrotechnicns, drie
scheepsbouwkundigen, onderscheidenlijk bekend met den bouw
vau schepen voor de groote vaart, de kleine vaart en de zeevis-
scherij en een machinist of oud-machinist. De reeders en schippers
van de groote vaart, de kleine vaart eu de zeevisscherij nemen
onderscheidenlük zitting naar gelang het te behandelen geval
behoort tot de groote vaart, de kleine vaart of de zeevisscherij.
De werktuigkundige, de electrotechnicus, de scheepsbouwkundigen
en de machinist of oud-machinist nemen zitting wanneer de
voorzitter of de Raad van oordeel is, dat hunne tegenwoordig
heid door den aard van het te behandelen geval wenschelijk
wordt gemaakt. Ook de zitting nemende buitengewone leden
nemen aan de stemmingen deel.
4. Voorts worden benoemd een plaatsvervangend voorzitter,
die moet zijn doctor in de rechtswetenschap en de noodige plaats
vervangende leden, die invallen bij ontstentenis van vaste of
buitengewone leden.
5. Aan den Raad wordt als secretaris verbonden een doctor
in de rechts- of staatswetenschap en kan voorts een plaatsver
vangend secretaris, die eveneens doctor in de rechts- of staats
wetenschap moet zyn, worden verbonden.
6. De in het tweede, derde, vierde en vijfde lid bedoelde
personen worden door Ons benoemd, telkens voor den tijd van
ten hoogste vier jaren.
7. Voor de toepassing van dit artikel wordt een directeur of
oud-directeur van eene scheepvaartmaatschappij als reeder of
oud-reeder aangemerkt.
8. Door Ons worden de werkkring en de bevoegdheden van
den voorzitter, van de vast6 en buitengewone leden, van den
secretaris en van hunne plaatsvervangers vastgesteld en worden
de geldelijke schadeloosstellingen van de vaste en buitengewone
leden en van hunne plaatsvervangers geregeld, benevens de
bezoldigingen van den voorzitter en van den secretaris en de
geldelijke schadeloosstellingen van hunne plaatsvervangers.
9. Eveneens worden door Ons de werkkring en de bevoegd
heden geregeld van den hoofdinspecteur en van andere ambte
naren van de scheepvaartinspectie, in verband met hunnen arbeid
b\j den Raad voor de scheepvaart.
Artikel 24.
Het bjj de artikelen 12 en 13 ten aanzien van de ambte
naren bepaalde is ook van toepassing ten aanzien van den voor
zitter, den plaatsvervangenden voorzitter, den secretaris, den
plaatsvervangenden secretaris, de vaste en de buitengewone leden
en de plaatsvervangende leden van den Raad voor de scheepvaart.
Artikel 25.
De voorzitter, do plaatsvervangende voorzitter, de vaste en
de buitengewone leden en de plaatsvervangende leden van den
Raad onthouden zich van deelneming aan de behandeling van
zaken, welke hen of hunne bloed- en aanverwanten tot en met
den vierden graad, persoonlijk aangaan, of waarin zij als ge
machtigden zijn betrokken.
Artikel 26.
1. De zittingen van den Raad worden in het openbaar gehouden
tenzij de Raad, om in de uitspraak te vermelden redenen, mocht
besluiten de behandeling van eene zaak geheel of gedeeltelik
met gesloten deuren te doen plaats hebben.
2. De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de vaste
en de buitengewone leden en de plaatsvervangende leden, de
secretaris en de plaatsvervangende secretaris zijn verplicht het
geheim der raadkamer te bewaren.
3. Voor het nemen van beslissingen moet de Raad ten minste
uit vijf leden, den voorzitter of plaatsvervangenden voorzitter
inbegrepen, bestaan. Ingeval van staking van stemmen^ wordt,
wanneer het geldt eene beslissing, als in de artikelen 36 en 48
bedoeld, geacht ten voordeele van den betrokken schipper,
stuurman of machinist te zijn beslist; in alle andere gevallen
is in geval van staking van stemmen de stem van den voor
zitter beslissend.
12
219
13
219
HOOFDSTUK IV.
O N D K R Z O E K V A N S C H E K P S R A M P K N .
§ 1.
Fan het onderzoek.
Artikel 27.
1. Van Staatswege wordt onderzoek gedaan naar de oorzaken
van plaats gehad hebbende scheepsrampen.
2. Het onderzoek bestaat uit een voorloopig onderzoek dooi
de scheepvaartinspectie, zoo noodig gevolgd door een onderzoek
door den Raad voor de scheepvaart.
3. Het voorloopig onderzoek wordt ingesteld wanneer een
schip door eene ramp is getroffen.
Artikel 28.
1. De commissarissen der loodsen zenden onverwijld aan den
hoofdinspecteur afschriften van de door hen over scheepsrampen
opgemaakte processen-verbaal, die mede door de door hen
gehoorde personen, ieder voor zooveel zijne eigene verklaring
betreft, worden onderteekend.
2. De autoriteiten, ten wier overstaan scheepsverklaringen,
als bedoeld in artikel 383 van het Wetboek van Koophandel zijn
afgelegd, zenden onverwijld afschriften van deze stukken aan
den hoofdinspecteur.
3. De Nederlandsche consulaire ambtenaren en de Neder-
landsche koloniale ambtenaren, die daartoe door de koloniale
overheid worden aangewezen, maken van elke in hun ambts
gebied aan een schip, als bedoeld in artikel 2, overkomen ramp
een proces-verbaal op en zenden dit, nadat het ook door de
door hen gehoorde personen onderteekend is en wel door ieder
voor zooveel z\jue eigene verklaring betreft, onverwijld aan den
hoofdinspecteur.
4. De personen, die ingevolge het bepaalde by het eerste en
derde lid van dit artikel worden uitgenoodigd tot het geven van
inlichtingen en tot het onderteekenen van het proces-verbaal,
zyn verplicht aan die uitnoodiging gevolg te geven.
5. Indien de in het vorige lid bedoelde personen öf weigeren,
of nalaten, öf niet by machte z\jn het proces-verbaal te onder-
teekeuen, wordt daarvan, onder vermelding der reden, in het
proces-verbaal melding gemaakt.
Artikel 29.
1. De hoofdinspecteur stelt nopens elke te zijner kennis
gekomen scheepsramp een onderzoek in of doet dit instellen
door een of meer der in artikel 10 bedoelde ambtenaren en deelt
de uitkomsten van dit onderzoek zoo spoedig mogelijk onder
overlegging van stukken aan den voorzitter van den Raad
mede, vergezeld van z\jn voorstel om met bet oog op aard en
omvang van de ramp al dan niet eeu onderzoek daarnaar dooi
den Raad te doen instellen.
2. Over bet voorstel van den hoofdinspecteur om al dan niet
een onderzoek in te stellen wordt beslist door eene commissie
uit den Raad, bestaande uit deu voorzitter en twee door dezen
opgeroepen leden. Wijst deze commissie bet voorstel af, dan
heeft de hoofdinspecteur het recht te vorderen, dat de Raad de
beslissing herziet, waarna de voorzitter zoo spoedig mogelijk
den Raad bijeenroept, die — na den hoofdinspecteur te hebben
gehoord — ter zake eene eindbeslissing neemt.
3. Wanneer beslist is, dat een onderzoek zal worden inge
steld, stelt de voorzitter de plaats, den dag en het uur daarvoor
vast en worden door den hoofdinspecteur in overleg met den
voorzitter van den Raad de noodige getuigen en deskundigen
tegen die zitting van den Raad opgeroepen.
4. De commissie en de Raad zyn bevoegd zoo noodig den
hoofdinspecteur op te dragen middelerwijl nog nopens bepaalde
onderwerpen nadere gegevens te verzamelen.
Artikel 30.
1. De artikelen 7, tweede en derde lid, 8—11, 13—17, 19,
23, eerste lid, en 25 der wet van 5 Augustus 1850 (Staatsblad
n°. 45), gewijzigd bij de wet van 31 December 1887 (Staatsblad
n°. 265) zijn, voor zoover zij niet afwijken van de voorgaande
bepalingen dezer wet, van toepassing op het onderzoek, in te
stellen door den hoofdinspecteur of de door hem krachtens
artikel 29, eerste lid, met het onderzoek belaste ambtenaren en
door den Raad.
... i
2. Dezen komen dezelfde bevoegdheden toe als bi) die artikelen
aan de commissie van onderzoek zijn toegekend.
3. Nochtans zal in het geval, geregeld bij artikel 13 der in
het eerste lid genoemde wet, het bevel van medebrengmg mede
door den voorzitter van den Raad kunnen worden verleend.
Artikel 31.
Aan getuigen en deskundigen wordt, zoo zij dit verlangen,
eene schadeloosstelling toegelegd naar den maatstaf der tarieven
van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zaken.
Artikel 32.
1. De hoofdinspecteur, de voorzitter van den Raad en de
14
219
Raad kunnen overlegging vorderen binnen een bepaalden termijn
van scheepsjournalen, maehinekamerjournalen, scheepsverklarin-
gen, monsterrollen, strafregisters en van alle andere voor het
onderzoek vereischte bescheiden, zoowel van de schippers der
schepen, bij de scheepsramp betrokken geweest, als van ieder
ander, die de stukken onder zgne berusting heeft.
2.
Bij verzuim van overlegging binnen den gestelden termijn
wordt daarvan proces-verbaal opgemaakt, waarmede gehandeld
wordt als bepaald bij artikel 16 der wet van 5 Augustus 1850
(Staatsblad n". 45), gewijzigd bij de wet van 31 December 1887
(Staatsblad n', 265) en dat de bewijskracht bezit in artikel 11
dier wet omschreven.
Artikel 33.
1. De schipper, de stuurlieden en de machinisten van een
schip, hetwelk door eene ramp is getroffen of eene ramp heeft
veroorzaakt, en voorts ieder, die zich by een onderzoek naar
zoodanige ramp betrokken acht, kunnen verzoeken, zoowel dat
zij zei ven gehoord worden, als ook bepaaldelijk door hen aan
gewezen personen.
2. Van zoodauige verzoeken wordt, indien daaraan door den
leider van het onderzoek geen gehoor wordt gegeven, in het
proces-verbaal van het onderzoek aanteekening gehouden.
3. De verzoekers mogen tot de verschenen getuigen vragen
doen richten, met dien verstande, dat aan den leider van het
onderzoek de beslissing blijft, of eene vraag al dan niet zal
worden gesteld.
§ 2. Ongeschiktheid van schippers, stuurlieden of machinisten.
Artikel 34.
1. Indien tijdens het onderzoek, gehouden door of op last van
den hoofdinspecteur, omstandigheden aan het licht komen, welke
bij hem de vraag doen rijzen of de ramp is veroorzaakt door
de ongeschiktheid van den schipper of van een of meer stuurlieden
of machinisten, verbindt hij aan zy'n voorstel om een onderzoek
naar de scheepsramp te doen instellen de voordracht om dien
schipper, stuurman of machinist te hooren.
2. Beslist de commissie uit den Raad of de Raad, dat de
schipper, stuurman of machinist ter zake zal worden gehoord,
dan wordt den betrokkene op last van den hoofdinspecteur een
afschrift der beslissing beteekend, met oproeping om ter zitting
van den Raad, bedoeld in artikel 29, derde lid, te verschijnen,
op welke zitting alsdan tevens naar de gerezen vraag een onderzoek
wordt ingesteld.
15
219
3. Indien echter eerst tijdens het onderzoek, door den Raad
gehouden, omstandigheden aan het licht komen, welke bij den
hoofdinspecteur of by den Raad de vraag doen ryzen, ot de
ramp is veroorzaakt door de ongeschiktheid van den schipper ot
van een of meer stuurlieden of machinisten, dan kan de Raad
op voorstel van den hoofdinspecteur of uit eigen beweging
besluiten, dat ook over deze vraag het onderzoek zal loopen.
4. Is de betrokkene ter zitting aanwezig, dan deelt de voor
zitter hem de beslissing van den Raad mede. Aan den betrokkene
kan op zijn verzoek een uitstel voor de verdere behandeling van
de zaak worden verleend.
,
5. Is de betrokkene niet ter zitting aanwezig, dan wordt de
verdere behandeling der zaak geschorst tot een nader dooi den
voorzitter te bepalen dag en uur en wordt de betrokkene op last
van den hoofdinspecteur onder beteekening van s Kaads be
slissing tegen die zitting opgeroepen.
6. De betrokkene heeft het recbt zich bn de behandeling
zijner zaak door een raadsman te doen bijstaan of zich te doen
vertegenwoordigen door een bijzonder voor dit doel gemachtigde,
behoudens de verplichting van den betrokkene om in persoon te
v e r s c h i j n e n , w a n n e e r d e R a a d d i t v o i d e i t .
. . .
7
De Raad kan in de gevallen, bedoeld in bet tweede en
derde lid, bij eene met redenen omkleede beslissing den betrok
kene tevens onbevoegd verklaren om gedurende bet onderzoek
als schipper, stuurman of machinist op een schip, als bedoeld
in artikel 2, dienst te doen.
Artikel 35.
1. De betrokkene kan verzoeken, dat reeds gehoorde getuigen
of nader door hem bepaald aangewezen personen alsnog zullen
worden gehoord. Bij afwijzing van dit verzoek wordt daarvan
aanteekening gehouden in het proces-verbaal der zitting.
2. Van het afleggen van verklaringen als getuige ot deskundige
kunnen zich verscboonen des betrokkenen echtgenoot en zyne
bloed- en aanverwanten tot den vierden graad ingesloten.
Artikel 36.
1 Acht de Raad de ramp veroorzaakt door de ongeschiktheid
van den schipper of van een of meer stuurlieden of machinisten
dan kan hij, hetzij op vordering van den hoofdinspecteur, hetzy
dien hoofdambtenaar gehoord, bij eene met redenen omkleede
beslissing den betrokkene onbevoegd verklaren om als schipper,
stuurman of machinist op een schip, als bedoeld in artikel
dienst te doen.
16
219
Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be
volen.
Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953.
STRUYCKEN.
Uitgegeven de 26ste Juni 1953.
De wnd. Gouvernements-Secretaris,
BOOMGAART,
— 3 —
89
A° 1953
N" 90
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 2, waarbij wordt af
gekondigd de wet van den 23sten September 1912, tot
wijziging van de Schepenwet (Staatsblad 1912, no. 305)
IN NAAM DER KONINGIN!
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen.
Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot
afkondiging van onderstaande wet:
( N •
W E T v a n d e n 2 3 s t e n S e p t e m b e r 1 9 1 2 , t o t
wijziging van de Schepenwet.
WIJ WILHELMINA, BIJ DE
GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te
weten:
Alzpo wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelyk
is de wet van 1 Juli 1909 (Staatsblad n°. 219), houdende be
palingen ter voorkoming van scheepsrampen, tot het instellen
van een onderzoek omtrent voorgekomen scheepsrampen en
omtrent maatregelen van tucht ten opzichte van schippers,
stuurlieden of machinisten (Schepenwet) te wijzigen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
In de Schepenwet worden de in de artikelen I tot en met
XXYI omschreven wijzigingen aangebracht.
Artikel I.
De aanhef van artikel 1, eerste lid, wordt gelezen als volgt:
1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
buitengaats brengen, voor zoover het betreft het verlaten van
Nederland: het brengen van het schip aan de buitenzijde van
de lijn, loopende van den Hoek van deKnock in Oost-Friesland,
langs de Oostelijke tonnen van het Oost-Friesche gaatje en
het Doekegat, naar de Zuidelijkste punt van het eiland Bor-
kum, vervolgens langs de Zuid-Westkust van dit eiland tot
de Westelijkste punt daarvan, voorts over de Noordelijkste
punten van de eilanden Rottum, Schiermonnikoog en Ameland
langs de Noord- en Noordwestkust van Terschelling, vandaar
305
2
langs de Noordwestkust der eilanden Vlieland en Texel tot de
Westelijkste punt van laatstgenoemd eiland, vandaar naar de
Noord-Hollandsche kust ter hoogte van den lichtopstand van
Falga en langs de Noord- en Zuid-Hollandsche kustlijn, waar
binnen zijn begrepen de zeehoofden der havens, langs de Wes
telijkste punten der eilanden Voorne, Goeree, Schouwen en
Walcheren naar het punt van grensscheiding aan de zeezijde
tusschen Nederland en België; het havenhoofd te Borkum
wordt geacht binnen de lijn te liggen;
het ondernemen van eene reis;
Het slot van artikel 1, tweede lid, wordt gelezen als volgt:
.... gesleept, en onder „passagiersschip" een schip, dat
ingericht is voor het vervoeren van meer dan twaalf passagiers.
Artikel II.
Artikel 2 wordt gelezen als volgt:
1. De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de
in Nederland thuis behoorende schepen, welke bestemd zijn
dan wel gebezigd worden om eene reis te ondernemen, met
uitzondering van:
a. vaartuigen in dienst van het Rijk;
b. reddingsvaartuigen;
c
onoverdekte of gedeeltelijk overdekte visschersvaartuigen,
welke zich in den regel niet buiten het gezicht van de Neder-
landsche kust begeven;
d. pleiziervaartuigen, welke uitsluitend als zoodanig worden
gebezigd;
e. schepen, welke varen onder vreemde vlag en welke niet
vallen onder de omschrijving, voorkomende in het tweede lid
van dit artikel onder II;
f. schepen, welke varen met Nederlandsch-Indische, Suii-
naamsche of Curaqaosche zeebrieven;
en, behoudens het bepaalde in artikel 2 bis:
g. schepen, welke slechts bij uitzondering en over korten
afstand buiten de in artikel 1 genoemde lijn varen;
h. schepen, welke hetzij hier te lande voor buitenlandsche
305
rekening zijn gebouwd hetzij naar het buitenland zijn ver
kocht, en welke over zee naar hunne bestemmingsplaats moeten
worden gebracht.
2.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid
wordt een schip geacht in Nederland thuis te behooren in de
twee na te noemen gevallen:
1.
indien het kantoor, waarvoor het vaart, in Nederland
is gevestigd;
II. indien het in Nederland wordt uitgerust en zijne be
manning voor ten minste de helft uit ingezetenen van Neder
land bestaat.
Artikel III.
Achter artikel 2 wordt ingevoegd een artikel 2bis, luidende:
Artikel 2 bis. Schippers van schepen, bedoeld onder de uit
zonderingen g en h van artikel 2, eerste lid, mogen met hun
schip geene reis ondernemen zonder vooraf de vergunning te
hebben gevraagd van het hoofd van het district, waarbinnen
het schip zich bevindt, en van dezen eene schriftelijke verkla
ring te hebben ontvangen, inhoudende, dat hij, met het oog
op gevaar voor de opvarenden, geen bezwaar tegen de voor
genomen reis maakt. Het districtshoofd bepaalt voor welken
termijn de vergunning zal gelden. Weigert het districtshoofd
eene zoodanige verklaring af te geven, dan staat hiertegen
beroep open bij den hoofdinspecteur. Maakt ook deze bezwaar,
dan kan de schipper een certificaat vragen, in welk geval de
uitzondering niet van toepassing is.
Artikel IV.
Artikel 3, tweede lid, wordt gelezen als volgt:
2. Het in het eerste lid bedoelde certificaat geldt gedurende
den daarin uitgedrukten tijd en voor de daarin genoemde
wateren, indien er aanleiding is om ten gevolge van den bouw,
den toestand of de uitrusting van het schip hieromtrent
beperkende bepalingen te maken.
Artikel V.
In artikel 4 worden onder a na: „verbandmiddelen" inge-
o
O
305
4
voegd de woorden: „en eene desbetreffende handleiding",
worden onder f vóór de woorden: „het zoodanig is geladen"
ingevoegd de woorden: „—tenzij het een visschersvaartuigis—
en worden onder k na: „—• indien het schip een passagiers
schip is — ingevoegd de woorden: „het schip voor het ver
voeren van passagiers behoorlijk is ingericht en".
Artikel VI.
Artikel 7, eerste lid, wordt gelezen als volgt:
1. Certificaten van deugdelijkheid vervallen:
a. door verloop van den termijn, waarvoor zij gelden;
b. indien het schip ophoudt te behooren tot de categorie
van schepen, waarop deze wet ingevolge artikel 2 van toe
passing is;
c. wanneer het schip wordt verbouwd;
<1.
wanneer het schip van naam verandert of een ander
letterteeken of nummer krijgt. In dat geval wordt op aanvrage
een nieuw certificaat van deugdelijkheid voor den termijn van
het vervallen certificaat uitgereikt.
Artikel VII.
Artikel 9, tweede lid, wordt vervangen door twee leden
luidende:
2.
De inrichting van het journaal, waarvoor het model
van Staatswege kosteloos wordt verkrijgbaar gesteld, wordt
bij algemeenen maatregel van bestuur geregeld.
3. De schipper is verplicht het journaal behoorlijk bij te
houden en er na volbrachte reis of na het verlaten van het
schip inzage van te geven aan en afschrift van te laten
nemen door het districtshoofd der scheepvaartinspectie of den
ambtenaar, die hem vervangt en is voorts verplicht steeds op
eerste aanvraag van het journaal inzage te geven aan de in
artikel 63 bedoelde ambtenaren.
Artikel 9, derde lid, wordt artikel 9, vierde lid.
In artikel 55 wordt in plaats van „artikel 9, derde lid",
gelezen: „artikel 9, vierde lid".
5
305
Artikel VIII.
In artikel 14, eerste lid, wordt in plaats van: „den bevoegden
ambtenaar" gelezen: -„een ambtenaar".
Artikel IX.
De aanhef van artikel 15, eerste lid, wordt gelezen als volgt:
1. Meent een ambtenaar der scheepvaartinspectie, dat ....
Artikel X.
De aanhef van artikel 16, eerste lid, wordt gelezen als volgt:
1. Indien aan een ambtenaar der scheepvaartinspectie....
De aanhef van artikel 16, tweede lid, wordt gelezen als
volgt:
2. Indien een ambtenaar der scheepvaartinspectie....
Het slot van artikel 16, derde lid, wordt gelezen als volgt:
zijn zij, indien het schip zich binnenslands bevindt, ge
rechtigd zich te wenden tot het districtshoofd en, indien het
schip zich buitenslands bevindt, tot den hoofdinspecteur.
Artikel XI.
In artikel 17, eerste lid, wordt in plaats van: „de bevoegde
ambtenaar der scheepvaartinspectie" gelezen: „de ambtenaar
der scheepvaartinspectie, die de aanhouding heeft gedaan,".
Artikel 17, derde lid, wordt gelezen als volgt:
3. De in het eerste lid bedoelde belastingambtenaren ver-
leenen geene expeditie voor een schip, waarvoor geen geldig
certificaat van deugdelijkheid of geene geldige verklaring, als
bedoeld in artikel 2bis, kan worden vertoond en dat bestemd
is om anders dan tot het doen van eene proeftocht buiten
gaats te worden gebracht.
In artikel 17, vierde lid, wordt in plaats van: „den bevoeg
den ambtenaar" gelezen: „een ambtenaar" en worden de
woorden: „voor onderzoek" geschrapt.
In artikel 17, vijfde lid, wordt in plaats van: „den bevoeg
den ambtenaar" gelezen: „den ambtenaar".
305
6
Artikel XII.
De aanhef van artikel 20 wordt gelezen als volgt:
Behalve waar het eene beslissing betreft door een ambte
naar
Artikel XIII.
In artikel 33, eerste lid, wordt in plaats van: „die zich bij
een onderzoek naar zoodanige ramp betrokken acht" gelezen:
„die meent over de oorzaken van de ramp licht te kunnen
verspreiden".
Het slot van artikel 33, eerste lid, wordt gelezen als volgt:
als ook bepaaldelijk door hen aangewezen personen, van wie
evenzeer het geven van ter zake dienende inlichtingen kan
worden verwacht.
Aan artikel 33 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:
4. Bij dit onderzoek is het niet toegelaten zich door een
raadsman te doen bijstaan of zich te doen vertegenwoordigen
door een gemachtigde.
Artikel XIV.
De aanhef van artikel 49, eerste lid, wordt gelezen als volgt:
1. Het onderzoek ter zake van de in artikel 48, eerste lidr
bedoelde misdragingen heeft, zoo daartoe naar het oordeel van
eene commissie uit den Raad, bestaande uit den voorzitter en
twee door dezen opgeroepen leden, termen bestaan, . . . .
Artikel XV.
Het opschrift van § 1 van hoofdstuk VI Strafbepalingen
wordt gelezen als volgt:
§ 1. Straffen in verband met het bepaalde
in de Hoofdstukken I en II.
Artikel XVI.
Artikel 52 wordt gelezen als volgt:
Met hechtenis van ten hoogste een jaar wordt gestraft:
a. de schipper van een schip, die het verbod, vervat in
het vierde lid van artikel 17, overtreedt;
7
305
b. de schipper, die eene reis onderneemt of voortzet, wanneer
een op het oogenblik van het ondernemen of voortzetten van
de reis nog geldig certificaat van deugdelijkheid of geldige
verklaring, als bedoeld in artikel 2bis, niet afgegeven is.
Artikel XVII.
Artikel 53 wordt gelezen als volgt:
Met gevangenisstraf
van ten hoogste tien jaren wordt
gestraft de eigenaar van een schip, die den schipper van dat
schip, door een der in artikel 47, n°. 2 van het Wetboek
van Strafrecht vermelde middelen, opzettelijk beweegt ten
aanzien van dat schip het verbod, vervat in het vierde lid
van artikel 17, te overtreden, of met dat schip eene reis te
ondernemen of voort te zetten, wanneer een op het oogenblik
van het ondernemen of voortzetten van de reis nog geldig
certificaat van deugdelijkheid of geldige verklaring, als bedoeld
in artikel 2bis, niet afgegeven is.
Artikel XVIII.
Artikel 54 wordt gelezen als volgt:
Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete
van teri hoogste drie honderd gulden wordt gestraft:
a. de eigenaar of de schipper, die niet. het geldig certificaat
van deugdelijkheid of de geldige verklaring, als bedoeld in
artikel 2bis, op eerste aanvraag vertoont aan de in artikel 63
bedoelde ambtenaren. Niet strafbaar is hij, die aan voormelde
aanvraag geen gevolg geeft, omdat hij dat stuk nog niet heeft
kunnen verkrijgen;
b. de schipper, die niet het certificaat van uitwatering op
eerste aanvraag vertoont aan de in artikel 63 bedoelde ambte
naren.
Artikel XIX.
Achter artikel 54 wordt ingevoegd een artikel bibis, luidende:
Artikel 54bis. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden
of geldboete van ten hoogste zes honderd gulden wordt
gestraft:
a. de schipper, wiens schip gedurende de reis dieper is
geladen dan blijkens het certificaat van uitwatering geoor
loofd is;
b. de schipper, die in het geval, bedoeld in artikel 9,
vierde lid, nalaat in het ontbrekende te voorzien.
Artikel XX.
In artikel 56 wordt in plaats van „artikel 9, eerste lid",
gelezen: „artikel 9, eerste en derde lid .
Artikel XXI.
In artikel 63 w.orden achter het woord „gemeentepolitie,
ingevoegd de woorden: „de Nederlandsche consulaire ambte
naren en de Nederlandsche koloniale ambtenaren, die daartoe
door de koloniale overheid worden aangewezen,"
Aan artikel 63 wordt een slotzinsnede toegevoegd: luidende:
De door een Nederlandschen consulairen of kolonialen ambte
naar opgemaakte processen-verbaal gelden als wettig bewijs
middel der door hen geconstateerde daarin omschreven ovei-
tredingen, mits zij bevestigd worden door zijn daarin opgenomen
schriftelijken eed (belofte).
Artikel XXII.
De aanhef van artikel 65 wordt gelezen als volgt:
De bij en krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten ....
Artikel XXIII.
Achter artikel 66 wordt ingevoegd een artikel 66 bis,
luidende:
Artikel 66bis. De bij en krachtens deze wet gestelde straf
bepalingen zijn toepasselijk op ieder, die zich hetzy binnen,
hetzij buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan eenig bij
of krachtens deze wet strafbaar gesteld feit.
Artikel XXTV.
In artikel 67, eerste en tweede lid, en in artikel 69, eerste
lid, wordt in plaats van: „ , niet vallende onder artikel 2,
8
305
9
305
gelezen: „ , dat niet ingevolge de artiken 2 of 2bis onder de
bepalingen van deze wet valt,".
Artikel XXV.
De aanhef van artikel 69, eerste lid, wordt gelezen als
volgt:
1. 'Onafhankelijk van het bepaalde in artikel 67 is een
ambtenaar der scheepvaartinspectie ....
Artikel XXVI.
In artikel 70 wordt in plaats van: „een niet in artikel 2
bedoeld schip" gelezen: „een schip, dat niet ingevolge de
artikelen 2 of 2bis onder de bepalingen van deze wet valt,".
Artikel XXVII.
Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te
bepalen tijdstip.
*
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauw
keurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Soestdijk, den 23sten September 1912.
W I L H E L M I N A .
Be Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel,
a. s. TAL MA.
Uitgegeven den tweeden October 1912.
De Minister van Justitie,
E. R. H. BEGOUT.
Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be
volen.
Gedaan te Willemstad, de '25ste Juni 1953
STRUYCKEN.
Uitgegeven de 26ste Juni 1953.
De wnd. Gouvernements-Secretaris,
BOOMGAART.
— 3 —
90
A° 1953
N°
91
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 3, waarbij wordt af
gekondigd de wet van den llden Jamiari 1919, tot na
dere wijziging van de Schepenwet (Staatsblad 1919.
no. 10).
IN NAAM DER KONINGIN!
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen.
V anwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot
afkondiging van onderstaande wet:
(N*. 10.)
W I E T van den llden Januari 1919, tot nadere
wijziging van de Schepenwet.
WIJ WIL HELMIN AF BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salutl doen te
weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk
is de Schepenwet (wet van den lsten Juli 1909, Staatsblad
n°. 219), gewijzigd tyj de wet van den 23sten September 1912
(iStaatsblad n°. 305), nader te wijzigen ;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Eenig artikel.
Artikel 23, lid 4, der Schepenwet wordt gelezen als volgt:
4. Voorts worden benoemd de noodige plaatsvervangende
voorzitters, die móeten zijn doctor in de rechtswetenschap, en
de noodige plaatsvervangende leden, die invallen by ontstentenis
van vaste of buitengewone leden.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, den llden Januari 1919.
W I L H E L M I N A .
De Minister van Landbouw,
Nijverheid en Handel,
H. A. VAN USSELSTEIJN.
Uitgegeven den twintigsten Januari 1919.
De Minister van Justitie,
HEEMSKERK.
Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be
volen.
Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953.
STRUY CKEN.
Uitgegeven de 26ste Juni 1953.
De wnd. Gouvernements-Secretaris,
BOOMGAART.
— 3 —
91
A' 1953
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. Jf, waarbij wordt af
gekondigd de wet van den llden Mei 1023, tot wijziging
van verschillende roetten, in verband met de herziening
der hooger-ondemvijsioet (Staatsblad 1923, no. 199).
IN NAAM DER KONINGIN!
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen.
Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot
afkondiging van onderstaande wet:
N °
9 2
(N\ 199.) W E T van den llden Mei 1923, tot wijziging
van verschillende wetten, in verband met de
herziening der hooger-onderwijswet.
WIJ WIL HELMIN A, BIJ DE ORATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAÜ, ENZ., ENZ., ENZ.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te
weten:
Alzoo wij in overweging genomen hebben, dat door de her
ziening der hooger-onderwijswet bij de wetten van 1 Maart
1920 (Staatsblad n°. 105) en van 11 Juni 1921 (Staatsblad
n°. 782) verschillende andere wetten wijziging behoeven;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1.
Artikel 2 der Provisionele Instructie voor het Hoog Militair
Geregtshof wordt gelezen als volgt:
„De regtsgeleerde leden, advocaat-fiscaal en griffier zullen
moeten hebben verkregen aan eene Rijks- of andere daarmede
gelijk gestelde Nederlandsche universiteit:
hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt,
staatsregt en strafregt.
Voorts zullen al dezelve en alzoo ook de militaire lëden den
ouderdom van 30 jaren, en de griffier niet minder dan 25 jaren
moeten hebben bereikt."
Artikel 2.
In de Regtspleging bij de Zeemagt worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
199
2
I. Het eerste lid van artikel 124 wordt gelezen:
„De President van den Krijgsraad binnen het Rijk in Europa
moet den vollen ouderdom van dertig jaren hebben bereikt
en aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche
Universiteit hebben verkregen:
hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt,
staatsregt en strafregt."
II. De tweede zin van artikel 127 wordt gelezen:
„De President-plaatsvervanger moet aan eene Rijks- of daar
mede gelijkgestelde Nederlandsche Universiteit hebben ver
kregen :
hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt,
staatsregt en strafregt."
III. Het tweede lid van artikel 131 wordt gelezen:
„De Fiscaal bij den Krijgsraad binnen het Rijk in Europa
wordt, op gemeenschappelijke voordragt van Onze Ministers van
Justitie en van Marine, door Ons benoemd, en al dan niet op
eigen verzoek ontslagen. Zijn costuum wordt bij algemeenen
maatregel van bestuur vastgesteld. Hij moet den vollen ouderdom
van dertig jaren hebben bereikt en aan eene Rijks-of daarmede
gelijkgestelde Nederlandsche Universiteit hebben verkregen:
hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt,
staatsregt en strafregt."
Artikel 8.
In de Regtspleging bij de Landmagt worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
I. Het eerste lid van artikel 121 wordt gelezen:
3
199
„De President van den Krijgsraad wordt door Ons op ge
meenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Justitie
en van Oorlog voor het leven benoemd. Hij moet den vollen
ouderdom van dertig jaren hebben bereikt en aan eene Rijks-
of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche Universiteit hebben
verkregen:
hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt,
staatsregt en strafregt".
II. Het eerste lid van artikel 126 wordt gelezen:
„De functiën van openbaar aanklager worden daarbij waar
genomen door den Auditeur-Militair. Deze wordt, op gemeen
schappelijke voordragt van Onze Ministers van Justitie en van
Oorlog, door Ons benoemd, en, al dan niet op eigen verzoek,
ontslagen. Zijn costuum wordt bij algemeenen maatregel van
bestuur vastgesteld. Hij mag geen militair zijn, moet den
vollen ouderdom van dertig jaren hebben bereikt en aan eene
Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche Universiteit
hebben verkregen:
hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt,
staatsregt en strafregt."
III. Het eerste lid van artikel 250 wordt gelezen:
„Bij de Krijgsraden te velde zal zijn een Auditeur-Militair
te velde; deze moet aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde
Nederlandsche Universiteit hebben verkregen;
hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk en handelsregt,
staatsregt en strafregt."
IV.
De tweede zin van het eerste lid van artikel 262 wordt
gelezen:
„Zoo mogelijk zal daarvoor worden aangewezen iemand, die
aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche
Universiteit heeft verkregen:
hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt,
staatsregt en strafregt."
Artikel 4.
In de wet op de Regterlijke Organisatie en het Beleid der
Justitie worden de volgende wijzigingen aangebracht:
I. De tweede zin van artikel 6 b wordt vervangen door het
volgende:
„Zij leggen, alvorens in bediening te treden, bij die regt-
bank den door Ons vast te stellen eed (belofte) af. Zij moeten
bij de benoeming den vollen ouderdom van drie en twintig
jaren hebben bereikt en aan eene Rijks- of daarmede gelijk
gestelde Nederlandsche Universiteit hebben verkregen:
hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt,
staatsregt en strafregt."
II. Het tweede lid van artikel 35 wordt gelezen:
Zij moeten, met uitzondering van de plaatsvervangers, aan
eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche Univer
siteit hebben verkregen:
hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt,
staatsregt en strafregt."
III. In het laatste lid van artikel 47 a wordt na de
woorden „eenen graad" ingevoegd: „of eene hoedanigheid".
IV.
Artikel 48 wordt gelezen:
„Tot regters van de arrondissements-regtbanken, officieren
4
199
5
199
van justitie, griffiers en regters-plaatsvervangers kunnen alleen
worden benoemd, onverminderd de vereischten bij de grond
wet voorgeschreven, zij, die den vollen ouderdom van vijfen
twintig, doch nog niet dien van zeventig jaren hebben bereikt
en aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche
Universiteit hebben verkregen:
hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt,
staatsregt en strafregt.
Ten aanzien van de substituut-officiers en substituut-griffiers
gelden dezelfde vereischten, behoudens dat reeds benoembaar
zijn, zij die den vollen ouderdom van drie en twintig jaren
hebben bereikt."
V. In het laatste lid van artikel 61 b wordt na de woorden
„eenen graad" ingevoegd: „of eene hoedanigheid".
VI. Artikel 64 wordt gelezen:
„Tot raadsheeren van de geregtshoven, procureurs-generaal,
advocaten-generaal, griffiers en raadsheeren-plaatsvervangers
kunnen alleen worden benoemd, onverminderd de vereischten
bij de grondwet voorgeschreven, zij, die den vollen ouderdom
van dertig of, voor zoover de raadsheeren-plaatsvervangers
betreft, van veertig, doch nog niet dien van zeventig jaren
hebben bereikt en aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde
Nederlandsche Universiteit, sedert ten minste vijf jaren of,
voor zoover de raadsheeren-plaatsvervangers betreft, sedert ten
minste tien jaren hebben verkregen:
hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt,
staatsregt en strafregt.
De substituut-griffiers moeten, om te kunnen worden be
noemd, den vollen ouderdom van vyfentwintig, doch nog niet
dien van zeventig jaren hebben bereikt; zjj moeten aan eene
Ryks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche Universiteit
hebben verkregen:
199
6
hetzü den graad van doctor in de regtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt,
staatsregt en strafregt."
VII. In het laatste lid van artikel 83 a wordt na de
woorden „eenen graad" ingevoegd: „of eene hoedanigheid".
VIII.
Artikel 86 wordt gelezen:
Tot raadsheeren van den hoogen raad, procureur-generaal,
advocaten-generaal en griffier kunnen alleen worden benoemd,
onverminderd de vereischten bij de grondwet voorgeschreven,
zij, die den vollen ouderdom van vijfendertig, doch nog niet
dien van vijfenzeventig jaren hebben bereikt en aan eene
Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche Universiteit
sedert ten minste tien jaren hebben verkregen:
hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap,
hetzy den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsregt,
staatsregt en strafregt.
De substituut-griffiers moeten, om te kunnen worden be-
benoemd, den vollen ouderdom van vijfentwintig, doch nog
niet dien van vijfenzeventig jaren hebben bereikt; zij moeten
aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche
Universiteit hebben verkregen:
hetzij den graad van doctor in de regtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handels,regt,
staatsregt en strafrecht."
Artikel 5.
Het tweede lid van artikel 16 der wet op den Raad van
State wordt gelezen:
„Tot referendaris of commies van Staat zijn alleen benoem
baar zij, die aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Neder
landsche Universiteit hebben verkregen:
7
199
hetzij den graad van doctor in de staatswetenschap of in
de regtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de regtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de regten, mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handels
regt, staatsregt en strafregt."
Artikel 6.
In de Beroepswet worden de volgende wijzigingen aange
bracht :
I. Het tweede lid van artikel 7 wordt gelezen:
„Zij moeten aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde
Nederlandsche Universiteit hebben verkregen:
hetzij den graad van doctor in de staatswetenschap of in
de rechtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de rechtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze graad of deze
hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen van een
examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsrecht, staats
recht en strafrecht."
II. In het laatste lid van artikel 8 a worden de woorden
„een diploma" vervangen door: „eenen graad of eene hoe
danigheid".
III. Het tweede lid van artikel 44 wordt gelezen:
„Zij moeten aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde
Nederlandsche Universiteit hebben verkregen:
hetzij den graad van doctor in de staatswetenschap of iD
de rechtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de rechtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze graad of deze
hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen van een
examen in het Nederlandsch burgerlek- en handelsrecht, staats
recht en strafrecht."
IV. In het laatste lid van artikel 44a worden de woorden
„een diploma" vervangen door: „eenen graad of eene hoe
danigheid".
Artikel 7.
Van artikel 23 der Schepenwet worden het tweede, vierde
en vijfde lid gelezen:
199
8
„2.
De Raad bestaat uit een voorzitter en vier vaste leden
De vaste leden zijn twee zeeofficieren of oud-zeeofficieren en
twee schippers of oud-sehippers ter koopvaardij. De voorzitter
moet aan eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche
Universiteit hebben verkregen:
hetzij den graad van doctor in de rechtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de rechtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen van
een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsrecht,
staatsrecht en strafrecht."
„4. "Voorts worden benoemd de noodige plaatsvervangende
voorzitters en de noodige plaatsvervangende leden, die invallen
bij ontstentenis van vaste of buitengewone leden. De plaats
vervangende voorzitters moeten aan eene Rijks- of daarmede
gelijkgestelde Nederlandsche Universiteit hebben verkregen:
hetzij den graad van doctor in de rechtswetenschap,
hetzij den graad van doctor in de rechtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de rechten,
mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen van
een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handelsrecht,
staatsrecht en strafrecht."
„5. Aan den Raad wordt een secretaris verbonden en
daaraan kan een plaatsvervangend secretaris worden verbonden.
De secretaris en de plaatsvervangende secretaris moeten aan
eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche Univer
siteit hebben verkregen:
hetzij den graad van doctor in de rechtswetenschap of in
de staatswetenschap,
hetzy den graad van doctor in de rechtsgeleerdheid of de
hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze graad of
deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen
van een examen in het Nederlandsch burgerlijk- en handels
recht, staatsrecht en strafrecht."
Artikel 8,
Artikel 55 der wet tot regeling van het hooger landbouw-
en hooger veeartsenij kundig onderwijs van 15 December 1917
(Staatsblad n°. 700), gelyk die laatstelijk is gewijzigd, wordt
gelezen:
„Om eenen byzonderen leerstoel te kunnen bekleeden, wordt
9
199
vereischt het bezit van eenen doctoralen graad benevens de
aanteekening voor het vak of de vakken, waarin de aangestelde
onderwijs geeft of zal geven, op het getuigschrift van met
goed gevolg afgelegd doctoraal examen, volgens de wetten van
1 Maart 1920 (Staatsblad n°. 105) en 11 Juni 1921 (Staatsblad
n°. 782), of van eenen doctoralen graad in de wetenschap,
waarin de aangestelde onderwijs geeft of zal geven, verkregen
aan eene Rijksuniversiteit of hoogeschool, vóór de inwerking
treding van genoemde wetten, of verkregen aan eene univer
siteit üf hoogeschool, die ten aanzien van de door haar te
verleenen doctorale graden gelijke rechten heeft als de Rijks
universiteiten of -hoogescholen, of van een bewijs, dat de aan
stelling door ODS is bekrachtigd,"
Artikel 9.
Deze wet treedt in werking met ingang van den dag na
dien harer afkondiging.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize het Loo, den llden Mei 1923.
W I L H E L M I N A .
De Minister van Justitie,
H E E M S K E R K .
De Minister van Binnenlandsche Zaken
en Landbouw,
C H . R U T S D E B E E R E N B R O U C K .
De Minister van Marine,
E . P . W E S T E R V E L D .
De Minister van Oorlog,
V A N D IJ K .
De Minister van Arbeid,
Handel en Nijverheid,
A A L B E R S E .
Uitgegeven den vier en twintigsten Mei 1928.
De Minister van Justitie,
H E E M S K E R K .
Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be
volen.
Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953
STRUYCKEN.
Uitgegeven de 26ste Juni 1953.
De wnd. Gouvernements-Secretaris,
BOOMGA.ART
— 3 -
92
A" 1953
N°
93
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 5, waarbij wordt af
gekondigd de wet van de 29sten Juni 1925 (Stbl. 308)
tot invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvorde
ring, voor zover betreft artikel 158 van deze wet.
IN NAAM DER KONINGIN!
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,
Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot
afkondiging van onderstaande wet:
WIJ WILHELMINA, BIJ
DE
GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, Salut! doen
te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat volgens
de slotbepaling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering
hel in werking treden van dat Wetboek nader bij de Wet
wordt geregeld;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden
en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze, vast
te stellen de volgende bepalingen, welke zullen uitmaken de :
Invoeringswet Strafvordering.
TITEL lU.
Afschaffing of wijziging van bestaande wetten.
Artikel 158.
In de Schepenwet (wet van 1 Juli 1909, Staatsblad No. 219,
gelijk die laatstelijk is gewijzigd bij de wet van 11 Mei 1923,
Staatsblad No. 199) wordt in artikel 63 in plaats van de
woorden: „artikel 8 van het Wetboek van Strafvordering"
gelezen „artikel 141 van hel Wetboek van Strafvordering"
en vervallen de woorden „marechausse, alle".
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauw
keurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Zermatt, den 29sten Juni 1925.
_
W I L H E L M I N A .
De Minister van Justitie,
H E E M S K E R K .
Uigegeven den negen en twintigsten Juni 1925.
De Minister van Justitie,
H E E M S K E R K .
Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be
volen.
Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953
STRUYCKEN,
Uitgegeven de 26ste Juni 1953.
De wnd. Gouvernements-Secretaris.
BOOMGAART.
— 3 -
93
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 6, waarbij wordt af
gekondigd de wet van den lOden Juni 1926, tot wijziging
van verschillende wetsbepalingen in verband met de wel
van 22 December 1924 Staatsblad no. 573 (zeerecht)
(Staatsblad 1926, no. 171).
IN NAAM DER KONINGIN.'
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,
Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot
afkondiging van onderstaande wet:
A° 1953
N° 94
(N°. 171.) W E T v a n d e n l O d e n J u n i 1 9 2 6 , t o t w i j z i g i n g
van verschillende wetsbepalingen in verband
met de wet van 22 December 1924, Staatsblad
n°. 573 (zeerecht).
WIJ WILHELMINA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAÜ, ENZ., ENZ., ENZ.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te
weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat verschillende
wetsbepalingen behooren te worden gewijzigd in verband met
het tot stand komen van de wet van 22 December 1924, Staats
blad n°. 573, en het tevens wenschelijk is eenige bij die wet vast
gestelde artikelen te wijzigen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met
gemeen overleg der Sta ten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1.
In het Wetboek van Koophandel, zooals dat luidt ingevolge
de wet van 22 December 1924, Staatsblad n°. 573, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
I. In artikel 4, onder 7°., vervalt de zinsnede ,, , mitsgaders
bodemerijen".
II. Het tweede en het derde lid van artikel 311 worden ge
lezen :
„Onder Nederlanders worden in dit artikel begrepen:
1°. in het Koninkrijk gevestigde vennootschappen onder eene
firma en commanditaire vennootschappen, waarvan alle hoofde
lijk aansprakelijke vennooten Nederlanders zijn;
2°.
volgens de Nederlandsche wet opgerichte, in het Konink
rijk gevestigde naamlooze vennootschappen, waarvan hetzij
aandeelen, welke ten minste twee derden van het geplaatste
kapitaal vertegenwoordigen, luiden ten name van Nederlanders
171
2
en tevens de meerderheid der bestuurders en der commissarissen
in het Koninkrijk wonende Nederlanders zijn, hetzij alle be
stuurders Nederlanders zijn, van wie ten minste drie vierden in
het Koninkrijk wonen, en tevens van de commissarissen ten
minste drie vierden Nederlanders en ten minste twee derden
in het Koninkrijk wonende Nederlanders zijn;
3°. volgens de Nederlandsche wet opgerichte, in het Konink
rijk gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende vereenigingen en
stichtingen, waarvan alle bestuurders Nederlanders zijn, van wie
ten minste drie vierden in het Koninkrijk wonen, en tevens van
de commissarissen ten minste drie vierden Nederlanders en ten
minste twee derden in het Koninkrijk wonende Nederlanders
zijn.
Onder ingezetenen van het Koninkrijk worden in dit artikel
begrepen:
1°. in het Koninkrijk gevestigde vennootschappen onder
eene firma en commanditaire vennootschappen, waarvan alle
hoofdelijk
aansprakelijke
vennooten
ingezetenen
van
het
Koninkrijk zijn;
2°. volgens de Nederlandsche wet opgerichte, in het Konink
rijk gevestigde naamlooze vennootschappen, waarvan hetzij aan-
deelen, welke ten minste twee derden van het geplaatste kapitaal
vertegenwoordigen, luiden ten name van ingezetenen van het
Koninkrijk en tevens de meerderheid der bestuurders en der
commissarissen ingezetenen van het Koninkrijk zijn, hetzij alle
bestuurders en alle commissarissen ingezetenen van het Konink
rijk zijn;
3°. volgens de Nederlandsche wet opgerichte, in het Konink
rijk gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende vereenigingen en
stichtingen, waarvan alle bestuurders en alle commissarissen
ingezetenen van het Koninkrijk zijn."
III. Aan het slot van de artikelen 315 en 318 wordt de punt
vervangen door een punt-komma; daaraan wordt toegevoegd „de
tusschenkomst van een procureur is daarbij niet noodig."
IV. In het eerste lid van artikel 317 wordt het slot „geld
schieting of aan eene naamlooze vennootschap." vervangen door
„geldschieting, aan eene naamlooze vennootschap, vereeniging
of stichting."
3
171
Aan het tweede lid van dit artikel wordt toegevoegd: „Deze
oproeping geschiedt bij aangeteekenden brief door den griffier."
V. Artikel 319, tweede lid, wordt gelezen:
„Voor de teboekstelling van de in het eerste lid genoemde
vaartuigen, metende ten minste twintig kubieke meters bruto-
inhoud, wordt een afzonderlijk register gehouden."
VI. Artikel 347 wordt gelezen :
,,De kapitein moet aan boord voorzien zijn van:
den zeebrief, den meetbrief en een uittreksel uit het scheeps
register, bevattende alle boekingen welke op het schip betrek
king hebben tot den dag van het laatste vertrek van het schip
uit eene Neder!andsche haven;
de voor de schepelingen geldende arbeidsovereenkomsten,
zoo deze schriftelijk zijn opgemaakt, de monsterrol, het mani
fest der lading, de charter-partij en de cognossementen, dan
wel afschriften van die stukken;
de Nederlandsche wetten en reglementen op de reis van toe
passing, en alle verdere noodige papieren.
Ten aanzien van de charter-partij en de cognossementen geldt
deèe verplichting niet in de door Ons te omschrijven omstan
digheden."
VII. Artikel 374, eerste lid, wordt gelezen:
„Artikel 347, het tweede lid van artikel 348, het eerste lid
van artikel 349 en artikel 352 zijn niet van toepassing op zee-
visschers- en kustvisschersschepen."
VIII. Artikel 443, laatste lid, vervalt.
IX. Artikel 470 wordt gelezen:
„Het staat den vervoerder niet vrij te bedingen, dat hij niet
of niet dan tot een beperkt bedrag aansprakelijk is voor schade,
veroorzaakt door onvoldoende zorg voor onderhoud, uitrusting
of bemanning van het vervoermiddel, of voor deszelfs geschikt
heid tot het overeengekomen vervoer, dan wel door verkeerde
behandeling of onvoldoende bewaking van het goed. Bedingen
van die strekking zijn nietig.
Niettemin is de vervoerder bevoegd te bedingen, dat hij niet
aansprakelijk zal zijn voor meer dan een bepaald bedrag per
vervoerd voorwerp, tenzij hem de aard en de waarde van het
goed zijn medegedeeld vóór of bij de inontvangstneming. Dit
171
4
bedrag mag niet lager worden gesteld dan zeshonderd gulden.
De vervoerder kan bovendien bedingen, dat hij niet tot eenige
schadevergoeding gehouden is, indien de aard of de waarde van
het goed hem opzettelijk onjuist is medegedeeld."
X. Na artikel 470 wordt ingevoegd artikel 470a, luidende:
„Bedingen tot beperking van de aansprakelijkheid des ver
voerders ontheffen dezen in geen geval van den last te be
wijzen, dat voor het onderhoud, de uitrustirg of de bemanning
van het vervoermiddel en voor zijne geschiktheid tot het over
eengekomen vervoer voldoende zorg is aangewend, indien blijkt,
dat de schade het gevolg is van een gebrek van het vervoer
middel of van zijne inrichting.
Hiervan kan bij overeenkomst niet worden afgeweken."
XI. Artikel 479, tweede lid, wordt gelezen:
„Van goederen, welke gevaar opleveren voor de lading of
voor het schip, mag de vervoerder zich te allen tijde ontdoen
ook door ze te vernietigen, zonder deswege tot eenige schade
vergoeding gehouden te zijn. Dit geldt ook van goederen, welke
als contrabande worden beschouwd, indien den vervoerder
omtrent die goederen onjuiste of onvolledige opgaven zijn ge
daan."
XII. Artikel 485, eerste lid, wordt gelezen:
„Indien de goederen zijn aangenomen zonder dat de con-
tróle, bedoeld in artikel 481, heeft plaats gehad, worden zij
vermoed zonder tekort te zijn uitgeleverd, tenzij de ontvanger,
voor of bij gelegenheid van de aanneming van het goed of,
wanneer het tekort uiterlijk niet waarneembaar is, uiterlijk op
den derden werkdag na de aanneming, aan den vervoerder of
diens vertegenwoordiger schriftelijk het bestaan van een tekort
heeft medegedeeld."
XIII. Artikel 486, eerste lid, wordt gelezen:
„Indien de goederen zijn aangenomen zonder dat een ge
rechtelijk onderzoek, als bedoeld in artikel 483, heeft plaats
gehad, worden zij vermoed overeenkomstig den inhoud van het
cognossement te zijn uitgeleverd, tenzij de ontvanger voor of
bij gelegenheid van de aanneming van het goed of, wanneer
de beschadiging uiterlijk niet zichtbaar is, uiterlijk op den
derden werkdag na de aanneming, aan den vervoerder of diens
5
171
vertegenwoordiger schriftelijk het bestaan van schade heeft
medegedeeld. De mededeeling moet den aard van de schade in
het algemeen aangeven."
Het tweede lid van dit artikel vervalt.
XIV. Artikel 487 wordt gelezen :
"De rechtsvordering tot schadevergoeding moet worden in
gesteld binnen één jaar na uitlevering van het goed of na den
dag, waarop het goed uitgeleverd had moeten worden."
XV. Art. 488 wordt gelezen :
„De ontvanger is voor de hem verschuldigde schadever
goeding bevoorrecht op de vracht vóór alle andere schuld-
eischers, behalve de in artikel 318c genoemde, mits hij op de
vracht beslag doet leggen binnen den in het vorige artikel ge
noemden termijn. Door de beslaglegging wordt aan het voor
schrift van dat artikel geacht te zijn voldaan.
Indien bescheiden niet bestaan, kan het beslag worden ge
legd met verlof van den voorzitter van de rechtbank, binnen
welker gebied de goederen zijn afgeleverd. Deze rechtbank
neemt kennis van de vorderingen tot vanwaardeverklaring en
tot opheffing van het beslag, alsmede van de vordering tot het
doen van verklaring tegen den derde beslagene."
XVI. In artikel 517c vervallen de woorden ,,of naar".
XVII. Artikel 517d, eerste lid, wordt gelezen:
,'De artikelen 468—480 zijn van toepassing op het vervoer
over zee van Nederlandsche havens. Zij zijn mede van toepas
sing op het vervoer over zee naar Nederlandsche havens, be
halve dat het eerste lid van artikel 470 en het tweede lid van
artikel 470a buiten toepassing blijven voor zoover de daar be
doelde bedingen en overeenkomsten geldig zijn volgens de wet
van het land waar de inlading is geschied."
XVIII. Artikel 524, eerste lid, wordt gelezen:
„Het staat den vervoerder niet vrij te bedingen, dat hij niet
of niet dan tot een beperkt bedrag aansprakelijk is voor schade
veroorzaakt door onvoldoende zorg voor onderhoud, uitrusting
of bemanning van het vervoermiddel, of voor deszelfs geschikt
heid tot het overeengekomen vervoer, dan wel door onvoldoend
toezicht aan boord."
171
6
XIX.
Na artikel 524 wordt ingevoegd artikel 524a, luidende:
„Bedingen tot beperking van de aansprakelijkheid des ver
voerders ontheffen dezen in geen geval wan den last te bewijzen,
dat voor het onderhoud, de uitrusting of de bemanning van het
vervoermiddel en voor zijne geschiktheid tot het overeengekomen
vervoer voldoende zorg is aangewend, indien blijkt, dat de
schade het gevolg is van een gebrek van het vervoermiddel of
van zijne inrichting.
,,
Hiervan kan bij overeenkomst niet worden afgeweken.
XX. In artikel 533b vervallen de woorden ,,of naar".
XXI. Artikel 533c, eerste lid, wordt gelezen:
„De artikelen 522—529 en 533 zijn van toepassing op het
vervoer van personen van Nederlandsche havens. Zij zijn me e
van toepassing op het vervoer naar Nederlandsche havens, be
halve dat artikel 524 en het tweede lid van artikel 524a buiten
toepassing blijven voor zoover de daar bedoelde bedingen en
overeenkomsten geldig zijn volgens de wet van het land waar
de inscheping is geschied."
XXII. In het tweede lid van artikel 568/c wordt „vliegtuig
vervangen door „luchtvaartuig .
XXIII. Artikel 631 vervalt.
XXIV.
Artikel 699, n°. 19, vervalt; in n°. 20 wordt de aanhef
De premie om de kosten, bij het vorige nommer vermeld, te
doen verzekeren" vervangen door „De premie om de onkosten,
in avarij-grosse vallende, te doen verzekeren .
XXV.
Artikel 701, onder 6°., wordt gelezen:
De onkosten, vallende op het verder vervoer der goederen,
wanneer, in het geval van artikel 519d, de bevrachtingsovereen
komst is vervallen; en".
XXVI. Artikel 742, onder 1°., wordt gelezen:
tot vergoeding van schade toegebracht hetzij door aanvaring,
hetzij op eene wijze als vermeld in de artikelen 544 en 544a,
eerste lid;"
XXVII
In het laatste lid van artikel 755 wordt „het tweede,
het derde en het vierde lid van artikel 748" vervangen door
„het derde, het vierde en het vijfde lid van artikel 748 .
7
171
Artikel 2.
In artikel 1811 van het
Burgerlijk
Wetboek
vervalt
„Bodemerij;".
Het laatste lid van dat artikel 1811 wordt gelezen: „De eerste
overeenkomst wordt bij het Wetboek van Koophandel geregeld.".
Artikel 3.
In artikel 573 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorde
ring, zooals dat is gewijzigd bij de wet van 22 December 1924,
Staatsblad n°. 573, worden de woorden „metende minder dan
twintig kubieke meters bruto-inhoud" vervangen door „welke
niet zijn te boek gesteld in een der registers, vermeld in den
eersten en den laatsten titel van het Tweede Boek van het
Wetboek van Koophandel".
Artikel 4.
In artikel 329bis van het Wetboek van Strafrecht, zooals dat
artikel is vastgesteld bij de wet van 22 December 1924, Staats
blad 'n°. 573, wordt tusschen „die" en „over" ingevoegd
„opzettelijk".
8
8
Artikel 5.
In de -I' aillissementswet worden de volgende wijzigingen aan
gebracht :
I. De eerste zin van artikel 128 wordt gelezen:
„Interesten na de faillietverklaring loopende, kunnen niet
geverifieerd worden, tenzij door pand of hypotheek gedekt."
II. Het eerste lid van artikel 188 wordt gelezen:
„De rechter-commissaris beveelt de doorhaling der hypothe-
kaïre inschrijvingen, waarmede een tot den boedel behoorend
goed is bezwaard, zoodra de uitdeelingslijst, waarbij de op
brengst van het goed is verantwoord, verbindend is geworden."
Artikel 6.
In de Schepenwet worden de volgende wijzigingen aange
bracht :
I. Artikel 9, eerste lid, onder d wordt gelezen:
„naar gelang der zaak in het scheepsdagboek of in het
machinedagboek te doen opteekenen, wat ter voldoening aan de
onder a, b en c opgelegde verplichtingen is geschied;".
Het tweede lid van dit artikel vervalt; in het derde lid wordt
telkens „het journaal" vervangen door „de dagboeken".
IL Artikel 28, tweede lid, wordt gelezen:
De notarissen en de autoriteiten, voor wie scheepsverklarin-
sen als bedoeld in het tweede lid van artikel 353 van het Wet
boek van Koophandel, zijn afgelegd, zenden onverwijld afschrif
ten van deze stukken aan den hoofdinspecteur.
Artikel 7.
In het voorlaatste lid van artikel 12 der wet van 22 Mei 1845,
Staatsblad n°. 22, zooals deze laatstelijk is gewijzigd, vervalt
de zinsnede „noch boven het recht van voorrang, toegekend m
art. 315, 2°, van het wetboek van koophandel en in 750, 4 , m
verband'met art. 315, 2°, van dat wetboek".
Artikel 8.
In het eerste lid van artikel 2 der wet van 29 December 1922,
Staatsblad n°. 755, wordt „recht van voorrang uit hoofde van
pand- of verbandbrieven op een schip" vervangen door „ree
van scheepshypotheek''.
Artikel 9.
Deze wet treedt in werking te gelijk met de wet van 22
December 1924, Staatsblad n°. 573, behoudens dat bi] de toe
passing van het tweede lid van de Slotbepaling van laatstge
noemde wet de daar vermelde artikelen 311 en 315 ree<k worden
gelezen, zooals zij luiden ingevolge de onderhavige wet.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zei worden
geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten
CoUeges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize het Loo, den lOden Juni 1926.
W I L H E L M I N A .
De Minister van Justitie,
j. D O N N B R.
Uitgegeven den twee en twintigsten Juni 1926.
De Minister van Justitie,
j. D O N N E K.
8
171
Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be
volen.
Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953
STRUYCKEN,
Uitgegeven de 26ste Juni 1953.
De wnd. Gouvernements-Secretaris,
BOOMGAART.
— 3 -
94
A° 1953
N°
95
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 7, waarbij wordt af
gekondigd de wet van den Sisten December 1931, hou
dende wijziging van de Schepenioet (Staatsblad 1931,
no. 587).
IN NAAM DER KONINGIN!
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,
Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot
afkondiging van onderstaande wet:
(N°. 587.) W E T van den31sten December 1931, houdende
wijziging van de Schepenwet.
WIJ WILHELMINA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salutl doen te
weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk
is uitvoering te geven aan het op 31 Mei 1929 te Londen ge
sloten Verdrag voor de beveiliging van menschenlevens op zee,
goedgekeurd bij de wet van 18 Juli 1930 (Staatsblad n°. 305),
en daartoe de Schepenwet (wet van 1 Juli 1909, Staatsblad
n". 219) te wijzigen en de Scheepvaart(Verdrags-)wet (wet van
5 April 1919, Staatsblad n°. 151) in te trekken en daarnaast
eenige wijzigingen van anderen aard in de Schepenwet aan te
brengen ;
Zoo is het, dat Wij, den Eaad van State gehoord, en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1.
In de Schepenwet (wet van 1 Juli 1909, Staatsblad n®. 219)
worden de hierna onder I tot en met LYII omschreven wijzi
gingen gebracht.
I. Overal waar het woord ,,schipper(s)" voorkomt, wordt
gelezen ,,kapitein(s)".
Tenzij anders is bepaald, wordt overal, waar ,,de(n) hoofd
inspecteur" voorkomt, gelezen „het hoofd van de scheepvaart
inspectie".
Overal waar de woorden ,,vaste leden (van den Eaad voor de
scheepvaart)" voorkomen, wordt gelezen „gewone leden (van
den Eaad voor de scheepvaart)".
II. In het eerste lid van artikel 1 wordt na „van Nederland"
ingevoegd „en het Duitsche en Belgische gebied, gelegen bin-
587
2
nen na te noemen lijn" en na „het eiland Borkum" ingevoegd
„(het havenhoofd aldaar wordt geacht binnen de lijn te
liggen)", terwijl na „België;" vervalt „het havenhoofd te
Borkum wordt geacht binnen de lijn te liggen;";
de woorden „anders dan tot het doen van eene proeftocht
vervallen;
de punt na „vervangt" wordt vervangen door een puntkomma,
waarna wordt ingevoegd:
,,passagiers-, allen, die tegen vergoeding aan boord worden
vervoerd;
passagiersschip: elk schip, dat door den eigenaar bestemd is
om meer dan twaalf passagiers te vervoeren, dan wel een schip,
dat meer dan twaalf passagiers vervoert;
baggermaterieel: elk schip, dat door bouw en inrichting uit
sluitend is aangewezen voor het verrichten van of voor het ge
bruik ten dienste van aannemerswerken van waterbouwkundigen
aard;
scheepsramp: een voorval, overkomen aan een schip, ten ge
volge waarvan schade van beteekenis aan dat schip of zijne
lading, of letsel aan een of meer van de opvarenden, of schade
aan een ander schip of zijne lading, dan wel letsel aan een of
meer van de opvarenden daarvan is veroorzaakt. Voor de toe
passing van Hoofdstuk IV wordt onder „scheepsramp
be
grepen elk voorval, aan een schip overkomen, indien niet zoo
zeer met het oog op de omvangrijkheid der gevolgen als wel op
grond van den aard van het voorval de waarschijnlijkheid be
staat, dat uit een onderzoek lessen kunnen worden geput, dan
wel de wenschelijkheid kan blijken van het stellen van voor
schriften, welke kunnen dienen ter voorkoming van scheeps
rampen."
In het tweede lid wordt hetgeen voorkomt na het woord
„gesleept" vervangen door een punt.
TTT
In het eerste lid van artikel 2 worden de volgende wijzi
gingen aangebracht:
onder a wordt „vaartuigen" vervangen door „schepen";
onder b wordt in plaats van „reddingsvaartuigen
gelezen
, .reddingvaartuigen'';
het onderdeel c wordt gelezen:
„c. onoverdekte visschers vaartuigen, welke in den regel niet
buiten het zicht van de Nederlandsche kust worden gebracht;";
onder d wordt de puntkomma vervangen door „ , voor zoover
zij geene passagiers vervoeren;";
na het onderdeel d wordt een nieuw onderdeel ingevoegd,
luidende:
„6. baggermaterieel, dat uit eene buitenlandsche haven ge
sleept naar zijne bestemming wordt vervoerd, dan wel voor het
uitvoeren van werken in het buitenland verblijft en langer dan
een jaar uit Nederland afwezig is;";
het bestaand onderdeel e wordt /; hierna wordt ingevoegd:
..en, behoudens het bepaalde in artikel 2bis:";
het bestaand onderdeel ƒ wordt g; hierna vervallen de woor
den ,,en behoudens het bepaalde in artikel 2bis:";
het bestaand onderdeel g wordt h; hierin wordt vóór „schepen"
ingevoegd „baggermaterieel, dat uit Nederland gesleept naar
zijne bestemming wordt vervoerd, en" en wordt in plaats van
,,en over korten afstand gelezen ,, , hetzij over korten afstand,
hetzij gesleept zonder bemanning,";
het bestaand onderdeel h wordt i; de punt aan het eind wordt
vervangen door een puntkomma;
een nieuw onderdeel wordt toegevoegd, luidende:
, ,fc. schepen, welke uitsluitend voor het houden van eenen
proeftocht eene reis ondernemen.".
In het tweede lid van artikel 2 wordt in plaats van „inge
zetenen van Nederland" gelezen „Nederlanders of Rijksinge
zetenen".
IV. In artikel 2bis worden de volgende wijzigingen aange
bracht :
,,g en h" wordt vervangen door ,,g tot en met k";
achter „mogen" wordt ingevoegd ,, , tenzij, voor zoover de
bchepen onder g bedoeld betreft, een krachtens de in Neder-
landsch-Indië, Suriname of Curaqao geldende bepalingen geldig
certificaat van zeewaardigheid kan worden getoond,";
in plaats van „hoofd van het district, waarbinnen het schip
zich bevindt, wordt gelezen „districtshoofd van de scheepvaart
inspectie, uit wiena district het schip buitengaats zal worden
gebracht,";
3
587
587
4
na „termijn" wordt ingevoegd ,,en onder welke voorwaarden";
in plaats van „een certificaat" wordt gelezen „één of meer
certificaten als bedoeld in het eerste lid van artikel 3".
V. Het eerste lid van artikel 3 wordt gelezen.
„1. Er wordt geene reis ondernomen, tenzij voor het schip
overeenkomstig deze wet de noodige certificaten zijn afgegeven,
welke nog geldig zijn op het oogenblik van vertrek, namelijk:
a . een certificaat van deugdelijkheid voor alle schepen;
b . een certificaat van uitwatering voor alle schepen met uit
zondering van visschersvaartuigen, uitsluitend gebezigd voor de
vischvangst;
c . een veiligheidscertificaat voor alle passagiersschepen;
d . een radio-veiligheidscertificaat, een certificaat van vrij
stelling of een certificaat voor de houtvaart voor de bij alge-
meenen maatregel van bestuur aan te wijzen schepen.".
In het tweede lid wordt in plaats van „Het in het eerste lid
bedoelde certificaat geldt gedurende den daarin uitgedrukten
tijd" gelezen „Deze certificaten gelden voor de daarin genoemde
tijdvakken".
VI. In artikel 4 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
een nieuw onderdeel a wordt ingevoegd, luidende:
,,a. het schip volkomen zeewaardig is en alle daarvoor in aan
merking komende openingen binnen en buiten boord afdoende
zijn gesloten;";
het bestaand onderdeel a wordt b ; in plaats van „reddings-
wordt gelezen „redding-", en in plaats van „reddingsmiddelen"
„reddingmiddelen";
het bestaand onderdeel b wordt c;
het bestaand onderdeel c wordt d ; in plaats van „voorge
schreven in" wordt gelezen „noodig om te kunnen voldoen aan ,
in plaats van „tot" wordt gelezen „ter"; de woorden „op zee"
en het tweede woord „en" vervallen; de puntkomma wordt
vervangen door „ , en in het algemeen de uitrusting van het
schip aan de eischen van zeewaardigheid en veiligheid voldoet; ;
het bestaand onderdeel d wordt e;
het bestaand onderdeel e wordt vervangen door: „ƒ. de aan
wezige electrische inrichtingen voldoen aan de vastgestelde voor
schriften;";
het bestaand onderdeel ƒ vervalt;
een nieuw onderdeel g wordt ingevoegd, luidende:
,,g. de radio-telegraafinrichting, indien deze is voorgeschre
ven, bedrijfsklaar is;";
het bestaand onderdeel g wordt h; de tweede komma wordt
vervangen door ,,en"; de woorden ,,en in het algemeen de uit
rusting". vervallen;
een nieuw onderdeel i wordt ingevoegd, luidende:
,,i. het schip zoodanig geladen is, dat het geen geringer vrij-
boord heeft dan blijkens het afgegeven certificaat van uitwatei-
ring, dan wel het veiligheidscertificaat of het certificaat voor do
houtvaart geoorloofd is;";
het bestaand onderdeel h wordt k en wordt gelezen:
,,k. het schip behoorlijk bemand is met voor zijne taak be
rekend personeel, dat lichamelijk geschikt is voor de hem opge
dragen werkzaamheden, een en ander in verband met de veilig
heid van het schip;";
het bestaand onderdeel i vervalt;
het bestaand onderdeel k wordt l; de punt aan het slot wordt
vervangen door: ,, ; de alarmrol bekend is gemaakt, de voorge
schreven appèls zijn gehouden, de voorgeschreven stabiliteits-
gegevens aan boord zijn, en op duidelijke wijze de noodige aan
wijzingen zijn aangebracht betreffende de plaatsen, waar de
leddingmiddelen zijn opgeborgen of geplaatst, hoe deze plaatsen
zijn te bereiken en hoe de reddingmiddelen moeten worden ge
bruikt.",
VII. Ingevoegd wordt een nieuw artikel 4bis, luidende:
„Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt aan eigenaren
van schepen, waarmede een geregelde dienst over den Noord-
Atlantischen Oceaan wordt onderhouden, de verplichting opge
legd, de routes, welke deze schepen zullen volgen, en de wijzigin
gen daarin, bekend te maken op de wijze als in dien algemeenen
maatregel van bestuur wordt aangegeven.".
VIII. In artikel 5 worden de volgende wijzigingen aange
bracht :
het onderdeel a van het eerste lid wordt vervangen door:
,,a. aan welke eischen ter verkrijging van eenig certificaat
moet worden voldaan, welke opgaven de aanvragen tot het
5
587
587
verkrijgen van eenig certificaat moeten bevatten en welke stuk
ken daarbij moeten worden overgelegd;";
het onderdeel c van het eerste lid wordt vervangen door:
„c. de regeling van de vaststelling van het vrijboord onder
verschillende omstandigheden en het aanbrengen van de uit-
wateringsmerken;
een nieuw tweede lid wordt ingevoegd, luidende:
„2. Voorts worden bij algemeenen maatregel van bestuur
voorschriften vastgesteld omtrent:
a. het periodiek onderzoek van schepen;
b . het vervoeren van passagiers.";
het bestaand lid 2 wordt lid 3; in plaats van „uitreiking ^
wordt gelezen „afgifte"; de woorden „van deugdelijkheid"
vervallen;
het bestaand lid 3 wordt lid 4;
het bestaand lid 4 wordt lid 5; in plaats van „kan bepalen,
dat" wordt gelezen „bepaalt, dat en op welke wijze .
IX. In artikel 6 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
het eerste lid wordt gelezen:
1 De certificaten, bedoeld in artikel 3, worden van Onzent-
we'ae, voor zoover betreft de certificaten van uitwatering en die
voor 'de houtvaart door eene door Ons te benoemen commissie,
en voor zoover de overige betreft door het hoofd van de scheep
vaartinspectie, in twee exemplaren afgegeven. ,
een nieuw tweede lid wordt ingevoegd, luidende:
„2. In bijzondere gevallen kan het hoofd van de scheepvaart
inspectie dan wel de door Ons te benoemen commissie namens
Onzen Minister aan bevoegde buitenlandsche autoriteiten ver
zoeken certificaten af te geven, in welk geval deze certificaten
tijdelijk de plaats innemen van een der in het eerste lid bedoelde
certificaten.";
het bestaand lid 2 wordt lid 3; in plaats van „een certificaat
van deugdelijkheid" wordt gelezen „eenig certificaat ,
het bestaand lid 3 wórdt lid 4; in plaats van „De kosten,
veroorzaakt door" wordt gelezen „Voor"; het woord „berekend
vervalt; in plaats van „ , en bij de uitreiking van het certifi
caat voldaan" wordt gelezen „kosten berekend";
6
het bestaand lid 4 wordt lid 5; in plaats van ,,de kosten,
veroorzaakt door" wordt gelezen „naar een door Onzen Minister
vast te stellen tarief kosten berekend voor"; in plaats van „uit
reiking van certificaten van uitwatering" wordt gelezen „afgifte
van certificaten van uitwatering en van die voor de houtvaart";
aan het slot vervalt „ .berekend naar een door Onzen Minister
vast te stellen tarief en bij de uitreiking van het certificaat
voldaan".
X. In artikel 7 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
het eerste lid wordt gelezen als volgt;
„1. Certificaten vervallen, wanneer:
a. het tijdvak, waarvoor zij gelden, is verstreken;
b . het schip ophoudt te behooren tot de categorie van
schepen, waarop deze wet van toepassing is;
c. het schip wordt verbouwd of de aan boord zijnde inrich
tingen op ingrijpende wijze worden gewijzigd;
d . het schip van naam verandert of een ander letterteeken
of nummer krijgt. In dat geval worden op aanvrage nieuwe certi
ficaten afgegeven voor het nog niet verstreken gedeelte van het
tijdvak, waarvoor de vervallen certificaten zouden hebben ge
golden.";
een nieuw tweede lid wordt ingevoegd, luidende:
„2. Veiligheidscertificaten vervallen tevens, wanneer de
eigenaar het schip aan zijne bestemming als passagiersschip ont
trekt, en daarvan tevoren aan het hoofd van de scheepvaart
inspectie schriftelijk heeft doen blijken.";
het bestaand lid 2 wordt lid 3; de woorden „van deugdelijk
heid" vervallen; na „geschied" wordt ingevoegd „of wanneer
daartoe uit anderen hoofde termen aanwezig zijn"; aan het slot
van den tweeden volzin wordt de punt vervangen door een
komma en wordt toegevoegd „onder vermelding van de redenen,
welke tot de intrekking hebben geleid.".
XI. In artikel 8 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
in het eerste lid wordt in plaats van „een vervallen of inge
trokken certificaat van deugdelijkheid" gelezen „vervallen of
ingetrokken certificaten", vervallen de woorden „of van" en
wordt in plaats van „ , consulaire of koloniale ambtenaren"
gelezen „of consulaire ambtenaren of ambtenaren in. Neder-
landsch-Indië, Suriname of Curaqao";
7
587
587
8
in lid 2 wordt in plaats van „uitgereikt" gelezen „afgegeven".
XII. In artikel 9 worden de volgende wijzigingen aange
bracht :
in het eerste lid wordt een nieuw onderdeel a ingevoegd,
luidende:
,,a. het roercommando in rechtstreekschen zin te bezigen en
te doen bezigen;";
het bestaand onderdeel a wordt b; na „gereed te houden,
wordt ingevoegd „voor zoover zulks is voorgeschreven de openin
gen binnen en buiten boord gesloten te houden, de voorgeschre
ven appèls en oefeningen te houden, ,
het bestaand onderdeel b wordt c; de woorden „of ont
staan" vervallen en in plaats van „te trachten deze gebreken
te herstellen" wordt gelezen „zooveel mogelijk deze gebreken
te doen herstellen";
het bestaand onderdeel c wordt d ; de puntkomma wordt ver
vangen door „en zorg te dragen, dat het schip geen geringer
vrijboord krijgt dan blijkens de in artikel 3, eerste lid, bedoelde
certificaten geoorloofd is;";
nieuwe onderdeelen e, ƒ en g worden ingevoegd, luidende:
„e. maatregelen te nemen ter voorkoming van misbruik van
het internationale noodsein en van het gebruik van seinen, welke
met een internationaal noodsein kunnen worden verward,
ƒ
hulp te verleenen aan in nood verkeerende schepen en bij
het vragen van hulp zich te gedragen naar de daaromtrent ge
geven voorschriften;
g. zorg te dragen, dat de luisterdienst op de voorgeschreven
wijze wordt uitgeoefend en de voorschriften betreffende den
radiodienst, zoomede die betreffende het waarschuwen omtrent
de gevaren ter zee, worden nageleefd;";
het bestaand onderdeel d wordt h en wordt als volgt gelezen:
„h. naar gelang der zaak in het scheepsdagboek, in het
machinedagboek of in het radiodagboek te doen opteekenen,
wat ter voldoening aan de onder b tot en met g opgelegde ver
plichtingen is geschied;";
het bestaand onderdeel e wordt t, en wordt gelezen:
„i. zorg te dragen, dat afschriften van de certificaten en
van de voorwaarden, krachtens artikel 5, derde lid, gesteld, op
eene zichtbare wijze zijn aangebracht op eene voor alle schepe
lingen toegankelijke plaats, zoodat deze van den inhoud daarvan
behoorlijk kunnen kennis nemen.";
het bestaand lid 3 wordt lid 2, en wordt gelezen:
„2. De kapitein is verplicht voor het behoorlijk bijhouden
der dagboeken zorg te dragen. Hij zal telkenmale na volbrachte
reis, dan wel periodiek of na het verlaten van het schip, inzage
geven aan en afschrift laten nemen door het districtshoofd van
de scheepvaartinspectie of den ambtenaar, die dezen vervangt,
terwijl hij voorts verplicht is steeds op eerste aanvrage inzage
van de dagboeken te geven aan de in artikel 63 bedoelde ambte
naren. Hij is bovendien verplicht bij binnenkomst in eene Neder -
landsche haven aan het districtshoofd van de scheepvaart
inspectie of den ambtenaar, die dezen vervangt, kennis te geven
van de op de afgeloopen reis voorgekomen averijen en ongeval
len; het overleggen der dagboeken, onder verwijzing naar de
aanteekening omtrent de averij of het ongeval, wordt als zoo
danige kennisgeving beschouwd.";
het bestaand lid 4 wordt lid 3; hierin wordt ,,b" vervangen
door ,,c";
aan het artikel wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
„4. Bij algemeenen maatregel van bestuur kunnen nadere
voorschriften worden gegeven met betrekking tot de in de voor
gaande leden van dit artikel genoemde verplichtingen.".
XIII. In het tweede lid van artikel 10 wordt in plaats van
„hoofdinspecteur" gelezen „inspecteur generaal"; aan het lid
wordt toegevoegd: „Ook kunnen door Ons voor bepaalde werk
zaamheden ambtenaren van andere diensttakken ter beschik
king van den dienst der scheepvaartinspectie worden gesteld.".
XIV. Artikel 12 wordt gelezen:
„De in artikel 10 bedoelde ambtenaren hebben te allen tijde
toegang tot de in deze wet genoemde schepen en tot de lig
plaatsen daarvan, alsmede tot de plaatsen, waar die schepen of
hunne werktuiglijke inrichtingen worden gebouwd of hersteld.".
XV. In artikel 13 wordt in plaats van „schepen, waarop
deze wet van toepassing is," gelezen „de in deze wet genoemde
schepen".
9
587
587
10
XVa. In het eerste lid van artikel 14 wordt in plaats van
„een ambtenaar" gelezen „eenen ambtenaar .
XVI. In het eerste lid van artikel 15 wordt in plaats van
„den hoogsten in rang der ter plaatse bevoegde ambtenaren der
scheepvaartinspectie" gelezen „zijnen onmiddellijken chef ;
in het derde lid van het artikel wordt „ambtenaar der scheep
vaartinspectie" vervangen door „chef".
XVII. In het eerste lid van artikel 16 wordt in plaats van
„een ambtenaar" gelezen „eenen ambtenaar
en wordt „een
geldig certificaat van deugdelijkheid" vervangen door „de
noodige geldige certificaten";
in het tweede lid van het artikel wordt „een certificaat van
deugdelijkheid, als bedoeld in artikel 3 is" vervangen door „de
ooodige geldige certificaten zijn", en wordt in plaats van den
laatsten volzin gelezen: „Hij geeft van de aanhouding °^er-
wijld, onder opgaaf van redenen, kennis aan zijnen onmiddel
lijken chef, die daarvan terstond mededeeling doet aan het hoofd
van de scheepvaartinspectie. Laatstgenoemde beslist zoo spoedig
mogelijk of al dan niet een onderzoek zal worden ingesteld;
in het laatste geval heft hij de aanhouding op en geeft hij van
die opheffing onverwijld kennis aan den ambtenaar, die het
schip heeft aangehouden.".
XVIII. In artikel 17 worden de volgende wijzigingen aan
gebracht :
in het eerste lid wordt na „schip" ingevoegd „onder opgaaf
van redenen";
het derde lid wordt gelezen als volgt:
„3. De in het eerste lid bedoelde belastingambtenaren ver-
leénen geene expeditie voor een schip, dat bestemd is om
buitengaats te worden gebracht, wanneer daarvoor op eerste
aanvraag geen geldig certificaat van. deugdelijkheid of geene
geldige verklaring, als bedoeld in artikel 2bis, wordt getoond.";
in het vierde lid wordt in plaats van „een ambtenaar
ge
lezen „eenen ambtenaar";
in het vijfde lid wordt „werd" vervangen door „was";
in het zevende lid wordt in plaats van „geen geldig certifi
caat van deugdelijkheid kon worden" gelezen „de voorgeschre
ven geldige certificaten of de verklaring, bedoeld in artikel 2bta,
niet op eerste aanvraag zijn".
11
587
XIX. In het eerste lid van artikel 18 wordt in plaats van
„artikel 4, onder ƒ, bedoelde commissie betreffende de afgifte
van certificaten van uitwatering" gelezen „artikel 6, eerste"lid.
bedoelde commissie";
in het tweede lid van het artikel wordt na „Raad" ingevoegd
,, , die noch rechtstreeks, noch zijdelings geacht kunnen worden
bij de beslissing belang te hebben,".
XX. In het tweede lid van artikel 19 wordt in plaats van
„afgiften van een certificaat van deugdelijkheid" gelezen „af
gifte van eenig certificaat", en wordt in plaats van „een certi
ficaat van deugdelijkheid in frvyee exemplaren uitgereikt" ge
lezen ,,dan wel door de in artikel 6, eerste lid, bedoelde com
missie het gevraagde certificaat in twee exemplaren afgegeven";
het derde lid van het artikel vervalt; het bestaand lid 4
wordt lid 3.
XXa. In artikel 20 wordt in plaats van „een ambtenaar"
gelezen „eenen ambtenaar".
XX6. In artikel 22 wordt in plaats van „door Ons" gelezen
„bij algemeenen maatregel van bestuur".
XXI. In het derde lid van artikel 23 wordt in plaats van
„twaalf
gelezen „veertien"; wordt na „zeevisscherij,", waar
dit woord voor de eerste maal wordt gebezigd, ingevoegd „een
districtshoofd of oud-distrietshoofd en een schipper of oud-schip-
per van het Loodswezen,"; wordt na „zeevisscherij", waar dit
woord voor de derde maal wordt gebezigd, ingevoegd „en het
districtshoofd en de schipper van het Loodswezen"; en wordt
na „zeevisscherij", waar dit woord voor de vierde maal wordt
gebezigd, ingevoegd „of een Rijksvaartuig betreft, dan wel het
Loodswezen er nauw bij betrokken is";
de eerste volzin van het vijfde lid van het artikel wordt ge
lezen: „Aan den Raad worden een secretaris en een plaatsver
vangende secretaris verbonden.".
XXII. In artikel 24 wordt in plaats van „den plaatsver-
vangenden voorzitter" gelezen „de plaatsvervangende voor
zitters".
XXIII. In artikel 25 wordt in praats van „plaatsvervangende
voorzitter" gelezen „plaatsvervangende voorzitters".
XXIV. In het tweedé lid van artikel 26 wordt in plaats van
„ plaatsvervangende voorzitter" gelezen
„plaatsvervangende
voorzitters";
in het derde lid van het artikel wordt in plaats van „of machi
nist" gelezen ,, , machinist of radio-telegrafist".
XXV. De punt aan het slot van het derde lid van artikel 27
wordt vervangen door „ , tenzij de ramp valt onder artikel 1,
vierde lid, van de Marinescheepsongevallenwet 1928 (Staatsblad
n°. 69) of onder een artikel van soortgelijke strekking van eene
Nederlandsch-Indische algemeene verordening.".
XXVI. In het derde lid van artikel 28 wordt in plaats van
Nederlandsche koloniale ambtenaren, die daartoe door de kolo
niale overheid" gelezen „ambtenaren in Nederlandsch-Indie,
Suriname en Curaqao, die daartoe door de-overheid van aie ge
westen".
XXVII. In artikel 29 worden de volgende wijzigingen aan
gebracht :
_
in het eerste lid wordt na „stelt" ingevoegd „ , met inacht
neming van het voorschrift in het derde lid van artikel 27 ge
geven " en wordt aan het eind toegevoegd: „Hij kan daarbij
eene opgave indienen van de getuigen en deskundigen wier
verhoor tijdens de behandeling voor den Eaad hij noodig acht. ,
na het eerste lid wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende:
2.
Op dezelfde wijze wordt door hem gehandeld ten aanzien
van eene scheepsramp, waarvan de stukken hem °p
artikel 14 van de Marinescheepsongevallenwet 1928 (,Staatsblad
n° 69) of krachtens de bepalingen van soortgelijke strekking
van eene Nederlandsch-Indische algemeene verordening
handen zijn gesteld.";
het bestaand lid 2 wordt lid 3; hieraan wordt toegevoegd: De
leden der commissie, met uitzondering van den voorzitter,
nemen aan deze zitting geen deel. ;
het bestaand lid 3 wordt lid 4; hierin wordt in plaats van
„den hoofdinspecteur in overleg _ met den voorzitter van den
Raad" gelezen „of namens hem";
het bestaand lid 4 wordt lid 5.
XXVIII
In het eerste lid van artikel 30 wordt in plaats
van „gewijzigd bij de wet van 31 December 1887 (Staatsblad
12
587
n°. 265)" gelezen „het laatst gewijzigd bij de wet van 29 Juni
1925 (Staatsblad, n°. 308)".
XXVilla. In artikel 81 wordt na „deskundigen" ingevoegd
„ , voor zooverre hunne dienstverhóuding tot het Rijk niet
medebrengt, dat zij hunne medewerking verleenen zonder eene
schadeloosstelling,''.
XXIX. In het eerste lid van artikel 32 wordt in plaats van
„een bepaalden termijn" gelezen „eenen bepaalden termijn"
en wordt „scheepsjournalen, machinekamerjournalen" vervan
gen door „seheeps-, machine- en radiodagboeken";
in het tweede lid van het artikel wordt in plaats van „gewij
zigd bij de wet van 31 December 1887 (Staatsblad n°. 265)" ge
lezen „het laatst gewijzigd bij de wet van 29 Juni 1925 (Staats
blad n°. 308)".
XXIXa. In lid 4 van artikel 33 wordt in plaats van „een
raadsman
gelezen „eenen raadsman" en wordt „een gemach
tigde" vervangen door „eenen gemachtigde".
XXX. Het opschrift van § 2 van hoofdstuk IV wordt gelezen :
„§ 2.
Ongeschiktheid van kapiteins, stuurlieden,
machinisten of radio-telegrafisten."
XXXI. In artikel 34 worden de volgende wijzigingen aan
gebracht :
lid 1 en lid 2 worden vervangen door de volgende leden:
„1. Indien tijdens het voorloopig onderzoek nopens eene
scheepsramp omstandigheden aan het licht komen, welke bij
het hoofd van de scheepvaartinspectie de vraag doen rijzen,
of de kapitein of één of meer stuurlieden, machinisten of radio
telegrafisten ongeschikt zijn om hunne beroepsplichten te ver
vullen, verbindt hij aan zijn voorstel om een onderzoek naar
de scheepsramp te doen instellen, de voordracht om dien
kapitein, stuurman, machinist, of radio-telegrafist te hooren.
2. Ook indien geene scheepsramp heeft plaats gehad kan in
bijzondere omstandigheden het hoofd van de scheepvaartinspectie
aan den Raad voor de scheepvaart voorstellen een onderzoek
in te stellen naar de ongeschiktheid van den kapitein of van
één of meer stuurlieden, machinisten of radio-telegrafisten.
13
587
8. Beslist de commissie uit den Raad of de Raad, dat de
kapitein, stuurman, machinist of radio-telegrafist ter zake zal
worden gehoord, dan wordt den betrokkene een afschrift der
beslissing beteekend. Voorts wordt gehandeld overeenkomstig
het vierde lid van artikel 29.";
het bestaand lid 3 wordt lid 4; hierin wordt in plaats van „of
machinisten" gelezen ,, , machinisten of radio-telegrafisten ,
het bestaand lid 4 wordt lid 5;
het bestaand lid 5 wordt lid 6; hierin vervallen de woorden
, ,op last van den hoofdinspecteur ;
het bestaand lid 6 wordt lid 7; daarin wordt in plaats van
„een raadsman" gelezen „eenen raadsman" en wordt „een
bijzonder voor dit doel gemachtigde" vervangen door „eenen
bijzonder voor dit doel gemachtigde", terwijl voorts aan dat lid
wordt toegevoegd:
„De betrokkene en zijn raadsman, of zijn gemachtigde, hebben
het recht de stukken van het voorloopig onderzoek vóór de be
handeling der zaak ter secretarie van den Raad voor de scheep
vaart in te zien.";
het bestaand lid 7 wordt lid 8; hierin wordt „tweede en derde
lid" vervangen door „derde en vierde lid", en „of machinist
door ,, , machinist of radio-telegrafist".
XXXII. Het eerste lid van artikel 36 wordt gelezen:
, 1. De Raad kan, hetzij op vordering van het hooid van
de''scheepvaartinspectie, hetzij dien hoofdambtenaar gehoord,
bij eene met redenen omkleede beslissing den kapitein of één
of meer stuurlieden, machinisten of radio-telegrafisten onbe
voegd verklaren om als kapitein, stuurman, machinist of radio-
telegrafist op een schip, als bedoeld in artikel 2, dienst te doen,
indien hij den betrokkene ongeschikt acht om zijne beroeps
plichten te vervullen.".
XXXIII. In het eerste lid van artikel 37 wordt „vertegen
woordiger" vervangen door „gemachtigde ;
het tweede lid wordt gelezen:
„2. Heeft de behandeling der zaak plaats gehad buiten tegen
woordigheid van den onbevoegdverklaarde of diens gemachtigde,
dan kan hij, indien de uitspraak hem in persoon is beteekend,
•
14
587
15
587
binnen veertien dagen na die beteekening, of, indien de uit-
Bpraak hem niet in persoon is beteekend, binnen veertien dagen
nadat zich eene omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voort
vloeit, dat de uitspraak hem bekend was, daartegen verzet doen
bij eene schriftelijke memorie, te richten aan den voorzitter,
die daarvan desverlangd een bewijs van ontvangst afgeeft of
doet afgeven. Bevindt de onbevoegdverklaarde zich niet hier to
lande, dan wordt de termijn met twee maanden verlengd.";
het vierde lid van het artikel vervalt.
XXXIY. Het eerste lid van artikel 38 wordt gelezen:
,,1. Na de indiening van de memorie stelt de voorzitter van
den Eaad het hoofd van de scheepvaartinspectie met de memorie
in kennis of doet hem daarmede in kennis stellen en bepaalt
eerstgenoemde onverwijld dag en uur voor de behandeling van
het verzet.";
in het tweede lid van het artikel wordt „hoofdinspecteur"
vervangen door „voorzitter".
XXXV. In het tweede lid van artikel 39 wordt „door" ver
vangen door „door of vanwege".
XXXVI. In het eerste lid van artikel 41 wordt na „belang
hebbende" ingevoegd „geheel of gedeeltelijk";
in het tweede lid van het artikel wordt „door" vervangen
door „door of vanwege".
XXXVII. In het eerste lid van artikel 42 vervallen de woor
den „nopens de ramp";
aan het slot van het vierde lid van het artikel wordt „mede
gedeeld." vervangen door „en aan het hoofd van de scheep
vaartinspectie toegezonden.".
XXXVIII. In het tweede lid van artikel 43 vervallen de woor
den „op last van den hoofdinspecteur"; aan het slot van het
lid wordt toegevoegd „De beteekening van oproepingen en be
slissingen geschiedt op last van den voorzitter van den Raad,
die van uitspraken op last van het hoofd van de scheepvaart
inspectie. ";
in het derde lid wordt „van den opgeroepene of beteekende"
vervangen door ,, , aan wien eene oproeping, beslissing of uit
spraak moet worden beteekend,";
16
587
bet vierde lid wordt gelezen als volgt:
,4. Indien de persoon, aan wien eene oproeping, beslissing
of'uitspraak moet worden beteekend, bier te lande geene be
kende woon- of verblijfplaats heeft, geschiedt de beteekening
door middel van aanplakking van een afschrift aan het gebouw,
waarin de Eaad voor de scheepvaart zitting houdt en van een
ander afschrift aan het gebouw, waarin de door den voorzitter
aan te wijzen havenmeester kantoor houdt. Bij bekende ver-
blijf plaats buiten Nederland wordt door den ambtenaar met de
beteekening belast, tevens een afschrift bij aangeteekenden brief
gezonden aan den persoon, aan wien de beteekening moet ge
schieden.".
XXXVIIIa. In lid 2 van artikel 44 wordt in plaats van ,,een
inspecteur" gelezen ,,eenen inspecteur .
XXXIX. In het eerste lid van artikel 48 wordt in plaats
van ,,of de passagiers" gelezen ,, , de passagiers of andera
opvarenden'';
in het tweede lid van het artikel wordt in plaats van „of
machinist" gelezen „ , machinist of radio-telegrafist' , wordt
eene of meer" vervangen door ,,een of meer
en wordt m
plaats van „door zijne daad of nalatigheid eene scheepsramp
is veroorzaakt" gelezen ,,aan zijne schuld eene scheepsramp is
te wijten";
in het derde lid van het artikel wordt in plaats^ van „of
machinist" gelezen „ , machinist of radio-telegrafist' .
XL. Het eerste lid van artikel 49 wordt gelezen als volgt:
„1. Het onderzoek ter zake van de in artikel 48, eerste lid,
bedoelde misdragingen heeft, zoo daartoe naar het oordeel van
eene commissie uit den Eaad, bestaande uit den voorzitter en
twee door dezen opgeroepen leden, termen bestaan plaats, indien
eene aanklacht is ingediend door of op last van het hoofd van
de scheepvaartinspectie, door den eigenaar, door een of meer
van de assuradeuren, van de bevrachters, van de schepelingen,
van de passagiers of van andere opvarenden. ,
in het derde lid van het artikel wordt „de koloniën of bezittin
gen van het Eijk in andere werelddeelen" vervangen door
Nederlandsch-Indië, Suriname of Curaqao".
In artikel 50 wordt in plaats van „aanklachten" ge
lezen „maatregelen van tucht"; de punt aan het slot wordt
vervangen door ,, , met uitzondering van artikel 37, derde lid.".
XLII. In artikei 51 wordt na „belanghebbende" ingevoegd
„geheel of gedeeltelijk".
XL/III. In artikel 52 onder b wordt „een" vervangen door
„de voorgeschreven,", wordt in plaats van „geldig certificaat
van deugdelijkheid" gelezen „geldige, certificaten" en wordt
„is" vervangen door „zijn";
de onderdeelen a en b worden verwisseld; de puntkomma na
onderdeel a (oud) wordt vervangen door een punt, de punt na
onderdeel b (oud) door een puntkomma; het onderdeel a wordt
b , h e t onderdeel b wordt a .
XLIV. In artikel 53 wordt in plaats van „wanneer een"
gelezen „wanneer de voorgeschreven"; wordt in plaats van
„geldig certificaat van deugdelijkheid" gelezen „geldige certi
ficaten , en wordt „is" vervangen door „zijn",
XLV. In artikel 54 vervalt de dubbele punt en de letter a ,
alsmede het onderdeel b; in plaats van „het geldig certificaat
van deugdelijkheid
wordt gelezen „de voorgeschreven geldige
certificaten, bedoeld in artikel 3,", en in plaats van „dat stuk"
„die stukken"; de puntkomma aan het einde van het bestaand
onderdeel a wordt vervangen door een punt.
XLYI, In artikel 54b is worden de volgende wijzigingen aan-
geDraciit i
het onderdeel a wordt gelezen als volgt:
,,a. de kapitein, wiens schip gedurende de reis een geringer
vrij boord heeft, dan wel hoogeren deklast voert, dan blijkens het
veiligheidscertificaat, het certificaat van uitwatering of dat voor
de houtvaart geoorloofd is;";
onder b wordt in plaats van „vierde" gelezen „derde", en
wordt de punt vervangen door een puntkomma;
twee nieuwe onderdeelen worden toegevoegd, luidende:
,,c. de kapitein, die de voorwaarden, onder welke de ver
gunning, bedoeld in artikel 2bis is verleend, niet nakomt;
d . de kapitein, die een der voorschriften van artikel 9, eerste
lid onder e, ƒ en g overtreedt."
17
587
XLVII. In artikel 55 wordt in plaats van ,, dieper te laden
dan blijkens het certificaat van uitwatering' gelezen .>een ge
ringer vriiboord te doen hebben dan blijkens de betreffende
certificaten", en wordt in plaats van „vierde ' gelezen „derde .
XLVIII
In artikel 56 wordt „een maand" vervangen door
„eene maand", wordt na „artikelen" ingevoegd „4,", en wordt
in plaats van „9, eerste en derde" gelezen „9, eerste lid onder
a, b, c, d, h en t, en tweede".
XLIX. In artikel 60 wordt „niet overlegt" vervangen door
„niet, niet tijdig of niet in den staat, waarin zij zich ten tijde
van de opvordering bevonden, overlegt".
L. De eerste zinsnede van artikel 63 wordt genummerd
1.": hierjn wordt in plaats van „ overtredingen van deze wet^
gelezen „feiten, bij of krachtens deze wet strafbaar gesteld ;
wordt achter „gemeentepolitie," toegevoegd „de ambtenaren
der invoerrechten en accijnzen,"; vervallen de woorden „iNeder-
landsche koloniale", en wordt „koloniale overheid
vervangen
door „overheid in Nederlandsch-Indië, Suriname of Curacjao ,
de tweede zinsnede van het artikel wordt genummerd „2.
en wordt aldus gelezen:
2
De door eenen Nederlandschen consulairen ambtenaar ot
eenen, in het vorige lid bedoelden, ambtenaar in Nederlandsch-
Indië Suriname of Curacjao opgemaakte processen-verbaal gelden
als wettig bewijsmiddel der door hen geconstateerde daarin om
schreven strafbare feiten, mits zij bevestigd worden door zijnen
daarin opgenomen schriftelijken eed (belofte). ;
aan het artikel wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:-
3
De in het eerste lid van dit artikel bedoelde ambtenaren
zijn te allen tijde bevoegd om al datgene, wat dienen kan tot het
bewijs van het strafbaar gestelde feit, in beslag te nemen e
de uitlevering daarvan, ter inbeslagneming, te vorderen.
LI
In het eerste lid van artikel 64 wordt in plaats van „den
plaatsvervangenden voorzitter" gelezen „de plaatsvervangende
voorzitters".
LIÏ. In het eerste lid van artikel 67 wordt in plaats van „den
diepgang" gelezen „de uitwatering, de radio-telegrafie en de
passagiersschepen";
in het derde lid van het artikel wordt „aanvulling" vervangen
door „aanwijzing".
18
587
19
587
LUI. In artikel 68 wordt na ,,ook" ingevoegd „ten spoe
digste".
IJIV. Het tweede lid van artikel 69 wordt gelezen:
„2. De ambtenaar geeft van elke aanhouding zoo spoedig
mogelijk kennis aan zijnen onmiddellijken chef, die daarvan ter
stond mededeeling doet aan het hoofd van de scheepvaartinspec
tie, aan den vertegenwoordiger of gemachtigde van den eigenaar,
aan den kapitein van het schip en aan den dichtstbij gevestigden
consulairen ambtenaar van het land, waartoe het schip door zijne
nationaliteit behoort. Hij licht hen in omtrent alle omstandig
heden, als gevolg waarvan de aanhouding noodig werd geacht.
Het hoofd van de scheepvaartinspectie geeft zoo noodig recht
streeks bericht aan den eigenaar.".
LY. Artikel 70 wordt gelezen als volgt:
„1. Indien een schip van Nederlandsche nationaliteit, dat
krachtens artikel 2 van de toepassing van deze wet is uitgezon
derd, door eene scheepsramp wordt getroffen, wordt naar de oor
zaken daarvan een onderzoek ingesteld. Deze bepaling is mede
van toepassing op vaartuigen in dienst van het Rijk, geene zee
schepen zijnde, en op schepen van vreemde nationaliteit, indien
de scheepsramp heeft plaats gehad op of in de nabijheid van de
Nederlandsche kust of in de Nederlandsche zeegaten en havens
met hunne toegangen naar zee.
2. Bij een onderzoek, als in het eerste lid bedoeld, worden
de bepalingen van Hoofdstuk IV in acht genomen, met uitzon
dering van die, vervat in de artikelen 34 tot en met 41.".
LVI. Artikel 72 wordt gelezen als volgt:
„Alle ten gevolge van deze wet opgemaakte stukken en be
schikkingen worden kosteloos uitgereikt.".
LYII. In artikel 73 wordt in plaats van „koloniën en bezit
tingen in andere werelddeelen" gelezen „Nederlandsch-Indië,
Suriname en Curaijao".
Artikel 2.
De Scheepvaart(Verdrags-)wet (wet van 5 April 1919, Staats
blad n°. 151) wordt ingetrokken.
Artikel 3.
De Schepenwet zal op Onzen last, met inachtneming van de
daarin gebrachte wijzigingen, door plaatsing in het Staatsblad
algemeen bekend worden gemaakt.
Artikel 4.
Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenliage, den 31sten December 1931.
W I L H E L M I N A .
De Minister van Waterstaat,
p. j. REYMER.
Uitgegeven den twintigsten Januari 1932.
De Minister van Justitie,
j. d o n k e r .
20
587
Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be
volen.
Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953.
STRUYCKEN.
Uitgegeven de 26ste Juni 1953.
De wnd. Gouvernements-Secretaris,
BOOMGAART.
- 3 —
95
A" 1953
N°
96
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 8, waarbij wordt af
gekondigd de wet van den 31sten December 1936, tot
wijziging van de Schepenwet (Staatsblad 1936, no. 526).
IN NAAM DER KONINGIN!
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,
Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot
afkondiging van onderstaande wet:
(^ * ^26«) WET van den 31sten December 1936,
tot wijziging van de Schepenwet.
WIJ WILHELMINA, BIJ' DE GRATIE GODS, KONINGIN DEK
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te
weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk
is de Schepenwet (wet van den lsten Juli 1909, Staatsblad
no. 219, het laatst gewijzigd bij de wet van den 31sten Decem
ber 1931, Staatsblad no. 587), nader te wijzigen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I.
Na artikel 4bis der Schepenwet wordt ingevoegd een artikel
4fer, luidende:
„1. De ondernemer of diens gevolmachtigde bedoeld in
artikel 13 van de Landverhuizingswet, is verplicht telkens als
een schip gereed is om eene reis met in Nederland ingescheepte
landverhuizers te ondernemen, hiervan tijdig kennis te geven
aan het hoofd van het district, waarbinnen het schip zich
bevindt.
2. Voor schepen, varende in vaste passagierslijnen met ten
minste één afvaart in de maand, kan worden volstaan met
het inzenden van vaartabellen, mits er tijdig kennis van gegeven
wordt, wanneer hierin verandering wordt gebracht."
Artikel II.
Artikel 5, eerste lid, wordt aangevuld met:
,,e. aan welke eischen de inrichting van de verblijven van
landverhuizers aan boord en de inrichting van de voor hen be
stemde ziekenverblijven moeten voldoen;
ƒ.
al hetgeen in het belang van de veiligheid, de gezondheid,
de zedelijkheid en de verpleging van landverhuizers wordt ver-
eischt."
Artikel III.
In artikel 23, tweede lid, worden de eerste twee volzinnen
gelezen als volgt:
„2. De Raad bestaat uit een voorzitter en twee gewone
leden. De gewone leden zijn een zeeofficier of oud-zeeofficier
en een kapitein of oud-kapitein ter koopvaardij.
Artikel IV.
In artikel 26, derde lid, wordt in plaats van ,,vijf leden
gelezen ,,drie leden".
Artikel V.
Aan artikel 43 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
„5. Voor zijn verrichtingen ingevolge dit artikel ontvangt
de "deurwaarder een vergoeding overeenkomstig bij algemeenen
maatregel van bestuur te stellen regelen.
Artikel VI.
Na artikel 54bis wordt ingevoegd een artikel 54ter, luidende:
Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete
van ten hoogste zeshonderd gulden wordt gestraft de onder
nemer of diens gevolmachtigde, bedoeld in artikel 13 van de
Landverhuizingswet, die verzuimt tijdig de mededeeling te
doen, bedoeld in artikel 4ter."
Artikel VII.
Na artikel 67 wordt ingevoegd een artikel 67bis, luidende:
De bij of krachtens deze wet uitgevaardigde bepalingen be
treffende de uitwatering, de radio-telegrafie en de passagiers
schepen, het bepaalde in de artikelen 4, onder b, h en l, 4ter,
5, eerste lid, onder b, e en ƒ, 12, 15, 16. tweede lid, 17 eerste,
tweede en vierde lid, 18, 19, 20, 21, 22 en 72 en het bepaalde
in de naar aanleiding daarvan vastgestelde algemeene maat
regelen van bestuur, alsmede de desbetreffende strafbepalingen
zijn mede van toepassing op een schip van vreemde nationali
teit hetwelk in eene Nederlandsche haven landverhuizers in
scheept, tenzij het schip valt onder de uitzondering, bedoeld in
2
526
het tweede lid van artikel 67 en door den kapitein vóór het ver
trek van het schip op vordering van den ambtenaar van de
Scheepvaartinspectie wordt overgelegd een bewijsstuk, waaruit
tot genoegen van dien ambtenaar blijkt, dat ten aanzien van
het schip wordt voldaan aan de voorschriften, welke in het
eigen land van kracht zijn."
Artikel VIII.
In artikel 67, eerste lid, elfden regel, worden tusschen de
woorden „haven" en „eene reis" ingevoegd de woorden ,, , zon
der dat het aldaar landverhuizers inscheept," en worden in het
tweede lid de woorden „dat niet ingevolge de artikelen 2 of 2bis
onder de bepalingen van deze wet valt, waarmede uit eene
Nederlandsche haven eene reis zal worden ondernomen" ver
vangen door de woorden: „als in het eerste lid bedoeld".
Artikel IX.
Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen
tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, den 31sten December 1936.
W I L H E L M I N A .
De Minister van Waterstaat,
V A N L I D T H D E J E U D E .
Uitgegeven den negentienden Januari 1937.
De Minister van Justitie,
V A N S C H A I K .
3
526
Heeft de opnemiug daarvan in het Publicatieblad be
volen.
Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953.
STRUYCKEN.
Uitgegeven de 26ste Juni 1953.
De wnd. Gouvernements-Secretaris,
BOOMGAART.
— 3 —
96
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 9, waarbij wordt af
gekondigd de wet van 1 Maart 19^6, tot wijziging van de
Schepenwet (Staatsblad 19Jf6, no. G Jt3).
IN NAAM DER KONINGIN!
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,
Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot
afkondiging van onderstaande wet:
A° 1953
N°
97
(No. G 43.) W E T van 1 Maart 1946, tot ivijziging
van de schepenwet.
WIJ WILHELMINA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te
weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wensche-
üjk is de Schepenwet (wet van 1 Juli 1909, 'Staatsblad n°. 219,
het laatst gewijzigd bij de wet van 31 December 1936, Staats
blad n°. 526) nader te wijzigen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I.
Aan artikel 16 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:
,,4. Indien Onze Minister in geval van oorlogsgevaar van
oordeel is, dat de vaart te groote gevaren oplevert, kan hij een
schip door een ambtenaar van de scheepvaartinspectie doen
aanhouden."
Artikel II.
In artikel 17, lid 4, worden de woorden ,,eerste of tweede
lid" vervangen door „eerste, tweede of vierde lid".
Artikel Hl.
Aan artikel 18 wordt een nieuw lid 2 toegevoegd, luidende:
,,2. Van een aanhouding krachtens het bepaalde in artikel
16, lid 4, kan geen beroep worden ingesteld."
Lid 2 wordt lid 3.
Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:
Bijl.: Hand. II 39/40, 326; Hand. II 39/40, bladz. 1537;
Bijl.: Hand. I 39/40, 326; Hand. I 45/46, bladz. 32.
G 43
2
Artikel IV.
Deze wet treedt in werking met ingang van den dag na dien
harer afkondiging.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aar de nauw
keurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, den lsten Maart 1946.
WILHELMINA.
De Minister van Scheepvaart a.i.,
DE BOOY.
Uitgegeven den negen en twintigsten Maart 1946.
De Minister van Justitie,
KOLFSCHOTEN.
Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be
volen.
Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953.
STRUYCKEN.
Uitgegeven de 26ste Juni 1953.
De wnd. Gouvernements-Secretaris,
BOOMGAART.
— 3 —
97
A° 1953
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 10, waarbij wordt af
gekondigd de wet van 31 December 1052, houdende na
dere wijziging van de Schepenwet (Staatsblad 1952,
no. 678).
IN NAAM DER KONINGIN.'
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,
Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot
afkondiging van onderstaande wet:
N ° 9 8
WIJ JULIANA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER NEDER
LANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk
is de Schepenwet (Wet van 1 Juli 1909, Stb. 219, het laatst
gewijzigd bij de Wet van 19 Juli 1950, Stb. K. 300), in over
eenstemming te brengen met de bepalingen van het interna
tionale Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee,
1948, goedgekeurd bij de Wet van 22 December 1949 (Stb.
J. 586), alsmede enige verdere wijzigingen in de Schepenwet
aan te brengen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan,
gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel I
De Schepenwet wordt gewijzigd als volgt:
1
In artikel 1, eerste lid, worden na „Onze Minister" de woor
den „Onze Minister met de uitvoering van deze wet belast"
vervangen door: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;.
2
In artikel 1, na „passagiers", worden de woorden „allen, die
tegen vergoeding aan boord worden vervoerd" vervangen door:
alle personen aan boord, met uitzondering van:
1°. de kapitein en de schepelingen;
2°. andere personen, die in welke hoedanigheid ook, aan
boord ten behoeve van het schip in dienst of tewerkgesteld
zijn;
Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:
Bijl. Hand. II 52/53, 2871; Hand. II 52/53, bladz. 3407'
Bijl. Hand. I 52/53, 2871; Hand. I 52/53, bladz. 3015.
3°. kinderen, die op de dag van inscheping de leeftijd van
een jaar nog niet hebben bereikt.
3
In artikel 2, eerste lid, wordt het onder « bepaalde ge
lezen: schepen in openbare dienst van het Rijk en troepen-
transportschepen;.
4
In artikel 2 wordt het onder d bepaalde gelezen: Plelz.ie'"~
vaartuigen, welke uitsluitend als zodanig worden gebezigd,
voorzover zij geen passagiers tegen vergoeding vervoeren,.
5
In artikel 2 wordt het onder g bepaalde gelezen: schepen,
welke varen met een Surinaamse zeebrief.
6
In artikel Ibis wordt inplaats van „krachtens de in Neder-
landsch-Indië of Suriname geldende bepalingen
gelezen,
krachtens de in Suriname geldende bepalingen.
7
De laatste zin van artikel Ibis vervalt.
8
In artikel 3, eerste lid, wordt het onder d bepaalde gelezen.
een
radiotelegrafie-veiligheidscertificaat, een
radiotelefonie-
veiligheidscertificaat, een uitrustingscertificaat, een certificaat
voor de houtvaart, een certificaat voor veevervoer of een certi
ficaat van vrijstelling voor de bij algemene maatregel van be
stuur aan te wijzen schepen.
9
1
In artikel 4 wordt het onder g bepaalde gelezen: de
radiotelegraaf- en radiotelefooninrichting bedrijfsklaar zijn;.
10
In artikel 4 wordt de letter van het onder l bepaalde gewij
zigd in een o; het onder o bepaalde wordt gelezen: — indien
het schip een passagiersschip is — niet meer passagiers zijn in
gescheept dan blijkens het veiligheidscertificaat geoorloofd is
de alarmrol bekend is gemaakt, de voorgeschreven appels z n
gehouden en op duidelijke wijze de nodige aanwijzingen zijn
aangebracht betreffende de plaatsen, waar de reddingmiddelen
zijn opgeborgen of geplaatst, hoe deze plaatsen zijn te bereiken
en hoe de reddingmiddelen moeten worden gebruikt,.
11
Vóór het aldus onder o bepaalde wordt ingevoegd:
/. de voorgeschreven stabiliteitsgegevens aan boord zijn;
m. de met betrekking tot oorlog of oorlogsgevaar gegeven
voorschriften in acht zijn genomen;
n. de met betrekking tot het vervoer van vee gegeven voor
schriften in acht zijn genomen.
12
In artikel 5, eerste lid, onder c, wordt in plaats van „vrij-
boord" gelezen: minimum vrijboord.
13
Het vierde lid van artikel 6 wordt gelezen: Voor het
onderzoek van schepen en voor verdere werkzaamheden, nodig
voor de afgifte van certificaten, worden naar een door Onze
Minister te stellen tarief kosten berekend, voorzover dat onder
zoek en die werkzaamheden niet door een der door Ons
erkende particuliere onderzoekingsbureaux zijn verricht.
14
Het vijfde lid van artikel 6 vervalt.
15
In artikel 8, eerste lid, wordt inplaats van „ambtenaren in
Nederlandsch-Indië of Suriname" gelezen: ambtenaren in
Suriname.
16
In artikel 9, eerste lid, onder ƒ, wordt na het woord
„schepen" ingevoegd: en vliegtuigen.
17
In artikel 9 wordt de punt aan het slot van het eerste lid
vervangen door een punt-komma, waarna wordt toegevoegd:
k. zorg te dragen, dat de met betrekking tot oorlog of
oorlogsgevaar gegeven voorschriften worden nageleefd;
/. zorg te dragen, dat de met betrekking tot het vervoer
van vee gegeven voorschriften worden nageleefd.
18
In artikel 26, derde lid, wordt een komma geplaatst na het
woord „machinist" en wordt inplaats van „of radiotelegrafist"
gelezen: radiotelegrafist of radiotelefonist.
19
In artikel 26bis, derde lid, wordt een komma geplaatst na
het woord „machinist" en wordt inplaats van „of radiotele
grafist" gelezen: „radiotelegrafist of radiotelefonist.
20
In artikel 27, derde lid, vervallen de woorden „of onder een
artikel van soortgelijke strekking van eene Nederlandsch-In-
dische algemeene verordening".
21
In artikel 28, derde lid, wordt inplaats van „ambtenaren in
Nederlandsch-Indië of Suriname" gelezen: ambtenaren in
Suriname.
22
Het opschrift van Hoofdstuk IV, § 2, wordt gelezen: Onge
schiktheid van kapiteins, stuurlieden, machinisten, radiotele
grafisten of radiotelefonisten.
23
In artikel 34 wordt telkens na de woorden „machinist" of
„machinisten" een komma geplaatst en wordt telkens inplaats
van „of radiotelegrafist" onderscheidenlijk „of radiotelegra
fisten" gelezen: „radiotelegrafist of radiotelefonist" onder
scheidenlijk „radiotelegrafisten of radiotelefonisten".
24
In artikel 36, eerste lid, wordt na de woorden „machinisten"
en „machinist" een komma geplaatst en wordt inplaats van „of
radiotelegrafisten" en „of radiotelegrafist" gelezen: „radio
telegrafisten of radiotelefonisten" onderscheidenlijk „radiotele
grafist of radiotelefonist".
25
In artikel 48 wordt telkens na het woord „machinist" een
komma geplaatst en wordt telkens inplaats van „of radio
telegrafist" gelezen: radiotelegrafist of radiotelefonist.
26
ln artikel 49, derde lid, wordt inplaats van „in Nederlandsch-
Indië of Suriname" gelezen: in Suriname.
27
In artikel 54bis, onder d, wordt inplaats van „artikel 9,
eerste lid onder e, f en g" gelezen: artikel 9, eerste lid onder e,
f, g, k of l.
28
In artikel 63 wordt telkens inplaats van „in Nederlandsch-
Indië, Suriname of de Nederlandse Antillen" gelezen: in Suri
name of de Nederlandse Antillen.
29
In artikel 67, eerste lid, wordt inplaats van „de radio-tele-
grafie en de passagiersschepen" gelezen: de radio-telegrafie en
-telefonie, de passagiersschepen en het vervoer van vee.
30
In artikel 70, eerste lid, wordt in plaats van „in dienst van
het Rijk" gelezen: „in openbare dienst van het Rijk" en wordt
aan het slot na het woord „zee" ingevoegd: dan wel op of in
de nabijheid van de kust van de Nederlandse Antillen of in
een haven van dat Rijksdeel.
Artikel II
Deze wet treedt in werking met ingang van een door Ons
te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden
geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten,
Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauw
keurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Sankt Anton, 31 December 1952.
JULIANA.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J. ALGERA.
De Minister voor Uniezaken
en Overzeese Rijksdelen,
W. J. A. KERNKAMP.
Uitgegeven de drie en twintigste Januari 1953.
De Minister van Justitie,
L. A. DONKER.
"eelt de opneming daarvan in het Publicatieblad be
volen.
Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953.
STRUYCKEN.
Uitgegeven de 26ste Juni 1953.
De wnd. Gouvernements-Secretaris,
BOOMGAART.
- 3 —
98
A" 1953
N° 99
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 11, bepalende de op
neming in het Publicatieblad van het Koninklijk Besluit
van 12 Februari 1952, houdende aanwijzing van de
krachtens de Schepenwet erkende particuliere onder-
zoekingsbureaux.
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,
Gelezen:
de brief dd. 5 December 1952 no. 35421/821 Doss.
17o4, Afdeling Suriname en Nederlandse Antillen, van de
heer Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen;
HEEFT GOEDGEVONDEN:
Te bepalen, dat het Koninklijk Besluit van 12 Fe
bruari 1952, houdende aanwijzing van de krachtens de
Schepenwet erkende particuliere onderzoekingsbureaux
(Staatsblad no. 69) nevens dit besluit in het Publicatie
blad zal worden bekendgemaakt.
Willemstad, de 25ste Juni 1953.
De Gouverneur voornoemd,
STRUYCKEN.
Uitgegeven de 26ste Juni 1953.
De wnd. Gouvernements-Secretaris,
BOOMGAART.
BESLUIT van 12 Februari 1952, houdende aanwijzing van
de krachtens de Schepenwet erkende particuliere onder-
zoekingsbureaux.
WIJ JULIANA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, enz., enz., enz.
Gelet op artikel 7, lid 1, van het Schepenbesluit;
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat van 5 Februari 1952, No. 315292 Z/121/121/2
Directoraat-Generaal van Scheepvaart;
Hebben goedgevonden en verstaan:
met ingang van 1 Maart 1952:
le. in te trekken het Koninklijk besluit van 28 Octo-
ber 1943 (Staatsblad No. D 41);
2e. aan te wijzen als door Ons krachtens de Schepen
wet erkende particuliere onderzoekingsbureaux:
a.
Lloyd's Register of Shipping, united with The
British Corporation Register, te Londen;
b. Bureau Veritas, Régistre International de classi-
fication des navires, te Parijs;
c. Det Norske Veritas, te Oslo;
d. The American Bureau of Shipping, te New York;
e. Germanischer Lloyd, te Berlijn.
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast
met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staats
blad zal worden geplaatst.
Soestdijk, 12 Februari 1952.
JULIANA.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
H. H. WEMMERS.
Uitgegeven de veertiende Maart 1952.
De Minister van Justitie,
H. MULDERIJE.
— 2 —
99
A° 1953
N° 100
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 12, waarbij wordt
afgekondigd het Besluit van den 11 den December 1932,
tot vaststelling van een Algemeenen Maatregel van Be-
stuui als bedoeld in artikel 10 van de Schepenwet
(Staatsblad 1932, no. 620).
IN NAAM DER KONINGIN.'
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,
Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot
afkondiging van onderstaande algemene maatregel van
bestuur:
(N • 620i) H E S L U I T van den 17den December 1932,
tot vaststelling van een Algemeenen Maatregel
van Bestuur als bedoeld in artikel 10 van de
Schepenwet.
WIJ WILHELMINA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.
Op de voordracht van Onzen Minister van Waterstaat van
i December 1932, La. F.F., afdeeling Vervoer en Mijnwezen;
Den Eaad van State gehoord (advies van 13 December 1932
n°. 36);
Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister
van 15 December 1932, La. G.G., afdeeling Vervoer- en
Mijnwezen;
Gelet op artikel 10 van de Schepenwet;
Hebben goedgevonden en verstaan:
met ingang van den dag, waarop de wet van den 31sten
December 1931 (Staatsblad n°. 587) in werking treedt, met
intrekking van het Koninklijk besluit van den 22sten September
1909 (Staatsblad n°. 316), het laatst gewijzigd bij het Konink
lijk besluit van den 21sten December 1928 (Staatsblad n°. 494)
vast te stellen de navolgende instuctie voor de in artikel 10 der
Schepenwet bedoelde ambtenaren.
Artikel 1.
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder
„Onzen Minister , Onze Minister met de uitvoering van de
Schepenwet belast.
Artikel 2.
1
De ambtenaren van de scheepvaartinspectie dragen den
titel van inspecteur generaal, inspecteur, adjunct-inspecteur,
expert, adjunct-expert, scheepsbouwkundig adviseur en scheeps-
bouwkund 8^8^^ generaal) verder genoemd hoofd van de
scheepvaartinspectie, is verantwoordelijk voor en belast met
e
algemeene leiding van den dienst der scheepvaartinspectie, onde
hevelen van Onzen Minister.
3
De scheepsbouwkundig adviseur, de scheepsbouwkundig
ingenieur en de door Ons, krachtens artikel 10, lid 2, der Schepen
wet ter beschikking gestelde ambtenaren van andere dienst
takken, zijn rechtstreeks werkzaam onder de bevelen van het
hoofd van de scheepvaartinspectie.
.
Aan het hoofd van de scheepvaartinspectie worden overigens
de noodige ambtenaren toegevoegd.
,
,
4
Het hoofd van de scheepvaartinspectie, de aan dezen toe
gevoegde ambtenaren, de scheepsbouwkundig adviseur en de
scheepsbouwkundig ingenieur he.bben hunne standplaats
Onze" Minister wijst eiken ambtenaar van de scheepvaart
inspectie, met uitzondering van die in het vorige lid genoemd,
eene standplaats aan.
Artikel 3.
1
De ambtskring van het hoofd van de scheepvaartinspectie
en de aan dezen toegevoegde ambtenaren omvat het geheele Rijk.
2
Onze Minister wijst eiken ambtenaar van de scheepvaart
inspectie, met uitzondering van het hoofd van de scheePvaa ;
inspectie en de aan dezen toegevoegde ambtenaren, het onder
zijn ambtskring vallende district of de onder zijn ambtskr.n0
vallende districten aan.
.
, ,
3.
De bemoeiingen van de in het vorige lid ^doelde ambte
naren strekken zich uit over alle schepen, wel'ke m het :hun
aangewezen district of de hun aangewezen districten thuis
hooren of zicli alclsi&r bövindön*
4
De in artikel 10 van de Schepenwet bedoelde ambtenare
bezitten eene algemeene bevoegdheid tot
toezicht en tot het opsporen van overtredingen van de Schep
wet en van hare uitvoeringsbepalingen, die van de scheepvaart-
inspectie mede tot het uitvoeren van artikel 16 der Schepenwet,
620
2
3
620
ten aanzien van alle schepen, waar deze zich ook bevinden, hetzij
in het binnenland, hetzij in het buitenland.
5. Ten aanzien van schepen, welke zich in het buitenland
bevinden, geschiedt het uitoefenen van toezicht en het opsporen
van overtredingen van de Schepenwet en van hare uitvoerings
bepalingen, zoomede de uitvoering van artikel 16 dier wet, door
het hoofd van de scheepvaartinspectie of, ingevolge diens bijzon
dere opdracht, door de ambtenaren van de scheepvaartinspectie
of, met uitzondering van de uitvoering van artikel 16 bovenge
noemd, door de krachtens artikel 10, lid 2, van de Schepenwet
ter beschikking gestelde ambtenaren.
Artikel 4.
De ambtenaren van de scheepvaartinspectie leggen bij de aan
vaarding hunner bediening in handen van Onzen Commissaris
in de provincie, waarin hunne standplaats is gelegen, den eed
of de belofte af, dat zij de plichten hunner bediening getrouw
zullen vervullen.
Artikel 5.
1. Behoudens het bepaalde in artikel 61, lid 3, van het Alge
meen Rijksambtenarenreglement mogen de ambtenaren van de
scheepvaartinspectie, tenzij met bijzondere schriftelijke vergun
ning van Onzen Minister:
a. geen particuliere betrekking waarnemen, onder welke be
naming of van welken aard ook, en
b. geen opdracht aanvaarden tot het verrichten van werk
zaamheden ten behoeve van derden.
2. De in artikel 10 van de Schepenwet bedoelde ambtenaren
mogen rechtstreeks noch middellijk deelnemen aan scheepvaart-
of aanverwante ondernemingen.
Artikel 6.
1. Voor het toezicht, met uitzondering van dat op de zee-
visschersvaartuigen, welke thuis behooren in Noord-Holland,
behalve de eilanden Vlieland en Terschelling, Zuid-Holland,
Zeeland en Noord-Brabant, worden drie districten gevormd,
onderscheidenlijk omvattende:
1°.
Noord-Holland, behalve de eilanden Vlieland en Ter
schelling, Zuid-Holland benoorden de spoorlijn Leiden—Utrecht
en Utrecht;
2»
Zuid-Holland bezuiden de spoorlijn Leiden—Utrecht,
Zeeland, Noord-Brabant, Limburg en Gelderland met uitzonde
ring van de Zuiderzeeplaatsen;
3»
Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel <le Zuider
zeeplaatsen in Gelderland, benevens de eilanden Vlieland en
Terschelling.
2
Yoor het toezicht op de zeevisschersvaartuigen, welke
thuis behooren in Noord-Holland, behalve de eilanden Vlieland
en Terschelling, Zuid-Holland, Zeeland en Noord-Brabant, wordt
een afzonderliik — vierde — district gevormd.
3. Het hoofd van de scheepvaartinspectie is bevoegd in
bijzondere gevallen:
a
aan ambtenaren van het eerste, tweede en derde district
het'toezicht op te dragen op tot het yierded^trictbehoorende
visschersvaartuigen in plaatsen, binnen het district, waarin hu
standplaats is gelegen;
b
aan ambtenaren van het vierde district het toezicht op
te dragen op schepen, geen visschersvaartuigen zijnde, ln
van de onder a bedoelde districten, waarin hunne standplaats
is gelegen.
Artikel 7.
1. Het toezicht wordt uitgeoefend onder leiding van een door
-ï'*£fsü2ïs
rrx t--
van het hoofd van de scheepvaartinspectie.
Artikel 8.
Het hoofd ».» de ,eheepv«.rtiu.peetie tawe».»
»iei
dUtric, d.a rij
b«2dSiett\»LrmWe« d5t
hoofd stellen.
4
620
Artikel 9.
1. De ambtenaren van de scheepvaartinspectie houden door
loopend toezicht op den toestand, waarin de schepen, waarover
hunne bevoegdheid zich uitstrekt, zich bevinden, op hunne uit
rusting, belading en bemanning, in zooverre het toezicht op deze
zaken bij en krachtens de Schepenwet is voorgeschreven.
2. Voor de uitoefening van het in het vorige lid bedoelde
toezicht begeven zij zich op ongezette tijden aan boord der aan
het toezicht onderworpen schepen en op de werven en in de
dokken, waar deze schepen zich bevinden.
3.
Zij overtuigen zich of de schepen op merkbare wijze in
sterkte zijn achteruitgegaan, dan wel schade hebben beloopen
en of herstellingen op afdoende wijze en met deugdelijk mate
riaal worden en zijn verricht.
4. Zij overtuigen zich of is of zal worden voldaan aan de
voorschriften, in artikel 4 der Schepenwet bedoeld of krachtens
artikel 5 dier wet gesteld of gegeven.
5. Zij zijn bevoegd zich alle in het Schepenbesluit genoemde
voorwerpen te doen vertoonen, inzage te nemen van de dag
boeken, van de registers van waarnemingen betreffende kom
passen en tijdmeters, van de certificaten en bewijzen, afgegeven
bij het onderzoeken van lantaarns, instrumenten, enz. en in het
algemeen van alle bescheiden, welke kunnen dienen om te be-
oordeelen, of de voorschriften worden nageleefd.
6. Ter juiste beoordeeling en toepassing van het voorkomende
in. Hoofdstuk IV van het Schepenbesluit zal zoo noodig, en meer
in het bijzonder op scheepsbouwkundig gebied, het advies van
den scheepsbouwkundig adviseur of van diens vervanger worden
ingewonnen.
"l • ^ -"-n geval van twijfel of de voorschriften van de artikelen
71, '2 en 75 van het Schepenbesluit behoorlijk worden nage
leefd, wordt door hen de voorlichting ingeroepen van den Direc
teur van eene der Filiaalinrichtingen van het Koninklijk Neder-
landsch Meteorologisch Instituut of van personen, die door
Onzen Minister zijn aangewezen als bevoegd om kompassen te
controleeren.
8.
Zij doen van tijd tot tijd de scheepsbooten te water bren
gen en brandbluschmiddelen en lensinrichtingen te werk stellen
cm zich van de goede werking te overtuigen.
9. De ambtenaren van andere diensttakken gedragen zich naar
de in de leden 1 tot en met 5 gegeven voorschriften, met dien
5
620
verstande, dat zij hunne bemoeiingen slechts uitstrekken tot de
werkzaamheden, waarvoor zij zijn aangewezen.
Artikel 10.
1. Bemerkt een ambtenaar, dat aan een of meer voorschrif
ten niet is voldaan, dan maakt hij den kapitein hierop opmerk
zaam.
2. Blijkt hem uit het ontvangen antwoord, dat het voor
nemen niet bestaat aan de opmerking gevolg te geven, is de tijd
van vertrek van het schip zoo na op handen, dat wellicht de tijd
hiervoor zal ontbreken, of ziet hij bij een nader bezoek, dat er
nog geen gevolg aan gegeven is, dan handelt hij onverwijld over
eenkomstig het bepaalde in artikel 15 van de Schepenwet door
hiervan kennis te geven aan zijn onmiddellijken chef.
Artikel 11.
1. De ambtenaren zijn verplicht van alle belangrijke zaken,
welke zich bij hunne inspecties voordoen, aanteekening te houden
en daarvan geregeld mededeeling te doen aan hun onmiddel
lijken chef.
, ...
2. De districtshoofden zenden maandelijks een afschrift van
hunne aanteekeningen en van die der onder hunne bevelen
dienende ambtenaren aan het hoofd van de scheepvaartinspectie.
Artikel 12.
1. De districtshoofden zien toe op de nauwgezette plichts
betrachting van de onder hunne bevelen gestelde ambtenaren.
2. Hiertoe begeven zij zich ook aan boord van de schepen,
op de werven en in de dokken, waar zich onder toezicht staande
schepen bevinden.
,
3. Door tusschenkomst van de onder hunne bevelen gestelde
ambtenaren en door andere doeltreffende middelen zorgen zij
steeds op de hoogte te blijven van den toestand van de schepen,
welke zich binnen hun district bevinden.
4
Indien een schip uit hun district naar een ander wordt
overgebracht, worden de van dit schip beschikbare gegevens aan
het betrokken districtshoofd overgegeven, waarbij op bijzonder
heden wordt gewezen.
Artikel 13.
Wanneer een districtshoofd van oordeel is, dat het noodig zal
zijn een schip te dokken of op andere wijze droog te zetten,
6
620
geeft hij hiervan zoo tijdig mogelijk kennis aan den eigenaar en
den kapitein, opdat dezen hiermede rekening kunnen houden bij
het regelen der werkzaamheden.
Artikel 14.
Wanneer een districtshoofd verneemt, dat in de gevallen, be
doeld in artikel 10, 1ste lid, meeningsversehil bestaat tusschen
den ambtenaar en den kapitein of den eigenaar, dan stelt hij
zich op de hoogte en tracht overeenstemming te bereiken ten
einde verdere moeilijkheden te voorkomen.
Artikel 15.
1. Wanneer een ambtenaar van de scheepvaartinspectie, die
werkzaam is gesteld onder de bevelen van een districtshoofd,
meent, dat gevaarlijke stoffen op ongeoorloofde wijze zijn ge
laden of dat door ondoelmatige belading de stabiliteit van het
schip gevaar loopt, vraagt hij de machtiging van dat districts
hoofd om de lading, geheel of gedeeltelijk te doen lossen, of om
eene stabiliteitsproef te doen nemen. Het districtshoofd kan ook
uit eigen beweging hiertoe overgaan.
2. Tot het nemen van eene stabiliteitsproef, hetzij met het
ledige, hetzij met het geladen schip, zal intusschen niet worden
overgegaan, voordat de scheepsbouwkundig adviseur of diens
vervanger is geraadpleegd.
3. In de in het eerste lid bedoelde gevallen, zoomede in het
geval, bedoeld in artikel 13, doet het districtshoofd onverwijld
mededeeling aan het hoofd van de scheepvaartinspectie. Hierbij
vermeldt hij tevens, of van de zijde van den eigenaar of van den
kapitein tegen de lastgeving bezwaar is gemaakt. Is dit geschied,
dan gaat hij niet tot de uitvoering over, voordat de beslissing
van het hoofd van de scheepvaartinspectie is ontvangen, of voor
het geval beroep is ingesteld, voordat omtrent dit beroep is
beslist.
Artikel 16.
De districtshoofden zijn verplicht van alle voorvallen met
betrekking tot het toezicht binnen hun district nauwkeurig aan-
teekening te houden of te doen houden in hiervoor aangelegde
registers.
7
620
620
8
Artikel 17.
1. Jaarlijks vóór 1 Mei zendt het hoofd van de scheepvaart
inspectie aan Onzen Minister een gedrukt verslag betreffende
de werking en de toepassing van de wettelijke voorschriften en
den gang van den dienst in de districten, aangevuld met statis
tische opgaven.
2.
Telkenmale wanneer door het hoofd van de scheepvaart
inspectie vrijstelling wordt verleend van het naleven van een
of meer bepalingen van het Schepenbesluit, wordt daarvan door
hem onder opgave der gronden aan Onzen Minister verslag uit
gebracht.
Artikel 18.
1. De districtshoofden zijn gemachtigd om, voor zoover hun
district betreft, binnenslands die reizen te doen, welke voor eene
goede uitoefening van den dienst der scheepvaartinspectie nood
zakelijk zijn.
2. De scheepsbouwkundig adviseur, de scheepsbouwkundig
ingenieur en de ambtenaren van andere diensttakken zijn ge
machtigd, de laatsten voor zoover den dienst der scheepvaart
inspectie betreft, binnenslands die reizen te doen, welke voor
de goede uitoefening van den hun opgedragen dienst nood
zakelijk zijn.
3. Het hoofd van de scheepvaartinspectie kan de hem toe
gevoegde ambtenaren en de districtshoofden kunnen de onder
hunne bevelen staande ambtenaren, indien noodzakelijk, mach
tigen tot een gelijk doel.
4. Yoor reizen buiten Nederland voor den dienst der scheep
vaartinspectie moet de toestemming van Onzen Minister of van
het hoofd van de scheepvaartinspectie zijn verkregen.
Artikel 19.
1. Het hoofd van de scheepvaartinspectie en de districts
hoofden behoeven voor elke afwezigheid van hunne standplaats,
welke niet met den dienst in verband staat en langer dan acht
dagen duurt, verlof van Onzen Minister.
2. Een districtshoofd is bevoegd aan de ambtenaren, onder
zijne bevelen werkzaam, een verlof tot afwezigheid van ten
hoogste vier dagen te verleenen, evenwel behoudens goedkeuring
van het hoofd van de scheepvaartinspectie.
3. Het hoofd van de scheepvaartinspectie is bevoegd, met
inachtneming van hefc bepaalde in lid 1, aan de ambtenarek van
de scheepvaartinspectie verlof tot afwezigheid te verleenen en
zelf verlof tot afwezigheid van ten hoogste acht dagen te nemen,
dit laatste evenwel behoudens goedkeuring van Onzen Minister.
4. De aanvragen om verlof tot afwezigheid van de ambte
naren, onder de bevelen van een districtshoofd werkzaam, ge
schieden door diens tusschenkomst, die van de districtshoofden
voor een langeren duur dan acht dagen, door tusschenkomst van
het hoofd van de scheepvaartinspectie.
5. I)e verloven van de ambtenaren van andere diensttakken
worden verleend volgens de bij die diensttakken geldende rege
lingen, nadat te voren het hoofd van de scheepvaartinspectie
heeft verklaard uit hoofde van de belangen van den dienst der
scheepvaartinspectie tegen een bepaald verlof geen bezwaar te
hebben.
6. Bij afwezigheid van het hoofd van de scheepvaartinspectie
zal de hem toegevoegde inspecteur als zijn vervanger optreden.
Artikel 20.
1. De ambtenaren, bedoeld in artikel 10 van de Schepen
wet, doen, onverminderd het bepaalde bij de artikelen 157 en
159 van het Wetboek van Strafvordering, een afschrift van de
door hen opgemaakte processen-verbaal — de ambtenaren onder
de bevelen van een districtshoofd werkzaam, door diens tus
schenkomst — toekomen aan het hoofd van de scheepvaart
inspectie.
2. Op gelijke wijze wordt zoo mogelijk het gevolg, dat een
proces-verbaal heeft gehad, ter kennis van het hoofd van de
scheepvaartinspectie gebracht.
Artikel 21.
Bij de uitoefening van hun ambt zijn de ambtenaren, bedoeld
in artikel 10 van de Schepenwet, steeds voorzien van eene hun
door Onzen Minister af te geven legitimatiekaart.
Artikel 22.
De in artikel 81, onder a en c, van het Algemeen Rijksambte
narenreglement genoemde straffen kunnen door het hoofd van
de scheepvaartinspectie worden opgelegd; die genoemd onder
j en k van dat artikel worden opgelegd door het gezag, dat be-
9
620
voegd is tot benoeming tot het door den betrokkene bekleede
ambt, en de overige in dat artikel genoemde straffen door
Onzen Minister.
Onze Minister van Waterstaat is belast met de uitvoering van
dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en
waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.
*
's-Gravenhage, den 17den December 1932.
W I L H E L M I N A .
Dc Minister van Waterstaat,
P . J . R E Y M E R .
Uitgegeven den zeven en twintigsten December 1932.
De Minister van Justitie,
J. D O N N E R .
10
620
Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be
volen.
Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953.
STRUYCKEN.
Uitgegeven de 26ste Juni 1953.
De wnd. Gouvernements-Secretaris,
BOOMGAART.
— 3 —
100
A° 1953
N° 101
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 13, waarbij wordt
afgekondigd het Besluit van 21 Octobcr 1952, houdende,
wijziging van het Koninklijk Besluit van 11 December
1932 Stbl. 620, tot vaststelling van een algemene maat
regel van bestuur, als bedoeld in artikel 10 van de Sche
penwet (Staatsblad 1952, no. 506).
IN NAAM DER KONINGIN!
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,
Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot
afkondiging van onderstaande algemene maatregel van
bestuur:
WIJ JULIANA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER NEDERLANDEN
PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.
Op de voordracht van Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat
van 23 Januari 1951, no. 266.906/J„ Directoraat-Generaal van
Scheepvaart, en voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen en de Mi
nister zonder Portefeuille L. Götzen van 28 Februari 1951, Afdeling
Suriname en Nederlandse Antillen, no. 14;
Gelet op artikel 10 van de Schepenwet;
Overwegende dat het in verband met de invoering van de wet
van 19 Juli 1950 (Stb. K 300), houdende nadere wijziging van de
Schepenwet, noodzakelijk is tevens wijzigingen aan te brengen in het
Koninklijk besluit van 17 December 1932 {Stb. 620);
De Landsregering van de Nederlandse Antillen gehoord (advies
van 9 Februari 1952, no. 10229/39);
De Raad van State gehoord (advies van 13 Maart 1951, no. 24);
Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Verkeer en
Waterstaat van 8 October 1952, no. 320.648/J/95/95/10 Direc-
L°rf^eneraal
ScheePvaart' en voor Uniezaken en Overzeese
S«UetenoVa31191
^
AfdeUn8 Suriname en Nederlandse
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel I
Het Koninklijk besluit van 17 December 1932, Stb. 620 wordt
gewijzigd als volgt:
a. Na artikel 1 wordt een nieuw artikel la ingevoegd, luidende:
* b e p a a l d e i n d e a r t i k e l e n 4 , 5 , e e r s t e l i d , 1 8 , 1 9 2 1 e n 2 2
HܰM , fslu,U isAnie.t van toepassing op de door de Gouverneur van
de Nederlandse Antillen benoemde ambtenaren van de scheepvaart-
inspectie. De in die artikelen behandelde onderwerpen worden, voor
zone' het betreft de door de Gouverneur van de Nederlandse An
tillen benoemde ambtenaren, geregeld bij Landsverordening,
2
De in de artikelen 2, vijfde lid, 3, tweede üd, en 7 omschreven
aanwijzingen worden, voorzover het betreft de door de
van de Nederlandse Antillen benoemde ambtenaren, gedaan door de
Gouverneur van de Nederlandse Antillen,
b. In artikel 2 wordt telkens na „adviseur" ingevoegd: , scheeps
bouwkundig hoofdingenieur.
c
In artikel 3, eerste lid, worden de woorden „het gehele Rijk
vervangen door: Nederland en de Nederlandse Antillen. Aan het
eerste lid wordt aan het slot de volgende zin toegevoegd:
De door de Gouverneur van de Nederlandse Antillen benoemde
ambtenaren zijn uitsluitend werkzaam in het gebied van de Ned
landse Antillen.
d. Artikel 6, eerste lid, wordt gelezen:
1
Voor het toezicht, met uitzondering van dat op de zeevissers-
vaartuigen, welke thuisbehoren in Noord-Holland, Zuld"H°1^'
Zeeland en Noord-Brabant, worden vier districten gevormd, ond
scheidenlijk omvattende:
1°. Noord-Holland, Zuid-Holland benoorden de spoorlijn Lei
den—Utrecht, Utrecht, Noord-Brabant beoosten de spoorlijn s-He
togenbosch—Tilburg, Gelderland en Limburg;
2°
Zuid-Holland bezuiden de spoorlijn Leiden—Utrecht, Zee
land, Noord-Brabant bewesten de spoorlijn s-Hertogenbosch
Hl-
burg'»
..
3". Groningen, Friesland, Drente en Overijssel,
4°. de Nederlandse Antillen.
e. Artikel 6, tweede lid, wordt gelezen:
2
Voor het toezicht op de zeevissersvaartuigen, welke thuisbe-
horen in Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland en Noord-Brabant,
wordt een afzonderlijk vijfde district gevormd.
ƒ.
In artikel 6, derde lid, wordt onder a en b „vierde" vervangen
door „vijfde".
o
m artikel 8 worden na „aan de ambtenaren toegevoegd de
woorden „van de ^districten 1, 2, 3 en 5", terwijl „der wordt ver
vangen door „dier".
h. Aan artikel 15 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:
4
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid en de laatste
zin van het derde lid, kan het districtshoofd in de Nederiandse An-j
tillen nalaten de scheepsbouwkundig adviseur te raadplegen, onder
scheidenlijk een beslissing van het hoofd van de scheepvaartinspectie..
3i
wachten, indien daardoor naar zijn mening ongewenst opont
houd zou ontstaan.
i. In artikel 18, tweede lid, wordt na „adviseur" ingevoegd:
de
scheepsbouwkundig hoofdingenieur.
Artikel II
Dit besluit treedt in werking tegelijkertijd met de wet van 19 Juli
1950, Stb. K 300.
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uit
voering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst
en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Soestdijk, 21 October 1952.
r>
• .
T, ,
JULIANA.
Ue Minister van Verkeer en Waterstaat,
J ALGERA.
De Minister voor Uniezaken
en Overzeese Rijksdelen,
W. J. A. KERNKAMP.
Uitgegeven de achttiende November 1952.
De Minister van Justitie,
-
-
L. A. DONKER.
Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be
volen.
Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953.
STRUYCKEN.
Uitgegeven de 26ste Juni 1953.
De wnd. Gouvernements-Secretaris,
BOOMGAART.
- 3 —
101
A° 1953
N° 102
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 14, waarbij wordt
afgekondigd het Besluit van den llden December 1932,
tot uitvoering van artikel 22 en van artikel 23, 8ste en
9de lid, der Schepenwet (Staatsblad 1932, no. 621).
IN NAAM DER KONINGIN!
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,
Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot
afkondiging van onderstaande algemene maatregel van
bestuur:
(N • 621.) B E S L U I T van den 17den December 1932,
tot uitvoering van artikel 22 en van artikel 23,
8ste en 9de lid, der Schepenwet.
WIJ WILHELMINA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAD, ENZ., ENZ., ENZ.
Overwegende, dat het ter uitvoering van artikel 22 en van
artikel 23, 8ste en 9de lid, der Schepenwet noodig is:
1 . nadere regelen vast te stellen, bij de behandeling van
bij den voorzitter van den Baad voor de scheepvaart ingestelde
beroepen in acht te nemen;
2°. den werkkring en de bevoegdheden van den voorzitter,
de ieden en den secretaris van den Raad voor de scheepvaart,
zoomede van hunne plaatsvervangers te regelen-;
3°. den werkkring en de bevoegdheden te regelen van het
hoofd en van andere ambtenaren van de scheepvaartinspectie
in verband met hunnen arbeid bij den Raad voor de scheep
vaart ;
r
Op de voordracht van Onzen Minister van Waterstaat van
7 December 1932, La. E.E., afdeeling Vervoer- en Mijnwezen;
Den Raad van State gehoord (advies van 13 December 1932
n°. 35);
Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Waterstaat
\an 15 December 1932, La. H.H., afdeeling Vervoer- en Miin-
wezen;
1
Hebben goedgevonden en verstaan;
io?ïet,Ó?gan? ,VBn den dag' waaroP de Wet van 31 December
vol (Staatsblad n°. 587) tot wijziging van de Schepenwet in
werking treedt,
a
m te trekken Ons besluit van den 5den October 1909
(Staatsblad n°. 333), gewijzigd bij Ons besluit van den 28sten
oeptember 1914 (Staatsblad n°. 465);
b . vast te stellen de ondervolgende regelen, als bedoeld bij
artikel 22 en bij artikel 23, 8ste en 9de lid, der Schepenwet.
Artikel 1.
1. Het beroepschrift, bedoeld in artikel 21 der Schepenwet,
moet bevatten den naam en de voornamen voluit, het beroep
en de woonplaats van den appellant, moet door hem of zijn
gemachtigde onderteekend zijn en moet inhouden de vermelding
van een adres, waaraan voor hem bestemde exploiten kunnen
worden beteekend of kennisgevingen kunnen worden toegezonden
of bezorgd.
2. Het beroepschrift moet aangeboden of toegezonden worden
aan den secretaris van den Raad voor de scheepvaart, die het,
na daarop den datum van ontvangst te hebben vermeld, dade
lijk doet toekomen aan den voorzitter van den Raad voor de
scheepvaart of, bij diens ontstentenis, aan een der plaatsver
vangende voorzitters.
Artikel 2.
1. De voorzitter bepaalt vervolgens plaats, dag en uur,
waarop door hem de zaak zal worden behandeld en wijst
tegelijkertijd de leden van den Raad aan, die hij daarbij zal
raadplegen.
2. De secretaris is verplicht de plaats, den dag en het uur
van de zitting mede te deelen aan den appellant, aan den
ambtenaar of aan de commissie, van wiens of wier beslissing
of voorschrift beroep is ingesteld, aan de voormelde leden van
den Raad en aan het hoofd van de scheepvaartinspectie, indien
deze niet is de ambtenaar, van wiens beslissing of voorschrift
beroep is ingesteld.
..
3.
Deze kennisgeving geschiedt aan den appellant, hetzij DIJ
aangeteekenden brief, hetzij bij telegram; aan de overige per
sonen en aan de commissie bij brief, telegram of telefoon.
Artikel 3.
Ter zitting is de secretaris van den Raad tegenwoordig en
bij diens ontstentenis de plaatsvervangende secretaris of een
door den voorzitter als secretaris aan te wijzen lid van den
Raad.
Artikel 4.
De aan getuigen en deskundigen toegelegde schadeloosstel
lingen worden door den secretaris van den Raad uitbetaald uit
2
621
3
621
de gelden, welke hem tot dat einde ter goede rekening zullen
worden gegeven.
Artikel 5.
1. De voorzitter, de gewone en buitengewone leden, de
plaatsvervangende voorzitters, de plaatsvervangende leden, de
secretaris en de plaatsvervangende secretaris van den Raad
leggen alvorens zitting te nemen in handen van den Commis
saris der Koningin in de provincie Noordholland defn) navol
gende^) eed (belofte) af:
,,lk zweer (beloof), dat ik het ambt van (voorzitter, lid, enz.)
van den Raad voor de scheepvaart overeenkomstig de voor
schriften bij en krachtens de Schepenwet gegeven nauwgezet
en onpartijdig zonder aanzien van personen zal waarnemen.
Zoo waarlijk helpe mij God almachtig (Dit beloof ik).
2. Bij herbenoeming na eene periodieke aftreding wordt
geene nieuwe eedsaflegging vereischt.
Artikel 6.
1. Wanneer een plaatsvervangende voorzitter, een gewoon,
een buitengewoon of een plaatsvervangend lid, de secretaris of
zijn plaatsvervanger zijne woonplaats verlaat, geeft hij daarvan
zoowel als van zijne terugkomst kennis aan den voorzitter.
: In geval van tijdelijke afwezigheid van den voorzitter
doet deze gelijke kennisgeving aan de plaatsvervangende voor
zitters en aan den secretaris of, bij diens ontstentenis, aan
dengenen, die dezen vervangt.
Artikel 7.
1. De secretaris is verplicht registers te houden:
1 . van de bij den Raad in onderzoek zijnde zaken;
2°. van de bij den voorzitter van den Raad ingestelde be
roepen,
in welke registers kortelijk worden vermeld alle zaken in den
rang, waarop zij worden aangebracht.
2. Aan iedere zaak wordt een afzonderlijk nummer gegeven-
in de registers wordt ook kortelijk aanteekening gehouden van
al hetgeen verder in iedere zaak voorvalt.
3. De beide registers worden afzonderlijk en doorloopend
genummerd.
4. Voorts bewaart de secretaris het archief van den Raad
en van den voorzitter en is daarvoor persoonlijk aansprakelijk.
5. Van de uitgaande brieven worden door den secretaris
afschriften aangehouden.
Artikel 8.
1
De zittingen worden belegd door den voorzitter of, bij
diens ontstentenis, door een plaatsvervangenden voorzitter die
met inachtneming van het bepaalde in artikel 23, tweede, derde
en vierde lid, der Schepenwet aan den secretaris opgeeft, welke
leden moeten worden opgeroepen.
2
De secretaris zorgt voor de oproeping van de leden en
voor de kennisgeving aan het hoofd van de scheepvaartinspectie.
3. Indien vóór de openbare behandeling eener zaak aan deu
Raad stukken worden overgelegd, welke bij de sluiting van het
voorloopig onderzoek aan het hoofd van de scheepvaartinspectie
onbekend waren, brengt de voorzitter die stukken vóór den aan
vang der zitting ter kennis van het hoofd van de scheepvaart
inspectie.
Artikel 9.
Vóór het openen der zitting wordt door den voorzitter en de
aanwezige leden de presentielijst geteekend.
Artikel 10.
1. In de zittingen nemen de leden plaats naar ouderdom
van dienst:
het oudst benoemde gewone lid rechts van den voorzitter;
het 2de benoemde links van den voorzitter;
het 3de benoemde rechts van het oudste lid;
het 4de benoemde links van het tweede lid;
het oudst benoemde buitengewone lid rechts van het" derde
lid;
het tweede benoemde buitengewone lid links van het vierde
lid en zoo vervolgens.
2. Bij gelijktijdige benoeming wordt de ouderdom van dienst
geregeld naar de volgorde van het besluit van benoeming.
3. Een plaatsvervangend lid neemt zitting na den jongs -
benoemde van de categorie van leden, waartoe het te vervangen
lid behoort.
4
621
5
621
4. Bij herbenoeming na periodieke aftreding behouden de
gewone, buitengewone en plaatsvervangende leden hunnen
vorigen ouderdom van dienst.
5. Het hoofd van de scheepvaartinspectie of degene, die hem
vervangt, neemt plaats rechts en de secretaris links van den
voorzitter na de gewone, buitengewone en plaatsvervangende
leden.
6. Na sluiting van de behandeling der zaak wordt in raad
kamer beraadslaagd en de beslising genomen.
7. Het hoofd van de scheepvaartinspectie woont de beraad
slagingen en de beslissingen in raadkamer niet bij.
Artikel 11.
In alle zaken doet de voorzitter hoofdelijk omvraag, te be
ginnen bij den jongstbenoemde van de buitengewone leden of,
indien een van dezen wordt vervangen, bij het jongstbenoemde
plaatsvervangend lid. De voorzitter brengt het laatst zijne stem
uit.
Artikel 12.
1. De Baad of, indien de zaak nog niet bij den Baad in be
handeling is, de voorzitter of diens plaatsvervanger kan een
zijner leden of eene commissie uit zijn midden benoemen tot
het instellen van een plaatselijk onderzoek of tot het hooren
van getuigen.
2. Hij kan den secretaris of diens plaatsvervanger aan dat
lid of aan deze commissie toevoegen.
Artikel 13.
Alle brieven van den Baad uitgaande worden door den voor
zitter en den secretaris onderteekend.
Artikel 14.
Indien de Baad inzage of afschrift van administratieve be
scheiden of inlichtingen van eenig openbaar gezag wenscht
te verkrijgen, wendt hij zich daartoe tot Onzen voornoemden
Minister.
Artikel 15.
1. De secretaris houdt aanteekening van hetgeen in de ver
gaderingen van den Baad en de zittingen van den Baad en
van den voorzitter wordt behandeld en vermeldt den zakelijken
621
6
inhoud van de verklaringen der getuigen en deskundigen en
van de opgaven der betrokkenen en aangeklaagden.
2. Die aanteekeningen worden door den voorzitter en den
secretaris vastgesteld en onderteekend.
Artikel 16.
1. De secretaris verricht voorts de werkzaamheden, hem
door den voprzitter opgedragen.
2. Bij zijne ontstentenis wordt hij vervangen door den plaats-
vervangenden secretaris en, bij diens ontstentenis, door een ge
woon, buitengewoon of plaatsvervangend lid, door den voorzitter
aangewezen.
3. De aanteekeningen van ter zitting van den Raad door
getuigen, deskundigen, betrokkenen of aangeklaagden afgelegde
verklaringen worden door dezen, na voorlezing, onderteekend.
Artikel 17.
Het hoofd van de scheepvaartinspectie of degene, die hem
vervangt, heeft het recht ter zittingen van den Eaad vragen te
stellen aan de getuigen, deskundigen, betrokkenen en aan
geklaagden en zoodanige vorderingen te doen en toe te lichten
nis hij noodig acht.
Onze Minister van Waterstaat is belast met de uitvoering
van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst
en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van
State.
's-Gravenhage, den 17den December 1932.
W I L H E L M I N A .
De Minister van Waterstaat,
P . 3 . R E Y M E R .
Uitgegeven den zeven en twintigsten December 1932.
De Minister van Justitie,
j r . D O N N E R .
Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be
volen.
Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953
STRUYCKEN.
Uitgegeven de 26ste Juni 1953.
De wnd. Gouvernements-Secretaris,
BOOMGAART.
— 3 -
102
A° 1953
N° 103
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 15, waarbij wordt
afgekondigd liet Besluit van den J^den Maart 1935, tot
wijziging van het Koninklijk Besluit van den 11 den De
cember 19o2 (Staatsblad no. 621) tot uitvoering van ar
tikel 22 en van artikel 23, 8ste en 9de lid, der Scheven-
wet.
IN NAAM DER KONINGIN!
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,
Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot
afkondiging van onderstaande algemene maatregel van
bestuur:
(N • 10£)«) B E S L U I T v a n d e n é d e n M a a r t 1 9 3 5 ,
tot wijziging van het Koninklijk besluit van
den 17den December 1932 (Staatsblad n°.
621), tot uitvoering van artikel 22 en van
artikel 23, 8ste en 9de lid, der Schepenwet.
WIJ WILHELMINA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.
Op de voordracht van Onzen Minister van Staat, Minister
van Waterstaat a.i., van 13 Februari 1935, La. C, afdeeling Ver
voer- en Mijnwezen;
Gelet op de artikelen 43 en 74 van de Schepenwet;
Den Raad van State gehoord, advies van 19 Februari 1935,
n°. 44;
Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister
\an 25 Februari 1935, La. D, afd. Vervoer- en Mijnwezen;
Hebben goedgevonden en verstaan:
te bepalen, dat het Koninklijk besluit van den 17den Decem
ber 1932 (Staatsblad n°. 621), zal worden gewijzigd als volgt:
Artikel I.
In- den titel wordt in plaats van „en van artikel 23, 8ste en
9de lid,", gelezen: „ , van artikel 23, 8ste en 9de lid en van
artikel 43".
Artikel II.
In de considerans wordt onder 1°. de puntkomma aan het
slot vervangen door ,,, alsmede betreffende de aan de deur
waarders toe te kennen vergoedingen voor hunne verrichtingen
ten behoeve van den Raad".
105
2
Artikel III.
Tusschen de artikelen 4 en 5 wordt een nieuw artikel 4a inge
voegd, luidende:
,,De deurwaarders ontvangen voor hunne verrichtingen als
bedoeld in artikel 43 der Schepenwet eene vergoeding, berekend
volgens artikel 47 der wet, houdende de tarieven van gerechts
kosten in strafzaken, alsmede vergoeding voor reis- en verblijf
kosten overeenkomstig de derde klasse van het Reisbesluit
1916."
Onze Minister van Waterstaat is belast met de uitvoering
van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst
en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van
State.
Unterwasser, den 4den Maart 1935.
W I L H E L M I N A .
De Minister van Staat,
Minister van Waterstaat a. i.,
H. C O L IJ N.
Uitgegeven den vijftienden Maart 1935.
De Minister van Justitie,
V A N 8 C H A I K .
I
Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be
volen.
Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953.
STRUYCKEN.
Uitgegeven de 26ste Juni 1953.
De wnd. Gouvernements-Secretaris,
BOOMGAART.
— 3 —
103
A" 1953
N° 104
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 2oste Juni 1953 No. 16, waarbij wordt
afgekondigd het Besluit van 29 Februari 19^0, tot na
dere wijziging van het Koninklijk besluit van 17 Decem
ber 1932 (Staatsblad no. 621), tot uitvoering van artikel
22, van artikel 23 8ste en 9de lid, en van artikel 1^3 der
Schepenwet, gewijzigd bij Koninklijk besluit van lt Maart
1935 (Staatsblad no. 105) (Staatsblad 19^0, no. 566).
IN NAAM DER KONINGIN!
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,
Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot
afkondiging van onderstaande algemene maatregel van
bestuur:
Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be
volen.
Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953.
STRUYCKEN.
Uitgegeven de 26ste Juni 1953.
De wnd. Gouvernements-Secretaris,
BOOMGAART.
••M
BESLUITuan 29 Februari 19^0, tot nadere wijziging van
het Koninklijk besluit van 17 December 1932 (Staats
blad No. 621), tot uitvoering van artikel 22, van artikel
23, 8ste en 9de lid, en van artikel 43 der Schepenwet, ge-
I
wijzigd bij Koninklijk besluit van k Maart 1935 (Staats-
I
blad No. 105).
WIJ WILHELMINA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER I
NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, enz., enz., enz. I
Op de voordracht vr.n Onzen Minister van Waterstaat I
van 7 Februari 1940, no. 578, afdeeling Vervoerwezen,
Gelet op de artikelen 43 en 74 van de Schepenwet;
Den Raad van State gehoord, advies van 20 Februari I
1940, No. 43;
Gezien het nader rapport van onzen voornoemden Mi- I
nister van 26 Februari 1040, La. C„ afdeeling Vervoerwe-1
een;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Ons besluit van den 17den December 1632 (Staatsblad a
no. 621), tot uitvoering van artikel 22, van artikel 23, 8ste |
en 9de lid, en van artikel 43 der Schepenwet, gewijzigd bij Jt
Ons besluit van den 4den Maart 1935 (Staatsblad no. 105),9
te wijzigen als volgt:
Artikel 1.
In artikel 4a wordt in plaats van „artikel 47" gelezen
„artikel 36".
2 —
104
Artikel 2.
Dit besluit treedt in werking met ingang van den
tweeden dag na dien der dagteekening van het Staats
blad, waarin het is geplaatst.
Onze Minister van Waterstaat is belast met de uitvoe-
ling van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden
geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan
den Raad van State.
,s-Gravenhage, den 29sten Februari 1940.
WILHELMINA
De Minister van Waterstaat,
J. W. ALBARDA.
Uitgegeven den twaalfden Maart 1940.
De Minister van Justitie,
P. S. GERBRANDY.
— 3 -
104
A° 1953
N° 105
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 17, waarbij wordt
afgekondigd het Besluit van 21 Octobcr 1952, houdende
nadere wijziging van het Koninklijk besluit van 11 De
cember 1932, Stb. 621, tot uitvoering van de artikelen 22
en 23, 8e en 9e lid, der Schepenwet (Staatsblad 1952,
no. 507).
IN NAAM DER KONINGIN!
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen.
Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot
afkondiging van onderstaande algemene maatregel van
bestuur:
WIJ JULIANA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER NEDERLANDEN,
PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.
Op de voordracht van Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat
van 23 Januari 1951, no. 266.906/J., Directoraat-Generaal van
Scheepvaart, en voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen en de Mi
nister zonder Portefeuille L. Götzen van 28 Februari 1951, Afdeling
Suriname en Nederlandse Antillen no. 14;
Gelet op de artikelen 22, 23 en 43 van de Schepenwet;
Overwegende, dat het in verband met de invoering van de wet
van 19 Juli 1950 (Stb. K 300), houdende nadere wijziging van de
schepenwet, noodzakelijk is tevens wijzigingen aan te brengen in het
Koninklijk besluit van 17 December 1932 (Stb. 621);
De Landsregering van de Nederlandse Antillen gehoord (advies
van 9 Februari 1952, no. 10229/39);
De Raad van State gehoord (advies van 13 Maart 1951, no. 24);
Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Verkeer en
Waterstaat van 8 October 1952, no. 320.648/J/95/95/10, Direc
toraat-Generaal van Scheepvaart, en voor Uniezaken en Overzeese
Rijksdelen van 13 October 1952, Afdeling Suriname en Nederlandse
Antillen, no. 31191;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel I
Het Koninklijk besluit van 17 December 1932, Stb. 621, wordt
gewijzigd als volgt:
a. De considerans wordt gelezen:
Overwegende, dat het ter uitvoering van de artikelen 22, 23,
achtste en negende lid, en 43, vijfde lid, van de Schepenwet, mede
gelet op artikel 26bis dier wet, nodig is:
1°. nadere regelen vast te stellen, in acht te nemen bij de be
handeling van bij de voorzitter van de Raad voor de Scheepvaart
of de Commissie van Onderzoek in de Nederlandse Antillen inge
stelde beroepen, alsmede betreffende de aan de deurwaarders toe te
kennen vergoedingen voor hun verrichtingen ten behoeve van de
Raad of voornoemde Commissie van Onderzoek;
2°. de werkkring en de bevoegdheden te regelen van de voor
zitter, de leden en de secretaris van de Raad voor de Scheepvaart
en van de Commissie van Onderzoek in de Nederlandse Antillen,
zomede van hun plaatsvervangers;
3°. de werkkring en de bevoegdheden te regelen van het hoofd
en van andere ambtenaren van de scheepvaartinspectie in verband
met hun arbeid bij de Raad voor de Scheepvaart en de Commissie
van Onderzoek in de Nederlandse Antillen;
b. De eerste zin onder b wordt gelezen:
vast te stellen de navolgende regelen, als bedoeld bij de artikelen
22, 23, achtste en negende lid, en 43, vijfde lid, der Schepenwet;
c. In artikel 1, tweede lid, worden na de woorden „secretaris
van de Raad voor de Scheepvaart" ingevoegd de woorden „of van
de Commissie van Onderzoek in de Nederlandse Antillen" en wordt
na de woorden „voorzitter van de Raad voor de Scheepvaart" een
komma geplaatst, gevolgd door de woorden „onderscheidenlijk van
de Commissie van Onderzoek", terwijl „diens" wordt vervangen door
„hun";
d. In artikel 2, eerste lid, wordt na „Raad" ingevoegd: of de
Commissie van Onderzoek. In het tweede lid vervallen de woorden
„of aan de Commissie", alsmede de woorden „of wier", terwijl na
„Raad" wordt ingevoegd: of de Commissie van Onderzoek. In het
derde lid vervallen de woorden „en aan de Commissie".
e. In artikel 3 wordt telkens na „Raad" ingevoegd: of de Com
missie van Onderzoek.
ƒ.
In artikel 4a wordt „artikel 47" vervangen door „artikel 36". '
g. Na artikel 16 wordt een nieuw artikel 16bis ingevoegd, lui-
1
dende:
Hetgeen in de artikelen 4 tot en met 16 wordt bepaald met be
trekking tot de Raad voor de Scheepvaart wordt voor de Commissie
van Onderzoek in de Nederlandse Antillen bij Landsverordening i
geregeld.
h. Aan artikel 17 wordt aan het slot een zin toegevoegd, luidende:
Dit recht wordt ter zitting van de Commissie van Onderzoek in
de Nederlandse Antillen namens het hoofd van de scheepvaartinspec
tie uitgeoefend door het districtshoofd aldaar.
Artikel II
Dit besluit treedt in werking tegelijkertijd met de wet van 19 Juli
1950, Stb. K. 300.
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uit
voering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst
en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Soestdijk, 21 October 1952.
JULIANA.
De Minister van Verkeer en Waterstaat.
J. ALGERA.
De Minister voor Uniezaken
en Overzeese Rijksdelen,
W. J. A. KERNKAMP.
Uitgegeven de achttiende November 1952.
De Minister van Justitie,
L. A. DONKER.
Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be
volen.
Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953.
STRUYCKEN.
Uitgegeven de 26ste Juni 1953.
De wnd. Gouvernements-Secretaris,
BOOMGAART.
— 3 —
105
A° 1953
N° 106
P U B L I C A T I E B L A D
BESLUIT van de 25ste Juni 1953 No. 18, waarbij wordt
afgekondigd het Besluit van 31 December 1952 tot vast
stelling van een algemene maatregel van bestuur als be
doeld in de artikelen 3, k bis, 5, 9, 17, 66 en 73 van de
Schepenwet (Schepenbesluit 1952) (Staatsblad 1952
no. 679).
IN NAAM DER KONINGIN!
DE GOUVERNEUR van de Nederlandse Antillen,
Vanwege de Koningin de last ontvangen hebbende tot
afkondiging van onderstaande algemene maatregel van
bestuur:
Heeft de opneming daarvan in het Publicatieblad be
volen.
Gedaan te Willemstad, de 25ste Juni 1953
STRUYCKEN.
Uitgegeven de 26ste Juni 1953.
De wnd. Gouvernements-Secretaris.
BOOMGAART.
— 3 —
106
WIJ JULIANA, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER NEDERLANDEN
PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ., ENZ., ENZ.
vai?P?^en00rdIaChtiof? °nZe Minister van Verkeer en Waterstaat
Scheepvaart;
6r
' ^ 349405 J' Direct°raat-Generaal van
^Gelet op de artikelen 3, 4bis, 5, 9, 17, 66 en 73 van de Schepen-
v»nD97nndSrefn?LIan de Nedcrlandsc Antillen gehoord (advies
van 27 December 1952, no. 1280;
noD24)Raad ^ State gehoord (advies van 22 December 1952,
n,a«~ mpp0rt van °nze Minister van Verkeer en
Waterstaat van 30 December 1952, no. 349409 J, Directoraat-Gene-
raai van Scheepvaart;
Hebben goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK I
Inleidende bepalingen
Artikel 1
1. Onverminderd het bepaalde in het derde lid wordt voor de Omschriivm -en
toepassing van dit besluit verstaan onder:
"
Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
\an"v'tein: de gezagvoerder van een schiP of degene die deze ver-
J^kuPebA8tn:-^n' d'e Zich als scheePsofficieren of scheepsgezellen
boord bevinden ot zich als zodanig hebben verbonden;
passagiers: alle personen aan boord, met uitzondering van de
rf^('n,en
de schepelingen en andere personen, die in welke hoe
danigheid ook in dienst of tewerkgesteld zijn aan boord van een
schip ten behoeve van dat schip, zomede met uitzondering van
kinderen, die op de dag van inscheping de leeftijd van één jaar nog
niet hebben bereikt;
landverhuizers: emigranten of transmigranten als bedoeld in de
Landverhuizingswet 1936 (Staatsblad No. 804), met inachtneming
van het bepaalde in het Koninklijk Besluit van de 12de November
1938 (Staatsblad No. 870);
passagiersschip: een schip, dat door de eigenaar bestemd is om
meer dan 12 passagiers te vervoeren, dan wel een schip, dat meer
dan 12 passagiers vervoert;
zeilschip: een schip, al dan niet voorzien van middelen tot werktuig
lijke voortstuwing, voldoende zeilen voerend om alleen daarmede
veilig te kunnen varen, te beoordelen naar normen, welke in verband
met vorm en afmetingen van het schip door het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie worden vastgesteld;
stoom- of motorschip: een schip, geen zeilschip zijnde, met middelen
tot werktuiglijke voortstuwing van een voldoend vermogen, te be
oordelen naar normen, welke in verband met vorm en afmetingen
van het schip, door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden
vastgesteld;
lastlijn: de waterlijn bij de grootste geoorloofde inzinking in zee
water, al naar het in verschillende gebieden voor verschillende om
standigheden toegestane minimum vrijboord;
minimum vrijboord: de afstand van de bovenkant van de deklijn,
als aangegeven in bijlage IV, tot het uitwateringsmerk, loodrecht
langs het scheepsboord naar beneden gemeten;
indompelingsgrenslijn: een lijn gedacht op het scheepsboord, even
wijdig aan en op een afstand van 76 millimeter onder de aansnijding
van de bovenzijde van het schottendek met dit boord;
ton: registerton van 2,83 kubieke meter;
waar in dit besluit de grootte van een schip in deze eenheid wordt
uitgedrukt, wordt daaronder verstaan de bruto inhoud van het schip.
internationale reis: een reis tussen twee verschillende landen, waar
bij een gebied voor welks buitenlandse betrekkingen een buiten dat
gebied zetelende regering verantwoordelijk is of waarvan de Ver
enigde Naties het besturend lichaam zijn, mede als een afzonderlijk
land wordt aangemerkt;
korte internationale reis: een internationale reis, waarop het schip
zich niet meer dan 200 zeemijlen verwijdert van een plaats, waar
passagiers en bemanning veilig kunnen worden geland en welke een
totale lengte van 600 zeemijlen van de laatste aanloophaven in het
land waar de reis aanvangt tot de uiteindelijke haven van bestemming
niet overschrijdt.
2. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder schip" be
grepen een vaartuig, een sleepschip, een dok en elk andër dergelirk
gesleept V°°rWerP'
0VBr 266 Mar zijn bestemiSnï wordt
3
Voor de toepassing van dit besluit worden personen, die ten-
gevo ge van schipbreuk of andere bijzondere, onvoorziene omstan
digheden aan boord zijn genomen, niet als passagiers aangemerkt.
.
ooi de toepassing van dit besluit wordt, ook wat de straf-
bepalmgen betreft onder „eigenaar" verstaan de persoon die het
beheer over het schip heeft, hetzij hij eigenaar, reder of boekhouder
gegeven.
e"J ™ * «*
h«=i
"« schip L gfbïul S
HOOFDSTUK II
Onderzoek
Artikel 2
voOTtdure^d^toeïcht311 -f .SchePcn[wet genoemde ambtenaren oefenen Voortdurend
van de schenen
h
u 0p ongereSelde tijden aan boord toezicht
an de schepen te begeven en zich door eigen waarneming alsmede
door het vragen van inlichtingen zoveel mogelijk op de hoogTe te
geleefd V"n
Wa""°P
We"diike voorsjhriffe» word»
Artikel 3
eerste
^ °"de™'orPen aan een inspectie, voordat voor de Algemene bepa-
maal een certificaat van deugdelijkheid, een veiligheidscertifi hngen voor het
aanvullend" P^^g^^aat wordt afgegeven, alsmede aan een °"
«even ït hnTf
° de omstandigheden daartoe aanleiding
dat
d
t
aan een msPectle worden onderworpen, voor
at een der hiervoorgenoemde certificaten, welks geldigheidsduur is
verstreken, door een nieuw certificaat wordt vervangen
.ie iJïaal T£ aS»PnL°°derWOrPen aa° "" per'Wieke insp«=-
vjssérsvaartuia'o/pp1 5°°fc'0°
fem Passagiersschip noch een
vissersvaartuig of een schip zonder werktuiglijke voortstuwing zijnde
moet een uitrustmgscertificaat aan boord hebben; het is onderwor'
pen aan een periodieke inspectie één maal in dc 24 maan£
4.
De radiotelegraaf- en radiotelefooninstallaties van een schio
SdaP,aSvorrhiP,Zii°de; Ziin
aan ïï.
"nspS,'
onder^hJiri
i t
radio-telegrafie-veiligheidscertificaat
geilen
J
6en- rf.dlo"teIefonie-veiligheidscertifiCaat wordt af-
flS ^ Cen penod,eke inspectie één maal in de 12 maanden
Sano. aalid'fng Ï™
frVn'nt Een Sch/P 1S ?nderw0rpen aan een inspectie, voordat een certi
ficaat van uitwatering of een certificaat voor de houtvaart wordt
afgegeven, alsmede voordat de geldigheidsduur dezer certificaten
wordt verlengd.
.
6. Een schip, dat gereed is om met in Nederland ingescheepte
landverhuizers een reis te ondernemen, wordt voor het vertrek aan
een inspectie onderworpen.
Artikel 4
Regeling van het
l. De inspecties, bedoeld in artikel 3 lid 1, behalve de aanvul-
onderzoek
lende inspecties, omvatten:
( a ) Voor zover betreft een certificaat van deugdelijkheid:
een volledig onderzoek van de gehele romp (waartoe het schip
moet zijn drooggezet), van de ketels in- en uitwendig, van de werk
tuigen en, voor zover geen uitrustingscertificaat is vereist, van de
uitrusting.
....
,
.
• ,
Hierbij wordt onderzocht of de algemene inrichting, de materialen
en de constructie van de romp, de ketels met toebehoren, de hoofd
en hulpwerktuigen, de lens- en ballastinrichtingen, de electnsche
installatie en, voor zover de uitrusting betreft, de redding- en veilig-
heidsmiddelen, de brandontdekkings- en brandblusmiddelen en de
verdere uitrusting geheel aan de voorschriften van de Schepenwet
en van dit besluit voldoen.
(b) Voor zover betreft een veiligheidscertificaat:
het onder ( a ) omschreven onderzoek, alsmede een volledig onder
zoek van de radio-telegraaf- en radio-telefooninstallatie met inbegrip
van de richtingzoeker, waarbij wordt onderzocht, of deze installaties
geheel aan de voorschriften van de Schepenwet en van dit besluit
voldoen.
(c)
Voor zover betreft een uitrustingscertificaat:
een onderzoek van de redding- en veiligheidsmiddelen, de brand
ontdekkings- en brandblusmiddelen en de verdere uitrusting, waarbij
wordt onderzocht, of deze geheel aan de voorschriften van de
Schepenwet en van dit besluit voldoen.
2. De periodieke inspectie, bedoeld in artikel 3 lid 2, omvat een
onderzoek van de gehele romp (waartoe het schip moet zijn droog
gezet) van de ketels, van de werktuigen en van de uitrusting, waar
bij wordt onderzocht, of het schip, voor zover betreft de romp, de
ketels met toebehoren, de hoofd- en hulpwerktuigen, de lens- en
ballastinrichtingen, de electrische installatie, de redding- en veilig-
heidsmiddelen, de brandontdekkings- en brandblusmiddelen, de radio-
telegraaf- en radiotelefooninstallatie met inbegrip van de richting-
zoeker en de verdere uitrusting, in voldoende toestand verkeert en
geschikt is voor de vaart, waarvoor het bestemd is en dat het aan
de voorschriften van de Schepenwet en van dit besluit voldoet.
3. De periodieke inspectie, bedoeld in artikel 3 lid 3, omvat een
onderzoek van de redding- en veiligheidsmiddelen, de brandontdek-
on^ocht^o^Sr1^6'^ e"de Verdere "itrusting, waarbij wordt
onderzocht, 0f deze in voldoende toestand verkeren en voldoen aan
de voorschriften van de Schepenwet en van dit besluit
4. De eerste inspectie, bedoeld in artikel 3 lid 4 omvat een vol
™
» radio,'elrfooninïïnS
deze installaties ophp ,nchtlnf oeker> waarbij wordt onderzocht, of
van dirbesluit vofdoen! 330 * V°°rSchriften van de Schepenwei en
7nrhf de p<:n0dlekn inspectie, bedoeld in artikel 3 lid 4, wordt onder-
schr- 'ten van TïT* " g°ede t0CStand verkeren
aan de voo -
schritten van de Schepenwet en van dit besluit voldoen
HH A Een,taa"vullende inspectie, als bedoeld in artikel 3 lid 1 en
ÊÊÊmssMM
IpÉÉil^
uouemtanKs, naar de toestand van de bovenbouw, van de besrhpr-
d6ylas^en va^de'wr'haalhfric^t^ng^^'iTel'sch^p'
Sj°rren ^ dC
ppn „„H msp.ectle van een schip. dat landverhuizers vervoert omvat
Artikel 5
krachtens Landsverordening aangewezen ambtenaren, overeenkomstig
het bij Landsverordening bepaalde.
Artikel 6
Wijze van onder-
1
De ambtenaren moeten bij de inspecties in acht ne.iien, dat
zoek
het hun plicht is zich volledig op de hoogte te stellen of de wettelijke
voorschriften worden nageleefd, maar dat zij hierbij zoveel mogelijk
moeten vermijden storend in het bedrijf in te grijpen.
inf1priiik
Indien een door hen gewenste inspect.e op een
^
zou zijn en er geen bepaalde reden bestaat om deze terstond te h°uden,
moeten zij omtrent het tijdstip hiervoor met de eigenaar of de kapi-
"1 "SveV1'SSlük zullen de door de ambtenaren te honden
periodieke inspecties tegelijk met de periodieke inspecties der etkende
nartimliere onderzoekingsbureaux worden gehouden.
PT I„ acht mSt worden genomen, dat de ambtenaren met aten
bevoegd maar ook verplicht zijn zich van alles, waarop de Sctlepe
wet en dit besluit betrekking hebben, op de hoogte te stellen en dat
de eigenaar kapitein en schepelingen verplicht zijn hen hierbij behulP
zaam te zijn, teneinde te voorkomen, dat het schip zou moeten
worden aangehouden.
Artikel 7
Erkende pamcu-
i. Door Ons kunnen particuliere onderzoekingsbureaux op grond
liere onderzoo-
yan hun betrouwbaarheid worden erkend. De door de erke
k.ngsbureaux
^ vastgestelde regelen voor de bouw en de uitrusting van schepen
worden gevolgd bij de beoordeling van de zeewaardigheid van bij die
bureaux geklasseerde schepen, voor zover in dit besluit daaromtrent
eeen andere voorschriften zijn gegeven.
„M™
2. De erkenning kan door Ons te allen tijde worden ingetrokken.
Artikel 8
Onderzoek
1. Elk schip, met uitzondering van een dok of een ander dergelijk
bodem
driivend voorwerp, moet ten minste een maal in
in een dok of op andere wijze voor onderzoek zodanig worden droog-
gezet dat de gehele bodem behoorlijk kan worden onderzocht_
2 ' Voor schepen van 200 ton en minder, ge^n passagiersschepen
zijnde voor lichters en voor baggermateriaal, hetwelk gesleept ver
voerd wordt, kan ter beoordeling van het berokken «hoofd
van de Scheepvaartinspectie, met droogzetten een maal in de vier e
twintig maanden worden volstaan, zolang deze schepen de ouder-
d7 T
betrokken districtshoofd
één maal een uitstel van ten hoogste drie maanden verlenen.
Artikel 9
Verplichte
ken-
Telkens wanneer een schip drooggezet zal worden• °«
nisgeving door de
schip of aan de werktuigen herstellingen
P
eigenaar
*
districtshoofd van"dl 77^ de.eiSenaar tjjdig aan het betrokken
S i,
t
f ScheePvaartlnspectie kennis worden gegeven
te doeif houden
Sdeee°he,d =" Zii° hie'bii '«z»h' » 'Sóf
Artikel 10
om'biilolSerl rndenpn1"/6"
a,mbten?ar van de Scheepvaartinspectie Toegankelijk m,
nnj:
f
,
edenen een onderzoek nodig acht, moeten voor zover ken. voor ondc
gemaakt de^nOPruimten en tanks toegankelijk en schoon worden
g maakt, de wegering en de buikdenning op door hem aan te wiizen
plaatsen worden verwijderd, moet de bodem van het schip schoon en
en moeten H
he' roer Selicht> ^ stuurleiding losgenomen
20 ««• —
getrokken dfnders'T "
bfloot8ele8d' de schroefas worden
pend enzuigers, schuiven, rotoren en kleppen worden uitgenomen
onderzoek bL3erlijkekanlazI|fnd ^ W°rd6n 8603311 Wat V°°r he'
Artikel 11
NeSndLTntilLhnPbSSHtin *!? haVe" buiten Neder|and of de Onderzoek in een
...'v ,bevindt en de inspecties, welke aan de afeifte haven b u i t e n Ne-
van een veiligheidscertificaat, een uitrustin<*scertificaat ppn rLIl? 7 H^an50fdeNe"
Srafieveilighe.dsceröica,,, «„ «dioSSSSSSifÏÏTS"
r„cs"
r£rrlne rraf beh°™ "="SS" *
Z, Zh
,
,
Schepenwet genoemde ambtenaren kunnen wor-
den gehouden, kan hetzij door het Hoofd van de Scheepvaartinspec
tie hetzij langs diplomatieke weg, aan de bevoegde autoriteit van'het
s
™d* *»-
Artikel 12
z„„te",„1d\S1,i»,nal'h^dï,dtin arlik? '• * pa-V.
Je.erlei ve,a„d«,i„f
de co„
iTdertSEifi SST""*-
s e , ™ h ' ' ~ — - < • « « £ 8
Artikel 13
gedaan "waardoor ïet verrnn^H heeft b?°Peilu
zich iets heeft voor- wÜ2e va„ hande.
g oaan, waardoor het vermoeden rijst, dat schade aan het schip is ont- len bij schade in
^
het buitenland
staan en dit schip daarna een haven buiten Nederland of de Neder
landse Antillen, welke tot het ressort van een expert of bi] gebreke
rrb:,Lh^=ds
verklarin" heeft afgegeven, inhoudende, dat de herstelling naar
horen is |eschied, of dat de reis zonder bezwaar kan worden vervo g .
-
Indien de haven buiten Nederland of de Nederlandse Antillen
niet tot tn in lid 1 bedoeld ressort behoort, of indien de in lid
bedoelde expert of vertegenwoordiger niet ter plaatse is o ge
L
•
k de kapitein bevoegd met inachtneming van het bepaalde in
V .I Q ifd1 onder c van de Schepenwet de reis te vervolgen,
onder verplichting een en ander in het scheepsdagboek te doen aan
tekenen en zo mogelijk te doen vaststellen door een ter plaatse
wezige Nederlandse consulaire ambtenaar.
3
I„ Suriname kan de in lid 1 bedoelde verklaring ookgorden
heden als bedoeld in lid 2.
Artikel 14
8S3"
ee"c'ertfic.M of ™ tV^ESd™""
eigenaar worden voldaan.
Artikel 15
Reiskosten amb-
1. Indien een inspectie huiten N^rland
tenaren en ver- fji [en noodzakelijk is, komen de reis- en
j
SSÏÏS zenden ambtenaren ten laste van de e.genaar
?
Indien een door de Scheepvaartinspectie nodig geoordeeld on
in^het Algemeen ^jk^n^enal^nreglemènt^daamede gdijkgestelde
f-MSTS Tr&SSS ZSTtSSZS&Z. het
t» h«t Riik wórd, berekend naar een door Onze Munster
Votr w'aTbllreft de ambtenaren, belast met bet toezicht in de
ordening vastgesteld.
Artikel 16
Het tarief van de vergoeding, bedoeld in artikel 17, lid 5, van de Tarief vergoeding
Schepenwet, is als bijlage XXII bij dit besluit gevoegd.
tên^onrêchtehu
aangehouden
HOOFDSTUK III
Certificaten
Artikel 17
De vorm en de inhoud van de certificaten worden door het Hoofd Vorm en inhoud
van de Scheepvaartinspectie vastgesteld.
Artikel 18
1. Een certificaat van deugdelijkheid wordt slechts afgegeven Eisen voor de
nadat:
afgifte ran certifi
caten
( a ) bij het onderzoek, genoemd in artikel 3, lid 1, juncto artikel
4, lid 1, gebleken is, dat aan de voorschriften van de Schepenwet
en van dit besluit is voldaan;
( b ) indien het betreft een nieuw passagiersschip, dan wel een
nieuw schip van 200 ton of meer, geen passagiersschip zijnde, het
schip aan een hellingproef is onderworpen, waarvan de resultaten
zijn overgelegd, alsmede voldoende gegevens betreffende de stabiliteit
voor verschillende hellingen van het schip.
2. Een veiligheidscertificaat wordt slechts afgegeven nadat bij
het onderzoek, bedoeld in artikel 3, lid 1, c.q. lid 2, juncto artikel 4,
lid 1, c.q. lid 2 gebleken is, dat aan de voorschriften van de Schepen
wet en van dit besluit is voldaan.
3. Een uitrustingscertificaat wordt slechts afgegeven, nadat bij
het onderzoek, bedoeld in artikel 3, lid 1, c.q. lid 3, juncto artikel 4,
lid 1, c.q. lid 3, gebleken is, dat aan de voorschriften van de Schepen
wet en van dit besluit is voldaan.
4. Een radiotelegrafie- of een radiotelefonie-veiligheidscertifi-
caat wordt slechts afgegeven, nadat bij het onderzoek, bedoeld in
artikel 3, lid 4, juncto artikel 4, lid 4, gebleken is, dat aan de voor
schriften van de Schepenwet en van dit besluit is voldaan.
__5.
Een certificaat van uitwatering wordt slechts afgegeven, nadat
bij het onderzoek, bedoeld in artikel 3, lid 5, gebleken is, dat aan
de in artikel 94 gegeven voorschriften betreffende bouw en inrichting
is voldaan.
6. Een certificaat voor de houtvaart wordt slechts afgegeven
nadat:
( a ) bij het onderzoek, bedoeld in artikel 3, lid 5 gebleken is,
dat aan de in artikel 95 gegeven voorschriften betreffende bouw en
inrichting is voldaan;
( b ) gebleken is, dat het schip is voorzien van een nog geldig
certificaat van uitwatering.
7. Een certificaat van vrijstelling wordt afgegeven, indien voor
een schip afwijking is toegestaan van enig voorschrift van dit besluit.
8. Indien het aantal personen aan boord van een schip, waarvoor
een veiligheidscertificaat of een uitrustingscertificaat is afgegeven,
tijdens een bepaalde reis kleiner is, dan het op het certificaat ver
melde totale aantal, mag het aantal der reddingboten en andere red
dingmiddelen worden verminderd tot hetgeen voor dit geringere aan
tal personen nodig is, mits door of namers het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie aan het certificaat een verklaring is gehecht, waaruit
blijkt, dat deze vermindering geen overtreding is van de voorschriften.
Artikel 19
Aanvraag tot ver-
l. De aanvraag tot het verkrijgen van een certificaat moet schrif-
ficifen
van certi' teliik> hetzii door de eigenaar> hetzij door de bouwer van het schip
tot het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden gericht.
2. De eerste aanvraag tot het verkrijgen van een certificaat van
deugdelijkheid of van een veiligheidscertificaat moet vergezeld gaan
van de voor de controle van bouw en inrichting benodigde teke
ningen, voor zover deze tevoren nog niet waren ingezonden, van de
zeebrief of van het bewijs van inschrijving in het register van de zee
vissersvaartuigen en van de meetbrief of van gewaarmerkte afschriften
van deze stukken.
3.
Bij de aanvraag tot het verkrijgen van een /eiligheidscertificaat,
een radiotelegrafie- of een radiotelefonie-veiligheidscertificaat moeten
de nodige gegevens betreffende de radio-installaties worden over
gelegd.
4. Bij de aanvraag tot het verkrijgen van een uitrustingscertificaat
moeten de nodige gegevens betreffende de redding-, de veiligheids-,
de brandblus- en de brandontdekkingsmiddelen en de verdere uit
rusting worden overgelegd.
5. De aanvraag tot het verkrijgen van een certificaat van uit
watering of een certificaat voor de houtvaart moet vergezeld zijn van
de nodige tekeningen.
Indien de berekening van het minimum vrijboord door een der door
Ons erkende particuliere onderzoekingsbureaux is gemaakt, wordt deze
berekening bij het verzoek overgelegd.
6. Voor schepen onder toezicht van een der door Ons erkende
particuliere onderzoekingsbureaux moet bij de aanvraag van een
certificaat van deugdelijkheid het op het ogenblik van aanvraag
geldige certificaat van dat bureau worden overgelegd.
Bevindt het schip zich in het buitenland, dan kan met toezending
van een gewaarmerkt afschrift van dat certificaat worden volstaan.
Artikel 20
1. Voor een schip, waarvoor een certificaat, als bedoeld in arti- wii?e van afgifte
kei 19, lid 6 is overgelegd, wordt door het Hoofd van de Scheepvaart-"oeld^n"artikel"
inspectie van Onzentwege een certificaat van deugdelijkheid in twee is
exemplaren afgegeven, tenzij aan de ambtenaren van de Scheepvaart
inspectie bij onderzoek blijkt, dat het certificaat van het particuliere
onderzoekingsbureau ten onrechte werd toegekend, of dat sedert die
toekenning de toestand van het schip zodanig is veranderd, dat de
zeewaardigheid onvoldoende is geworden, of dat uit anderen hoofde
tegen de afgifte van een certificaat van deugdelijkheid bezwaar bestaat.
2. Voor een schip, waarvoor geen certificaat van een der door
Ons erkende particuliere onderzoekingsbureaux wordt overgelegd,
wordt het certificaat van deugdelijkheid slechts afgegeven nadat aan
de ambtenaren van de Scheepvaartinspectie door een volledig onder
zoek is gebleken, dat het voldoet aan de voorschriften van de Schepen
wet en van dit besluit.
3. Het voldoen aan de eisen voor het verkrijgen van een veilig
heidscertificaat, van een radiotelegrafie- of van een radiotelefonie-
veiligheidscertificaat, van een certificaat van uitrusting, van een cer
tificaat van uitwatering of van een certificaat voor de houtvaart
moet blijken uit een volledig onderzoek door de daartoe aangewezen
ambtenaren.
Bij gunstige uitslag van dat onderzoek worden de bedoelde certifi
caten in twee exemplaren door het Hoofd van de Scheepvaartinspec
tie van Onzentwege afgegeven.
4. Wordt de afgifte van enig certificaat geweigerd, dan wordt die
weigering onder opgaaf van redenen aan de aanvrager schriftelijk
medegedeeld.
Artikel 21
1. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt vast, voor welk Geldigheidsduur
tijdvak de door hem afgegeven certificaten zullen gelden.
afs^edoeidVn11
2. In bijzondere gevallen kan de geldigheidsduur van een afgegeven artikel is.
certificaat door of namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
worden verlengd.
Artikel 22
1. Blijkt aan de bevoegde ambtenaar van de Scheepvaartinspectie, intrekking van
dat niet meer wordt voldaan aan de eisen, welke voor de afgifte van certificaten
enig certificaat waren gesteld en dat in het ontbrekende niet voldoende
wordt voorzien, dan trekt hij het betreffende certificaat in.
2. Eveneens trekt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar een cer
tificaat van uitwatering of een certificaat voor de houtvaart in, in
dien hem blijkt dat:
(a) veranderingen in de romp en in de bovenbouw van het schip
zijn aangebracht, welke van invloed zijn op de berekening van het
minimum vrijboord;
( b ) de onderdelen of de inrichtingen betreffende de bescherming
van openingen, de verschansing of het relingwerk, de waterloospoorten
en de toegangen tot de verblijven niet in even deugdelijke toestand
verkeren, als zij deden toen het certificaat werd afgegeven;
(c) het schip niet op zodanige geregelde tijden en onder zulke
voorwaarden is nagezien, als het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
nodig oordeelt, teneinde zeker te zijn, dat de romp en de bovenbouw
niet zijn gewijzigd als onder (a) bedoeld en dat de onderdelen of
inrichtingen in de toestand zijn gehouden als onder (b) is aangegeven.
3. Indien de hierboven bedoelde ambtenaar een certificaat intrekt,
deelt hij dit terstond door tussenkomst van zijn districtshoofd mede
aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. Het districtshoofd geeft
de eigenaar onder opgaaf van redenen bij aangetekende dienstbrief
kennis van de intrekking.
Artikel 23
Vaargebieden
Indien er aanleiding is om tengevolge van de bouw, de toestand
of de uitrusting van het schip beperkende bepalingen te maken be
treffende de toe te kennen vaargebieden, bepaalt het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie de wateren of de reizen, waarvoor de certificaten
geldig zijn.
HOOFDSTUK IV
Toestand van de scheepsromp, de werktuigen en de aftimmering
Artikel 24
Keuring
Het voor de bouw van de scheepsromp en van de voornaamste
materialen
werktuigen te bezigen materiaal, zomede dat, te gebruiken bij ver
bouwing, bij belangrijke herstelling of vernieuwing van vitale delen,
moet voldoen aan en gekeurd zijn volgens de door één der door Ons
erkende particuliere onderzoekingsbureaux vastgestelde eisen, dan
wel voldoen aan de eisen, vastgesteld in bijlage I, en gekeurd worden
op de wijze, als daarin is voorgeschreven.
Artikel 25
sterkte-eisen
Zowel de afmetingen van alle verbanddelen van de scheepsromp,
als de wijze waarop deze ten opzichte van elkander zijn aangebracht
en verbonden, moeten zodanig zijn, dat — rekening houdende met de
afmetingen van het schip en met het vaargebied, waarvoor het be
stemd is — zowel de algemene sterkte, als het weerstandsvermogen
tegen plaatselijk optredende krachten aan redelijke eisen voldoen.
Artikel 26
uitvoering con-
De uitvoering van het constructiewerk van de romp moet aan
stractie
redelijke eisen voldoen.
Artikel 27
Waterdichtheid
De huid en de wanden van waterdichte afdelingen, als schotten,
dekken, platforms, binnenbodems, enzovoort, moeten deugdelijk
waterdicht zijn afgewerkt. De huid en deze wanden moeten behoorlijk
en voldoende zijn verstijfd tegen de waterdruk, welke ter plaatse, ook
in geval van nood, kan optreden.
Artikel 28
1. De waterdichte indeling moet zo doeltreffend zijn als rede- Wa,erd'chte in-
lijkerwijs, in verband met de eisen van het bedrijf, kan worden ver- ddmS
langd.
2. Passagiersschepen gebezigd op internationale reizen moeten,
wat de waterdichte indeling betreft, voldoen aan de eisen, gesteld in
de bijlagen II en III.
3. Passagiersschepen, welke op niet-internationale reizen worden
gebezigd, moeten, wat de waterdichte indeling betreft, voldoen aan
de eisen, welke het Hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt.
Artikel 29
1. Terugslagkleppen of afsluiters in waterdichte schotten, welke waterdichte deu-
deel uitmaken van een pijpleidingsysteem en waterdichte deuren eSovoOTt8"™'
moeten goed sluiten en voldoende sterk zijn en hun bewegings- en
sluitingsinrichtingen moeten een goede werking te allen tijde kunnen
waarborgen.
2. Waterdichte deuren op passagiersschepen moeten voldoen aan
de eisen, gesteld in de bijlagen II en III.
3.
Mangaten op ruimten voor berging van water en olie en op
kofferdammen en droge tanks moeten, wanneer het schip ledig is,
gemakkelijk bereikbaar zijn en naar behoren kunnen worden ge
sloten.
Artikel 30
1. Waterdichte deuren met uitzondering van draaideuren moeten plaats en wijze
kunnen worden behandeld van een dek, dat boven de bovenste last- waLd^S
lijn is gelegen.
en
2. Aan boord van passagiersschepen, gebezigd op internationale
reizen, moeten deze deuren, zowel wat betreft de plaats, waar zij
zijn aangebracht, als de plaats waar zij kunnen worden bediend, vol
doen aan de eisen gesteld in de bijlagen II en III.
3. Aan boord van passagiersschepen, welke op niet-internatio
nale reizen worden gebezigd, moeten de waterdichte deuren, voor
zover betreft de plaats, waar zij zijn aangebracht en de plaats, waar
zij kunnen worden bediend, voldoen aan de eisen, welke het Hoofd
van de Scheepvaartinspectie stelt.
Artikel 31
1. De patrijspoorten en lichtranden moeten voldoen aan de eisen Patrijspoorten
gesteld in bijlage IV.
en lichtranden
2. De patrijspoorten en lichtranden op passagiersschepen moeten
bovendien voldoen aan de eisen gesteld in de bijlagen II en III.
3
Alle patrijspoorten en lichtranden moeten overigens voldoen
aan de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gestelde eisen
betreffende type en sterkte.
Artikel 32
Pen- en lucht-
1. Peil- en luchtpijpen op dubbele-bodem- of andere tanks moeten
pijpen
jn laadruimen en aan dek zodanig beschermd of zo sterk zijn, dat zij
door verschuiven van lading niet kunnen worden beschadigd.
2. Peilpijpen op drinkwatertanks moeten voldoende hoog zijn en
ten minste vijftien centimeter boven het dek reiken.
Artikel 33
Openingen in de
1. Openingen in het scheepsboord, als toegangs-, laad- en kolen-
huidc bovedn-kken poorten moeten door deugdelijke afsluitingsmiddelen van voldoende
bouw; lucht-
sterkte waterdicht kunnen worden gesloten.
kokers
2
Openingen in de eindschotten van een gesloten bovenbouw en
openingen in de aan weer en wind blootgestelde gedeelten van de
dekken moeten door deugdelijke afsluitingsmiddelen afdoende tegen
w e e r e n w i n d k u n n e n w o r d e n g e s l o t e n .
. . .
.
,
3. Paalmasten en laadpalen, welke als luchtkokers zijn ingericht
en luchtkokers, waarvan de pot een hoogte heeft van 2 meter o
meer, moeten voorzien zijn van goed sluitende dempers, welke aan
dek bewogen kunnen worden.
4.
Bijlage IV en voor passagiersschepen bovendien de bijlagen 11
en III bevatten nadere bepalingen omtrent de in de vorige leden
genoemde openingen en luchtkokers.
Artikel 34
Toegangen, uit-
1. De toegangen naar de verblijven der opvarenden en de plaat-
gangen en liften sen waar de schepelingen hun werk plegen te verrichten, moe en e
allen tijde buiten de ruimten om, waarin de voortstuwingswerktuigen
en de ketels zijn opgesteld, behoorlijk bereikbaar zijn. Hierbij moet
rekening worden gehouden met de bepalingen van bijlage I •
2
De ruimten, waarin de voortstuwingswerktuigen en de ketels
zijn opgesteld, mogen niet in rechtstreekse verbinding staan met de
verblijven voor passagiers en bemanning en moeten door de beman
ning gemakkelijk kunnen worden verlaten, ook wanneer de water
dichte deuren zijn gesloten.
, ,
,
„ori ,nnri tnn
3. De machinekamer en de stookplaat van schepen van 1000 ton
of meer moeten ten minste aan elke zijde een uitgang hebben, me
voldoende trap- of ladderverbindingen tot de vloerplaat.
4
Elke machinekamer, schroefastunnel, stookruim of
an°ere
ruimte, waarin soms gewerkt wordt, moet een doelmatige uitgang heb
ben waardoor de bemanning, zonder waterdichte deuren te pas
seren, deze ruimten kan verlaten. Dit geldt niet voor astunneb; aan
boord van schepen, geen passagiersschepen zijnde, waar de lengte
van deze tunnels, gerekend van het achterpiekschot tot de tunneldeur,
minder dan 25 meter bedraagt.
5. Aan boord van passagiersschepen moeten in de ruimten, be
stemd voor passagiers en bemanning, de nodige doelmatige trappen of
ladders zijn aangebracht, door middel waarvan de opvarenden vlug
het inschepingsdek voor de reddingboten kunnen bereiken.
6. De volgende bepalingen zijn in het bijzonder van toepassing:
(a) de uiigangen, bedoeld in lid 4, moeten zodanig zijn aange
bracht, dat zij gemakkelijk bereikbaar zijn;
( b ) boven het schottendek aan boord van passagiersschepen moe
ten in elke door de hoofdbrandschotten begrensde ruimte, ten minste
twee doelmatige uitgangen aanwezig zijn, van welke ten minste één
toegang geeft tot een trap naar een hoger gelegen dek;
(c) het aantal, de plaats en de afmetingen van de trappen moeten
ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.
7. Liften, welke aan boord van schepen worden opgesteld,
moeten vooraf door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, zowel
wat opstelling als wat inrichting betreft, worden goedgekeurd. Hierbij
zal rekening gehouden worden met de veiligheid van de te vervoeren
personen en van het bedienend personeel. Deze goedkeuring wordt
verkregen na overlegging van een certificaat, afgegeven door een daar
toe door genoemd Hoofd gemachtigd particulier bureau.
Artikel 35
1. Alle aan weer en wind blootgestelde dekken moeten door een verschansing,
deugdelijke verschansing of door deugdelijk relingwerk van voldoende "orf™*' enzo"
hoogte worden begrensd.
2. Een dergelijke doeltreffende bescherming moet langs aan weer
en wind blootgestelde trappen en loopgangen zijn aangebracht.
3. De opvarenden moeten, waar zulks nodig is, door leuningen,
stangen en beschermkappen tegen bewegende delen van werktuigen
worden beschermd.
Artikel 36
Alle aan weer en wind blootgestelde dekken moeten, onder inacht- waterlozing
neming van de bepalingen van bijlage IV, zijn voorzien van voldoende
inrichtingen om zo spoedig mogelijk van overkomend water te worden
bevrijd.
Artikel 37
1. Alle buitenboordsinlaten van pijpleidingen, behorende tot de Afsluiting buiten-
werktuiglijke inrichting, moeten onmiddellijk tegen de huid of on- boordsopeningen
middellijk tegen een op de huid gebouwde stalen kast zijn voorzien
van afsluiters of kranen, welke behoorlijk bereikbaar zijn en ge
makkelijk gesloten kunnen worden.
2. Afvoeropeningen in het scheepsboord, onder de bovenste in
delingslastlijn of onder de geladen lastlijn gelegen, moeten van een
terugslagklep zijn voorzien.
3. Afvoeropeningen in het scheepsboord, welke in verbinding
staan met ruimten onder het vrijboorddek of met ruimten binnen
een gesloten bovenbouw, moeten voorts voldoen aan de bepalingen
van bijlage IV en voor zover het passagiersschepen betreft, bovendien
aan die van de bijlagen II en III. De op deze openingen aangesloten
afvoerpijpen moeten van deugdelijke samenstelling en voldoende
beschermd zijn.
4.
De afsluiters, kranen en terugslagkleppen, bedoeld in de leden
1 en 2, mogen niet van gegoten ijzer zijn vervaardigd.
Artikel 38
Uitzicht voor de
j_ Aan boord van elk schip moet de plaats, waar het schip gestuurd
mandobfug mm~ wordt, zodanig zijn gekozen, dat de roerganger aldaar een vrij uitzicht
over het voorschip heen heeft.
2. Een commandobrug moet over de gehele breedte van het schip
doorlopen, tenzij de aard van het uitgeoefende bedrijf dit niet moge
lijk maakt. Van de commandobrug moet een vrij uitzicht over het
voorschip heen verkregen kunnen worden.
Artikel 39
Roer en stuur-
j
roer moet voldoende sterk zijn en behoorlijk in de draai-
®ere'
punten zijn gesteund. De stuurinrichting moet zo sterk zijn, dat het
roer onder alle bedrijfsomstandigheden met voldoende snelheid van
boord tot boord kan worden bewogen. Zij moet goed werken en ge
makkelijk te bedienen zijn.
2. Het stuurgerei moet zodanig zijn ingericht, dat, indien de
bovenste spaak van het stuurrad naar stuurboord of naar bakboord
wordt gedraaid, de achterkant van het roer zich naar dezelfde zijde
beweegt.
„ . ....
T
3. Stuurkettingen moeten voldoen aan de eisen, welke in bijlage I
aan ankerkettingen zonder dam worden gesteld en gekeurd worden op
de wijze, als daarin is voorgeschreven.
4. Elk schip moet van een doelmatige hulpstuurinrichting zijn
voorzien, welke in geval van nood snel in werking gebracht moet
kunnen worden. Zij moet voldoende sterk zijn en een voldoend ver
mogen bezitten om het schip bij de minimum snelheid, waarbij nog
gemanoeuvreerd kan worden, goed bestuurbaar te doen zijn. Een
reserve-hoofdstuurinrichting kan een hulpstuurinrichting vervangen.
5. De hulpstuurinrichting moet ten minste één maal per jaar wor
den beproefd. De onderdelen van het hulpstuurgerei moeten voor de
hand liggend zijn opgeborgen.
6. Van het onderzoek en van de beproevingen van de stuurin
richtingen moet in het scheepsdagboek aantekening worden ge
houden.
7. Aan boord van schepen, voor welke een roerkoning met een
middellijn ter plaatse van de helmstok van 229 millimeter of groter
wordt voorgeschreven, moet de hulpstuurinrichting door een kracht
werktuig bewogen worden.
8.
Bij kwadrantbesturing moet een vanginrichting op het kwadrant
aanwezig zijn.
Artikel 40
1. De ankers moeten in voldoend aantal aanwezig en van vol- Ank"s, anker-
doende gewicht en sterkte zijn.
kettingen en
De ankerkettingen of ankertouwen moeten van voldoende lengte meenrossen
gewicht en sterkte zijn, terwijl elk van de ankerkettingen uit de nodi®e
onderling verbonden, losneembare einden moet bestaan.
. De ankers en kettingen moeten voldoen aan de eisen, vastgesteld
schreven6
^ g
d worden op de wijze, als daarin is voorge-
,
,.I?e ankerkettingen moeten zodanig aan het schip zijn bevestigd,
dat zij buiten de kettingbak kunnen worden ontsloten.
4
De voor een schip bestemde ankerkettingen mogen niet gebruikt
worden voor het remmen tijdens het te water lopen van het schip.
hJ' fP° ankcnnnchtjng moet' wat bouw, plaatsing en vermogen
betreft, zodanig zijn, dat de ankers gemakkelijk en snel kunnen wor
den bediend, terwijl een bijzondere borginrichting van de ankers
voorkomt m°et
^ ^ uitlopen tengevolge van schok of stoot
f'
meertrossen moeten in voldoend aantal aanwezig en van
voldoende lengte en sterkte zijn.
Artikel 41
mopfptf'LdnJ|0nStrUCtle' de indeling en de inrichting van schepen inrichtingen ter
de nodige voorzorgen getroffen zijn om brandgevaar zoveel verminderin8van
mogelijk tegen te gaan.
brandgevaar;
2
Bergplaatsen voor gevulde lampen, petroleum en aangemaakte middelen
°PT
iftu moeten door 'jzeren schotten zijn omgeven, een
cementen vloer hebben en voorzien zijn van een deugdelijke ventilatie-
ver'blijfng'
mogen nlet ln rechtstreekse verbinding staan met enig
3. De in het vorige lid vervatte voorschriften zijn niet van toe
passing op zeilschepen van 200 ton en minder, voor zover de aan
boord aanwezige inrichtingen naar het oordeel van de ambtenaar van
opleverenPVaartmSPeCtle voldoende waarborgen voor de veiligheid
4. Aan boord van schepen van 1500 ton en meer moeten in de
daarvoor in aanmerking komende ruimen, op door het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie goed te keuren plaatsen, de nodige kokers zijn
aangebracht om de temperatuur op te nemen. Deze kokers moeten
tnt nnlr T bevestlSd> met schroefdoppen worden afgesloten en
tot onder m de ruimen doorlopen. Zij moeten zodanig beschermd
°f ™ Stehrk
datX7z'J d0°r verschuiven van lading niet kunnen
worden beschadigd. Voor de temperatuurkokers moeten voor het
aoel bruikbare thermometers aanwezig zijn.
5. Aan boord van alle schepen moeten de nodige vaste brandblus-
middelen, als aangegeven in bijlage V, zijn aangebracht.
6. Aan boord van passagiersschepen gebezigd op internationale
reizen moeten voorts de voorzieningen tegen brandgevaar, zomede de
middelen voor het aantonen van brand, overeenkomstig de bepalingen
van de bijlagen II en III worden toegepast terwiil voorzorgen tegen
brandgevaar moeten worden getroffen, zoals voorgeschreven in
j
laoe
7
Aan boord van passagiersschepen, welke op andere dan inter
nationale reizen worden geoezigd, moeten de voorzieningen tegen
brandgevaar, zomede de middelen voor het aantonen van brand, over
eenkomstig de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stellen
eT Aa'n 'boorcf van^schepen, waar ketels met olie gestookt kunnen
worden moet een gedeelte van de stookplaat uit roosters bestaan om
de tank'top of de vullings te allen tijde ook zonder oplichten van de
plaat te kunnen controleren. Een vast lichtpunt moet daartoe onder
de stookplaat zijn aangebracht.
Artikel 42
Schepen inge-
\ Schepen, ingericht of gebezigd voor het vervoer van de ir
richt of gebezigd
y j omschreven brandbare vloeistoffen als lading, moaen,
van'brandbare SJSnZcfe en inrichting betreft, voldoen aan de eisen, gesteld in
vloeistoffen als
,. u|:ia„e
,ading
die b.jiag de constructie en de inrichting van schepen, welker ketels
met vloeibare brandstof kunnen worden gestookt moet rekening zijn
gehouden met het als gevolg daarvan verhoogde brandgevaar.
Artikel 43
c
ifh,n7en
1
Er moet een voldoende en deugdelijke verbinding bestaan door
telegrafen, enzo- micjdel van spreekbuizen, telegrafen en/of dergelijke 'nnchtmgen us-
sen de plaats, waar het schip wordt bestuurd en de plaat£), wa« het
(de) voortstuwingswerktuig(en) en zonodig waar de hulpstuunnnch
ting
bei
rv&n de wijzerpiaten langsscheeps zijn gencht,
moeten zodanig zijn geplaatst en ingericht, dat voor het^n „vooruit
het bewegingshandel naar voren moet worden bewogen.
Artikel 44
voortstuwing.
1. De voortstuwingswerktuigen, zowel
werktuigen, en- . ,
moeten noed functioneren, van voldoend sterke consirucue
zovoort
d
„Tn op.tpld en deugdelijk gefundeerd. De bewegende
£="""" K?S»v.ldS grot" dSv!»^ hebben, rekening houdend
dengdejijte smermj^ v<)orschriften gdden eIeneens ÏOOr de
hdpwerkluigea
erkl»igen moeten zodanig zijn
Jjjj*
ook bij achteruit slaan een voldoend vermogen kan «J»'
keld, zodat het schip onder normale omstandigheden behoorlijk ma
noeuvreervaardig is.
4. Dieselmotoren moeten voorzien zijn van veiligheidsinrichtingen
in de aanzetluchtleidingen nabij de aanzetluchtkleppen op elke werk-
cilinder, teneinde explosies in de aanzetluchtleidingen te voorkomen
of te localiseren.
5-
Aan boord van schepen van meer dan 1000 ton moeten de
hoofd- en hulpcirculatiepompen, welke niet door het hoofdvoort-
stuwingswerktuig worden gedreven en welke bij de geringste diepgang
boven water spuien, zijn voorzien van een aan dek te bedienen stoo-
inrichting.
^
6. Roosters en vloerplaten moeten deugdelijk zijn gesteund. Wan
neer zij geborgd zijn, moet de inrichting zodanig zijn, dat de platen
en roosters gemakkelijk gelicht kunnen worden.
7. Scheepsbenodigdheden en losse stukken hout mogen in een tun
nel slechts aanwezig zijn, indien geborgen in gesloten kasten, welke
de doorgang niet versperren.
8. Voortstuwingsruimten moeten behoorlijk worden schoongehou-
den en in het bijzonder worden vrijgehouden van olieresten, lekolie
met olie doordrenkt poetskatoen en dergelijke verontreinigingen.
9. De inrichting en de opstelling van werktuigen aan dek of in
ruimten, waarin werkzaamheden worden verricht, moeten zodanig
zijn, dat de veiligheid en de gezondheid van daarbij of daarin te werk
gestelde personen zoveel doenlijk is gewaarborgd.
Artikel 45
1. Als vloeibare brandstof voor de voortstuwingswerktuigen en Gebruik van
de ketels mag slechts brandstof met een vlampunt boven 55° Celsius vloeibarebran<i-
bij een barometerstand van 760 millimeter kwik (bepaald met het S'°f
toestel van Pensky-Martens) worden gebruikt.
2.
Krachtwerktuigen, welke met behulp van een vloeistof met een
vlampunt lager dan 30° Celsius bij een barometerstand van 760 milli
meter kwik (bepaald met het toestel van Abel-Pensky) worden ge
dreven of aangezet, mogen niet zijn opgesteld.
3. Hoofdafsluiters in brandstoftoevoerleidingen naar hoofdstoom
ketels, motoren en hulpmotoren moeten zijn voorzien van inrichtingen
om deze van het dek af te kunnen sluiten. De wijze, waarop dit ge
schiedt, moet ter plaatse duidelijk zijn aangegeven. De brandstof
toevoerleidingen van hulpmotoren mogen niet op die van de hoofd
motor zijn aangesloten.
4.
Alle brandstofoliepompen moeten van het dek af buiten werkin»
kunnen worden gesteld.
5. De olieleiding naar kombuizen moet buiten de kombuis op een
gemakkelijk bereikbare plaats van een afsluiter zijn voorzien. Met olie
gestookte fornuizen moeten zijn voorzien van een veiligheidsinrich
ting, waardoor explosie-gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Het bedieningsvoorschrift moet op een plaat van deugdelijk materiaal
nabij de fornuizen vast zijn aangebracht. Lekolie mag zich niet in
de kombuis kunnen verzamelen, doch dient op veilige wijze naar een
lekolietank buiten de kombuis te worden afgevoerd.
Artikel 46
Luchtvaten
i
De luchtvaten moeten voldoen aan de eisen, daarvoor gesteld
"oÓnl in bijlage VIII.
stuwingsinrich-
2
De inrichting van de motorkamer en de daarin geplaatste motor
,ing
met toebehoren van schepen van minder dan 500 ton moeten voldoen
aan de eisen, gesteld in bijlage IX.
3. De inrichting van de ruimte voor de voortstuwing en de daarin
geplaatste werktuigen met toebehoren moeten overigens voldoen aan
de eisen, gesteld door een der door Ons erkende particuliere onder-
zoekingsbureaux.
Artikel 47
Lensinrichting
j
£]]< gedeelte van het schip, voor zover het Hoofd van d-
Scheepvaartinspectie het hiervoor vatbaar acht, moet te allen tijde
kunnen worden lensgepompt. Op schepen zonder werktuighjke voort-
stuwing kan zulks door ten minste twee handpompen geschieden Deze
mogen op kleine vaartuigen ook verplaatsbare pompen zijn. In
andere gevallen moeten werktuiglijk gedreven pompen hiertoe op de
lensleiding zijn aangesloten.
Met uitzondering van de voorpiek, de achterpiek, waterballast-, zoet
water- en olietanks, moeten alle waterdichte afdelingen op de lens
leiding zijn aangesloten.
2
Op schepen, waar de voortstuwingsruimte zich in het achter
schip bevindt en de ruimte tussen de voortstuwingsruimte en het aan
varingsschot slechts één waterdichte afdeling uitmaakt, moet deze af
deling zowel vóór als achter, zowel aan stuur- als aan bakboord van
een lensleiding voorzien zijn. Indien geen dubbele bodem aanwezig
is, kan met één aansluiting vóór en een achter worden volstaan in
dien de vorm van het schip volgens het oordeel van het Hoofd van
de Scheepvaartinspectie daartoe aanleiding geeft.
3
Alle pijpleidingen, aangesloten op pompen, welke dienen om
laadruimen of voortstuwingsafdelingen lens te houden moeten^ vol
komen afgescheiden zijn van die leidingen, welke gebruikt kunnen
worden voor het vullen of ledigen van ruimten, waarin water, olie of
andere vloeistof vervoerd wordt.
Het gebruik van loden pijpen is met toegestaan onder of in ko
bunkers of brandstofolietanks en in ketelruimen, machine- en motor-
k7iSS«voPo'zöï=n moe.en zijn genomen om te voorkomen
dat een dieptank met aansluiting, zowel aan de lenslleiding als aan de
hallastleidine door onachtzaamheid of met zeewater volloopt indien
zij lading bevat öf door een lenspomp wordt leeggepompt, indien zij
waterballast bevat.
4
Aan boord van schepen, welke van een electrische lichtinstallatie
zijn voorzien moet bij de lensflessen in de machinekamer, zowel aan
stuurboord- als aan bakboordzijde, een vast lichtpunt zijn aangebracht.
Ook zonder dat daartoe oplichten van een vloerplaat noodzakelijk is
moet controle van de vullings ter plaatse mogelijk zijn.
'
De PomPen moeten een voldoende hoeveelheid water kunnen
moTzo^zfn dl?'6" Z° T gep,'aatSt en de lisginS van de leiding
et zo zij-n, dat een goede werking onder alle omstandigheden is
K X K * b S S
m o e t i n d e l a a d r u i m m b e h o o r »
per minuut kunnen geven.
tenminste gelfjk zijlaan:" ™ mi"in"tos ™"
moe,
(a) voor de hoofdleidingen naar de pompen:
|/-®X|^D)+25;
(b) voor de leidingen naar de lensflessen:
K^p+25.
aal^dP^inH1' dC lew8te T het schiP' 8emetcn tussen de loodlijnen
aan de einden van de in de zomer toegestane lastlijn (voor schenen
wnrHtPHSSa,êlerf
pen ziJnde'. welke voorzien zijn van een kruiserhek'
i.i"
e en8te genomen gelijk aan 96 percent van de totale OD dé
lastlijn gemeten lengte; zij mag in dit geval echter niet kleiner cenn
Z\Z°tTdea Han de,afStand van de voorkant van de vooZJ^Z
het hart van de roerkoning); B is de breedte van het schip Smeten
s°rh tf b"lt,enkant van de spanten; D is de holte naar de mal tot het
dek voofedeVnWaSSagherSSCheiPei1 (Z'e b'jlage H) en tot het vrijboord-
delinc- alle mat lge..schePenj 1 is de lengte van een waterdichte af
deling, alle maten zijn uitgedrukt in meters.
naa?
8SVal Tf® de inwendiSe middellijn van de hoofdleidingen
flessen
P°mPen
Z'Jn dan die van de ^dingen naar de lens-
6. De lensinrichting op passagiersschepen gebezigd op intematio
£„Te"„ m" b0VenClien ,°"">5n ™ de
W taTS-
7. De lensinrichting op passagiersschepen, welke OD niet-interna
to HL7r,a„Wdi; ?heCbrUikt; ™e' TOld0en
""
welke do»;
net Woord van de Scheepvaartinspectie worden gesteld.
' , an boord van schepen, geen passagiersschepen zijnde met
™
da; ecfn,
vóór of achter de machinekamer gelegen moet
binnen de afdeling, waarin het open zuigeind voorkomt, een'terug-
-wi-w nf pen afsluiter — deze laatste moet kunnen worden be
wogen van een steeds toegankelijke plaats - in ^ l^le^d.ng aan-
wezi« ziin te«en het waterdichte scheidingsschot van de betreltena
S„! indien de leidins achter deze klep of afsluiter z.eh op éen
van de volgende plaatsen bevindt:
( a ) overal waar een spant boven of onder de bovenste geladen
lastlijn ten opzichte van deze lijn naar binnen va t buiten de Ujn,
welke in het vlak van het spant kan worden getrokken op een bin
nefwaartse aStand, horizontaal gemeten, van een vijfde van de
scheepsbreedte uit de spantlijn;
( b ) overal waar een spant boven of onder de> bovenste geladen
gelaS
lastlijn kan worden getrokken op een afstand binnenwaarts van
viifde van de scheepsbreedte afgezet op deze lastlijn
,
Deze terugslagkleppen of afsluiters behoeven i me:
e w
g e b r a c h t i n l e n s l e i d i n g e n , w e l k e i n t u n n e l s z ' j n g c g . ^ ] k i |
lel vereist in de lensleiding op het sche.dmgsschot van kokerMd^^
het te lenzen ruim, indien de leidingen in een kokerk
J
gebrac
v.ssersvaartuigen met werktuiglijke vQQrtstuwing moet elk
gedeelte van het schip, dat daarvoor in aanmerking komt, ine
geval het visruim en de machinekamer, behalve door de in hd
bedoelde werktuiglijk gedreven pompen, bovendien door een doel
maüge hand pomp van® voldoende grootte kunnen worden lens ge
pompt.
Artikel 48
Artikel 49
Hoofdstoomaf-
De hoofdstoomafsluiters van elke stoomketel moeten ^e^ge-
siuiters
makkelijk bereikbaar zijn en hetzij van het dek,hetz j
••
crnefl te keuren plaats kunnen worden behandeld. Zij moeten zij
voorzien van eeif duidelijke aanwijzing, hoe gedraaid moet worden
om de afsluiters te openen en te sluiten.
Artikel 50
Eiectrische in-
1. Electrische inrichtingen moeten voldoen aan de eisen, gestelc
richtingen, nood-
bijlage VI.
noodgenèrator,
2
Aan boord van schepen, geen passagiersschepen zijnde me
alarminstallatie
verlichtin° moet in de voortstuwingsruimten, bi üe pen
SeTvan^ÏÏSSS. op het sloependek nabij de reddingboten
mogen
J de magnetische kompassen, voorzover niet van een andere nood
verlichting voorzien, in de daarvoor in aanmerking komende ver
blijven en bij de voornaamste doorgangen en trappen een electrische
noodverlichting zijn aangebracht, die steeds voor onmiddellijk ge
bruik gereed is en gedurende zes uren onafgebroken kan branden.
J. Aan boord van passagiersschepen moet, behalve op de in lid 2
genoemde plaatsen een electrische noodverlichting zijn aangebracht
bij de inschepingsplaatsen van de reddingboten aan dek en buiten
oordm alle gangen bij alle trappen en uitgangen, in alle liftkooien
van liften met betreedbare kooi, in de daarbij behorende machine
kamers, in de contrölestations als bedoeld in artikel 26 van bijlage II
en voor de navigatielantaarns.
•
Te"-,be,h<ï®Ve van de voeding van de noodverlichting en van andere
van
h
van bijlage VI genoemde inrichtingen, welke in geval
van nood moeten kunnen werken, moet een krachtbron aanwezig zijn
rif vanT Ja" d'e' b,estemd voor de voortstuwing van het schip'
ais van de algemene electrische installatie onafhankelijk is
4. Aan boord van passagiersschepen moet een electrische alarm
installatie, welke op de commandobrug in werking kan worden ge
ste,d, zijn aangebracht, waarmede in geval van nood de passagiers
en de bemanning kunnen worden gewaarschuwd.
5. Het beschikbare vermogen van de hoofdgeneratoren, met uit
zondering van de noodgenerator, moet voldoende zijn om gelijktijdig
bij de normale belasting de accumulatoren te kunnen opladen en
tevens te kunnen voldoen aan de eisen ten aanzien van de in artikel
135 voorgeschreven demagnetisering.
Artikel 51
medeïonïlHnl0^ ^ vert0"en van fiIms gedurende de reis, zo- Filmtoestellen
Ien wilrlm
ï,
daarvan en de ruimten, waarin de toestellen zul-
lage^C gegeven '
m°eten V°ld°en aan de voorschriften in bij-
Artikel 52
eisen ïtew'ïhll Th dp schePeI,inSen moeten voldoen aan de Afümmering
eisen, gesteld in het Schepehngenbesluit.
bemannings-
de'rïSn KeHbl1rn lan de kapitein moeten ten minste voldoen aan rU'mlen
de eisen, bedoeld m het eerste lid.
Artikel 53
U,EP
sarnenst®1Ifnde delen van de scheepsromp en van de werk- Slijtage
heid van" 'n,nC
gen' We^e van belang kunnen z'in voor de veilig-
sleten ziin A«
°pvarenden' mo§en niet te veel ingeteerd of ver
sleten zijn. Assen mogen niet op gevaarlijke wijze zijn verzakt.
HOOFDSTUK V
Uitrusting
§ 1. Reddingmiddelen
Artikel 54
Reddinggordels
l. Aan boord van elk schip moet voor iedere opvarende ten minste
één reddinggordel beschikbaar zijn.
_ .
,
Aan boord van schepen met passagiersaccommodatie moet een
voldoend aantal kinderreddinggordels aanwezig zijn, tenzij de red
dinggordels tevens voor kinderen bruikbaar zijn.
De reddinggordels moeten voldoen aan de eisen, gesteld in bij
lage XI.
.. .
2. De reddinggordels moeten zodanig zijn geborgen, dat zij in
geval van gevaar gemakkelijk zijn te bereiken.
De bergplaatsen van de reddinggordels moeten op duidelijke wijze
zijn aangegeven, terwijl aangaande het doelmatig gebruik en de plaa s,
waar de gordels zijn geborgen, voor alle opvarenden duidelijke aan-
wijzingen moeten zijn aangebracht.
Artikel 55
Reddingboeien
i. Aan boord van elk schip moet ten minste het hieronder ver
melde aantal reddingboeien aanwezig zijn:
( a ) aan boord van schepen, geen passagiersschepen zijnde, uit
sluitend bestemd en gebruikt voor de vaart over de Wadden, langs
de mond van de Weser naar de' Elbe en door het Kaïser-Wilhelm
kanaal tot Kiel en van schepen van niet meer dan 50 ton, geen passa
giersschepen zijnde, één;
( b ) aan boord van zeilschepen van meer dan 50 en van met meer
dan 200 ton en van vissersvaartuigen van meer dan 50 ton, twee,
(c) aan boord van alle andere schepen, geen passagiersschepen
zijnde een in verband met de grootte en de inrichting van het schip
voldoend aantal, doch ten minste twee aan boord van schepen va
minder dan 500 ton en ten minste 8 aan boord van schepen va
500 ton en meer;
( d ) aan boord van passagiersschepen, bij een lengte van het schip
van minder dan 61 meter
ten minste 8,
van 61 tot 122 meter
ten minste 12,
van 122 tot 183 meter
ten minste 18,
van 183 tot 244 meter
ten minste 24,
van 244 meter en meer
ten minste 30,
(e) aan boord van schepen, welke gebezigd worden voor het ver
voer van pelgrims of van grote aantallen passagiers, voor wie ge.n
vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, in de in bijlage III aangeg
gebieden, in afwijking van het bepaalde onder (d), bij een lengte van
het schip
van minder dan 61 meter
ten minste 6,
van 61 tot
91 meter
ten minste 8,
van 91 tot 122 meter
ten minste 10,
van 122 meter en meer
ten minste 12.
2. De reddingboeien moeten voldoen aan de eisen, gesteld in bij
lage XI.
3. Ten minste de helft van het aantal voorgeschreven redding
boeien, doch aan boord van passagiersschepen niet minder dan zes,
moet voorzien zijn van een daaraan met een lijn verbonden zelf-
ontbrandend licht, dat door water niet kan worden gedoofd.
Dit voorschrift is niet van toepassing op schepen, geen passagiers
schepen zijnde, van minder dan 500 ton en op passagiersschepen,
bedoeld in lid 1 onder ( e ) , met dien verstande, dat op eerstgenoemde
schepen ten minste één en op laatstgenoemde schepen, indien de
lengte daarvan niet groter is dan 61 meter, twee, indien de lengte
groter is doch niet groter dan 91 meter, vier en bij grotere lengte
zes boeien van een zelfontbrandend licht moeten zijn voorzien.
4. Aan boord van tankschepen moeten de in lid 3 bedoelde lichten
van het electrische element-type zijn, met een voldoend aantal reserve
batterijen.
5. Aan boord van passagiersschepen en van andere schepen van
500 ton en meer moet aan elke zijde ten minste één reddingboei van
een lijn met een lengte van ten minste 30 meter zijn voorzien.
Artikel 56
Aan boord van elk schip, met uitzondering van een dok of een Boten, drijvende
ander dergelijk drijvend voorwerp, moeten zich boten bevinden naar toestelIen
de volgende maatstaf:
( a ) aan boord van schepen, geen passagiersschepen zijnde, van
minder dan 200 ton met uitzondering van sleepboten, welke slechts
dienst doen in de onmiddellijke nabijheid van de havens, waar zij
thuis behoren en te klein zijn om een boot te voeren en van vissers
vaartuigen met beperkt vaargebied, ten minste één boot, groot genoeg
om alle opvarenden op te nemen;
( b ) aan boord van vissersvaartuigen met onbeperkt vaargebied en
van alle andere schepen met beperkt vaargebied, geen passagiers
schepen zijnde, van 200 ton tot en met 400 ton, ten minste één red
dingboot, welke aan beide zijden gemakkelijk te water moet kunnen
worden gebracht en groot genoeg is om alle opvarenden op te nemen;
( c ) aan boord van schepen, geen passagiersschepen zijnde, niet
vallende onder de schepen genoemd onder (a), (b) en (f), aan elke
zijde één of meer reddingboten met zodanige inhoud, dat alle op
varenden in de boten aan één zijde van het schip kunnen worden
opgenomen;
(d) aan boord van passagiersschepen, reddingboten met zodanige
inhoud, dat alle opvarenden daarin kunnen worden opgenomen, echter
met dien verstande, dat voor passagiersschepen op korte internationale
reizen, mits het betreffende schip voldoet aan de eisen, gesteld in
artikel 6, lid 4 van bijlage II, kan worden volstaan met bootruimte
volgens de in bijlage XI gegeven tabel, waarbij voor het aantal op
varenden, dat niet in deze bootruimte kan worden opgenomen,
extra reddingboten of drijvende toestellen moeten worden bijge
plaatst, terwijl bij een verlenging van die korte reis tot ten hoogste
1200 zeemijlen, ten minste 75 percent van de opvarenden plaats in de
reddingboten moet kunnen vinden;
(e) aan boord van schepen, welke worden gebezigd voor het ver
voer van pelgrims of van grote aantallen passagiers, voor wie geen
vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, in de in bijlage XII aangegeven ge
bieden, in afwijking van het bepaalde onder (d), reddingboten met
een inhoud als in bijlage XII is aangegeven, benevens drijvende toe-
stelle'.i naar de in die bijlage gegeven maatstaf;
( f ) aan boord van schepen, welke worden gebezigd als fabrieks-
schip bij de walvisvangst, aan elke zijde reddingboten met zodanige
inhoud, dat alle opvarenden, werkzaam ten behoeve van het schip,
in de boten aan één zijde van het schip kunnen worden opgenomen;
daarenboven moeten aan boord van elk zodanig schip redding
boten zijn met zodanige inhoud, dat alle overige opvarenden daarin
kunnen worden opgenomen.
Artikel 57
Aanvullende drij-
Aan boord van passagiersschepen, andere dan bedoeld in artikel 56
vende toestellen onder (e) moeten, boven de in dat artikel bedoelde boten en drijvende
toestellen, voor ten minste 25 percent van het aantal opvarenden aan
vullende drijvende toestellen aanwezig zijn, terwijl dit percentage aan
boord van passagiersschepen, op korte internationale reizen gebezigd,
op 10 is gesteld.
Artikel 58
Motorredding-
1. Aan boord van passagiersschepen moeten, indien het aantal
bo,en
reddingboten 20 of meer bedraagt, twee motorreddingboten van
klasse A, wanneer het aantal reddingboten meer dan 13, doch minder
dan 20 bedraagt, één motorreddingboot van klasse A en één van
klasse A of B aanwezig zijn. Wanneer het aantal reddingboten 13 of
minder bedraagt, moet daaronder een motorreddingboot van klasse A
of B zijn begrepen.
2. Aan boord van schepen, geen passagiersschepen zijnde, van
1600 ton of groter, moet één der reddingboten een motorreddingboot
van klasse A of B zijn.
3.
In plaats van een motorreddingboot van klasse B, mag een
met handkracht gedreven schroefreddingboot worden gebezigd.
4. Wanneer twee of meer motorreddingboten aan boord geplaatst
zijn, moeten deze over stuurboord- en bakboordzijde zoveel mogelijk
gelijkmatig zijn verdeeld.
Artikel 59
Aan boord van tankschepen van 3000 ton en meer, waar zich mid- Reddingboten
scheeps een brug of een dekhuis met accommodatie bevindt, moeten op an sc epeQ
ten minste vier reddingboten, twee op het achterschip en twee mid
scheeps, zijn geplaatst. De inhoud van de boten midscheeps, moet
ongeveer gelijk zijn aan die op het achterschip opgesteld.
Artikel 60
Aan boord van passagiersschepen moet aan weerszijden een boot Boten voor ge-
onder davits voor gebruik bij „man over boord" aanwezig zijn. Deze overboord"13"
boten mogen in het algemeen geen grotere lengte hebben dan 8 meter.
Zij kunnen als voorgeschreven reddingboten worden aangemerkt, in
dien zij aan de voor reddingboten gestelde eisen voldoen.
Artikel 61
De boten en drijvende toestellen moeten voldoen aan de in de inrichting boten
bijlagen XI en XII gegeven voorschriften.
toesteitennde
Artikel 62
1. De boten moeten zodanig zijn geplaatst, dat zij ook onder Plaatsing
ongunstige omstandigheden, zoals slagzij van het schip tot 15° en reddinsn»ddeien
aanzienlijke stuur- of koplast, veilig en vlug te water kunnen worden
gebracht.
2. De plaatsing van elke boot of van elk drijvend toestel moet zo
danig zijn, dat zij de behandeling van andere boten of drijvende toe
stellen niet bemoeilijkt.
3. De opvarenden moeten snel in de boten kunnen plaats nemen.
4. De aanvullende reddingmiddelen moeten zoveel mogelijk over
het schip verdeeld worden opgesteld, zodanig dat zij zo goed mogelijk
tegen beschadiging zijn gevrijwaard.
Artikel 63
1. Alle boten moeten zodanig zijn opgesteld, dat zij goed zeevast Opstelling boten
staan en zonder veel inspanning vlug door de bemanning te water
kunnen worden gebracht.
2. Zij mogen niet zijn opgesteld bij de boeg van het schip of op
een zodanige plaats, dat zij bij het te water brengen in gevaarlijke
nabijheid van de schroeven komen.
3. Een boot moet behandeld worden door een eigen stel davits;
echter kan voor schepen, bedoeld in artikel 56, onder (a) en (b) door
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een andere wijze van te water
latsn worden toegestaan.
4. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kunnen aan
boord van passagiersschepen en fabrieksschepen bij de walvisvangst,
met inachtneming van het bepaalde in artikel 62, de reddingboten
boven elkander dan wel in elkander zijn geplaatst.
Indien de boten vóór het te water laten moeten worden gelicht, is
het in elkander plaatsen echter uitsluitend geoorloofd, indien vol
doende krachtwerktuigen voor dat lichten aanwezig zijn.
5. Wanneer een boot onder een andere boot is geplaatst, moeten
goedgekeurde verplaatsbare steunen of andere inrichtingen zijn aan
gebracht, welke beschadiging van de onderste boot voorkomen.
6. Boten mogen op meer dan één dek zijn geplaatst op voor
waarde, dat doeltreffende maatregelen zijn genomen om te voor
komen, dat op een lager dek geplaatste boten onklaar raken door
het te water brengen van boten, welke op een hoger gelegen dek zijn
geplaatst.
Artikel 64
inrichtingen voor
j
Boten aan boord van schepen van minder dan 200 ton, geen
gen'vaTbJterT" passagiersschepen zijnde, moeten onbemand gemakkelijk, vlug en
doeltreffend te water kunnen worden gebracht. Schepen, geen passa
giersschepen zijnde, van 200 ton en meer moeten voorzien zijn van
inrichtingen, waarmede de boten onbemand onder normale omstan
digheden door ten hoogste 4 man gemakkelijk, vlug en doeltreffend
buitenboord en te water kunnen worden gebracht.
2. Davits moeten op zodanige wijze op één of meer dekken
worden opgesteld, dat de daaronder geplaatste boten veilig kunnen
worden gestreken zonder hinderlijk te zijn voor de behandeling van
andere davits.
De constructie moet voldoen aan de in bijlage XI gegeven voor
schriften.
3. Aan boord van passagiersschepen en van schepen, geen passa
giersschepen zijnde, van 500 ton en meer, moeten staaldraadlopers
met werktuiglijke inrichtingen om de boten te vieren en op te halen
worden gebezigd. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan het
gebruik van manilla-takels met of zonder lieren toestaan, indien hij
daartoe aanleiding vindt.
4. Indien meer dan één reddingboot door hetzelfde stel davits
wordt bediend, moeten de lieren voor de lopers, indien deze door
krachtwerktuigen worden gedreven, tevens op doelmatige wijze met
de hand bewogen kunnen worden, terwijl afzonderlijke takels voor
elke reddingboot aanwezig moeten zijn, indien manilla-lopers worden
gebezigd.
De inrichtingen moeten het snel en in volgorde te water vieren
van de boten verzekeren.
5. Takels, blokken en inrichtingen moeten voldoen aan de in
bijlage XI gegeven voorschriften.
6. Aan boord van alle schepen, waar het sloependek meer dan
4,60 meter boven de grootste toegestane diepgang in zeewater ligt,
moeten de reddingboten voorzien zijn van glijspanten of daarmede
gelijk te stellen inrichtingen van een door het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie goedgekeurd type.
Artikel 65
1. Passagiersschepen moeten naar gelang van de lengte voorzien stellen davits
zijn van een aantal stellen davits en daaraan verbonden reddina- en daaraan ver"
boten, als in bijlage XI is voorgeschreven.
° bown^aan boord
2. Passagiersschepen, welke worden gebezigd voor het vervoer van
Passas'ers-
van pelgrims en van grote aantallen passagiers, voor wie geen vaste SChepe"
slaapplaatsen aanwezig zijn, in de in bijlage XII aangegeven gebieden,
mogen, in afwijking van het in lid 1 bepaalde, naar gelang van de
lengte van het schip voorzien zijn van een aantal stellen davits en
daaraan verbonden reddingboten, als in bijlage XII is omschreven.
Artikel 66
Aan boord van schepen van 500 ton en meer, geen passagiers- Draagbaar radio
schepen zijnde, en van alle passagiersschepen met minder dan 20 tele8raaftoestei
reddingboten, moet ten behoeve van de reddingboten ten minste bo?enreddinS'
één draagbaar radiotelegraaftoestel aanwezig zijn, dat voldoet aan de
in bijlage XIII gestelde eisen. Het moet geheel volledig met bijbe
horende uitrusting in de kaartenkamer of op een andere geschikte
plaats bedrijfsklaar gereed worden gehouden. Op reizen van beperkte
duur kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie van deze eis vrij
stelling verlenen.
Artikel 67
1. Aan boord van alle schepen moeten de nodige middelen aan- Noodsignalen
wezig zijn om, zowel bij dag als bij nacht, doelmatige noodsignalen
te kunnen geven.
2'c^an b°°rd Van alIe PassaS'ersschepen en van andere schepen
van 500 ton en meer moeten hieronder begrepen zijn ten minste drie
valschermsignalen, welke op grote hoogte een helder rood licht kun
nen geven.
§ 2. Veiligheidsmiddelen
Artikel 68
1
Aan boord van elk schip moeten geschikte middelen of in- oiiestorten- liin-
richtingen voor het storten van golfstillende olie en een voldoende werptoestei,
hoeveelheid traan of plantaardige olie aanwezig zijn, waarbij rekening ESStadlte
moet worden gehouden met de lengte van het schip, de duur en de
aard van de te ondernemen reis.
2. Schepen, geen passagiersschepen zijnde, van 500 ton en meer
en alle passagiersschepen moeten zijn voorzien van een door het
Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd lijnwerptoestel. Het
toestel moet met redelijke trefzekerheid een lijn kunnen schieten
over een afstand van ten minste 230 meter. Bij het lijnwerptoestel
moeten ten minste vier projectielen en vier lijnen aanwezig zijn.
Een duidelijke gebruiksaanwijzing moet bij het toestel zijn aange
bracht.
3. Schepen van 200 ton en meer en passagiersschepen moeten zijn
voorzien van een stormladder van toereikende lengte, welke voldoet
aan redelijkerwijs daaraan te stellen eisen.
4. Schepen van 500 ton en meer en alle passagiersschepen moeten
zijn voorzien van een deugdelijke Ioodsladder van voldoende lengte
en sterkte en met voldoend brede treden. De ladder moet zo nodig
voorzien zijn van een voldoend aantal spreiders. Twee stevig beves
tigde handleiders moeten te zamen met de Ioodsladder gebruikt
worden.
Artikel 69
Brandbiusmidde-
i
Aan boord van elk schip moeten, behalve de in artikel 41 be
ien. Veiligheids- doelde vaste inrichtingen ter vermindering van brandgevaar en vaste
"
brandblusmiddelen, tevens brand blusmiddelen aanwezig zijn, volgens
de in bijlage V gegeven voorschriften.
2. Aan boord van motorschepen en van schepen, ingericht of ge
bezigd voor het vervoer van brandbare vloeistoffen, moeten één of
meer deugdelijke veiligheidslampen aanwezig zijn om te gebruiken in
ruimten, waar dampen, welke tot een ontploffing aanleiding kunnen
geven, kunnen worden verwacht.
Artikel 70
Gereedschap en
1.
Aan boord van werktuiglijk voortbewogen schepen moeten
materiaal voor
aeree<jschap, materiaal en verwisselstukken in voldoende hoeveelheid
voerenÏCherstei-
Lnwezig zijn, om op zee noodherstellingen aan de werktuigen, de
ünsen
ketels, de stuurinrichting en de electrische installatie te kunnen uit
voeren.
2. Aan boord van schepen, waar de ketels met steenkolen worden
gestookt moet een zodanig aantal roosterijzers in reserve aanwezig
zijn, dat van elke hoofdstoomketel ten minste één der vuren van een
nieuw rooster kan worden voorzien.
3. Alle passagiersschepen en alle andere werktuiglijk voort e
wogen schepen met een daarvoor geschikte electrische installatie, met
uitzondering van tankschepen, moeten een electrische boor, waarmede
gaten van 16 millimeter diameter kunnen worden geboord, aan boord
hebben. De boor moet op alle plaatsen, waar brand verwacht kan
worden, gebezigd kunnen worden.
Artikel 71
Presennings
voor elk luikhoofd op een blootgestelde plaats op het dek, van
welks bovenkant het vrijboord wordt gemeten en voor elk blootgesteld
luikhoofd op een dek van de bovenbouw, zomede voor elk luikhoofd
in het vrijboorddek binnen een bovenbouw, welke van de in artikel 45
van bijlage IV bedoelde middelen tot afsluiting der tweede klasse
of van middelen tot afsluiting minder doeltreffend dan die der tweede
klasse zijn voorzien, moeten ten minste twee in goede toestand
verkerende presennings, ondoordringbaar voor water en voldoende
sterk, aanwezig zijn. Het materiaal moet gegarandeerd vrij van jute
zijn, terwijl de minimum eisen voor kwaliteit en gewicht door het
Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden vastgesteld.
Artikel 72
1. Aan boord van vissersvaartuigen moeten de voor het visserij-Vistuig
bedrijf bestemde inrichtingen en vaste toestellen zodanig zijn gecon
strueerd en opgesteld, dat zij geen gevaar opleveren voor de veiligheid
der opvarenden.
2. Het lopend vistuig, de masten, het staand en het lopend want,
het los- en laadgerei aan boord van vissersvaartuigen, moeten vol
doende sterk zijn en in goede staat verkeren.
3. De bij het in lid 2 bedoelde tuig behorende blokken moeten
voldoende sterk zijn en zodanig zijn uitgevoerd en aangebracht, dat zij
geen gevaar opleveren voor de veiligheid der opvarenden.
Artikel 73
1. Aan boord van elk schip, waarop een geneeskundige gemon- Genees-, heel-,
sterd is, moet, wat betreft de aanwezigheid van genees-, heel-, verband- verba.nd_ el} ont-
en ontsmettingsmiddelen, voldaan zijn aan het bepaalde in de Wet J™emn8Sm,dde-
van de 1ste Juni 1865, Staatsblad No. 60, regelende de uitoefening
der geneeskunst, zoals deze sedert is gewijzigd.
2. Aan boord van elk schip, waarop geen geneeskundige gemon
sterd is, moeten genees-, heel-, verband- en ontsmettingsmiddelen en
een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aangewezen hand
leiding voor het gebruik daarvan aanwezig zijn volgens de voorschrif
ten, vervat in bijlage XIV.
§ 3. Hulpmiddelen bij de navigatie
Artikel 74
1. Aan boord van elk schip moeten de zeekaarten, welke nodig Zeekaarten,
zijn voor de te ondernemen reis, aanwezig zijn en in goede staat ver- enzov°°«
keren. De zeekaarten moeten van een voldoend groot bestek zijn om
er behoorlijk op te kunnen navigeren en moeten worden bijgehouden
aan de hand van de „Berichten aan Zeevarenden". Zeekaarten, welke
te zeer verouderd zijn om behoorlijk te worden bijgewerkt, worden
geacht niet in goede staat te verkeren.
Stroomkaarten voor de Noordzee en het Kanaal moeten op alle
schépen aan boord zijn, tenzij zij niet nodig zijn voor de te onder
nemen reis.
Tevens moeten twee passers en een stel van twee driehoeken of een
parallellineaal aan boord zijn.
2. Aan boord van elk schip moeten bijgewerkte lichtenlijsten van
de kusten, welke op de voorgenomen reis in zicht kunnen komen,
aanwezig zijn.
3. Aan boord van schepen van meer dan 100 ton moeten bijge
werkte zeemansgidsen of zeilaanwijzingen, welke nodig zijn voor de
te ondernemen reis, alsmede een zeemansalmanak, aanwezig zijn.
Artikel 75
Kompassen
i. Aan boord van zeilschepen van minder dan 200 ton, stoom- en
motorvissers vaartuigen van minder dan 100 ton, schepen in de Wad
en Sontvaart en sleepboten, uitsluitend gebezigd in de vaart langs de
Franse, Belgische, Nederlandse en Duitse kust van Duinkerken tot
aan het Kaiser-Wilhelmkanaal en in de Wad- en Sontvaart, moet
ten minste één, en aan boord van elk ander schip moeten ten
minste twee goed werkende magnetische kompassen, welke op vaste
plaatsen zijn opgesteld, aanwezig zijn. Deze plaatsen moeten met het
oog op het gebruik doelmatig en zodanig zijn gekozen, dat de kom
passen geen hinderlijke storing ondervinden van in de nabijheid ge
plaatste ijzermassa's. Hiertoe moet tijdig het advies van één der filiaal
inrichtingen van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut
of van een bevoegd persoon worden ingewonnen.
2. Aan boord van schepen, voorzien van twee of meer kompassen,
moet ten minste één der kompassen zodanig zijn geplaatst, dat men
van de plaats, waar dit kompas is opgesteld, vrij uitzicht heeft over
ten minste 24 streken van de horizon. Zulk een kompas moet voorzien
zijn van een peilinrichting, welke door een bevoegd persoon op haai
juistheid is onderzocht.
Aan boord van schepen moet bij aanleg van electnsche leidingen
in de nabijheid van kompassen rekening worden gehouden met het
daaromtrent in artikel 11 van bijlage VI bepaalde.
3.
Aan boord van schepen, welke van staal of ijzer zijn gebouwd,
of waar zich belangrijke ijzermassa's aan boord bevinden, moeten de
kompassen door een bevoegd persoon behoorlijk gecompenseerd zijn
en moeten, blijkens een te vertonen stuurtafel, de fouten van het
kompas of, indien meer kompassen aan boord zijn opgesteld, van ten
minste twee kompassen bekend zijn. Vóór de compensatie moeten de
kompassen, kompasrozen en onderdelen door de bevoegde persoon op
hun deugdelijkheid zijn onderzocht.
4. Tenzij uit de aantekeningen van de kapitein blijkt, dat de fouten
der kompassen in zee door waarnemingen geregeld worden gecon
troleerd en zij binnen redelijke grenzen blijven, moet, telkenmale
wanneer de ambtenaar van de Scheepvaartinspectie dit nodig oordeelt,
zodanige controle binnenslands door een bevoegd persoon worden
verricht.
5. De aanwijzing van de in de leden 1, 2, 3 en 4 bedoelde be
voegde personen geschiedt door Onze Minister.
6. In afwijking van het in lid 1 bepaalde, mogen de daarin be
doelde magnetische kompassen, met uitzondering van één kompas,
door gyroscopische kompassen worden vervangen.
Artikel 76
1. Aan boord van elk schip moeten ten minste één kijker en ten Nautische instru-
minste een hoekmeetinstrument aanwezig zijn, die door een door het menten
Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende deskundige moeten zijn
goedgekeurd. De fouten van het hoekmeetinstrument moeten door
„ deskundige met een nauwkeurigheid van ten minste één minuut
zijn bepaald. Dit hoekmeetinstrument behoeft niet aan boord te zijn
van schepen, welker reizen beperkt blijven tot de vaart langs de Oost
kust van de Noordzee van Calais tot het Aggerkanaal, zomede in de
Oostzee tot de lijn Gothenburg—Frederikshaven.
2. Aan boord van schepen van 150 ton en meer moet ten minste
een deugdelijk uurwerk aanwezig zijn, waarvan stand en gang bekend
zijn en dat goedgekeurd is door één der filiaalinrichtingen van het
Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, of door een door
net Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende deskundige.
3. Aan boord van elk schip moet een barometer aanwezie zijn
gecontroleerd en goedgekeurd door een door het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie erkende deskundige.
4. Aan boord van elk schip moeten een handlood met gemerkte
lijn, een doelmatig werktuigelijk lodingstoestel, geschikt om diepten
z?jn
mmSte
vadem te meten en een betrouwbare log aanwezig
Het lodingstoestel kan op schepen van minder dan 500 ton en op
alle ovenge schepen, welker reizen zich van Nederland uit niet verder
uitstrekken dan de Oostzee, de Noordzee tot de 61ste breedtegraad
en tot de lijn Orkaden—Shetland eilanden in het Westen, het Kanaal,
het Kanaal van Bnstol, het St. George Kanaal en de Ierse Zee tot
de lijn van Kaap St. Mathieu, ten Westen rond de Scilly eilanden,
naar Carnsore Pt. in het Zuiden en in het Noorden tot de lijn van
Inishowen Hd. naar Islay (Ardmore Pt.), van Islay (Rhuda Mhail),
langs de Oostkust van Colonsay, naar Muil (Loch Buie) en van
Muil (Java Pt.) naar Schotland (Barony Pt.), worden vervangen door
sen zwaar lood met gemerkte lijn, waarvan de lengte afhankelijk is
van de diepte der te bevaren wateren.
5. (a) Alle schepen van 1600 ton en meer moeten voorzien zijn
van een goedgekeurde richtingzoeker, als omschreven in bijlage XIII.
(b) Het peilraam moet, voor zover zulks practisch uitvoerbaar is
tdlcht mogelijk bij het vlak van kiel en stevens worden opgesteld
:n tevens zo ver mogelijk van grote beweegbare metalen voorwerpen
en geleiders, zoals laadbomen, staalkabels en de scheepsantennes, ver-
^Ter vermijding van soms grote fouten moet er voorts in het bij
zonder tegen worden gewaakt, dat geleiders aan dek zodanig worden
gespannen of onderling verbonden, dat zij gezamenlijk min of meer
grote, gesloten kringen vormen.
(c) Een verklikkerlamp, welke gaat branden als de scheepsantennes
geïsoleerd zijn, moet op een geschikte plaats in of nabij de ontvanger
van de richtingzoeker zijn aangebracht.
( d ) Alle richtingzoekers moeten bij eerste opstelling aan boor
door deskundigen, erkend door het Hoofd van de Scheepvaartinspec
tie, worden gecalibreerd.
(e) Een certificaat, hetwelk in een grafiek de correctie aangee ,
welke op de afgelezen peiling moet worden toegepas om de ware
peiling ten opzichte van de kiellijn te verkrijgen, moet door de des
• kundiee die het calibreren verricht, worden ondertekend en ve
strekt; deze grafiek moet voor onmiddellijk gebruik bij de richting
zoeker aanwezig zijn.
( f ) De juistheid van de correctie-grafiek moet ieder jaar worden
geverifieerd. Bovendien en in het bijzonder moet die verificatie plaa
hebben, telkenmale wanneer in de posit.e van enige anten^ dan wel
van enige constructie aan dek, veranderingen zijn aangebracht, welke
de nauwkeurigheid van de richtingzoeker
merkbaar zouden kunn
^Voorts moet de nauwkeurigheid van de richtingzoeker regelmatig
w o r d e n gecontroleerd. D e u i t k o m s t e n v a n iedere verificatie: v a n d e
correctie-grafiek en van iedere controle op de nauwkeurigheid van
een genomen radiopeiling, moeten in een daartoe aan te leggen
d.artoe aanleiding geven,
dient de bestaande correctie-grafiek door een nieuwe te worden ver-
VaIgTnTussen de richtingzoeker en de brug moet een doeltreffende
verbinding aanwezig zijn.
Artikel 77
. .
lnl,r
i
Schenen van 150 ton en meer moeten een dagseinlamp aan
naüonTaPi'
Sein- boord hebben, welke aan door het Hoofd van de Scheepvaartinspec-
C2^CS&hepen
n°500 ton en meer moeten het Internationaal Sein
boek en een volledig stel seinvlaggen aan boord hebben.
Artikel 78
Toepassing op ge-
De voorschriften van de artikelen 74 tot en ™
indien hrt
sleepte schepen
toepassing 0p gesleepte schepen, met dien verstande, d ,
gesleepte schip bemand is, een lood met gemerkte lijn van voldoende
lengte aan boord moet zijn en moet worden voldaan aan het be
paalde in het eerste lid van artikel 77.
§ 4. Hulpmiddelen ter voorkoming van aanvaringen
Artikel 79
1. Aan boord van elk schip moeten de hulpmiddelen om te kun- Hulpmiddelen in
nen voldoen aan de bepalingen ter voorkoming van aanvaringen OD GEVOLGE AANVA-
zee aanwezig zijn.
ringsreglementen
Indien de daarin voorgeschreven lantaarns voor electrisch licht
zijn ingericht, moet een stel lantaarns met olieverlichting als reserve
aan boord zijn, tenzij de inrichting zodanig is, dat steeds op electri-
sche verlichting kan worden gerekend. De lantaarns, ingericht voor
oheverhchting, moeten vanaf het dek gehesen kunnen worden.
2. De eisen, waaraan de in lid 1 bedoelde middelen moeten vol
doen, zijn aangegeven in bijlage XV.
3. Aan boord van elk schip, dat de openbare wateren in het Rijk
die voor de scheepvaart openstaan, bevaart, moeten bovendien dé
hulpmiddelen aan boord zijn, welke nodig zijn om aan de voorschrif
ten van het Bmnenaanvaringsreglement te kunnen voldoen.
4. De schermen van de boordlantaarns moeten zijn geplaatst en
ingericht, als in de in lid 1 genoemde bepalingen is aangegeven.
5. De in lid 1 bedoelde lantaarns en voor zover nodig hun onder-
delen, moeten gemerkt zijn en voorzien zijn van een certificaat afge
geven door een der filiaalinrichtingen van het Koninklijk Neder
lands Meteorologisch Instituut of door een door het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie erkend deskundige, welk certificaat moet in
houden, dat de lantaarns deugdelijk zijn en voldoen aan de voor
schriften van de in lid 1 genoemde bepalingen.
Artikel 80
De fluiten en sirenen tot het geven van seinen moeten zodanig Fluiten en
zijn ingericht, dat zij, wanneer zij gebruikt moeten worden, steeds sirenen
gereed zijn om onmiddellijk goed geluid te geven. Zij moeten op vol
doende hoogte en zodanig geplaatst zijn, dat het geluid zo min moge
lijk wordt onderschept. De stoomleiding naar een fluit of sirene moet
behoorlijk zijn geisoleerd.
§ 5. Radio-inrichtingen
Artikel 81
i rnn
Passa8'ersschepen en voorts alle andere schepen van Verplichting
ton en meer, met uitzondering van gesleepte schepen moeten radiotdesraaf-
met een radiotelegraafinstallatie zijn uitgerust.
inVaüati°°n"
2-
Alle schepen van 500 ton en meer, doch kleiner dan 1600 ton
geen passagiersschepen zijnde en niet gesleept wordende, moeten het
zij met een radiotelegraaf-, hetzij met een radiotelefooninstallatie ziin
uitgerust.
'
3. Van de in de voorgaande leden gestelde eisen kan het Hoofd
van de Scheepvaartinspectie voor schepen, welke geen internationale
reis maken, geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen.
Artikel 82
Radioteiegraaf-
i. Het radiotelegraaf- en/of het radiotelefoonstation moeten zo
tio~nselef0°nSta
veili§ mogelijk in het bovendeel van het schip en zo hoog boven de
bovenste lastlijn als praktisch mogelijk is, zijn opgesteld.
2. (a) De radiotelegraaf installatie moet zijn opgesteld in een af
zonderlijke radiohut, welke zodanig moet zijn gelegen, dat de goede
ontvangst van radioseinen niet hinderlijk wordt gestoord door van
buiten komende geluiden.
( b ) De afmetingen van de radiohut moeten zodanig zijn, dat naar
het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie de daarin ge
plaatste installatie behoorlijk kan worden bediend en onderhouden.
(c) De radiohut moet op doeltreffende wijze kunnen worden ge
ventileerd en drooggestookt.
3. De radiotelefooninstallatie moet, voor zover dit volgens het
oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie praktisch uitvoer
baar is, tenzij zij in de radiohut is geplaatst, zijn opgesteld in een
afzonderlijke ruimte. Bij een opstelling op de brug moeten voorzie
ningen worden getroffen, waardoor de installatie 's nachts bediend
kan worden zonder dat het houden van goede uitkijk door uitstra
lend licht gehinderd wordt.
4. Tussen de radiohut en de commandobrug moet door middel
van een spreekbuis of telefoon of op andere doeltreffende wijze een
rechtstreekse verbinding bestaan, waarlangs in beide richtingen op
doeltreffende wijze opgeroepen en gesproken kan worden; bij het ge
bruik van een telefoonverbinding moet deze onafhankelijk zijn van
het scheepstelefoonnet.
5. Een rechtstreekse verbinding, als in het vorige lid bedoeld, moet
aanwezig zijn tussen het radiotelefoonstation en de brug, tenzij de
radiotelefooninstallatie op de brug dan wel in de radiohut is op
gesteld.
6. Ten aanzien van vissersvaartuigen, uitgerust met een radiotele
graaf- en/of -telefooninstallatie, kan het Hoofd van de Scheepvaart
inspectie geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van het in de
leden 1 en 2 van dit artikel bepaalde.
7. Alle maatregelen moeten worden getroffen om de oorzaken
van radiostoringen tengevolge van electrische- en andere apparaten
aan boord zoveel mogelijk op te heffen en om die storingen te onder
drukken.
Artikel 83
Luisterdienst
it Aan boord van een schip, dat krachtens artikel 81 uitgerust moet
zijn met een radiotelegraafinstallatie, moet buitengaats door een be-
voegd radiotelegrafist door middel van hoofdtelefoons geluisterd wor
den op de in de middenfrequentieband voor radiotelegrafie voorge
schreven noodfrequentie, gedurende de ondervolgende tijden:
I. indien het niet is uitgerust met een goedgekeurd auto-alarm-
toestel:
gedurende de gehele duur van de reis;
II. indien het is uitgerust met een goedgekeurd auto-alarmtoestel:
(a) indien het een passagiersschip ingericht voor het vervoer van
meer dan 250 passagiers is:
ten minste 16 uur per etmaal, tenzij de reisduur tussen twee havens
korter is dan 16 uur, in welk geval met ten minste 8 uur kan worden
volstaan;
( b ) indien het een passagiersschip, ingericht voor het vervoer van
250 passagiers of minder, of een vrachtschip van 1600 ton of meer is:
ten minste 8 uur per etmaal, of zoveel korter dan de reisduur min
der dan 8 uur bedraagt; voor een vrachtschip van 1600 ton of meer
doch minder dan 5500 ton, waar uit hoofde van bijzondere omstan
digheden de luisterdienst niet gedurende ten minste 8 uur per etmaal
kan worden verricht, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een
afwijkende tijdsduur bepalen, welke ten minste in totaal 2 uur per
etmaal bedraagt;
(c) indien het een vrachtschip van minder dan 1600 ton betreft:
gedurende de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bepaalde
tijdsduur.
De luistertijden moeten bij voorkeur worden onderhouden gedu
rende de tijden, welke voor de radiotelegraafdienst in het Radio-
Reglement zijn voorgeschreven.
2. De radiotelegrafist mag het voorgeschreven luisteren op de
noodfrequentie onderbreken gedurende de tijd, dat hij het verkeer op
andere lrequenties afhandelt of andere direct met de radio verband
houdende werkzaamheden moet verrichten, doch alleen indien het hem
onmogelijk is op andere wijze, bijvoorbeeld door middel van gesplitste
hoofdtelefoons of een luidspreker, zelf te blijven luisteren. Indien dit
persoonlijk luisteren in de praktijk onuitvoerbaar is, moet het auto
alarmtoestel, indien aan boord aanwezig, in werking worden gesteld.
Het in dit lid bepaalde ontheft het schip niet van het nakomen van
de in het Radio-Reglement vervatte voorschriften betreffende de „stil
te-perioden".
3. Aan boord van schepen moet, wanneer het schip buitengaats is,
het auto-alarmtoestel, indien het schip hiermede is uitgerust, voort
durend zijn ingeschakeld, tenzij een radiotelegrafist op wacht is.
Wanneer de radiotelegrafist van wacht gaat, moet hij het auto
alarmtoestel in werking stellen, de goede werking nagaan en de wacht
hebbende stuurman daaromtrent rapporteren.
Buitengaats moet het toestel ten minste eenmaal per 24 uur worden
beproefd.
4. Aan boord van een schip, dat krachtens artikel 81 uitgerust
moet zijn met een radiotelefooninstallatie, moet buitengaats door
een bevoegd radiotelegrafist, dan wel door een houder van een bij
zonder certificaat als radiotelegrafist of een bevoegd radiotelefonist
geluisterd worden op de in de middenfrequentieband voor radiotele
fonie voorgeschreven noodfrequentie, gedurende de door het Hoofd
van de Scheepvaartinspectie vastgestelde tijden.
Artikel 84
Eisen voor het
Behalve aan de eisen, welke voortvloeien uit het van kracht zijnd
voofdTi" Internationaal Verdrag betreffende de Verreberichtgeving en uit
toestellen
andere op het gebied der radio gesloten internationale verdragen 01
overeenkomsten, waartoe Nederland is of zal zijn toegetreden, moeten
het radiostation, de radiotelegraaf- en radiotelefooninstallaties, en de
richtingzoeker voldoen aan de eisen gesteld in bijlage XIII.
§ 6. Niet-voorgeschreven uitrusting
Artikel 85
Deugdelijkheid
i
Wanneer uitrusting op het gebied van reddingmiddelen, veilig-
ven'uUrSr" heidsmiddelen, hulpmiddelen bij de navigatie en radio-inrichtingen
aan boord is, welke niet in dit hoofdstuk is voorgeschreven moet
deze voor het doel geschikt zijn en in deugdelijke toestand verkeren.
2
Voor zover het een in bijlage XIII met name genoemd radio
toestel en de radarinstallatie betreft, moeten deze zowel aan de in die
bijlage als aan de overige in artikel 84 genoemde eisen voldoen.
3. De eigenaar moet kennis geven aan het betrokken districtshoofd
van de Scheepvaartinspectie, indien aan boord een niet-voorgeschreven
electronisch toestel voor de navigatie wordt geplaatst, voor de aanleg
en het gebruik waarvan geen machtiging ingevolge de geldende
Telegraaf- en Telefoonwet wordt geëist.
HOOFDSTUK VI
Bemanning
Artikel 86
Algemeen voor-
j
gik schip moet voldoende bemand zijn met voor zijn taak
schnfl
berekend personeel, waarvan elk lid lichamelijk geschikt is voor de
hem opgedragen werkzaamheden, een en ander in verband met de
veiligheid van het schip.
..
2. Ter nakoming van het in het eerste lid gegeven voorschrift
moeten onder andere:
( a ) kapitein, stuurlieden en machinisten voldoen aan de bepalin
gen van de Wet op de Zeevaartdiploma's 1935, of, indien het zee
vissersvaartuigen betreft, aan die, gesteld in de Wet op de Zeevis-
vaartdiploma's 1935;
(b) radiotelegrafisten en radiotelefonisten voldoen aan de vereisten
gesteld in het 4e en 5e lid van artikel 90;
(c) volmatrozen in het bezit zijn van het in artikel 88 omschreven
diploma;
(d) gediplomeerde sloepsgasten voldoen aan de eisen gesteld in het
2e en 3e lid van artikel 89;
(e) , wa* he' aantal schepelingen betreft, de voorschriften van de
artikelen 87, 89, eerste lid en 90, eerste, tweede en derde lid worden
gevolgd.
Artikel 87
1. Aan boord van zeilschepen moet de bemanning talrijk genoeg
zijn voor de behandeling van het tuig.
g
J
8
g £™ga
2. Aan boord van stoom- of motorschepen moet de bemanning
voldoende groot zijn om aan dek op elke zeewacht, behalve de kapi
tein of stuurman, chef van de wacht, ten minste beschikbaar te
kunnen hebben:
(a) indien niet groter dan 400 ton, één persoon;
(b) indien groter dan 400 ton, doch niet groter 'dan 800 ton één
roerganger en één uitkijk;
(c) indien groter dan 800 ton, één roerganger, één uitkijk en nog
éen persoon.
3. Aan boord van stoom- en motorschepen moet, behoudens het
bepaalde in lid 6, op elke zeewacht in de machine- of motorkamer
ten minste één persoon aanwezig zijn, die met de bediening van de
voortstuwingsinrichting vertrouwd is.
4. Aan boord van stoomschepen moet de bemanning voldoende
groot zijn om in de machinekamer op elke zeewacht ten minste be
schikbaar te hebben:
(a) indien het verwarmd oppervlak van de hoofdstoomketels
niet meer dan 200 vierkante meter bedraagt, één persoon;
(b) indien het verwarmd oppervlak van de hoofdstoomketels meer
dan 200 vierkante meter, doch niet meer dan 375 vierkante meter
bedraagt, twee personen, met dien verstande, dat het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie, indien de omstandigheden hem daartoe aan
leiding geven, kan toestaan, dat dit aantal tot één wordt beperkt in
welk geval boven het benodigde aantal één persoon als reserve aan
boord beschikbaar moet zijn;
, ^ 'ndien het verwarmd oppervlak van de hoofdstoomketels meer
dan 375 vierkante meter, doch niet meer dan 1300 vierkante meter
bedraagt, twee personen;
, (d\ .l"dlen het verwarmd oppervlak van de hoofdstoomketels meer
dan 1300 vierkante meter, doch niet meer dan 2000 vierkante meter
bedraagt, drie personen;
^ reUn„dien ï161 verwarmd oppervlak van de hoofdstoomketels meer
dan 2000 vierkante meter, doch niet meer dan 3000 vierkante meter
bedraagt, vier personen;
( f ) indien het verwarmd oppervlak van de hoofdstoomketels meer
dan 3000 vierkante meter bedraagt, vijf personen.
5. Aan boord van stoomschepen moet, in verband met het aantal
ketels, het aantal vuren, de soort van brandstof en de stookinrichting
een voldoend aantal stokers aanwezig zijn, om in normaal bedrijf
voldoende stoom voor de voortstuwings- en hulpwerktuigen te kunnen
opwekken.
6. Aan boord van motorschepen van minder dan 400 ton, waar
de motor van dek bediend kan worden, kan in afwijking van het in
lid 3 bepaalde:
(a) indien het vermogen van de voortstuwingsmotor 125 rem-
paardekrachten of minder bedraagt, worden toegestaan, dat geen
afzonderlijk persoon voor de bediening van de motor aan boord aan
wezig is, doch dat hiermede iemand van het dekpersoneel wordt
belast, mits deze voldoende daarmede bekend is;
( b ) indien het vermogen van de voortstuwingsmotor meer dan
125 rempaardekrachten, doch minder dan 225 rempaardekrachten
bedraagt, met de aanwezigheid aan boord van één persoon, die met
de bediening van de motor vertrouwd en daarmede in het bijzonder
belast is, worden volstaan.
7. Aan boord van motorschepen moet, behoudens het bepaalde
in het vorige lid, de bemanning voldoende groot zijn om in de mo
torkamer op elke zeewacht ten minste beschikbaar te hebben.
(a) indien het vermogen van de voortstuwingsmotor 400 rem
paardekrachten of minder bedraagt, één persoon;
( b ) indien het vermogen meer dan 400, doch niet meer dan 750
rempaardekrachten bedraagt, twee personen, met dien verstande, dat
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, indien de omstandigheden
daartoe aanleiding geven, kan toestaan, dat dit aantal tot één wordt
beperkt, in welk geval boven het benodigde aantal één persoon als
reserve aan boord beschikbaar moet zijn;
(c) indien het vermogen meer dan 750, doch niet meer dan 2500
rempaardekrachten bedraagt, twee personen;
( d ) indien het vermogen meer dan 2500, doch niet meer dan 6000
rempaardekrachten bedraagt, drie personen;
(e) indien het vermogen meer dan 6000 rempaardekrachten be
draagt, vier personen.
8
De in lid 6 en 7 genoemde rempaardekrachten worden gerekend
zonder overbelasting van de motor en worden voor elke motor door
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vastgesteld.
9
De ambtenaren van de Scheepvaartinspectie zijn bevoegd, met
het oog op de inrichting, grootte of bestemmi ng van het schip, aan
vulling van het wachtdoend personeel aan dek en in de machinekamer
voor te schrijven.
Artikel 88
1. Gelegenheid wordt geboden tot het verkrijgen van een diploma Diploma ais vol-
van vakbekwaamheid als volmatroos.
matroos
2. De eisen, waaraan moet worden voldaan ter verkrijging van
het in het eerste lid bedoelde diploma, de wijze van verkrijging van
dit diploma en hetgeen verder op dit diploma betrekking heeft, zijn
omschreven in bijlage XVI.
Artikel 89
1. Aan boord van passagiersschepen moeten voor elke redding- Gediplomeerde
boot, die aan boord geplaatst is, ten minste twee gediplomeerde sloeps- sloePssasteo
gasten aanwezig zijn, indien de reddingboot voor minder dan 41
personen is bestemd, drie, indien deze voor 41 tot en met 61, vier,
indien de boot voor 62 tot en met 85 en vijf, indien zij voor meer dan
85 personen is bestemd.
2. Onder gediplomeerd sloepsgast wordt verstaan elk lid der be
manning, aan wie een diploma als sloepsgast of een diploma als
volmatroos is afgegeven.
3. De eisen, waaraan moet worden voldaan ter verkrijging van
een diploma als sloepsgast, de wijze van verkrijging van dit diploma
en hetgeen verder op deze diploma's betrekking heeft, zijn omschreven
in bijlage XVII.
Artikel 90
1. Aan boord van schepen, welke van een radiotelegraafinstallatie Radioteiegra-
zijn voorzien, moet een bevoegd radiotelegrafist als chef van het ^tef"e" "di°-
scheepsstation zijn aangewezen.
2. Bovendien moeten buitengaats zoveel bevoegde radiotelegra
fisten aan boord zijn, als voor het uitoefenen van de voorgeschreven
luisterdienst nodig zijn.
3. Aan boord van schepen, uitgerust met een niet-voorgeschreven
radiotelegraaf installatie, moet hetzij een bevoegd radiotelegrafist het
zij een houder van een bijzonder certificaat als radiotelegrafist als
chef van het scheepsstation aanwezig zijn.
4. Onverminderd de eisen, welke voortvloeien uit het van kracht
zijnde Radio-Reglement, mag als chef van het scheepsstation aan
boord van pelgrimsschepen slechts optreden een bevoegd radiotele
grafist met een diensttijd aan boord van ten minste zes maanden.
, ,
zf: d'ensttijd kan ook in een andere functie dan die van radio-
telegrafist zijn verkregen.
5. Aan boord van schepen, welke van esn radiotelefooninstallatie
zijn voorzien, moet een bevoegd radiotelegrafist, dan wel een houder
van een bijzonder certificaat als radiotelegrafist, of een bevoegd
radiotelefonist als chef van het scheepsstation zijn aangewezen.
6. Onder bevoegd radiotelegrafist of
bevoegd radiotelefonist
y4'.0
verstaan de houder van een geldig certificaat als radio-
telegrafist of als -telefonist, uitgereikt overeenkomstig de bepalingen
van het Radio-Reglement, met uitzondering van de houder van een
bijzonder certificaat als radiotelegrafist.
7. Zonder toestemming van het Hoofd van de Scheepvaartin
spectie mag noch de kapitein, noch de eerste machinist en indien
twee of meer stuurlieden aan boord zijn, noch de eerste stuurman
als radiotelegrafist of als radiotelefonist optreden.
Artikel 91
wacht door ge-
i. Indien aan boord twee of meer gediplomeerden voor de dek-
dipiomeerden
dienst 0f twee of meer gediplomeerden voor de machinedienst aan
wezig zijn, moet als chef van de zeewacht, zowel aan dek, als in de
machinekamer, steeds een gediplomeerde optreden. Zij, die krachtens
dispensatie de plaats van een gediplomeerde innemen, worden voor
de toepassing van dit voorschrift als gediplomeerden beschouwd.
2. Zij, die minder dan één jaar, in welke hoedanigheid ook, aan
boord van zeeschepen hebben dienst gedaan, worden bij de toepas
sing van lid 1 niet medegerekend.
Artikel 92
Geneeskundige
1. De kapiteins, stuurlieden, machinisten, machinist-stokers en de
zfcht'f'en^ehoor- personen, aan wie aan boord het houden van uitkijk in zee wordt op-
orgaan?n8e
gedragen (uitkijken), alsmede de ongediplomeerden, aan wie de wacht
op de brug of in de machinekamer wordt toevertrouwd, moeten in het
bezit zijn van geneeskundige verklaringen van bevoegde deskundigen,
inhoudende, dat zij de hiervoor nodige gehoor- en gezichtsscherpte
en kleurenonderscheidingsvermogen bezitten. Deze verklaringen moe
ten, voordat tot de monstering wordt overgegaan en tevens op eerste
aanvraag aan de ambtenaar met de monstering belast, worden ge
toond.
2. Deze verklaringen worden opgemaakt en afgegeven volgens
het bepaalde in het reglement op de geneeskundige keuringen, dat
als bijlage XVIII bij dit besluit is gevoegd.
3. De in lid 1 bedoelde deskundigen worden door Onze Minister
aangewezen.
4. Indien korte tijd vóór het vertrek van een schip de bemanning
moet worden aangevuld, kan, indien dringende omstandigheden
nopen tot aanmonstering van personen, die niet in het bezit zijn van
geneeskundige verklaringen, als in lid 1 bedoeld, daartoe vergunning
worden verleend en wel in Nederland en de Nederlandse Antillen
door het betrokken districtshoofd van de Scheepvaartinspectie, in
Suriname door daartoe van Overheidswege aangewezen ambtenaren
en in het buitenland door de consulaire ambtenaar.
Artikel 93
Duur rusttijd
Tenzij uit een oogpunt van veiligheid voor schip en lading daarvan
moet worden afgeweken, moet hij, die bij vertrek uit een haven of
van een veilige rede het eerst de wacht betrekt, in de 12 aan deze
wacht voorafgaande uren, ten minste 3 uren onafgebroken vrij van
dienst zijn geweest.
HOOFDSTUK VII
Uitwatering en diepgang
Artikel 94
1. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie stelt voor elk schip, met uitwaterings-en
uitzondering van vissersvaartuigen uitsluitend gebezigd voor de vis- diepgangsmerkcn
vangst, van baggermaterieel, dat gesleept wordt vervoerd en van
dokken en andere soortgelijke drijvende voorwerpen, het minimum
vrijboord vast voor de verschillende gebieden, waarin het schip ge
rechtigd is te varen, voor de verschillende jaargetijden, en zo nodig
voor verschillende toestanden van belading.
Hierbij worden de voorschriften, welke in bijlage IV zijn gegeven,
in acht genomen. De uitwateringsmerken moeten zijn aangebracht
op de wijze als in die bijlage is omschreven.
2. Het berekenen van het vrijboord en het aanbrengen van uit
wateringsmerken kan, mits onder toezicht vanwege het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie, door de in artikel 7 bedoelde particuliere onder-
zoekingsbureaux geschieden.
3. Aan boord moet een afschrift van het vrijboordrapport aan
wezig zijn.
4. Op voor- en achterschip moeten diepgangsmerken zijn aan
gebracht, welke het mogelijk maken zowel aan stuur- als aan bak
boordzijde de diepgang vóór en achter af te lezen.
Artikel 95
1. Met een schip mag geen deklast hout van meer dan 5 percent Houtvaart
van zijn draagvermogen „op zomermerk" worden vervoerd, tenzij
voor dat schip een certificaat voor de houtvaart is afgegeven.
2. Voor het verkrijgen van een certificaat voor de houtvaart moet
JP voldoen. aan bijzondere voorschriften betreffende de sterkte
en de bouw, de inrichtingen aan dek tot het sjorren van de deklast
en de beveiliging van de bemanning, alsmede betreffende waarborgen
nopens voldoende stabiliteit en bestuurbaarheid.
Deze voorschriften zijn in bijlage IV gegeven.
3. Indien de in lid 1 van dit artikel bedoelde schepen aan de in
bijlage IV met het oog op dieper afladen gestelde eisen voldoen kan
overeenkomstig de mede in die bijlage aangegeven regelen een' ver
mindering van vrijboord bij vervoer van deklasten hout van meer dan
T„P^»ent V1n het draaêvermogen „op zomermerk" worden toegestaan.
In dat geval moeten de lijnen van de houtvaartuitwatering (houtvaart-
merken) zijn aangebracht op de wijze als in die bijlage is omschreven
HOOFDSTUK VIII
Belading, stuwage en ballasten. Gevaarlijke ladingen
Artikel 96
Algemene eisen
j
Het beladen en het stuwen moeten voldoen aan de eisen van
goede zeemanschap, zó dat de stabiliteit noch te gering noch te groot
wordt en geen gevaar kan ontstaan, dat de lading of een gedeelte
daarvan levendig wordt.
2. Een schip, dat zonder lading of met weinig lading naar zee
gaat, moet zo nodig voldoende, goed in het schip geplaatste en doel
matige ballast aan boord hebben. Ballast, welke zou kunnen over
gaan, moet hiertegen op afdoende wijze zijn verzekerd.
Artikel 97
steenkool,
i. De ruimte boven een lading steenkool, eierkolen of steen-
steenkooi-brikct- koolbriketten moet deugdelijk geventileerd kunnen worden. Een
ten
luchtstroom door de lading moet worden vermeden.
2. Elke ruimte, waarin de in lid 1 genoemde stoffen zijn geladen,
moet zijn voorzien van een voldoend aantal — ten minste twee —
luchtkokers, welke gelijkelijk over het voor- en achtereinde van zulk
een ruimte zijn verdeeld. Deze luchtkokers moeten aan boord van
schepen van meer dan 1000 ton een middellijn van ten minste 30 cen
timeter hebben en van ten minste 20 centimeter op kleinere schepen.
De luchtkokers moeten boven de vaste gedeelten van het schip uit
steken, zodat de vrije toe- en afvoer van lucht niet wordt belemmerd.
De kokers moeten voldoende sterk zijn om weerstand te bieden tegen
de kracht van overkomend water bij ongunstig weer.
De luchtkokers moeten voorzien zijn van kappen, welke naar of
van de wind kunnen worden gedraaid en van deksels, welke er op
kunnen worden bevestigd, indien wegens slecht weer de kappen
moeten worden afgenomen.
3. Aan boord van schepen van meer dan 200, doch van minder
dan 1500 ton, welker reizen zich van Nederland uit verder uitstrekken
dan de Oostzee, de Noordzee, de Britse eilanden en de Westkust van
Europa, moeten in elke ruimte, waarin de in het eerste lid bedoelde
stoffen zijn geladen, de nodige kokers zijn aangebracht om de tempe
ratuur te kunnen opnemen en moeten voor het doel bruikbare thermo
meters aanwezig zijn. Deze kokers moeten zijn ingericht als in
artikel 41, lid 4, is aangegeven.
4. In de ruimten, gevuld met de in lid 1 bedoelde stoffen mag
geen vuur aanwezig zijn. Behalve van vast aangebrachte electrische
verlichting, die voldoen moet aan de eisen, gesteld in bijlage VI,
mag in genoemde ruimten slechts van veiligheidslampen voor de
verlichting gebruik gemaakt worden, die voldoen aan de in die bij
lage gestelde eisen.
5. Indien in schepen, welke niet in het bijzonder voor het vervoer
van steenkool zijn ingericht, eierkolen, nootjes of dergelijke steenkool-
soorten, welke gemakkelijk overgaan, worden geladen, moeten zo
nodig gevelingen zijn aangebracht.
Artikel 98
1. Bij het laden van gestort graan of zaad, waaronder rijst en Graan en zaad
peulvruchten zijn begrepen, moet zijn gezorgd, dat de buikdenning ^™aakkeJijk
dicht is, opdat geen graan of zaad in de vulling kan komen, waar- JacSfgan
door de pompen verstopt kunnen geraken.
2. Elke met gestort graan of zaad geheel te beladen ruimte moet
van deugdelijk gebouwde „feeders" zijn voorzien. De inhoud van de
„feeders" dient tussen 2,5 percent en 8 percent te zijn van de inhoud
der ruimte, waarop zij staan.
3. Elke ruimte, bestemd om geheel met gestort graan of zaad
beladen te worden, moet van een graandicht langsschot of geveling
van voldende sterkte zijn voorzien. Dit schot of deze geveling moet
in tussendekken van dek tot dek doorlopen. In de onderruimen moet
zulk een geveling doorlopen van de onderkant van het dek naar be
neden over een afstand van ten minste een derde van de holte van
het ruim, doch niet minder dan 2,44 meter.
Graanschotten of gevelingen moeten steeds tot aan de bovenkant
van de „feeders" doorlopen en van vulstukken tussen de dekbalken
zijn voorzien. Aan boord van schepen met een breedte van minder
dan 6,50 meter kunnen die schotten of gevelingen ook worden weg
gelaten, indien de schepen van luikhoofden van voldoende inhoud zijn
voorzien, zodat deze als „feeders" dienst kunnen doen.
4. In elke ruimte, die gedeeltelijk met gestort graan of zaad is
gevuld, moet de lading vlak worden getremd en zeevast worden ge
stuwd met graan of zaad in zakken of andere geschikte lading tot
een hoogte van ten minste 1,22 meter boven de bovenkant van de
gestorte lading. De gestorte lading moet vooraf met een vloer van
planken zijn bedekt. Bovendien moet in dit geval een langsscheeps-
schot aanwezig zijn of een gevelingschot worden aangebracht in het
vlak van kiel en stevens, dat reikt van de buikdenning of van het
dek tot ten minste 0,61 meter boven het gestorte graan.
Het graanschot of de geveling mag worden weggelaten, indien de
hoeveelheid graan of zaad niet meer dan een derde van de inhoud
van het ruim inneemt. Indien door het ruim een astunnel loopt, mag
het schot of de geveling worden weggelaten als de hoeveelheid graan
niet meer dan de helft van de inhoud van dat ruim inneemt.
5. In het tussendek van een schip met twee dekken en in het
bovenste tussendek van een schip met meer dekken mogen van
granen alleen haver, lichte gerst en katoenzaad gestort worden ge
laden, behoudens in „feeders" staande op de daaronder gelegen
ruimte.
6. In een tussendek van een schip met twee dekken en in het
bovenste tussendek van een schip met meer dekken mag gestort
graan vervoerd worden in één of meer in het bijzonder daarvoor
geconstrueerde afdelingen, welke voorzien zijn van „feeders", over
eenkomstig het bepaalde in lid 2, mits het ruim en deze afdelingen
volkomen van elkaar zijn gescheiden.
7. De voorschriften van de hierna te noemen lichamen mogen in
plaats van die, vervat in de voorafgaande leden van dit artikel worden
opgevolgd, indien in de laadhaven uitdrukkelijk de eis wordt gesteld,
dat deze met ter zijde stellen van andere voorschriften moeten worden
nageleefd.
De lichamen zijn:
(a) het Britse Ministry of Transport;
(b) de Port-Warden of Montreal;
(c) de Board of Underwriters, New-York.
8.
Bij het laden van gestorte goederen, welke gevaren van soort
gelijke aard met zich brengen, moeten overeenkomstige maatregelen
worden getroffen.
Artikel 99
Gevaarlijke
1. Ten aanzien van net vervoer van de in dit artikel genoemde
stoffen
stoffen gelden de onderscheidenlijk bij iedere groep in de leden 3 tot
en met 11 gegeven voorschriften, alsmede de ingevolge het bepaalde
in lid 15 door Onze Minister gegeven nadere voorschriften.
2. (a) Voor de toepassing van het in lid 3 bepaalde wordt, in
afwijking van de omschrijving, gegeven in artikel 1 van dit besluit,
onder passagiersschip verstaan een schip, dat meer dan 12 passagiers
vervoert.
(b) Voor de toepassing van het in lid 4 tot en met 11 bedoelde
wordt, in afwijking van de omschrijving, gegeven in artikel 1 van
dit besluit, onder passagiersschip verstaan een schip, dat bestemd is
voor het vervoer van een aantal passagiers, hetwelk groter is dan
1/10 van de meetlengte van het schip in voeten.
3. (a) Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder
„ontplofbare stoffen": vloeibare of vaste stoffen of mengsels van
vloeibare stoffen, van vaste stoffen of van een of meer vloeibare met
een of meer vaste stoffen, waarin zich, zonder dat toetreding van lucht-
zuurstof vereist is, onder warmte-ontwikkeling en drukverhoging een
scheikundige reactie kan voortplanten, nadat die reactie ergens in die
stoffen is aangevangen.
De ontplofbare stoffen worden vermeld in een in klassen en
groepen ingedeelde lijst, welke door het Hoofd van de Scheepvaart
inspectie wordt vastgesteld.
(b) Ontplofbare stoffen, welke niet zijn vermeld op de in (a)
genoemde lijst, mogen niet worden vervoerd.
(c) Onverminderd het bepaalde bij de Wet van 26 April 1884
(Staatsblad No. 81) en bij de krachtens deze wet uitgevaardigde voor
schriften moeten ontplofbare stoffen zeevast worden gestuwd, ver
wijderd van de stoffen, bedoeld in de leden 4, 5, 7, 8, 9 en 10 en
zodanig worden geborgen, dat zij gemakkelijk kunnen worden gewor-
pen of dat de ruimen, waarin zij worden geborgen gemakkelijk met
water kunnen worden gevuld en gevuld gehouden.
(d) Indien ontplofbare stoffen in ruimen worden geborgen, moeten
deze ruimen goed droog zijn, goed geventileerd kunnen worden en
goed afsluitbaar zijn.
Ventilatiekokers van deze ruimen moeten met gaas zijn afgeschermd
tegen vonken en moeten zijn voorzien van een stevig metalen kruis
tegen het binnendringen door onbevoegden.
Indien ontplofbare stoffen in een ruim worden geborgen, mogen
in datzelfde ruim geen stoffen, bedoeld in lid 10, zijn geborgen. Indien
mogelijk moeten ook in de aangrenzende ruimen laatstgenoemde
stoffen niet worden geladen. Ontplofbare stoffen, welke in ruimen
worden geborgen, moeten zover mogelijk verwijderd blijven van de
bewoonde gedeelten van het schip, van machine- en ketelruimen,
van kolenbergplaatsen en van plaatsen, waar geregeld wordt gewerkt.
Zij moeten ten minste 3 meter verwijderd blijven van wanden van
ruimen, waarin steenkolen of stoffen, bedoeld in lid 10, geborgen zijn.
Ontplofbare stoffen moeten in ieder compartiment het bovenste
deel van de lading uitmaken en moeten door middel van houten krat
ten, schotten of kleden deugdelijk van de overige lading zijn ge
scheiden. Indien kratten worden gebruikt, mag de afstand tussen de
latten, waaruit deze kratten zijn gemaakt, ten hoogste 10 centimeter
bedragen. Aanraking van de colli ontplofbare stoffen met metalen
scheepsdelen moet uitgesloten zijn. Ontplofbare stoffen moeten bij
voorkeur worden geborgen in ruimen, gelegen vóór de brug.
Op de in dit lid onder (a) genoemde lijst wordt aangegeven, welke
ontplofbare stoffen op ten minste 2 meter afstand van het scheeps
boord moeten worden gestuwd.
(e) Indien ontplofbare stoffen worden gestuwd aan dek, moet
zulks op overeenkomstige wijze geschieden als waarop de berging
dezer stoffen onder dek plaats vindt. Bovendien moeten zij zodanig
worden gestuwd, dat zij niet aan directe bestraling door de zon zijn
blootgesteld.
(ƒ) Indien voor het vervoer van ontplofbare stoffen gebruik wordt
gemaakt van een kruitkamer, moet deze voldoen aan de eisen gesteld
in artikel 100.
( g ) Ontplofbare stoffen mogen met passagiersschepen slechts wor
den vervoerd, indien zij worden geborgen in een kruitkamer of in een
dieptank.
Bovendien mogen met passagiersschepen worden vervoerd:
1. veiligheidspatronen en veiligheidshoedjes;
2. kleine hoeveelheden ontplofbare stoffen, ten hoogste 9 kilogram
wegende, zonder in kruitkamer of dieptank geborgen te zijn en op
passagiersschepen, welke een korte internationale reis ondernemen
ten hoogste 450 kilogram ontplofbare stoffen in goedgekeurde ver
pakking aan dek gestuwd.
4. Samengeperste gassen, tot vloeistof verdichte en opgeloste
gassen en onder druk in vloeistoffen opgeloste gassen moeten op
zodanige wijze worden geborgen, dat de vaten, waarin zij verpakt zijn,
niet door rollen of stoten beschadigd kunnen worden. Indien zij ge
borgen zijn in metalen flessen, moeten deze van staal, aluminium of
licht metalen legeringen zijn vervaardigd. De flessen moeten gekeurd
zijn. De beproevingsdruk, het tarragewicht en de maximum gebruiks-
druk of het vulgewicht moeten op deugdelijke wijze op de fles zijn
aangegeven, evenals de data van de eerste en opvolgende keuringen
en het waarmerk van het keuringslichaam in het land, waar de laatste
beproeving is geschied, indien waarmerken aldaar gebruikelijk is.
Afsluiters van dergelijke flessen moeten door een opschroefbare
dop of op andere goedgekeurde wijze permanent zijn beschermd. De
beproevingsdruk en de maximum gebruiksdruk of het vulgewicht
van vaten, waarin de in dit lid bedoelde stoffen worden geborgen,
moeten voldoen aan de eisen, gesteld in het in lid 15 bedoelde boek
werk.
De vaten mogen, indien zij aan dek worden geplaatst, niet aan
directe bestraling door de zon zijn blootgesteld en moeten verwijderd
blijven van de stoffen, bedoeld in lid 5.
Indien de vaten onder dek worden geplaatst, moet aan de volgende
voorwaarden worden voldaan:
( a ) Zij moeten op een goed geventileerde plaats worden gestuwd;
(b) Er mag geen lading op worden geplaatst;
(c) Zij mogen niet worden geplaatst in ruimen, welke kolen be
vatten of grenzen aan ruimen, welke kolen of stoffen, als bedoeld in
lid 10, bevatten;
(d) Zij moeten op ten minste 21 meter afstand van het scheeps
boord en van het scheepsvlak verwijderd blijven, welke ruimte met
stevige lading opgevuld moet zijn;
(e) Zij moeten op veilige afstand worden geplaatst van schotten,
welke aan verwarming kunnen blootstaan en van leidingen, welke
warmte kunnen uitstralen;
( f ) Zij moeten voldoen aan de voor elk afzonderlijk gas in het
in lid 15 bedoelde boekwerk gestelde bijzondere eisen.
De vaten mogen, zowel wanneer zij aan dek als onder dek worden
vervoerd, niet in de nabijheid van verblijven worden geplaatst en
moeten zover mogelijk verwijderd blijven van stoffen, welke brand
gemakkelijk geleiden.
De in dit lid bedoelde stoffen mogen niet in eenzelfde ruimte
worden geborgen als stoffen, bedoeld in de leden 3, 5, 7 en 10.
5. Corrosieve en bijtende vloeistoffen en stoffen, welke door
opneming van water of vocht uit de lucht in corrosieve of bijtende
vloeistoffen kunnen overgaan, als ook stoffen, welke onder normale
omstandigheden corrosieve dampen of nevels kunnen afgeven moeten
xn deugdelijke gas- en vochtdichte verpakking, welke niet 'door de
inhoud wordt aangetast, worden vervoerd. Indien de verpakking van
deze stoffen uit glas of aardewerk bestaat, moet deze zijn omgeven
door een bescherming van metaal, hout of vlechtwerk. Bij vervoer
onder dek moeten de stoffen geplaatst worden op een voldoend dikke
bedding van gebluste kalk of van een andere stof, welke bij breuk de
inhoud van het gebroken vat neutraliseert of opneemt.
De in dit lid bedoelde stoffen mogen niet in eenzelfde ruimte wor-
en geborgen als stoffen, bedoeld in de leden 3, 4 en 8 en voor zover
het „sterke zuren" betreft ook niet als die, bedoeld in de leden 6 en 9.
6. ( a ) Giftige, bedwelmende of prikkelende gassen en stoffen,
we Ke hetzij direct, hetzij door inwerking van water of vocht uit de
lucht deze gassen kunnen afgeven, moeten in gasdichte verpakking
worden vervoerd. Worden deze stoffen onder dek vervoerd, dan
moeten zij zijn geplaatst in een ruimte, welke door gasdichte schotten
van andere delen van het schip is gescheiden en niet grenst aan be
woonde gedeelten van het schip. Deze ruimte moet goed worden
geventileerd. De hier bedoelde stoffen mogen niet in eenzelfde ruimte
worden geborgen als stoffen, bedoeld in lid 7, en als „sterke zuren",
vallende onder lid 5.
( b ) Giftige stoffen, welke geen waarneembare, voor de gezond
heid schadelijke, hoeveelheid damp afgeven, moeten zodanig zijn
verpakt, dat geen uittreden van de inhoud kan plaatsvinden. Zij
mogen niet in de nabijheid van voor menselijk of dierlijk gebruik
bestemde stoffen worden geplaatst. De hier bedoelde stoffen mogen
met in eenzelfde ruimte worden geborgen als „sterke zuren" vallende
onder lid 5.
7. ( a ) Het vervoer van koolwaterstoffen en vloeibare brand
stoffen met een vlampunt van 55° Celsius of lager, welke niet in elke
verhouding met water mengbaar zijn, moet geschieden in overeenstem
ming met de in bijlage VII gestelde eisen. Als vloeibare brandstoffen
worden beschouwd vloeistoffen, welke plegen te worden gebruikt om
door verbranding warmte, licht of drijfkracht op te wekken.
( b ) Andere dan de onder ( a ) genoemde brandbare vloeistoffen
met een vlampunt van 55° Celsius of lager, moeten in gesloten metalen
vaten of in daarmede uit een oogpunt van veiligheid gelijk te stellen
verpakking worden vervoerd. De verpakking moet voldoende ruimte
voor uitzetten van de vloeistof laten. Deze brandbare vloeistoffen
moeten worden geplaatst op veilige afstand van de huid en van schot
ten en leidingen, die aan verwarming kunnen blootstaan. Bovendien
moeten ZIJ:
le
Indien zij in elke verhouding met water mengbaar zijn en
het vlampunt 21 Celsius of lager is, zo mogelijk als deklading wor-
S bïootgesteld m°8en
^ dir6Cte bestralinS door de zon
2e
Indien zij niet in elke verhouding met water mengbaar zijn
en het vlampunt 21° Celsius of lager is, aan dek worden vervoerd.
Kan dit niet geschieden, dan mag het vervoer onder dek plaats hebben
onder voorwaarden, nader door het Hoofd van de Scheepvaart
i n s p e c t i e a a n t e g e v e n . H e t v l a m p u n t d e r i n d i t l i d o n d e r ( a ) e n ( b )
bedoelde vloeistoffen wordt bepaald bij een barometerstand van
760 millimeter kwik met het toestel van Abel-Pensky.
De in dit lid onder ( a ) en ( b ) bedoelde stoffen mogen, niet wor
den geplaatst in de nabijheid van stoffen, bedoeld in de leden 3, 4,
8, 9 en 10.
( c ) Vaste stoffen, welke gemakkelijk tot ontbranding kunnen
worden gebracht en welke bij verwarming tot 70° Celsius brandbare
gassen kunnen afgeven, moeten in gasdichte verpakking worden ver
voerd-
...
r *
J
Deze stoffen moeten worden geplaatst op veilige afstand van
schotten, welke aan verwarming bloot kunnen staan, en van leidin
gen, welke warmte kunnen uitstralen. Worden zij aan dek geplaatst,
dan mogen zij niet aan directe bestraling door de zon zijn bloot
gesteld.
.
.
,,,
De in dit lid onder ( c ) bedoelde stoffen mogen niet in eenzelfde
ruimte worden geborgen als stoffen, bedoeld in de leden 3, 4, 8,
9 en 10.
8. Stoffen, welke ten gevolge van opneming van vocht ot con
tact met water spontaan kunnen ontvlammen, dan wel brandbare
of giftige gassen kunnen afgeven, moeten gas- en vochtdicht zijn
verpakt.
.
,,,
.
De in dit lid bedoelde stoffen mogen niet in eenzelfde ruimte
worden geborgen als stoffen, bedoeld in de leden 3, 5, 7 en 9.
9. Zuurstofrijke stoffen, welke door zuurstofafgifte een brand
kunnen onderhouden of bevorderen, moeten, indien zij onder dek
worden gestuwd, gemakkelijk te bereiken zijn en zo nodig uit het
ruim verwijderd kunnen worden. De verpakking van deze stoffen
moet zodanig zijn, dat uittreden van de inhoud afdoende wordt
voorkomen.
.
De in dit lid bedoelde stoffen mogen niet in eenzelfde ruimte
worden geborgen als stoffen, bedoeld in de leden 3, 7, 8 en 10 en
als „sterke zuren", vallende onder lid 5.
10.
( a ) Stoffen, welke onderhevig zijn aan ontbranding ten ge
volge van broei, moeten op veilige afstand worden geplaatst van
schotten, welke aan verwarming kunnen blootstaan, en van leidingen,
welke warmte kunnen uitstralen. Indien zij niet gasdicht verpakt
zijn, moeten zij zo mogelijk zodanig worden gestuwd, dat zij te allen
tijde gemakkelijk te bereiken zijn en dat door opmeting van de
temperatuur in de lading controle mogelijk is.
(b) Stoffen, welke bij contact met lucht in zeer korte tijd aan
ontbranding onderhevig zijn, moeten steeds in deugdelijke, gasdichte
verpakking worden vervoerd en voor zover onder dek eerst na ver-
kregen toestemming van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie en
volgens door deze te geven aanwijzingen.
De in dit lid bedoelde stoffen mogen niet in eenzelfde ruimte
worden geborgen als stoffen, bedoeld in de leden 3, 4, 6, 7 en 9.
11. Stoffen, niet genoemd in de vorige leden, waarvan het ver
voer om enigerlei reden gevaar oplevert, moeten worden verpakt en
gestuwd overeenkomstig de door het Hoofd van de Scheepvaart
inspectie gegeven aanwijzingen.
,,™2'
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan aanvullende
™r™fte" geven nopens de stuwage, de verpakking en de te
zuïks™t h°7eelheden/an in dit artikel bedoelde stoffen, indien
lks, met het oog op de bijzondere gevaren, aan het vervoer ver
bonden, door hem nodig wordt geacht.
or>levprt StH fh' waarvan..het vervoer om enigerlei reden een gevaar
dnlnnJ
f door de wijze van verpakken en stuwen niet in vol
doende mate beperkt kan worden, kunnen, ook al zouden zij door
ran^wT
ei~ CCn, der voorafgaande leden van dit artikel ge
in
kunnen worden, door het Hoofd van de Scheepvaart
inspectie van het vervoer per schip worden uitgesloten.
lic/van !r?ienrfT t6n verv°er aangeboden stof onder meer dan één
vïn aHe hptrpff /e!"a?8SCh,,kt kan W°rden' moet met de bepalingen
van alle betreffende leden rekening worden gehouden
art?kd^nIiStVfrpliCht' V°°rdat met het laden van een onder dit
val|ende stof een aanvang wordt gemaakt, tijdig van het aan-
g boden vervoer schriftelijk kennis te geven aan de kapitein en zo
het inladen in een Nederlandse haven of een haven van de Neder-
lan de Schp6"
heeft' t6Vens aan het betrokken Districtshoofd
arHvl Scheepvaartinspectie, onder opgave van de leden van dit
artikel, waaronder de stof valt.
deDaeaidavaen ^eeft dezelfde verP1!chting tot kennisgeving, indien hem
heeft L £ Jf
!Hë bekeund ls' tenzii hiJ ^ch er van vergewist
komen
afzender zijn hiervoor bedoelde verplichting is nage-
hw'l tYijfII r^nt de mate van gevaarlijkheid van een stof kan
blader T
/ Dlstnctshoofd een verklaring van de afzender of de
mlader daaromtrent eisen en zo nodig de voorlichting van terzake
deskundigen inroepen; in het buitenland kan zulks door de kapitein
geschieden
tUSSe"k°mst van de consulaire ambtenaar ter plaatse!
Colli gevaarlijke stoffen moeten met een onderscheidingsetiket of
merkplaat het gevaarlijke karakter betreffende, zijn aanfeduid
gemerkt.0
eenVOrmige verpakking behoeft slechts één stuk te zijn
m^l'
Aa" boord van een schip, hetwelk gevaarlijke stoffen vervoert
moet een lijst, vermeldende de gevaarlijke stoffen, verdeeld naar dé
verschillende leden van dit artikel, aanwezig zijn.
15. Van de meest voorkomende, in dit artikel bedoelde stoffen
wordt in een vanwege Onze Minister uit te geven boekwerk „Ge
vaarlijke ladingen" een opsomming gegeven met nadere voorschriften,
betreffende de wijze van vervoeren en stuwen, waarmede bij net
vervoer rekening moet worden gehouden.
16. Behalve voor het eigen scheepsgebruik mogen aan boord van
passagiersschepen, als bedoeld in lid 2, geen gevaarlijke stoffen <*an~
wezig zijn, tenzij het vervoer van deze stoffen aan boord van deze
schepen, al dan niet onder bepaalde voorwaarden, is toegelaten,
zoals zulks in het in lid 15 bedoelde boekwerk is aangegeven.
Artikel 100
Kruitkamer
De kruitkamer moet benedendeks op een zo koel mogelijke plaats
zijn gelegen. Zij moet op een afstand van ten minste 2 meter van de
scheepswand en zover mogelijk, althans ten minste 6 meter van de
machine- en ketelruimen en van de kolenbunkers zijn gelegen.
De kruitkamer moet bovendien zo mogelijk op een voldoende
afstand van de bewoonde gedeelten van het schip en bij voorkeur
niet onder die gedeelten gelegen zijn. De kruitkamer moet bestaan
uit een waterdichte ruimte, welke gesloten wordt door een water
dichte deur met slot. Het inwendige van de kruitkamer moet zodanig
zijn bekleed, dat vonkvorming bij plaatsing, verschuiving of lossing
der lading uitgesloten is. De kruitkamer moet zodanig zijn ingericht,
dat zij door het verrichten van een eenvoudige handeling door een
vaste leiding met water kan worden gevuld en gevuld kan worden
gehouden.
, ,,
De kruitkamer moet een inrichting ter ontluchting aan dek hebben,
welke van dubbel veiligheidsgaas moet zijn voorzien.
Voor de vaste verlichting van de kruitkamer mag slechts gebruik
worden gemaakt van geheel gesloten armaturen, voorzien van be
schuttingsglas en korf. Andere electrische toestellen van welke aard
ook, mogen niet in kruitkamers zijn geplaatst.
De groep van lampen in de kruitkamer moet buiten deze ruimte
op een doelmatige plaats door middel van een dubbelpolige schakelaar
spanningloos kunnen worden gemaakt. Een controlelamp, welke
aangeeft of de groep al dan niet onder spanning staat, moet ter
plaatse zijn aangebracht. Voor tijdelijke verlichting van bovenge
noemde ruimte mogen slechts draagbare lampen, welke voldoen aan
de eisen, gesteld in bijlage VI, hoofdstuk IX, artikel 32, sub ƒ, worden
gebruikt.
Artikel 101
Deklasten
1. Onverminderd het voor deklasten hout in artikel 95 bepaalde,
moet, om deklast te mogen voeren, het dek ter plaatse waar deze
gestuwd wordt, voldoende sterk gebouwd zijn. De nodige middelen
moeten aanwezig zijn om het overgaan van de deklast te beletten.
2. De deklast mag niet zo zwaar zijn, dat de stabiliteit van het
schip er door in gevaar wordt gebracht. Bij deklast, die door het
overnemen van water in gewicht toeneemt, moet met die toeneming
rekening worden gehouden.
3. De wijze van stuwen moet zodanig zijn, dat de bediening van
sch'p, boten, lieren, peilkokers en lenspompen, de toegang tot ver
blijven, enzovoort niet door de deklast worden belet.
4. Indien de verschansing of reling van het schip niet hoog ge-
noeg boven de deklast uitsteekt, moeten relings of stutten met keer-
touwen worden aangebracht, zodat een veilig verkeer van de beman
ning over de deklast verzekerd is.
5. Indien de bovenzijde van de deklast niet vlak genoeg is om er
over te kunnen lopen, moeten de nodige planken en handleiders wor-
den aangebracht om de bemanning in staat te stellen de verschillen
de delen van het schip zonder gevaar te bereiken.
6. Deklasten moeten zodanig zijn gestuwd, dat overgenomen
water gemakkelijk door de waterloospoorten kan wegvloeien. Op een
deklast cokes mogen geen werkboten of andere zware voorwerpen
worden geplaatst.
Artikel 102
1. Het vervoer van paarden, rundvee, varkens, schapen en geiten Dieren
moet plaats vinden volgens de regelen, neergelegd in bijlage XIX.
,i
de inscheping in een Nederlandse haven of in een haven
van de Nederlandse Antillen plaats heeft, moet het betrokken Dis
trictshoofd tijdig vóór de inscheping worden gewaarschuwd.
HOOFDSTUK IX
Vervoer van passagiers
Artikel 103
Koi' ^an b0°/d van Passagiersschepen moeten de voor passagiers Eisen voor pasi
bestemde ruimten, wat betreft de hoogte, de inhoud en de vrije dek- stasruimten
rU1D1-te1V0'rï°en aan cle eisen> neergelegd in de bijlagen II en III
Bij deze eisen wordt rekening gehouden met het al dan niet'aan
wezig zijn van vaste slaapplaatsen voor de passagiers, met de duur
heeft16126"' Z°mede met het gebied' waarbinnen het vervoer plaats
2v J?e.in Hd, 1 genoemde ruimten moeten goed geventileerd en
veriicnt zijn, ook dan wanneer de toegangen naar dek en de luiken
gesloten zijn.
3. De dekken boven en in voor passagiers bestemde ruimten
moeten voldoen aan de in de bijlagen II en III gestelde eisen.
4. Voor passagiers bestemde ruimten aan boord van andere dan
passagiersschepen moeten in het algemeen aan dezelfde eisen vol-
doen als die aan boord van passagiersschepen. In bijzondere geval
len kan echter afwijking worden toegestaan, rekening houdende met
de aard van het schip.
Artikel 104
Drinkwater
Ten behoeve van de passagiers moet voldoende drinkwater ter
beschikking worden gesteld, waarvan de hoedanigheid en de wijze
van berging gelijk moeten zijn aan die, welke voor het drinkwater ten
behoeve van de schepelingen in het Schepelingenbesluit zijn voorge
schreven.
Artikel 105
Privaten en
Bij het vervoer van passagiers, bedoeld in artikel 103, moeten voor
waterplaatsen
de passagjers privaten en waterplaatsen beschikbaar zijn overeen
komstig het bepaalde in bijlagen II en III.
Artikel 106
Vervoer van
gij het pelgrimvervoer naar en van havens aan de Rode Zee moet,
pelgrims
behalve hetgeen in dit besluit is vermeld, de hand worden gehouden
aan de bepalingen van de van kracht zijnde Internationale Sanitaire
Voorschriften.
Artikel 107
Vervoer van
1. Aan boord van een schip, dat gereed is om met in Nederland
landverhuizers
ingescheepte landverhuizers een reis te ondernemen, moeten de ver
blijven en de ziekenverblijven voor de landverhuizers voldoen aan de
eisen, gesteld in bijlage II.
2. De mannelijke ongehuwde landverhuizers, die de leeftijd van
14 jaar hebben bereikt, wordt een verblijfplaats aangewezen, welke
op afdoende wijze van de verblijven der andere landverhuizers is
afgescheiden.
3. Eveneens wordt een afzonderlijke verblijfplaats aangewezen aan
de niet in gezinsverband aan boord vertoevende vrouwelijke land
verhuizers.
4. Aan boord van een schip, dat gereed is om met in Nederland
ingescheepte landverhuizers een reis te ondernemen en waarop meer
dan 75 landverhuizers zullen worden vervoerd, moet een genees
kundige gemonsterd zijn.
5. Aan boord van een schip, dat gereed is om met in Nederland
ingescheepte landverhuizers een reis te ondernemen, moeten de nodige
genees-, heel-, ontsmettings- en verbandmiddelen voorhanden zijn,
welke aan onderzoek en goedkeuring, overeenkomstig de voorschriften
van artikel 27 van de Wet van 1 luni 1865 (Staatsblad No. 61), zoals
deze sedert is gewijzigd, zijn onderworpen.
HOOFDSTUK X
Verplichtingen van de kapitein
Artikel 108
1
De kapitein » verplicht zorg te dragen, dat bij het ondernemen Uitwatering
van een reis het schip een zodanig vrijboord heeft, dat de in bijlage IV
voorgeschreven uitwateringslijn niet is ondergedompeld.
2. De kapitein van een schip, dat gedurende een reis een ander
vaargebied, als bedoeld in bijlage IV, bereikt, is verplicht zorg te
dragen, dat het schip geen kleiner vrijboord heeft, dan in dit vaar
gebied is toegelaten.
3. De kapitein van een passagiersschip is verplicht zorg te dragen,
dat bij het ondernemen van een reis het schip een zodanig vrijboord
heeft, dat het in de bijlagen II en III voorgeschreven merk, behorende
bij de van toepassing zijnde indelingslastlijn, niet is ondergedompeld.
U ï 'A
1 sc'lePen pP een rivier of in een binnenwater worden
beladen, is het de kapitein toegestaan dieper af te laden dan volgens
de leden 1 en 3 geoorloofd is en Wel zoveel, als overeenkomt met het
gewicht aan brandstof, enzovoort, dat verbruikt wordt tussen de plaats
van vertrek en de plaats, waar het schip buitengaats komt.
5. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat ook gedurende de
reis het vrijboord, bedoeld in de leden 1, 2 en 3, niet wordt ver
minderd.
Artikel 109
1. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat bij het onder-stabiliteit,ge-
nemen van een reis voldoende gegevens betreffende de stabiliteit van gevens
het schip in onbeschadigde toestand aan boord zijn.
2. Deze verplichting geldt niet voor:
J a ) schepen, geen passagiersschepen zijnde, van minder dan
500 ton;
( b ) .schepen, geen passagiersschepen zijnde, van 500 ton en meer
doch minder dan 800 ton, voorzover vóór 19 November 1952 voor
net eerst in de vaart gebracht;
(c)
schepen, geen passagiersschepen zijnde, van 800 ton en meer
waarvan de kiel voor 1 Januari 1933 werd gelegd.
3: „ Pe kapitein van een passagiersschip, waarvan de kiel gelegd is
na 18 November 1952 is verplicht zorg te dragen, dat hij bij het onder
nemen van een reis voldoende gegevens aan boord heeft om te
kunnen voldoen aan verplichtingen, die hem in verband met de
lekstabiliteit in bijlage II zijn opgelegd.
Artikel 110
en'gedunde de reis: ,e'^iC'lt
" dr"S<!n'
V"
—
onSddtWTb™ïdëeS'ïfcn ,ansewezen b»'«
vo°.
( b ) de motoren van de motorreddingboten gereed zijn om on
middellijk na de tewaterlating te kunnen werken;
(c) de lopers der bootstakels klaar opgeschoten en voor gebruik
gereed zijn en de sjorrings van de boten gemakkelijk kunnen worden
losgemaakt;
( d ) de davitpotten vrij van water en de bewegende delen, als
davits, kranen, klampen en dergelijke, roestvrij en goed gangbaar zijn,
(e) het drinkwater en de voedingsmiddelen in de boten aanwezig
en te allen tijde voor het gebruik geschikt zijn;
(ƒ) een stuurman of gediplomeerd sloepsgast belast is met het bevel
over elke boot, de opvolgers in het bevel zijn aangewezen en de
overige sloepsgasten over de boten zijn verdeeld,
(e) hij die met het bevel over een boot is belast, een lijst van de
bemanning van de boot heeft en toeziet, dat deze bemanning bekend
is met haar plaats en werkzaamheden;
( h ) voor elke motorboot iemand is aangewezen, die in staat is
de motor te behandelen;
( i ) voor elke reddingboot, voorzien van een radio telegraaf instal
latie of van een zoeklicht, of van beide, iemand is aangewezen, die
in staat is deze inrichtingen te bedienen;
( j ) één of meer stuurlieden voor het dagelijks toezicht op de
onmiddellijke gereedheid van de reddingboten en drijvende toestellen
zijn aangewezen;
( k ) geschikte middelen buiten de machinekamer aanwezig zijn,
welke kunnen beletten dat binnenboordswater in te water liggende
boten kan lopen.
2. De kapitein is voorts verplicht zorg te dragen, dat:
(a) elke boot ten minste eenmaal per vier maanden buiten boor
wordt gedraaid en te water wordt gebracht, waarbij moet worden
nagegaan of zij voldoende waterdicht is;
( b ) de volgens de sloepenrol als roeiers aangewezen schepelingen
ten minste eenmaal per vier maanden geoefend worden in het roeien,
(c) in de boten geen andere zaken worden geborgen, dan die tot
de uitrusting van de boot behoren;
, , .
( d ) de appèls van de bemanning voor oefeningen met de boten
ten minste maandelijks worden gehouden,
(e) bij achtereenvolgende oefeningen met boten verschillende groe
pen van boten om beurten worden gebruikt en de oefeningen z°damg
worden geregeld, dat de bemanning op de hoogte is van en geoefen
is in de werkzaamheden, die zij in geval van nood moet verrichten en
dat alle reddingmiddelen met de daarbij behorende uitrusting te allen
tijde voor onmiddellijk gebruik gereed zijn;
( f ) aan boord van schepen, waarvan de reis langer dan een week
duurt, kort na het begin van de reis, appèls tot oefening van de
passagiers worden gehouden met het oog op het zich verzamelen
op de appelplaatsen en het juiste gebruik van de reddinggordels.
3. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat indien één of meer
draagbare radiotelegraaftoestellen voor reddingboten aan boord zijn
voor elk toestel iemand is aangewezen, die in staat is het te bedienen
en die m geval van nood het toestel in de daarvoor aangewezen boot
brengt.
Artikel 111
De kapitein is verplicht zodanige maatregelen te nemen, dat:
Eiectrische in-
(et) in vochtige ruimten en in ruimten met ontploffingsgevaar geen richtiDSen
werkzaamheden aan ongeïsoleerde delen van de eiectrische installatie
worden uitgevoerd, zolang deze onder spanning staan;
(b) in ruimten met ontploffingsgevaar geen werkzaamheden, waar
bij vonkvorming kan optreden, geschieden en het openen, demonteren
of dergelijke van machines, toestellen, transformatoren, schakel- en
verdeelinrichtingen, lamparmaturen en toebehoren van leidingen
slechts p aats vindt, nadat het desbetreffende gedeelte der installatie
spanningloos is gemaakt;
&
andere dan in (a) en (b) genoemde ruimten slechts werk
zaamheden aan blanke of daarmede gelijk te stellen onder spanning
staande delen van de eiectrische installatie worden uitgevoerd, indien
voor de veiligheid en bedrijfszekerheid van het schip dringende rede
nen aanwezig zijn om deze onder spanning te verrichten, mits:
1. alle zich in de nabijheid bevindende metalen delen deugdelijk
tegen aanraking beschermd zijn;
2' A metalen de!en van
bij de werkzaamheden benodigde
gereedschap voor zover mogelijk deugdelijk zijn geïsoleerd;
• 'i'
Zj'
d? werkzaamheden uitvoeren zich op een deugdelijk
isolerende laag bevinden;
J
vo°rzoveeldit in verband met de plaats en de omstandigheden
nodig is ter voorkoming van ongevallen van niet met de werkzaam-
gebracht
16 perSOnen' duideliJk leesbare waarschuwingen zijn aan-
tp (?.{u werkzaamheden in de nabijheid van blanke of daarmede gelijk
te stellen delen van de eiectrische installatie slechts geschieden, indien
deze spanningloos zijn gemaakt, tenzij zij om bedrijfstechnische rede-
dfé™iTi11
i" Ultgeschakeld'in welk geval alle maatregelen,
^ genomen
^ °°P
^
kUnnen waarbor8en' moeten
(e) bij voeding van het scheepsnet of een gedeelte daarvan vanaf
de wal, geen spanningen en stroomsoorten en bij draaistroom boven-
insfaifatip freq"entl®s en vo,Sorden der fazen, waarvoor de eiectrische
installatie aan boord met geschikt is, worden gebezigd;
(f) de isolatietoestand van het scheepsnet zowel in zijn geheel, als
in onderdelen te allen tijde voldoende is en dat isolatiefouten zo
spoedig mogelijk worden verholpen;
(g) automatische omschakelinrichtingen, behorende tot de nood-
installatie wekelijks beproefd worden;
(h)
de eiectrische noodverlichting tenminste éénmaal per drie
maanden wordt beproefd.
Artikel 112
Gebruik van
Dg kapitein is verplicht zorg te dragen, dat de luiken en merkels
luikenen merkels nje(. wor(jen gebruikt voor doeleinden, waarvoor zij niet zijn bestemd.
Artikel 113
Luisterdienst
1. De kapitein is verplicht luisterdienst te doen houden volgens
Ekctron'isehe na- de in artikel 83 gegeven voorschriften.
vigatiemiddeien
2. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat een auto-alarm
toestel, indien aan boord aanwezig, buitengaats steeds is ingeschakeld,
wanneer geen radiotelegrafist op wacht is.
3. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat de calibratie van
de richtingzoeker elk jaar wordt nagezien en dat gedurende het nemen
van radiopeilingen antennes voor persoonlijk gebruik van de op
varenden zijn weggenomen. Bovendien is de kapitein verplicht de
calibratie te doen verifiëren, telkenmale als zich omstandigheden
voordoen, welke de nauwkeurigheid van de richtingzoeker merkbaar
kunnen beïnvloeden.
4. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat door de stuurlieden
regelmatig met de electronische navigatiemiddelen, waarmede het
schip is uitgerust, wordt geoefend.
Artikel 114
Aiarmroi en
1. De kapitein is verplicht vóór het ondernemen van een reis
sioepenroi
zorg te dragerlj dat een alarmrol en een sloepenrol zijn samengesteld.
2. De alarmrol moet vermelden:
(a) de plaatsen waarheen de leden van de bemanning zich moeten
begeven en hunne plichten in verband met:
(aa) het sluiten van waterdichte deuren en openingen in schotten
en in het scheepsboord;
(bb) het blussen van brand;
(b) de plichten in het bijzonder van de leden der bemanning, die
niet behoren tot de dek- of de machinedienst, in tijd van nood ten
opzichte van de passagiers in verband met:
(aa) het waarschuwen van de passagiers;
(bb) het toezien, dat de passagiers zoveel doenlijk gekleed zijn en
hun reddinggordels op de juiste wijze hebben aangetrokken;
I,
n
S ï6t bewaren van orde in de gangen en op de trappen;
eiden Vn^rTn1^ ^ 06 PaSSagierS °P de appèlplaatsen en het
leiden naar boten en overige reddingmiddelen;
(cc) het brengen van de nodige dekens in de boten;
(c) bepaalde seinen voor het oproepen van alle leden der beman
es s,reens dc
ïan'rSrn'SKÏ8 °P " ^
Eeen
de
»= '«<« ™
drijvlde^l^rherjs™e?„;°i,rüStCn ™" "
«•
boten; ^
brengen Van de onder davits opgestelde redding-
boK ™ed£eStSef,rnodi8 le watór bren8e° ™de >»*»
verneld" * verschillende rollen
<1= gehele bemanning worden
seül" 5T V"blii,en Van de -«eieren en d« schels-
Artikel 115
dat?6 kapit6in V3n 6en Passagiersschip is verplicht zorg te dragen, s.uite, va„
/ \
waterdichie
in teZlUWd°S,rUSenn
^
rtó°5=iïS5 'MST!. UA r
( f ) de deksels en kleppen van stortkokers voor as, vuil, enzovoort
welke niet in gebruik zijn en welker binnenboordsopeningen geheel of
gedeeltelijk beneden de indompelingsgrenslijn zijn gelegen, behoorlijk
gesloten zijn.
Artikel 116
Oefeningen met
j)e kapitein van een passagiersschip is verplicht zorg te dragen,
waterdichte
,
deuren, enz.
aat:
(a) oefeningen in het behandelen van waterdichte deuren, patrijs
poorten, kleppen en afsluiters wekelijks plaats hebben en indien de
reis langer dan een week duurt, bovendien, vóór het schip naar zee
gaat, een volledige oefening wordt gehouden;
( b ) alle werktuiglijk bewogen waterdichte deuren en alle water
dichte draaideuren in hoofddwarsschotten, welke op zee open moeten
zijn, éénmaal daags worden gesloten;
(c) de waterdichte deuren en alle daarbij behorende bewegings
inrichtingen en standaanwijzers, alle afsluiters, die gesloten moeten
zijn om een afdeling waterdicht te maken, benevens alle afsluiters in
dwarsscheepse overvloeiinrichtingen als bedoeld in bijlage II, gedu
rende de reis geregeld ten minste éénmaal per week, worden nagezien.
Artikel 117
Appèls en oefe-
De kapitein van een passagiersschip is verplicht zorg te dragen,
ringen met
. .
redding- en
ücil-
_
.
J
U
*
brandbiusmid-
appèls van de bemanning voor oefening met de boten en
rondedSnstd
in het blussen van brand, gevolgd door oefeningen met de brand-
blusmiddelen, rookmaskers en zuurstofapparaten zo mogelijk een
maal per week en indien de reis langer dan een week zal duren
bovendien zo spoedig mogelijk na het vertrek uit de haven worden
gehouden;
(b) als noodsein om de passagiers naar de appèlplaatsen te roepen
een sein, bestaande uit meer dan zes opvolgende korte stoten, gevolgd
door één lange stoot op de fluit of de sirene, wordt gebruikt en dat
dit sein, behalve wanneer het schip op korte reizen wordt gebezigd,
wordt aangevuld door andere seinen, welke langs electrische weg
van de brug af door het gehele schip worden gegeven en als alarm
sein bij brand de bellen op de brug, op de kampagne of op de bak
al naar de omstandigheden, gedurende ongeveer 15 seconden worden
geluid;
(c) een duidelijke opgaaf nopens de betekenis van alle seinen,
welke van belang zijn voor de passagiers en hoe daarbij moet worden
gehandeld, in verschillende talen in de hutten en andere nachtver-
blijven voor passagiers op in het oog lopende wijze is aangebracht,
( d ) een doelmatige rondedienst wordt onderhouden om elk begin
van brand zo spoedig mogelijk te kunnen ontdekken.
Artikel 118
*nn » De kapitem yan een schiP> geen passagiersschip zijnde, van Voorzorgsmaat-
3UU ton en meer, is verplicht ten minste éénmaal per maand een
brand8e"
oefening met de brandblusmiddelen te doen houden.
mLPI?n kapiteïn is verplicht zorg te dragen, dat de brandblus-
middelen in zodanige staat blijven, dat zij gedurende de reis te allen
tijde onmiddellijk gebruikt kunnen worden.
rflr* ij?"? kapitfn.Jis vcrPlicht zorg te dragen, dat het gewicht van
elke koolzuurcylinder voor de toelating van verstikkend gas in laad-
M keKlr°in,en
éénra»" P» i»»
rui™me.ïa^ï " tverP'kh' ?or8 « «"gen, dat de voortstuwing,-
•
u k°mbmzen behoorlijk worden schoongehouden en
\ Vr,Jgeh<?Ude",Van olieresten, Iekolie, met olie doordrenk"
poetskatoen en dergelijke verontreinigingen.
WJL D*kTem '? Verp,icht Z0TS te dragen, dat blikken en flessen,
Z'H
brandbare, vloeistoffen bevatten, op een veilige plaats ver-
ïjderd van kombuizen en plaatsen, waar open vuur wordt gebezigd
of brand
en gf0rgen' dat ziJ bij een zware schok niet omvallen
f brand veroorzaken en dat olie- en kaarslantaarns zodanig worden
losraken
611 gC
gd' dat zij bij' een zware schok niet omvallen of
Artikel 119
pU?ht2™?SV,S„!ed°,fhiP' dat
vaart, is ver- vjn-j-.
20ïse'—**
Jh), de verbhjven van de landverhuizers dagelijks worden gereinigd
en steeds behoorlijk worden geventileerd;
(c) de verblijven van de landverhuizers voldoende worden verlicht;
„r
de 'andverhuizers zindelijk en goed onderhouden beddegoed
wordt verstrekt en dit beddegoed wordt gelucht;
All in de verblijven van de landverhuizers slechts wordt geborgen
hetgeen voor het dagelijks gebruik nodig is en dat de landverhuizers
bagage"
éenmaal per week toegang wordt verleend tot hun overige
aan b°°rd g6en dieren worden vervoerd, tenzij zodanige maat-
ond1rvinden;gen0men' ' ^ ,andverhuizers daarvan generlei hinder
1 JjJ lndien VÓÓr het vertrek van het schip onder de in^escheeote
lm" ner LU'ZerS,,emand lijdende aan een ziekte van gevaarlijk bï
smettelijke aard wordt aangetroffen, deze wordt ontscheept.
Artikel 120
voeding, drink-
De kapitein van een schip, dat met landverhuizers vaart, is ver-
Unö'Jt" plicht zorg te dragen, dat:
(a) in verband met de te ondernemen reis en het aantal opvaren
den, voldoende drinkwater en waswater ten behoeve van de land
verhuizers aan boord is, of aan boord kan worden gedistilleerd en
dat daarvan dagelijks een voldoende hoeveelheid ter beschikking van
de landverhuizers wordt gesteld;
( b ) het drinkwater en de berging daarvan voldoen aan de desbe
treffende eisen gesteld in het Schepelingenbesluit;
(c) in verband met de te ondernemen reis en het aantal opvaren
den, voldoende in goede staat verkerende voeding voor de land
verhuizers aan boord is en dat daarvan dagelijks een voldoende
hoeveelheid in behoorlijke afwisseling ter beschikking wordt gesteld,
( d ) deze voeding geborgen wordt in behoorlijk van andere ruimten
afgesloten bergplaatsen, zo gelegen en zo nodig zodanig geventileerd,
dat de voeding in goede toestand blijft en dat deze bergplaatsen,
voordat daarin voedsel wordt geborgen, afdoende zijn gereinigd en
gedurende de reis behoorlijk worden schoongehouden;
( e ) met de bereiding van het eten een scheepskok wordt belast
en dat aan de bereiding de nodige zorg wordt besteed,
(ƒ) de nodige hulpmiddelen voor het bereiden van het eten en
het nodige kommaliewant ten behoeve van de landverhuizers aan
boord zijn;
(g) de landverhuizers geen sterke drank aan boord hebben.
Artikel 121
inspectie ver-
De kapitein van een schip, dat met landverhuizers vaart, is ver
blijven en keuring „Jicht"
voeding van
F
*
jij
andverhuizers
^
ten minste éénmaal per week de verblijven van de lanaver-
huizers te inspecteren;
,
,
2. dagelijks het bereide eten te keuren, bijgestaan door de ge
neeskundige, indien deze zich aan boord bevindt.
Artikel 122
Vervoer gevaar-
1. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat geen brandbare
ïijke stoffen
vloeistoffen met een vlampunt van 55° Celsius (gemeten met net
toestel van Abel-Pensky) of lager bij een barometerstand van 760
millimeter kwikdruk, met uitzondering van die, welke in elke ver
houding met water mengbaar zijn, in andere dan volgens bijlage Vil
voor het bergen dezer stoffen goedgekeurde ruimten worden geladen.
2. De kapitein van een schip, dat stoffen vervoert, als bedoeld
in artikel 99, is verplicht die maatregelen te treffen, welke in ver
band met de aard van de lading en de wijze van stuwen nodig zijn.
Extra voorzorgsmaatregelen dienen te worden getroffen bii het
?Pfne" der luike" van ruimen, waarin stoffen als bedoeld in de
lekkac
T H'
®toffen als bedoeld in lid 4 voor zover deze door
har
ft
j
kunnen geven tot het aanwezig zijn van ontplof
bare giftige dampen of mengsels, zijn geborgen.
Artikel 123
5 SrcLTvan
SChiP' ** 660 deklaSt hoUt van meer da°
,
zijn draagvermogen „op zomermerk" vervoert is ver-Iasten hou«
plicht rekening te houden met het bepaalde in artikel 101 l d 2 en
nemen van® £
^ M "aar zee na
^aan boord
laaTïV k vï
T° h6t bepaalde in hoofdstuk V van bij
zijn til
, 6? da'een of meer dubbele-bodemtanks ledig
ï ? ?eZ® tanks geurende de reis naar behoefte te kunnen
knnnp'n h V i moeten gezamenlijk een gewicht aan zeewater
kunnen bevatten, dat ten minste gelijk is aan het gehele gewicht van
de hrannTff
Verbruik van de in de dubbele bodem medegevoer-
n ï 1
H" !Iater' VCrmeerdcrd met de helft van het gewicht
van het gedurende de reis te verwachten verbruik van vloeistoffen
uit ruimten tussen het bovendek en de dubbele bodem en vervolgens
verminderd met de helft van het gewicht van het gedurende de reis
dek
verbruik van vloeistoffen uit ruimten boven het boven-
Artikel 124
streeks^/inTte éeve^en^* H*5 beVelen aan, de roerganger in recht- Roereommaudo
weatne
W
h
" g6Ven' Zodat biJ vooruitgaande be-
P T voorultwerkende machines bij het gevolg
fn h?i w
commando stuurboord het voorschip naar stuurboord
naar bakhof JaS*™ ***
1 commando bakboord het voorschip
Artikel 125
chge verklaringen 'ztjn.'1 art,kd 92 gen°emde n0g gddige geneeskun"
Artikel 126
1' ^[,is,de kapitein van een varend vissersvaartuig onder allp w u.
omstandigheden verboden de wacht aan dek over te latln aan m/n-
der dan 2 personen. Eén van deze personen moet in het beatzita
van het bewijs van bekendheid met de bepalingen ter voorkoming
ker9rVanngCn °P ^ e" V3n de verklaringen, als bedoeld in arti-
2. Voor een schip, liggende aan de haringnetten, kan op wacht
W n Peru°,ün rrden V0lstaan' die in het bezit moet zijn van het
varinsen^ bekendheld ™et de bepalingen ter voorkoming van aan-
ngen op zee en van de verklaringen, als bedoeld in artikel 92.
Artikel 127
Alarm-, nood-
j. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat ten aanzien van
en spoedseinen
ajarm_; n00{i- en spoedseinen de volgende regelen in acht worden
genomen:
, •
(a) slechts hij is bevoegd bevel te geven tot het gebruik van de
dit artikel genoemde seinen;
<b) het alarm- en het noodsein mogen slechts worden gebruikt,
indien het schip in ernstig en ogenblikkelijk dreigend gevaar verkeer
en onmiddellijk hulp nodig heeft;
(c) het spoedsein mag slechts worden gebruikt, indien het schip
een zeer dringend bericht heeft over te brengen betreffende de veilig
heid van het schip of van enig persoon aan boord of in zicht daar-
(d) het alarmsein en de radiotelegrafische en radiotelefonische
nood- en spoedseinen worden gegeven op de wijze als voorgeschreven
in het van kracht zijnde internationaal Radio-Reglement;
(e) de hierboven genoemde seinen worden geannuleerd op de
wijze als aangegeven in het onder (d) genoemde Radio-Reglement,
( f ) het gebruik van een noodsein anders dan om aan te geven,
dat een schip in nood verkeert evenals het gebruik van enig sein, dat
met een noodsein kan worden verward, is verboden;
(,,) geen enkele bepaling van het onder (d) genoemde Radio-Regle-
ment kan een beletsel zijn, dat een in nood verkerend schip jan alle
middelen, waarover het beschikt, gebruik maakt om de aandacht
trekken, zijn plaats bekend te maken en hulp te verkrijgen.
2. De kapitein van een zich op zee bevindend schip, die onver
schillig uit welke bron een sein ontvangt, dat aangeeft, dat een schip,
een vliegtuig of daartoe behorende sloepen of vlotten in nood ver
keren, is verplicht met de meeste spoed de in nood verkerende per
sonen te hulp te komen en hun daarvan zo mogelijk te verwittigen.
Hii is van deze verplichtingen ontheven, indien hij daartoe niet in
staat is of, gezien de bijzondere omstandigheden van hel geval,
hulpverlening niet redelijk of onnodig acht, dan wel, volgens het be
paalde in de leden 4 en 5, van hulpverlening is vrijgesteld.
3. De kapitein van een in nood verkerend schip heeft het recht
om na de kapiteins van de schepen, die zijn oproep om hulp hebben
beantwoord voor zover dit mogelijk is te hebben geraadpleegd een
of meer dezer schepen, welke hij het meest geschikt acht om hulp te
verlenen, daartoe op te vorderen.
De kapitein van elk opgevorderd schip is verplicht aan de opvorde
ring te voldoen door zich met de grootst mogelijke snelheid ter
hulpverlening naar de in nood verkerende personen te begeven.
4
De kapitein is ontheven van de verplichting, hem in lid 2 op
gelegd zodra hij verneemt, dat één of meer schepen, andere dan het
zijne, opgevorderd zijn en aan de opvordering gevolg geven.
5. De kapitein is ontheven van de hem in lid 2 en in de tweede
volzin van lid 3 opgelegde verplichtingen, indien hem door een
schip, dat de in nood verkerende personen heeft bereikt, wordt mede
gedeeld, dat hulpverlening niet langer nodig is.
6. De bepalingen, vervat in de leden 2 tot en met 5, maken geen
inbreuk op het op 23 September 1910 gesloten Internationaal Ver
drag tot het vaststellen van enige eenvormige regelen betreffende
hulp en berging.
Artikel 128
1. De kapitein is verplicht:
(a) indien hij gevaarlijk ijs, een gevaarlijk wrak, een ander onmid- Berichten om-
dellijk gevaar voor de scheepvaart of een tropische storm ontmoet, JStafidïïfc
met alle middelen, waarover hij beschikt, de schepen in de nabijheid,
zomede de bevoegde autoriteiten van het punt aan de vaste wal, waar
mede hij het eerst verbinding kan verkrijgen, te waarschuwen;
( b ) indien gevaarlijk ijs is gemeld op of in de nabijheid van de
koerslijn van zijn schip, des nachts een matige vaart te lopen, of
zodanig van koers te veranderen, dat hij ruimschoots buiten het ge
vaarlijke gebied blijft;
(c) berichten betreffende ijs, wrakken, tropische stormen of een
ander onmiddellijk gevaar voor de scheepvaart, als bedoeld onder (a),
te allen tijde te deen overseinen.
2. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat bij het overbrengen
van de in lid 1 genoemde berichten de volgende regelen in acht wor
den genomen:
(a) alle berichten moeten worden ingeleid door het veiligheidssein
als voorgeschreven in het van kracht zijnde internationaal Radio-
Reglement. Slechts de kapitein is bevoegd bevel te geven tot het ge
bruik van dit sein, hetwelk slechts mag worden gebezigd ter aankon
diging van een door het schip te seinen bericht, dat betrekking heeft
op de veiligheid van de navigatie of dat belangrijke meteorologische
waarschuwingen bevat;
( b ) de berichten, waarvan de vorm niet is voorgeschreven, worden
in algemeen verstaanbare taal, bij voorkeur Engels, of met behulp
van het Radiodeel van het Internationale Seinboek, in omroep uit
gezonden;
(c) bij het radiotelegrafisch omroepen van de berichten, moet de
algemene oproep worden voorafgegaan door het veiligheidssein TTT
en de seinwijze worden gevolgd als hiervoor in het van kracht zijnd
internationaal Radio-Reglement is voorgeschreven; het bericht zelf
bestaat uit het inleidende veiligheidssein TTT, gevolgd door een
aanduiding van het gevaar en een nadere omschrijving daarvan, zoals
dit in de voorbeelden van bijlage XX is aangegeven;
( d ) bij het radiotelefonisch omroepen van de berichten moet de
werkwijze worden gevolgd als aangegeven onder (c), met dien ver
stande, dat het veiligheidssein in het radio-telefoonverkeer SECURITE
(in het Frans uitgesproken), in de plaats treedt van het veiligheids-
sein voor radiotelegrafie;
( e ) de berichten worden tevens aan het eerste punt aan de wal,
waarmede verbinding kan worden verkregen, geseind, onder bijvoe
ging van het verzoek deze aan de bevoegde autoriteit door te geven.
Artikel 129
Certificaat onder-
De kapitein van een bij een der door Ons erkende particuliere
zoekingsbureau
on(jerzoekingsbureaux geklasseerd schip, hetwelk langer dan een
jaar buiten een Nederlandse haven of een haven van de Nederlandse
Antillen verblijft, is verplicht eenmaal per jaar een nog geldig certifi
caat van het betrokken bureau of een gewaarmerkt afschrift daarvan
door bemiddeling van het betrokken Districtshoofd aan het Hoofd
van de Scheepvaartinspectie op te zenden.
Artikel 130
Kennisgeven van
De kapitein van een in een Nederlandse haven of in een haven
averijen en onge- yan de Nederlandse Antillen binnengekomen schip is verplicht zo
spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen drie dagen (Zon- en 1 eest-
dagen niet medegerekend) na binnenkomst aan het Districtshoofd
van de Scheepvaartinspectie kennis te geven van op de afgelopen
reis voorgekomen averijen en ongevallen. Inzenden van de dagboe
ken, onder schriftelijke verwijzing naar de aantekening omtrent de
averij of het ongeval, wordt als zodanige kennisgeving beschouwd.
Artikel 131
Dagboeken
j. Behoudens hetgeen betreffende het houden van scheeps- en
machinedagboeken in het Wetboek van Koophandel en in het Ko
ninklijk Besluit van 4 November 1926, Staatsblad no. 369 zoals dit
sedert is gewijzigd of, voor wat betreft schepen, varende met een
zeebrief van de Nederlandse Antillen, in het aldaar geldende Wet
boek van Koophandel is bepaald, is de kapitein verplicht in het
scheeps- of machinedagboek aantekening te doen houden:
(a) van de diepgang van het schip, telkenmale na het innemen
van lading en van brandstoffen;
(,b) van het periodiek te water brengen van boten en van de toe
stand, waarin deze boten met hun uitrusting zich bevinden;
(c) van de dagelijkse peilingen van tanks, kofferdammen en
vullings;
.
,
(d) van de gehouden appèls en, wanneer deze niet op de voor
geschreven tijden zijn gehouden, van de reden waarom dit niet is ge
schied, benevens van de in artikel 110, lid 2, onder (b) bedoelde
roeioefeningen;
,
... ..
(e) aan boord van passagiersschepen, van de tijdstippen van
openen en sluiten van waterdichte deuren, patrijspoorten, toegangs-,
laad- en kolenpoorten en andere openingen in het scheepsboord, dan
wel het afnemen en aanbrengen van wegneembare platen, welke
volgens het bepaalde in artikel 115 gesloten dan wel aangebracht
moeten zijn;
(ƒ) aan boord van passagiersschepen, van alle oefeningen met en
alle inspecties van waterdichte deuren, patrijspoorten, kleppen en af
sluiters, als voorgeschreven in artikel 116, en van de daarbij te voor
schijn gekomen gebreken;
(g) aan boord van passagiersschepen, indien gevaarlijke stoffen
als bedoeld in artikel 99 zijn geladen, van al hetgeen bij het laden
voor zover dit in een haven buiten Nederland of de Nederlandse
Antillen gelegen is geschied en overigens al hetgeen gedurende de
reis is gedaan om ongevallen als gevolg van de aanwezigheid van
deze stoffen te voorkomen;
(h) aan boord van schepen, bij vervoer van een deklast hout, van
de hoogte van de deklast en van de peilingen van de ballasttanks bij
het begin van en gedurende de reis;
(i) aan boord van schepen, voorzien van een radiotelegraaf- of
radiotelefooninstallatie, dagelijks van de staat, waarin zich de nood-
krachtbron bevindt;
(j) aan boord van alle schepen in voorkomende gevallen van de
redenen waarom hij, na het waarnemen van een noodsein, heeft na
gelaten de in nood verkerende personen te hulp te komen;
( k ) aan boord van schepen, voorzien van een auto-alarmtoestel
van de dagelijkse beproeving daarvan;
(/) aan boord van schepen voorzien van electrische noodver
lichting, van de beproeving daarvan;
(m) aan boord van schepen voorzien van koolzuur als brand-
blussend middel van de periodieke weging der koolzuurcylinders;
(n) van het onderzoek en de beproeving van de hulp'stuurinrich-
üng.
2. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat door de wacht-
doende stuurman en de wachtdoende machinist nauwkeurig schrifte
lijk alles wat nodig is voor een goede invulling van het scheepsdag-
boek, onderscheidenlijk het machinedagboek, wordt bijgehouden
3. De kapitein is verplicht de laatste data van periodieke inspec
ties, appels en oefeningen en die van het te water brengen van boten
alsmede die van de periodieke weging der koolzuurcylinders en die van
de beproeving van de hulpstuurinrichting bij het in gebruik nemen van
een nieuw dagboek uit het vorige dagboek te doen overnemen.
4. De kapitein is verplicht binnen drie dagen na binnenkomst van
het schip in een Nederlandse haven of de haven van Willemstad
(Curafao) en in ieder geval vóór het vertrek het scheepsdagboek aan
het Districtshoofd van de Scheepvaartinspectie, waarin het schip zich
bevindt, of aan de door deze aan te wijzen ambtenaar ter inzage te
zenden.
b
Indien het Districtshoofd daartoe het verzoek doet, moeten het
machinedagboek en het radiodagboek mede ter inzage worden ge
geven. Blijft het schip langer dan één jaar buiten Nederland of de
haven van Willemstad (Cura?ao) dan is de kapitein verplicht de dag
boeken van de afgelopen reizen, telkenmale na verloop van ten
hoogste één jaar, te zenden aan het Districtshoofd van de Scheep
vaartinspectie, waar het schip thuis behoort.
Wordt het schip in een haven buiten Nederland of de Nederlandse
Antillen gelegen opgelegd, dan is de kapitein verplicht de dagboeken
binnen acht dagen te zenden aan het hoofd van het district, waar het
schip thuis behoort.
Van de naleving van de in dit lid gegeven voorschriften kunnen
de Districtshoofden al dan niet onder bepaalde voorwaarden in
verband met de korte duur van de reis of op grond van bijzondere
omstandigheden, vrijstelling verlenen.
De kapitein ontvangt de ingezonden dagboeken zo spoedig mogelijk
terug voorzien van een gedagtekende en ondertekende verklaring,
dat zij door een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie zijn gezien.
Artikel 132
Radiodagboek
1. Op schepen, voorzien van een radio-installatie, is de kapitein
verplicht door de chef van het scheepsstation een radiodagboek
(telegrafie en/of telefonie) te doen bijhouden in een stevig ingebonden
boek, samengesteld van duurzaam papier, overeenkomstig de modellen
als aangegeven in bijlage XXI, welke modellen door de Districts
hoofden van de Scheepvaartinspectie op verzoek kosteloos word
verstrekt
«
De kapitein is verplicht het dagboek dagelijks voor gezien af te
tekenen
2
Het radiodagboek (telegrafie) moet gedurende de reis in de
radiohut bewaard worden. Evenzo het radiodagboek (telefonie), in
dien de telegrafist, chef van het radiotelegraafstation, tevens optreedt
als chef van het radiotelefoonstation; in alle andere gevallen moet
dit dagboek onder berusting van de kapitein blijven.
3. De kapitein van een schip, voorzien van een radio telegraaf-
onderscheidenlijk radiotelefooninstallatie, is verplicht zorg te dragen,
dat iedere radiotelegrafist onderscheidenlijk -telefonist, in het betref
fende dagboek invult, hetgeen daarin overeenkomstig de in du; dag
boeken dienaangaande opgenomen instructies, moet worden vermeld.
4. De kapitein van een schip, voorzien van een radiotelegraaf-
installatie, is verplicht zorg te dragen, dat in het radiodagboek
(telegrafie), naast hetgeen daarin krachtens het Radio-Reglement en
de in lid 3 bedoelde instructies moet worden ingevuld, het volgende
wordt opgenomen:
( a ) nauwkeurige gegevens omtrent het onderhoud en het laden van
de accumulatoren-batterijen;
(b) dagelijks een verklaring, inhoudende, dat alle tot de hoold-
dan wel de nood- (reserve-) installatie behorende accumulatoren
batterijen, ten volle zijn geladen;
(c) dagelijks een nauwkeurige aantekening omtrent het die dag
beproeven of voor het verkeer benutten van de noodzender en van
de noodkrachtbron;
(d) dagelijks bijzonderheden omtrent elke beproeving van het aan
boord aanwezige auto-alarmtoestel;
(e) wekelijks nauwkeurige gegevens omtrent het onderhoud en het
laden van de accumulatoren-batterijen behorende tot de radio-instal
laties in de motorreddingboten, indien die batterijen van een type zijn
dat laden vereist en omtrent het beproeven dier radio-installaties;
( f ) wekelijks nauwkeurige gegevens omtrent het onderhoud en het
laden van de accumulatoren-batterijen behorende tot de draagbare
radiotoestellen voor reddingboten, indien die batterijen van een type
zijn dat laden vereist en omtrent het beproeven dier toestellen;
(s) bijzonderheden met betrekking tot de richtingzoeker.
5. De kapitein van een schip, voorzien van een radiotelefoon-
ïnstallatie, is verplicht zorg te dragen, dat in het radiodagboek
(telefonie) naast hetgeen daarin krachtens het Radio-Reglement en
de in lid 3 bedoelde instructies moet worden ingevuld, het volgende
wordt opgenomen:
.
(a) nauwkeurige gegevens omtrent het onderhoud en het laden van
de accumulatoren-batterijen;
(b) wekelijks nauwkeurige gegevens omtrent het onderhoud en het
laden van de accumulatoren-batterijen behorende bij de draagbare
radiotoestellen voor reddingboten en omtrent het beproeven dier
toestellen;
(c)
bijzonderheden met betrekking tot de richtingzoeker.
6. Ingeval met betrekking tot het onderhoud en het laden der
ac c u mulatoren-batterijen als bedoeld in de punten (a), (e) en (f) van
lid 4 en de punten (a) en (b) van lid 5, afzonderlijke, door of namens
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde, accumulatoren-
rapporten worden bijgehouden, kan telkenmale in het dagboek daar
naar worden verwezen. Deze rapporten worden geacht deel uit te
maken van het radiodagboek en zijn onderworpen aan de hierop
van toepassing zijnde voorschriften.
7. De radiodagboeken moeten op verzoek aan een ambtenaar van
de Scheepvaartinspectie ter inzage worden gegeven.
Artikel 133
De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat wanneer een loods aan iood,|a()d.r
boord komt of van boord gaat, de loodsladder wordt gebruikt en de
loods van het boveneinde van de ladder veilig het dek kan bereiken.
De ladder met de omgeving binnen- en buitenboord moeten dan be
hoorlijk zijn verlicht.
Artikel 134
Wettelijke voor-
j.
£)e kapitein is verplicht zorg te dragen, dat aan boord een
?mhcateen e"
afdruk van de Schepenwet en van dit besluit aanwezig zijn.
2. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat de voor zijn schip
krachtens dit besluit afgegeven certificaten, met uitzondering van de
certificaten van vrijstelling, of gewaarmerkte afschriften daarvan, op
een voor ieder opvarende toegankelijke plaats zijn opgehangen.
HOOFDSTUK XI
Voorschriften met betrekking tot oorlog en oorlogsgevaar
Artikel 135
Permanente
Teneinde in het belang van de veiligheid van schepen en hun
voorzieningen
opvarenden in tijden van oorlog of oorlogsgevaar de oorlogsuitrusting
van schepen op eenvoudige wijze te kunnen aanbrengen, moeten de
constructie en inrichting van schepen van meer dan 300 ton ten
aanzien van de plaatsing van de defensieve uitrusting, de bergplaatsen
van de bijbehorende munitie, de kanonniersaccommodatie, alsmede
de inrichting voor de demagnetisering, voldoen aan de eisen, daartoe
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, in overeenstemming met
de Chef van de Marinestaf, gesteld.
Artikel 136
Marinebe-
1. De kapitein is verplicht de hem vanwege de Chef van de
scheiden
Marinestaf ter hand te stellen bescheiden te aanvaarden, daarvan
kennis te nemen en de daarbij gegeven aanwijzingen op te volgen.
2. De kapitein is verplicht deze bescheiden op een doelmatige
plaats te bewaren.
Artikel 137
Oorlogsuit-
1. In geval van oorlogsgevaar en gedurende een oorlog, waarin
rus,in8
het Koninkrijk der Nederlanden al of niet is betrokken, moet aan
boord van alle schepen, daartoe aangewezen door het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie, in overeenstemming met de Chef van de Marine
staf, de vereiste oorlogsuitrusting worden aangebracht en in stand
gehouden, overeenkomstig de daartoe door genoemd Hoofd, in over
eenstemming met de Chef van de Marinestaf, gestelde eisen.
2. De kapitein is verplicht de aanwijzingen op te volgen, welke
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie gegeven worden ter
voorkoming van ongevallen, tengevolge van na een oorlog nog aan
wezige oorlogsgevaren.
Artikel 138
Verplichtingen
In geval van oorlogsgevaar en gedurende een oorlog, waarin het
van de kapitein Koninkrijk der Nederlanden al of niet is betrokken, moeten de kapi
teins van alle schepen, welke door het Hoofd van de Scheepvaart
inspectie, in overeenstemming met de Chef van de Marinestaf, daar-
toe zijn aangewezen, voldoen aan de verplichtingen ten aanzien van
de veiligheid en de constructie door genoemd Hoofd, in overeen
stemming met de Chef van de Marinestaf, aan hen opgelegd.
Artikel 139
De aanwijzingen en eisen, krachtens de artikelen 137 en 138 ge- Geldigheidsduur
geven en gesteld, treden na verloop van drie maanden buiten werking
tenzij zij inmiddels door Ons zijn goedgekeurd.
HOOFDSTUK XII
Van de eigenaar
Artikel 140
, T'' ,^e eigenaar van schepen, waarmede een lijndienst over de Noord-Atian-
INoord-Atlantische Oceaan benoorden de 36ste breedtegraad wordt lische routes
onderhouden, is verplicht de routes, welke deze schepen zullen volgen
en de wijzigingen daarin, bekend te maken.
2. Deze bekendmaking geschiedt door plaatsing in de Berichten
aan Zeevarenden, waartoe de in lid 1 bedoelde eigenaar, bij het in
stellen van een nieuwe lijndienst en bij het brengen van wijziging in
een route van een bestaande lijndienst de nodige gegevens aan de
Chef der Hydrografie, Ministerie van Marine, doet toekomen.
Artikel 141
De eigenaar van een schip is verplicht zorg te dragen, dat het schip Droogzetten
overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 wordt drooggezet.
Artikel 142
te Verschaffen
iS Verp'ich<, aan de kapitein de middelen Verschaffen nodi-
schatten, welke deze, in verband met de uitvoering van de %Q middeien
taak hem in dit besluit opgedragen, behoeft.
HOOFDSTUK XIII
Vrijstellingen en aanvullende voorschriften
Artikel 143
1. Door Ons kan geheel, gedeeltelijk of voorwaardelijk vrijstel-vriisteiiinaen
ng worden verleend van het naleven van één of meer bepalingen
van dit besluit.
In Onze naam kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
geheel, gedeeltelijk of voorwaardelijk vrijstelling verlenen van één of
meer bepalingen, indien bijzondere omstandigheden dit zonder gevaar
voor schip en bemanning veroorloven.
3.
Bij het verlenen van vrijstellingen, als bedoeld in de vooraf-
gaande leden van dit artikel, zal slechts zover mogen worden gegaan,
dat daardoor niet in strijd met de voorschriften van de terzake van
kracht zijnde internationale verdragen wordt gehandeld.
4. Voor zover internationale verdragen dit voorschrijven, zullen
bij het verlenen van vrijstellingen hiervan door het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie certificaten in twee exemplaren worden afge
geven.
Artikel 144
Gevallen van
Indien één of meer bepalingen van dit besluit op het ogenblik,
overmacht
^ een reis wordt ondernomen, niet op een schip van toepassing zijn,
zullen zij, indien en voor zover het schip tengevolge van slecht weer
of tengevolge van een ander geval van overmacht genoodzaakt is
van de voorgenomen reis af te wijken, niet op dit schip van toepas
sing worden.
2.
Bij de beoordeling van de vraag of een bepaling van dit besluit
al dan niet op een schip van toepassing is, wordt met personen, die
zich daar aan boord bevinden tengevolge van overmacht of tengevolge
van een wettelijke verplichting van de kapitein om hetzij schip
breukelingen, hetzij andere personen over te voeren, geen rekening
gehouden.
Artikel 145
Aanvullende
De ambtenaren, bedoeld in artikel 10 van de Schepenwet, kunnen
voorschriften
-n g]k bijzonder geVal, rekening houdende met de terzake door het
Hoofd van de Scheepvaartinspectie gegeven algemene aanwijzingen,
voorschriften geven ter bevordering van de juiste naleving van het
bepaalde in de artikelen 25 t/m 27, 29 t/m 47, 49 t/m 64, 66 t/m 80,
82 t/m 87, 94 t/m 107, 114, 118 t/m 120, 122, 134, 135 en 137 van dit
besluit.
HOOFDSTUK XIV
Strafbepalingen
Artikel 146
Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten
hoogste driehonderd gulden wordt gestraft de eigenaar, die nalaat,
overeenkomstig het bepaalde in artikel 9, tijdig kennisgeving te doen.
Artikel 147
Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten
hoogste driehonderd gulden wordt gestraft hij, die nalaat, overeen
komstig het bepaalde in artikel 99, lid 13, kennisgeving te doen.
Artikel 148
Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten
hoogste driehonderd gulden wordt gestraft de kapitein van een pas
sagiersschip, die in strijd met het bepaalde in artikelen 99, lid 16,
gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 99 als lading inneemt.
Artikel 149
Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten
hoogste driehonderd gulden wordt gestraft de kapitein, die het be
paalde in artikel 102 niet nakomt.
Artikel 150
Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten
hoogste driehonderd gulden wordt gestraft de kapitein, die de ver
plichtingen van artikel 110 niet nakomt.
Artikel 151
Met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van ten
hoogste honderd gulden wordt gestraft de kapitein, die de verplich
tingen van de artikelen 115, 116 of 117 niet nakomt.
Artikel 152
Met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van ten
hoogste honderd gulden wordt gestraft de kapitein, die de verplich
tingen van artikel 125 niet nakomt.
Artikel 153
Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten
hoogste driehonderd gulden wordt gestraft de kapitein, die het be
paalde in artikel 126 niet naleeft.
Artikel 154
Met hechtenis van ten hoogste één maand of geldboete van ten
hoogste honderd gulden wordt gestraft de kapitein, die handelt in
strijd met het bepaalde in artikel 131, lid 4.
Artikel 155
Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten
hoogste driehonderd gulden wordt gestraft de kapitein, die het be
paalde in de artikelen 136, 137 of 138 niet naleeft.
Artikel 156
Met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten
hoogste driehonderd gulden wordt gestraft de eigenaar, die de ver
plichtingen van de artikelen 141 of 142 niet nakomt.
Artikel 157
De in dit hoofdstuk gestekle geldboeten worden, voor zover zij door
de strafrechter in de Nederlandse Antillen worden opgelegd geacht
te luiden in het betaalmiddel van de Nederlandse Antillen.
HOOFDSTUK XV
Slotbepalingen
Artikel 158
Het Koninklijke besluit van de 26e November 1932, Staatsblad
No. 563 (Schepenbesluit), zoals dat sedert is gewijzigd, wordt inge
trokken.
Artikel 159
Dit besluit kan worden aangehaald onder de titel van „Schepen
besluit 1952". Het treedt in werking op een door Ons te bepalen
tijdstip.
Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uit
voering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst
en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Sankt Anton, 31 December 1952.
JULIANA.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J. ALGERA.
De Minister voor Uniezaken
en Overzeese Rijksdelen,
W. J. A. KERNKAMP.
Uitgegeven de drie en twintigste Januari 1953.
De Minister van Justitie,
L. A. DONKER.
BIJLAGE I
VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE KEURING VAN
MATERIALEN, ANKERS EN KETTINGEN
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Artikel 1
Indien materialen, bestemd voor de bouw of de herstelling van Toepassing
schepen of scheepswerktuigen, dan wel ankers en kettingen niet zijn
gekeurd door of vanwege een der door Ons erkende particuliere
onderzoekingsbureaux, geschiedt de keuring daarvan door de ambte-
naren van de Scheepvaartinspectie, die daarbij de volgende voor
schriften in acht nemen.
Artikel 2
in
beproevinê yan het materiaal naar de hoedanigheid geschiedt Beproeving naar
in een beproevingstoestel, dat blijkens een certificaat, afgegeven door hoedanisheid
het Centraal Instituut voor Materiaalonderzoek of door een keurines-
geijkta 10r'um' dat daartoe door dit instituut is bevoegd verklaard,"is
Artikel 3
1. De kosten van de beproeving komen ten laste van de betrok-Kosten beproe-
ken scheepsbouwmeester of machinefabrikant.
ving
2
Wenst de scheepsbouwmeester of de machinefabrikant, dat het
materiaal in een buitenslands gelegen inrichting wordt gekeurd dan
komen de reis- en verblijfkosten van de ambtenaar van de Scheep
vaartinspectie, die belast is met het waarmerken der proefstaven en
met de keuring, volgens een door Onze Minister vastgesteld tarief,
mede voor zijn rekening.
Deze beproevingsinrichting moet door een in het betrokken land
bevoegde instantie geijkt zijn. Een geldig bewijs moet hiervan wor
den overgelegd.
Artikel 4
Elke beproeving of keuring mag door de betrokken scheepsbouw-Bijwonen
meester of machinefabrikant of zijn gemachtigde worden bijgewoond, beproeving
HOOFDSTUK II
Keuren, afkeuren en herkeuren
Artikel 5
1. De voorschriften betreffende maatafwijkingen, keuze en aan- ™
,M ,
wijzing van proefstukken, keuring, afkeuring, herkeuring, wijze en"
middelen van beproeving, keuringseisen en al wat daarbij behoort,
Bijlage I
zoals deze zijn vastgesteld door de Hoofdcommissie voor de Nor
malisatie in Nederland op de desbetreffende normaalbladen, zijn van
gelijke kracht als de bepalingen van dit besluit, voorzover zij daar
mede niet in strijd zijn.
2. Waar in de normaalbladen wordt gesproken van de „besteller
of diens gemachtigde", moet voor de toepassing van deze bijlage
worden gelezen „ambtenaar van de Scheepvaartinspectie", terwijl de
„leverancier" volgens voornoemde bepalingen de „scheepsbouwmees
ter of machinefabrikant" is.
Artikel 6
Merken proef-
De proefstukken, zowel als de stukken, waaraan deze zijn ont-
stukken
leend, worden door de met de keuring belaste ambtenaar voorzien van
het hiernavolgend slagmerkteken.
Artikel 7
Afkeuringsmerk
Afgekeurde voorwerpen worden door de met de keuring belaste
ambtenaar voorzien van het in artikel 6 bedoelde slagmerkteken,
waardoor een
geslagen wordt.
Artikel 8
Gevallen, waarin
Het betrokken Districtshoofd van de Scheepvaartinspectie kan voor
niet wordt ge-
Gepaaide gevallen, met het oog op de aard van het werk, waarvoor
het materiaal moet worden gebruikt, gedeeltelijk van het nemen van
proeven afzien. Indien het in dergelijke gevallen zeer kleine partijen
betreft, kan door hem de keuring achterwege worden gelaten.
Artikel 9
Regeling voor be-
1. Al het walsmateriaal, dat door de met de keuring belaste
proeving op « ais- ambtenaar direct op het walswerk wordt gekeurd, moet vanwege
werken
walswerk worden voorzien van ingeslagen merken, waardoor het wals
werk en het nummer van gieting (charge) van het materiaal, waarui
elk stuk gewalst is, worden aangegeven.
2. Tevens wordt het materiaal voorzien van duidelijk met oheveri
geschilderde merken en nummers, zodat voor vergelijking met de
Bijlage I
gespecificeerde walslijsten de identiteit van elk stuk onomstotelijk
kan worden vastgesteld.
3. Afschriften van deze lijsten worden voor elke vanwege de
Scheepvaartinspectie te keuren partij in tweevoud aan de met de
keuring belaste ambtenaar ter hand gesteld.
4. Mede moet aan die ambtenaar een door de directie of door de
verantwoordelijke bedrijfsleider van het werk, waar de gieting plaats
vond, ondertekende verklaring worden overhandigd, inhoudende, dat
het ter keuring aangeboden materiaal vervaardigd is volgens het
open-haardproces (dus in generatorovens of volgens een gelijk
waardig proces) vergezeld van de opgaaf, betreffende de nummers
van de gieting. Indien de ambtenaar zulks verlangt, moet hem inzage
verleend worden van de lijsten der gietingen, indien althans het mate
riaal gegoten werd op dezelfde plaats als waar het walswerk is ge
legen. Had de gieting elders plaats, dan heeft hij het recht ook daar
inzage van deze lijsten te verlangen.
5. Alle platen en staven, behorende tot de te keuren partijen
moeten zodanig gereed gelegd worden, dat de aanwijzing van de proef
stukken en de afstempeling vlot kunnen verlopen.
6. Zij moeten ten bewijze, dat aan de beproeving voldaan is, elk
op twee plaatsen duidelijk worden gemerkt met het in artikel 6 be
doelde slagmerkteken.
7. Wordt de partij geheel of gedeeltelijk afgekeurd, dan wordt ten
teken daarvan door elk der ingeslagen merken van de Scheepvaart
inspectie op ieder stuk van de afgekeurde hoeveelheid op duidelijke
wijze een kruis van centerpunten ingeslagen, als aangegeven in
artikel 7.
8.
Na afloop van de beproeving voorziet de met de keuring belaste
ambtenaar de hem in tweevoud verstrekte gespecificeerde walslijsten
van de mededeling, dat het daarop aangegeven materiaal voldoet aan
de gestelde eisen, dan wel welk gedeelte daarvan niet voldoet, onder
tekent deze en geeft van elke lijst een exemplaar terug aan de ver
tegenwoordiger van de directie van het walswerk, ter doorzending
naar de werf of fabriek van aanbouw, die het materiaal besteld heeft.
Het andere exemplaar wordt door de ambtenaar gezonden aan het
Districtshoofd van de Scheepvaartinspectie, onder wiens toezicht de
betreffende bouw of herstelling plaats heeft.
Artikel 10
Afkeuring van elk onderdeel der levering kan te allen tijde, ook Afkeuring
tijdens en na de bewerking, plaats hebben bij elk voorwerp, dat ge
breken vertoont, ook wanneer deze gebreken materiaalfouten zijn,
welke bij de materiaalkeuring niet zijn opgemerkt.
Bijlage I
HOOFDSTUK III
Ankers en kettingen
Artikel 11
Ankers
1, Elk ter beproeving aangeboden anker moet voorzien zijn van
een goed leesbaar slagmerk en ingeslagen nummer, onderscheidenlijk
aanduidend de naam van de fabrikant en het doorlopend fabrikatie-
nummer.
2. Tevens moeten het gewicht van het anker (zonder stok) en dat
van de eventueel bijbehorende stok (beide afzonderlijk gewogen)
duidelijk op de schacht van het anker zijn ingeslagen.
3. Ankers van een gewicht, 70 kilogram niet te boven gaande,
worden in de regel niet beproefd.
4. Nadat de voorgeschreven belastingproef met goed gevolg heeft
plaats gehad, wordt onder de in lid 2 genoemde merken door of
ten overstaan van de met de keuring belaste ambtenaar het merk
teken van de Scheepvaartinspectie ingeslagen.
5. Waar in deze bijlage van het gewicht van het anker wordt
gesproken, rekent men het gewicht zonder stok.
Artikel 12
Beproeving van
i. Ankerdelen van gegoten staal zijn, wat de materiaalproeven
ankers
betreft, onderworpen aan de proeven, welke door de Hoofdcommissie
voor de Normalisatie in Nederland in de normaalbladen voor giet
stalen voorwerpen zijn vastgesteld.
2. Bovendien moeten alle delen van gegoten staal onderworpen
worden aan een valproef, welke zij zonder te breken, te scheuren of
andere belangrijke beschadiging moeten kunnen doorstaan. Hierbij
laat men zulk een gegoten stalen onderdeel (of indien het anker uit
één stuk gegoten is, het gehele anker) vallen over een vrije valhoogte
van 4,50 meter voor ankers lichter dan 750 kilogram, over een hoogte
van 4 meter voor ankers van 750 tot 1500 kilogram en over een hoogte
van 3 meter voor zwaardere ankers. Het voorwerp moet bij die val
neerkomen op een zo zware ijzeren of stalen grondplaat, dat deze
niet breekt of scheurt. De grondplaat moet door een massieve gemet
selde of betonnen fundatie worden gesteund.
3.
Een hamerproef moet op de in lid 2 bedoelde valproef volgen,
waarbij alle delen van gegoten staal, vrij opgehangen, met een hamer
van drie kilogram worden beklopt tot onderzoek naar niet zichtbare
gebreken.
4. Indien uit een overgelegd certificaat blijkt, dat de in de vorige
leden van dit artikel genoemde proeven ten aanzien van onderdelen
van overigens niet onder toezicht van een erkend particulier onder
zoekingsbureau geleverde ankers, reeds met goed gevolg ten overstaan
Bijlage I
van een vertegenwoordiger van zulk een bureau hebben plaats gehad,
worden deze proeven niet herhaald.
5. Echter worden alle ankers (onverschillig uit welk materiaal
vervaardigd), uitgezonderd dreggen en, indien zulks speciaal verzocht
wordt, die bedoeld in artikel 11, lid 3, onderworpen aan een be-
lastingproef. Deze proef wordt genomen op een kettingtrekbank
of andere geschikte gelegenheid.
Tabel I geeft in verband met het gewicht van het anker de belas
ting aan. Artikel 2 is hier eveneens van toepassing.
6.
Voor de belastingproef wordt het te beproeven anker zodanig
opgehangen, dat de trekkracht aan de ene zijde aangrijpt aan de
roering (dus bij het boveneind van de schacht) en aan de andere
zijde aan één der vloeien (bij stokloze ankers aan beide vloeien) op
1/3 van de lengte van de arm van de vloei, van de punt van de vloei
gemeten. Met deze lengte wordt de afstand bedoeld van de punt van
de vloei tot het snijpunt van de hartlijn der schacht met ondereind
anker. Bij ankers met een scharnierende schacht neemt men voor deze
lengte de loodrechte afstand tussen de punt van de vloei en de hartlijn
van het scharnier. Elk anker wordt tweemaal beproefd. Na de eerste
beproeving wordt het anker gedraaid, zodat bij ankers met stok de
andere vloeiarm belast wordt en bij stokloze ankers beide vloeien aan
de keerzijde belast worden.
7. Gedurende en na afloop van de beproeving wordt het anker
nagezien om te constateren of zich gebreken, als scheuren, blijvende
vormveranderingen, enz., voordoen. Indien dit het geval is, wordt het
anker afgekeurd. Bij ankers met scharnierende schacht wordt boven
dien nagezien of de scharnierpunten gangbaar zijn gebleven. Zo niet
dan wordt dit hersteld en de proef herhaald.
Artikel 13
1. Behalve de eindschalmen en de onmiddellijk daarop aan- Ankerkettingen
sluitende grote schalmen aan elk kettingeind, moeten alle overige
schalmen van gelijke grootte zijn. In de lengte- en breedte-afmetingen
wordt voor de gewone schalmen ten hoogste 3 percent, voor de overige
schalmen en de sluitings tussen de kettingeinden 2 percent speling in
meer of minder toegestaan. De speling van de middellijnen van de
schalmdoorsnede mag naar beneden niet meer bedragen dan:
voor ketting van kettingijzer met een middellijn kleiner dan 50
millimeter: 1 millimeter;
voor idem van 50 tot en met 75 millimeter: 1,5 millimeter;
voor idem groter dan 75 millimeter: 2 millimeter.
2.
Elk kettingeind moet uit een oneven aantal schalmen bestaan.
3.
Wartels mogen alleen aan de uiteinden van de gehele ketting
voorkomen; plaatsing in een afzonderlijke voorloopketting verdient
de voorkeur.
Bijlage I
4. De kettingen mogen vóór de beproeving noch geschilderd, noch
geolied, noch met enig ander smeersel bedekt zijn.
5.
Elk kettingeind van ongeveer 15 vadem of korter wordt, zodra
het blijkt voldaan te hebben aan de voorschriften, op beide eind-
schalmen en op alle sluitings, eindharpen en wartels door of ten
overstaan van de met de keuring belaste ambtenaar met het slagmerk
teken van de Scheepvaartinspectie duidelijk gemerkt. Is het kettingemd
langer dan ongeveer 15 vadem, dan wordt bovendien ongeveer om
de 8 meter een van de gewone schalmen op deze wijze gemerkt.
Artikel 14
Beproeving van
\ Alle kettingeinden, ook voorloopkettingen, behorende tot het
anke,kettingen
ank'
rei van een schip, moeten worden beproefd. Hiertoe worden
alle schalmen, wartels, sluitings en eindharpen, welke tot zulk een eind
behoren, alsmede de bij de ketting eventueel behorende reserve-
sluitings en harpen, onderworpen aan een rekproef, zoals in tabel
voor de verschillende zwaarten van ketting is voorgeschreven. Enigs
zins belangrijke vormveranderingen, breuken of andere uitwendige
tekenen van beschadiging mogen zich daarbij niet voordoen. Indien
zulks het geval mocht zijn, wordt het betrokken eind ketting of reserve-
deel afgekeurd. Artikel 2 is hier eveneens van toepassing.
2. Voordat tot deze rekproef wordt overgegaan, kunnen door de
keuringsambtenaar, overal waar deze zulks wenselijk acht, drie op
volgende gewone schalmen uit een kettingeind voor een proef met ver
hoogde belasting, de zogenaamde breekproef, worden aangewezen.
Echter wordt nimmer uit elke 15 vadem meer dan een eerste breek
proef aangewezen, terwijl het in de regel ook met nodig zal zijn in
elk kettingeind zulk een breekproef aan te wijzen. Bij deze breek
proef mogen de schalmen niet breken beneden of bij een belasting als
in de in het eerste lid bedoelde tabel is aangegeven voor elke zwaarte
van ketting. Breekt één van de drie schalmen voordat de belasting
overschreden is, dan moet een tweede serie van drie opvolgende
schalmen uit hetzelfde eind worden onderworpen aan dezelfde proel
Treedt er dan nogmaals een breuk op, dan wordt het betrokken
kettingeind afgekeurd.
3.
Na afloop van de breekproef worden de drie hoogbelaste ^bal-
men uit het kettingeind verwijderd en de ketting weder tot een gehee
gemaakt, door één of drie nieuwe schalmen tussen beide gedeelten te
brengen. Daarna kan tot de in het eerste lid van dit artikel genoemde
rekproef worden overgegaan.
4
Na afloop van de rekproef wordt elk kettingeind grondig
nagezien om vast te stellen of de lassen in orde zijn de verschillende
delen de vereiste vorm en de vereiste afmetingen hebben en gebreken
afwezig zijn. Bij het voorkomen van gebreken, moeten deze worden
hersteld en het kettingeind daarna opnieuw aan de rekproef worden
onderworpen.
Bijlage I
Tabel I
ANKERS
Gewicht van het
Belastingproef
Gewicht van het
Belastingproef
anker *) zonder
in tonnen van
anker l) zonder
in tonnen van
stok in kg
1000 kg
stok in kg
1000 kg
75
3,38
1 000
21,10
80
3,55
1 050
21,97
90
3,82
1 100
22,70
100
4,09
1 150
23,50
110
4,36
1 200
24,25
120
4,62
1 250
25,14
130
4,88
1 300
26,03
140
5,12
1 350
26,80
150
5,36
1 400
27,56
165
5,71
1 450
28,32
180
6,06
1 500
29,08
200
6,49
1 550
30,10
225
7,02
1 600
30,73
250
7,54
1 650
31,37
275
8,03
1 700
32,13
300
8,51
1 750
32,90
325
8,98
1 800
33,65
350
9,43
1 850
34,39
375
9,88
1 900
35,05
400
10,31
1 950
35,70
425
10,80
2 000
36,30
450
11,30
2 050
37,08
475
11,78
2 100
37,72
500
12,20
2 150
38,48
525
12,60
2 200
39,24
550
13,08
2 250
39,88
575
13,59
2 300
40,50
600
14,10
2 350
41,10
650
14,98
2 400
41 60
700
15,87
2 450
42,20
750
16,76
2 500
42 8
800
18,00
2 550
43 4
850
18,50
2 600
44 0
900
19,30
2 650
44 6
950
20,20
2 700
45 2
') Bij stokloze ankers gewicht van het anker.
Bijlage I
Gewicht van het
Belastingproef
Gewicht van het
Belastingproef
ankerl) zonder
in tonnen van
anker 1) zonder
in tonnen van
stok in kg
1000 kg
stok in kg
1000 kg
2 750
45,7
4 500
64,0
2 800
46,2
4 550
64,5
2 850
46,8
4 600
65,0
2 900
47,3
4 650
65,5
2 950
47,8
4 700
66,0
3 000
48,4
4 800
66,9
3 050
49,0
4 900
67,8
3 100
49,6
5 000
68,7
3 150
50,1
5 100
69,5
3 200
50,6
5 200
70,3
3 250
51,2
5 300
71,1
3 300
51,7
5 400
71,9
3 350
52,2
5 500
72,7
3 400
52,7
5 600
73,5
3 450
53,2
5 700
74,3
3 500
53,7
5 800
75,1
3 550
54,3
5 900
75,8
3 600
54,9
6 000
76,5
3 650
55,4
6 100
77,2
3 700
56,0
6 200
77,9
3 750
56,5
6 300
78,6
3 800
57,0
6 400
79,3
3 85°
57,5
6 500
80,0
3 900
58,0
6 600
80,7
3 950
58,5
6 700
81,4
4 000
59,0
6 800
82,0
4 050
59,5
6 900
82,6
4 100
60,0
7 000
83,2
4 150
60,5
7 100
83,8
4 200
61,0
7 200
84,4
4 250
61,5
7 300
85,0
4 300
62,0
7 400
85,6
4 350
62,5
7 500
86,2
4 400
63,0
7 600
86,7
4 450
63,5
7 700
87,2
') Bij stokloze ankers gewicht van het anker.
Bijlage I
Gewicht van het
Belastingproef
Gewicht van het
Belastingproef
anker ]) zonder
in tonnen van
anker ') zonder
in tonnen van
stok in kg
1000 kg
stok in kg
1000 kg
7 800
87,7
9 800
97 3
8 000
88,7
10 000
982
8 200
89,7
10 300
99's
8 400
90,7
10 600
100*8
8 600
91,7
10 900
102,1
8 800
92,7
11 200
103 3
9 000
93,7
11 500
104 5
9 200
94,6
11 800
105,6
9 400
95,5
12 100
106,7
9 600
96,4
12 400
107 8
*)
Bij stokloze ankers gewicht van het anker.
Bijlage I
Tabel II
KETTINGEN
Kettingen met dam
Kettingen zonder dam
Ketting-
~~
ijzer
Breekproef
Rekproef Gewicht per Breekproef
Rekproef
diameter
tonnen van tonnen van strekkende tonnen van tonnen van
in mm
1000 kg
1000 kg
meter in kg
1000 kg
1000 kg
11
4,57
2,29
12
5,44
2,72
13
6,39
3,19
14
7,41
3,70
15
9,57
6,15
4,8
8,50
4,25
16
10,89
7,09
5,5
9,67
4,84
17
12,29
8,13
6,2
10,92
5,46
18
13,78
9,14
7,0
12,25
6,12
19
15,35
10,19
7,8
13,65
6,82
20
17,01
11,25
8,6
15,12
7,56
21
18,75
12,45
9,5
16,67
8,33
22
20,58
13,62
10,4
18,30
9,15
23
22,50
14,94
11,4
20,00
10,00
24
24,50
16,26
12,4
21,77
10,88
25
26,58
17,68
13,5
23,63
11,81
26
28,75
19,11
14,6
25,55
12,78
27
31,00
20,62
15,7
27,56
13,78
28
33,34
22,20
16,9
29,64
14,82
29
35,77
23,86
18,1
31,79
15,89
30
38,27
25,52
19,4
34,02
17,00
31
40,87
27,21
20,7
36,33
18,16
32
43,58
29,06
22,1
38,37
19,37
33
46,31
30,87
23,5
41,17
20,58
34
49,16
31,34
24,9
43,70
21,85
35
52,10
34,65
26,4
46,31
23,15
36
55,11
36,63
27,9
48,99
24,49
37
58,20
38,71
29,5
51,71
25,86
38
60,30
40,84
31,1
54,55
27,28
39
61,40
42,92
32,8
57,46
28,73
40
i
63,50
45,26
34,5
60,44
30,22
Onder breekproef wordt verstaan de proef, waarbij drie opvolgende
schalmen belast worden, zonder dat een breuk beneden of bij de aange
geven belasting mag ontstaan.
Onder rekproef wordt verstaan de proef, waarbij elk geheel eind ketting
belast wordt zonder dat een breuk of nadelige vormverandering zich bene
den of bij de aangegeven belasting mag voordoen.
Bijlage I
Ketting-
Kettingen met dam
| Kettingen zonder dam
ijzer
Breekproef
Rekproef Gewicht per Breekproef
Rekproef
diameter
tonnen van tonnen van strekkende tonnen van tonnen van
in mm
1000 kg
1000 kg
meter in kg
1000 kg
1000 kg
41
66,70
47,58
36,2
63,51
31,76
42
70,00
49,99
38,0
66,64
33,32
43
73,40
52,43
39,8
69,85
34,93
44
76,80
54,86
41,7
73,14
36,57
45
80,40
57,40
43,6
76,50
38,25
46
84,00
59,96
45,6
79,94
39 97
47
87,70
62,59
47,6
83,45
4L73
48
91,40
65,26
49,6
87,04
43,52
49
95,30
67,95
51,7
90,70
45,35
50
99,20
70,77
53,9
94,44
47,22
51
103,20
73,68
56,1
98,26
49 13
52
107,30
76,61
58,3
102,15
51,08
53
Ul.50
78,84
60,5
106,12
53,06
54
H5,70
82,70
62,8
110,16
55,08
55
120,00
85,85
65,2
114,28
57,14
Kettingen met dam
Kettingijzer
diameter
Breekproef
Rekproef
Gewicht per
in mm
tonnen van
tonnen van
strekkende meter
1000 kg
1000 kg
in kg
56
124,4
89,00
67,7
57
128,9
92,15
70,0
58
133,5
95,40
72 5
59
138,1
98,65
75,0
60
142,9
102,01
77,6
61
147,7
105,46
80,2
62
152,5
108,92
82,8
63
157,5
112,47
85,5
64
162,0
115,62
88,3
65
165,7
118,56
91,1
66
169,4
121,11
93,9
67
173,2
123,64
96,7
68
177,0
126,39
99 6
69
180,8
129,03
102,6
70
184,6
131,27
105,6
Bijlage I
Kettingen met dam
diameter61
Breekproef
Rekproef
Gewicht per
in mm
tonnen van
tonnen van
strekkende meter
1000 kg
1000 kg
in kg
71
188,3
134,42
108,6
72
192,0
137,06
111,7
73
195,8
139,70
114,8
74
199,5
142,34
118,0
75
203,1
144,98
121,2
76
206,8
147,62
124,5
77
210,4
150,27
127,8
78
214,0
152,81
131,1
79
217,4
155,35
134,5
80
221,0
157,89
137,9
81
224,5
160,32
141,4
82
228,0
162,86
144,9
83
231,4
165,30
148,4
84
234,8
167,64
152,0
85
238,1
170,08
155,7
86
241,4
172,42
159,4
87
244,7
174,75
163,1
88
248,0
177,20
166,9
89
251,2
179,43
170,6
90
254,4
181,66
174,5
91
257,5
183,86
178,4
92
260,6
186,04
182,3
93
263,6
188,07
186,2
94
266,6
190,36
190,2
95
269,5
192,35
194,2
96
272,2
194,40
198,2
97
274,9
196,30
202,3
98
277,6
198,30
206,5
99
280,2
200,20
210,7
100
282,7
202,00
215,0
BIJLAGE II
CONSTRUCTIE VAN PASSAGIERSSCHEPEN
HOOFDSTUK I
Voorschriften in verband met de waterdichte indeling
Artikel 1
Deze bijlage is van toepassing op schepen, welke een internationale Toepassing
reis maken en bestemd zijn voor het vervoer van meer dan 12 passa
giers, zulks met inachtneming van het bepaalde in artikel 2 van
bijlage III.
Artikel 2
Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:
Omschrijvingen
indelingslastlijn: de waterlijn, gebruikt bij de vaststelling van de
waterdichte indeling van het schip;
bovenste indelingslastlijn: de waterlijn, welke bij de grootste toe
gelaten diepgang behoort;
lengte van het schip: de lengte, gemeten tussen de loodlijnen aan
de einden van de bovenste indelingslastlijn;
breedte van het schip: de grootste breedte, gemeten op de buiten
kant van de spanten, op of beneden de bovenste indelingslastlijn;
schottendek: het bovenste dek tot hetwelk de waterdichte dwars-
schotten zijn opgetrokken;
indompelingsgrenslijn: een lijn gedacht op het scheepsboord even-
wïjdig aan en op een afstand van 76 millimeter onder de aansnijding
van de bovenzijde van het schottendek met dit boord;
diepgang: de verticale afstand van de lijn van onderkant spanten
tot de indelingslastlijn, gemeten op het midden van de lengte;
permeabiliteit van een ruimte: het aantal percenten van de inhoud
van die ruimte, dat door water kan worden ingenomen;
voortstuwingsgedeelte: het gedeelte van het schip, dat zich uitstrekt
van de lijn van onderkant spanten tot het vlak van de indompelings
grenslijn en in lengterichting begrensd wordt door de uiterste water
dichte hoofddwarsschotten van de afdelingen, waarin zich de hoofd
en hulpwerktuigen voor de voortstuwing bevinden met de eventueel
daarvoor aanwezige stoomketels en permanente kolenruimen.
Bijlage II
Indien het voortstuwingsgedeelte niet op de gebruikelijke wijze
is ondergebracht, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bepalen,
welke ruimten daartoe moeten worden gerekend;
passagiersruimten: de ruimten, die zijn ingericht voor de huisvesting
van en voor het gebruik door passagiers. Hieronder worden echter
de ruimten, bestemd voor bagage, levensmiddelen en andere voorraden,
zomede de post, niet gerangschikt.
Voor de toepassing van de artikelen 5 en 6 worden tevens de
ruimten, welke onder de indompelingsgrenslijn voor de huisvesting
van en het gebruik door de bemanning zijn ingericht, als passagiers
ruimten beschouwd.
Artikel 3
Inzenden van de
1. De volledige berekening betreffende de waterdichte indeling
berekening
mgt bjjbehoren(je plan- en lijnentekeningen, diagrammen en schotten-
krommen, volgens een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
goed te keuren methode en in een door deze bepaalde vorm, moeten
aan hem in drievoud ter goedkeuring worden ingezonden.
2. In alle berekeningen worden inhouden bepaald tot buitenkant
spanten en verstijvingen.
Artikel 4
Vulbare lengte
1. De vulbare lengte moet voor elk punt van de scheepslengte
worden bepaald door een wijze van berekening, waarbij de vorm, de
diepgang en andere bijzondere kenmerken van het schip in aanmerking
worden genomen.
De vulbare lengte op zeker punt van de scheepslengte is voor een
schip met een doorlopend schottendek dat deel der scheepslengte, dat
als midden het bedoelde punt heeft en waarover het schip onder de
in artikel 5 aangenomen en omschreven omstandigheden moet vol
lopen om tot de indompelingsgrenslijn in te zinken.
2. De bepaling van de vulbare lengte op elk punt van de
scheepslengte geschiedt door de constructie van een schottenkromme.
Hierbij moet worden gebruik gemaakt van de permeabiliteit van de
verschillende ruimten, zoals deze volgens artikel 5 wordt bepaald.
3.
De vaststelling van de waterdichte indeling geschiedt op de
in artikel 6 bepaalde wijze met behulp van de in lid 2 bedoelde vul
bare lengten.
4.
Voor een schip,'dat geen doorlopend schottendek heeft, moet
de vulbare lengte op zeker punt worden bepaald tot een aangenomen
doorlopende indompelingsgrenslijn. Deze wordt op het scheepsboord
getrokken gedacht op een bepaalde afstand onder de aansnijding in
de zijde van het boord met de bovenzijde van het dek, tot hetwelk de
in aanmerking komende schotten en de scheepshuid waterdicht zijn
opgetrokken. Deze afstand mag op geen enkel punt kleiner zijn dan
76 millimeter.
Bijlage II
5. Indien een aangenomen indompelingsgrenslijn over een zekere
lengte op een behoorlijke afstand is gelegen onder de aansnijding
in de zijde van het boord met de bovenzijde van het dek, tot hetwelk
de in aanmerking komende schotten zijn opgetrokken, kan het Hoofd
van de Scheepvaartinspectie een beperkte vrijstelling verlenen voor
zover betreft de waterdichtheid van deze schotten boven de indom
pelingsgrenslijn onmiddellijk onder genoemd dek.
Artikel 5
1. De in lid 2 van artikel 4 genoemde permeabiliteit heeft uit-Permsabiliteit
sluitend betrekking op onder het vlak van de indompelingsgrenslijn
gelegen ruimten of gedeelten van ruimten. Bij de bepaling van de vul-
bare lengten moet men een gemiddelde permeabiliteit aannemen voor
de gehele lengte van elk van de volgende gedeelten van het schip onder
de indompelingsgrenslijn:
(a) het voortstuwingsgedeelte;
(b) het gedeelte vóór het voortstuwingsgedeelte,
(c) het gedeelte achter het voortstuwingsgedeelte.
2. (a) Voor stoomschepen moet de gemiddelde permeabiliteit
voor het gehele voortstuwingsgedeelte worden bepaald door de for
mule:
80 + 12,5
waarin
v
a = de inhoud van de passagiersruimten, als omschreven in artikel
2, welke binnen de begrenzing van het voortstuwingsgedeelte onder
de indompelingsgrenslijn zijn gelegen;
c=de totale inhoud van de tussendeksruimten, welke binnen de be
grenzing van het voortstuwingsgedeelte onder de indompelingsgrens
lijn zijn gelegen en bestemd zijn voor de berging van lading, steen
kolen of voorraden;
v = de totale inhoud van het voortstuwingsgedeelte onder de in
dompelingsgrenslijn.
(b) Voor motorschepen moet het getal, dat de gemiddelde per
meabiliteit volgens de in (a) genoemde formule aangeeft, met 5 wor
den vermeerderd.
(c) Indien ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaart
inspectie wordt aangetoond, dat de door rechtstreekse berekening
bepaalde gemiddelde permeabiliteit kleiner is dan die, welke door de
formule wordt verkregen, mag de rechtstreeks berekende waarde in
plaats van deze laatste worden ingevoerd.
Bij deze rechtstreekse berekening moet de permeabiliteit van onder
de indompelingsgrenslijn gelegen passagiersruimten, als omschreven
Bijlage II
in artikel 2 op 95 worden gesteld, die van alle ruimten bestemd voor
lading, kolen en voorraden op 60 en die van dubbele-bodem-, brand-
stofolie- en andere tanks op zodanige waarde, als voor elk geval door
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zal worden goedgekeurd.
3. Behalve in het in lid 4 omschreven geval moet de gemiddelde
permeabiliteit over de gehele lengte van het gedeelte vóór dan wel
achter het voortstuwingsgedeelte worden bepaald met behulp van de
formule:
a
63 + 35 —, waarin
v
a = de inhoud van de passagiersruimten, als omschreven in artikel
2, welke vóór, dan wel achter het voortstuwingsgedeelte onder de in
dompelingsgrenslijn zijn gelegen;
v = de gehele inhoud van het gedeelte van het schip, dat onder
de indompelingsgrenslijn vóór, dan wel achter het voortstuwings
gedeelte is gelegen.
4. Voor een schip, dat ingevolge artikel 56 onder ( d ) van het
Schepenbesluit meer passagiers mag vervoeren dan waarvoor ruimte in
de reddingboten beschikbaar is en dat aan ds bijzondere standaard
voor de waterdichte indeling volgens lid 4 van artikel 6 van dit hoofd-
stuk moet voldoen, moet de gemiddelde permeabiliteit over de gehele
lengte van het gedeelte vóór, dan wel achter het voortstuwingsgedeelte
worden bepaald met behulp van de formule.
b
95 — 35 —, waarin
v
b = de inhoud van de ruimten vóór, dan wel achter het voort
stuwingsgedeelte tussen de indompelingsgrenslijn en de bovenkant van
de vrangen, de top van de dubbele bodem of van de piektanks, naar
gelang van de constructie en die bestemd zijn en gebruikt worden
voor lading, steenkolen of brandstofolie, voorraden, bagage en post,
ankerkettingen of zoetwater;
v = de gehele inhoud van het gedeelte van het schip, dat onder
de indompelingsgrenslijn vóór, dan wel achter het voortstuwings
gedeelte is gelegen.
.
.
Indien het schip wordt gebruikt in een dienst, waarin de laadruimen
in het algemeen niet door lading van enige omvang worden in
genomen, mag geen van deze ruimen voor de bepaling van de inhoud
volgens b in aanmerking worden genomen.
5. Indien de inrichting van de gedeelten vóór of achter het voort
stuwingsgedeelte afwijkt van de normale kan het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie toestaan of eisen, dat de gemiddelde permea-
biliteit van deze gedeelten door gedetailleerde berekening wordt be
paald. Bij deze gedetailleerde berekening moet de permeabiliteit van
passagiersruimten, als omschreven in artikel 2, worden gesteld op 95,
die van ruimten, ingenomen door machines, welke voor het bedrijf
aan boord nodig zijn, op 80, die, ingenomen door lading, kolen of
voorraden op 60 en die van dubbele-bodem-, brandstofolie- en
andere tanks op zodanige waarde, als voor elk geval door het Hoofd
van de Scheepvaartinspectie wordt goedgekeurd.
6. Indien een tussendeksafdeling tussen twee waterdichte schotten
een passagiers- of bemanningsruimte bevat, moet deze gehele tussen
deksafdeling als passagiersruimte worden beschouwd, met uitzonde
ring van die gedeelten, welke volkomen door vaste stalen schotten zijn
ingesloten en voor andere doeleinden zijn bestemd. Indien echter
de bedoelde passagiersruimte volkomen binnen vaste stalen schotten
is ingesloten, moet slechts de aldus ingesloten ruimte als passagiers
ruimte worden beschouwd.
Artikel 6
1.
De toelaatbare lengte van een afdeling, welke haar midden in Toelaatbare leng-
enig punt van de lengte van het schip heeft, moet uit de vulbare lenate -"MT af<Jd'"gcn,
worden verkregen door deze te vermenigvuldigen met een bepaalde m c,ngsactor
factor, welke de indelingsfactor wordt genoemd. Deze factor is op
hierna aangegeven wijze afhankelijk van de lengte van het schip
zodanig dat hij bij toenemende lengte geleidelijk kleiner wordt!
De indelingsfactor is tevens op de hierna aangegeven wijze afhanke
lijk van het criterium van dienst. Indien de lengte 131 meter of groter
is, worden de grenzen, waartussen de indelingsfactor voor een schip
van gegeven lengte ligt, gevormd door een factor A, welke van toe
passing is op schepen, die slechts weinig passagiers en hoofdzakelijk
vracht vervoeren en een factor B, welke van toepassing is op schepen,
die hoofdzakelijk passagiers vervoeren. Indien de lengte kleiner is dan
131 meter, doch niet kleiner is dan 79 meter, geschiedt de bepaling
van de indelingsfactor voor een schip van gegeven lengte op de in
, ? aangegeven wijze, in welk geval van de beide factoren A en B
slechts factor B behoeft te worden berekend. De grootte van de
factoren A en B wordt uitgedrukt door de volgende formules (1)
en (2), waarin L de lengte van het schip in meters voorstelt, als aan
gegeven m artikel 2.
58>2
A ~ l 60 + °'18
= 131 meter en groter)
(1)
D
30,3
a — l 42 + 0,18 (L = 79 meter en groter)
(2)
Indien de lengte kleiner is dan 79 meter, geschiedt de bepaling van
le indelingsfactor zoals in lid 3 onder (c) is voorgeschreven.
Bijlage II
Bijlage II
2
Criterium van dienst. Nadat voor een schip van gegeven lengte
de factoren A en B zijn vastgesteld, wordt de juiste waarde van de
indelingsfactor bepaald met behulp van een getal, dat het criterium
van dienst aangeeft. Dit getal is het criteriumgetal, dat bepaald wordt
door de formule:
C = 72 ^
^ ^— indien Pi groter is dan P,
(3)
v + Pi —P
en in andere gevallen door de formule:
M + 2P
(4)
Cs = 72 ——,
w
waarin:
Cs = het criteriumgetal;
M = de inhoud van het voortstuwingsgedeelte, als omschreven in
artikel 2, vermeerderd met de inhoud van alle vaste brandstofolie-
ruimen, welke zich boven de dubbele bodem en voor of achter het
voortstuwingsgedeelte bevinden;
P = de gezamenlijke inhoud van de passagiersruimten als om
schreven in artikel 2, gelegen onder de indompelingsgrenslijn;
V = de gehele inhoud van het schip onder de indompelingsgrens
lijn;
Pi = KN, waarin:
N = aantal passagiers, waarvoor het schip bestemd is,
K = 0,056 L, waarin:
L = de lengte van het schip in meters, als in artikel 2 is om-
0IIWanneer de waarde van KN groter is dan de som van P en de
gehele inhoud van de werkelijke passagiersruimten boven de mdompe-
lingsgrenslijn, moet voor P, die som of de waarde van 2/3 KN wor
Hf»n ppnomen welke van de twee de grootste is.
Voor schepen welke geen doorlopend schottendek hebben, moeten
voor de bepaling van de vulbare lengten, de inhouden tot de aan
genomen indompelingsgrenslijn worden genomen.
3
Bepalingen betreffende de waterdichte indeling van schepen,
met uitzondering van die, bedoeld in lid 4 van dit artikel.
( a ) De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen met
Bijlage II
factor B volgens formule (2) worden geregeld en die van zulke schepen
met een criteriumgetal tussen 23 en 123 door een factor F, welke door
lineaire interpolatie tussen de factoren A en B wordt verkregen
volgens de formule:
F _ A _ < A - B ) ( C , - 2 3 )
( 5 I
100
Indien de factor F kleiner is dan 0,4 en ten genoegen van het
Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond, dat het ten
aanzien van een voortstuwingsgedeelte praktisch onuitvoerbaar is
de factor F toe te passen, mag de schottenindeling van zulk een ge
deelte door een grotere factor worden geregeld, mits deze niet groter
dan 0,4 wordt genomen.
(b) De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen met
een lengte, kleiner dan 131 meter, doch niet kleiner dan 79 meter,
waarvan het criteriumgetal een grootte heeft, gelijk aan S, waarbij
3574 — 25L „ .
=
—
(L m meters),
wordt geregeld door middel van de factor één.
Indien het criteriumgetal voor schepen van die lengte = 123 of
groter is, wordt de waterdichte indeling door de factor B volgens for
mule (2) geregeld.
Indien het criteriumgetal voor schepen van die lengte een grootte
heeft tussen S en 123, wordt de waterdichte indeling geregeld door
de factor F, welke door lineaire interpolatie tussen één en de factor
B wordt bepaald door middel van de formule:
D
,
(1 — B) (Cs — S)
F = 1
(c) De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen met
een lengte, kleiner dan 131 meter, doch niet kleiner dan 79 meter
en met een criteriumgetal, dat kleiner is dan S en voorts van alle
schepen, waarvan de lengte kleiner is dan 79 meter, wordt geregeld
door middel van de factor één, tenzij ten genoegen van het Hoofd
van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond, dat dit voor het gehele
schip of voor één of meer gedeelten daarvan praktisch onuitvoerbaar
is in welk geval genoemd Hoofd, nadat met alle omstandigheden
rekening is gehouden, zodanige verzachting kan toestaan als gerecht
vaardigd blijkt.
(d) De bepalingen, onder (c) vermeld, zijn ook van toepassing
op schepen van onverschillig welke lengte, die een aantal passagiers
mogen vervoeren, dat groter is dan 12, doch niet groter dan de waarde
Bijlage II
van •,-« (L in meters), waarbij het aantal 50 echter niet mag wor-
650
den overschreden.
4.
Bijzondere standaard betreffende de waterdichte indeling van
schepen, welke ingevolge artikel 56, onder d van het Schepenbesluit
meer passagiers mogen vervoeren dan waarvoor ruimte in de redding
boten beschikbaar is.
( a ) De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen, welke
in de eerste plaats bestemd zijn voor het vervoer van passagiers,
wordt geregeld door middel van de factor 0,50 of door middel van
de factor, welke overeenkomstig het bepaalde in de leden 2 en 3 van
dit artikel is vastgesteld, indien deze laatste kleiner is dan 0,50.
Indien voor zulke schepen de lengte kleiner is dan 91,5 meter en
ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aan
getoond, dat de toepassing van zulk een factor voor een afdeling in
verband met de eisen van de praktijk onuitvoerbaar is, kan genoemd
Hoofd toestaan, dat de lengte van deze afdeling wordt geregeld door
middel van een grotere factor, mits deze de kleinst mogelijke is,
welke, rekening houdend met de omstandigheden, redelijkerwijze kan
worden vastgesteld.
( b ) Indien schepen, ongeacht van welke lengte, bovendien ingericht
zijn om grote hoeveelheden lading te vervoeren, in verband waarmede
toepassing van de factor gelijk aan of kleiner dan 0,50 voor de
bepaling van de waterdichte indeling achter de voorpiek niet mogelijk
is door de eisen, welke het praktisch gebruik stelt, moet de standaard
voor de waterdichte indeling in overeenstemming zijn met hetgeen
hiernavolgend onder (I) tot en met (V) wordt bepaald. Het Hoofd
van de Scheepvaartinspectie kan een afwijkende plaatsing van de
waterdichte schotten goedkeuren, welke geen afbreuk doet aan de
algemene doeltreffendheid van de waterdichte indeling, indien ten
genoegen van genoemd Hoofd wordt aangetoond, dat strikte toepas
sing van het onder (I) tot en met (V) bepaalde niet in overeenstem
ming is te brengen met de eisen, welke de praktijk stelt.
(1) Het criteriumgetal moet worden vastgesteld op de wijze, zoals
in lid 2 is bepaald.
Echter heeft K in de berekening van de waarde van Pt voor passa
giers, waarvoor vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, de waarde zoals
is voorgeschreven in lid 2 of van 3,55 kubieke meter, welke van de
twee de grootste is, terwijl voor passagiers, voor wie geen vaste slaap
plaatsen aanwezig zijn, K de waarde heeft van 3,55 kubieke meter.
Bijlage II
oin) ,P6 fact10r,B in lid 1 moet vervangen worden door de factor
BB, welke wordt bepaald door middel van de volgende formule:
17 6
BB = £
32 + °'20
= 55 metcr en groter)
(III) De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen met
iT Hf
Va"u ll1 meter en groter' welke een criteriumgetal van
-3 of kleiner hebben, wordt geregeld door middel van de factor A
volgens formule (1) in lid 1; die van schepen van die lengte welke een
criteriumgetal van 123 of groter hebben, wordt met behulp van de
factor BB volgens de formule in lid 4, onder (b) (II) geregeld; en die
van zulke schepen, welke een criteriumgetal hebben tussen 23 en 123
met behulp van de factor F, welke door lineaire interpolatie tussen
de factoren A en BB wordt verkregen volgens de formule:
p _ A _ (A — BB) (Cs — 23)
100
Indien de aldus bepaalde factor F kleiner is dan 0,50 zal de toe
te passen factor hetzij 0,50, hetzij gelijk moeten zijn aan de berekende
factor overeenkomstig de bepalingen van lid 3 onder (a) van dit
artikel, welke van de twee de kleinste is.
(IV) De waterdichte indeling achter de voorpiek van schepen
met een lengte, kleiner dan 131 meter, doch niet kleiner dan 55
waarbijWaarVan het cnterlumgetal een grootte heeft gelijk aan S„
_
3712 — 25 L
^
(L in meters),
moet geregeld worden door middel van de factor één.
*ndien hfl cnteriumgetal voor schepen van die lengte gelijk aan
123 of groter is, wordt de waterdichte indeling door de factor BB
volgens de formule uit lid 4 onder (b) (II) van dit artikel geregeld.
, J" 'en het criteriumgetal voor schepen van die lengte een grootte
heeft tussen St en 123, wordt de waterdichte indeling geregeld door
de factor F, welke door lineaire interpolatie tussen één en de factor
BB wordt bepaald door middel van de formule:
p _ j
(' -BB) (Cs — SJ
123 —
Indien de aldus bepaalde factor F in elk van de twee laatste
gevallen kleiner is dan 0,50, mag de waterdichte indeling geregeld
worden door middel van een factor, welke niet groter is dan 0,50.
Bijlage II
( V ) D e waterdichte indeling achter d e v o o r p i e k van schepen met
een lengte, kleiner dan 131 meter, doch niet kleiner dan 55 meter,
met een criteriumgetal, dat kleiner is dan Si en voorts van alle sche
pen, waarvan de lengte kleiner is dan 55 meter, moet geregeld worden
door middel van de factor één, tenzij ten genoegen van het Hootd
van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond, dat dit voor bepaalde
afdelingen praktisch onuitvoerbaar is, in welk geval genoemd Hootd,
nadat met alle omstandigheden rekening is gehouden, voor zmke af
delingen zodanige verzachting kan toestaan, als hij gerechtvaardig
aC De lengte van de achterste afdeling en, voor zover mogelijk, die van
de voorste afdelingen (tussen de voorpiek en de achterkant van de
voortstuwingsruimte) mag de vulbare lengte echter niet overschrijden.
Artikel 7
Bijzondere bepa-
l. Wanneer in een gedeelte of in gedeelten van een schip de water-
ungen nopens de djchte schotten tot een hoger gelegen dek zijn opgetrokken dan in net
wa,erd,chte in-
overblijyende gededte of in de overblijvende gedeelten mogen voor
de berekening van de vulbare lengten voor elk gedeelte, waar zulks
het geval is, afzonderlijke indompelingsgrenslijnen worden gebruikt,
mits:
( a ) de huidbeplating over de gehele lengte van het schip is op
getrokken tot aan het dek, waarmede de bovenste ïndompelings-
grenslijn correspondeert, waarbij voor de toepassing van artikel 17
alle openingen in de scheepshuid beneden dit dek over de Sel\e
lengte van het schip beschouwd worden als te zijn openingen beneden
de indompelingsgrenslijnen;
(b) de lengte van elk der beide afdelingen ter plaatse waar het
schottendek trapsgewijze verspringt, de toelaatbare lengte, rekening
houdende met hun respectievelijke ïndompelingsgrenslijnen, niet ov -
schrijdt en hun gezamenlijke lengte niet groter is dan tweemaal de
toelaatbare lengte, gebaseerd op de laagst gelegen indompelingsgrens
lijn.
2.
Een afdeling mag langer zijn dan de toelaatbare lengte, zoals
deze volgens de bepalingen van artikel 6 is berekend, mits de gezamen
lijke lengte van elk paar aangrenzende afdelingen waarvan de be
doelde afdeling deel uitmaakt, noch groter is dan de vulbare lengte,
noch groter dan het tweevoud van de toelaatbare lengte. Hierbij m
,
voor zover nodig, met het volgende rekening worden gehouden:
( a ) indien één van de twee aangrenzende afdelingen binnen het
voortstuwingsgedeelte is gelegen en de gemiddelde permeabiliteit van
het gedeelte van het schip, waarin de andere afdelmg !s «eleg ,
niet gelijk is aan die van het voortstuwingsgedeelte, mag de gezamen
lijke lengte van de beide afdelingen ten hoogste gelijk zijn aan de
Bijlage II
lengte, bepaald met toepassing van de gemiddelde permeabiliteit van
beide afdelingen gezamenlijk onder gebruikmaking van de volumina
der afdelingen en de permeabiliteit van elk van de beide gedeelten van
het schip, waarin de afdelingen zijn gelegen;
(b) indien de beide aangrenzende afdelingen verschillende inde-
worden bepaald
D' m°et 06 gezamenl'jke len§te naar evenredigheid
3' ^ slepen met een lengte van 131 meter of groter moet één
van de hoofddwarsschotten achter de voorpiek worden aangebracht
laatbare^engte ^ ^ VÓÓrloodlijn' welke niet groter is dan de toe-
4. In een hoofddwarsschot mag een nis voorkomen, mits alle
delen van de nis binnenwaarts zijn gelegen van vlakken, welke aan
beide zijden van het schip loodrecht op het vlak van de bovenste
r WOrden .gedacht en welke op een afstand van de
huidbeplating liggen, gelijk aan één vijfde van de scheepsbreedte, als
omschreven in artikel 2, waarbij die afstand loodrecht op het vlak
van kiel en stevens ter hoogte van de bovenste indelingslastlijn wordt
geineien.
?an "I niS' dat buiten deze be8renzing ligt, moet worden
behandeld als een deel van een schot, hetwelk trapsgewijze verspringt
zodat het volgende lid daarop van toepassing is.
5. Een hoofddwarsschot mag trapsgewijze verspringen, mits:
(a) de gezamenlijke lengte van de beide afdelingen, welke door het
verspringende schot worden gescheiden, noch 90 percent van de vul-
bare lengte noch tweemaal de toelaatbare lengte overschrijdt, be
halve in schepen met een indelingsfactor, welke groter is dan 0 9
waar de gezamenlijke lengte van de beide betreffende afdelingen niet
groter dan de toelaatbare lengte mag zijn, of
(b) een aanvulling in de waterdichte indeling aanwezig is ter ver
krijging van dezelfde mate van veiligheid als bij een vlak schot, of
(c) de lengte van de afdeling, over welke het horizontale deel
van het verspringende schot zich uitstrekt, niet groter is dan de toe
laatbare lengte, behorende bij een indompelingsgrenslijn, welke 76
millimeter beneden de aansnijding van dat horizontale deel van het
schot met de scheepshuid op het boord is gedacht.
6. Indien een hoofddwarsschot van een nis is voorzien dan wel
rapsgewijze verspringt, moet het, ter bepaling van de waterdichte
indeling, door een denkbeeldig gelijkwaardig vlak schot worden
vervangen.
7
Indien de afstand tussen twee opvolgende hoofddwarsschotten
tussen de daarmede gelijkwaardige vlakke schotten, als bedoeld
Bijlage II
in lid 6 dan wel de afstand tussen de dwarsvlakken, gaande door c.e
dichtst bij elkaar gelegen vlakken van trapsgewijs verspringende schot
ten, minder is dan 3,05 meter, vermeerderd met 3 percent van de
lengte van het schip, of 10,67 meter, indien dit kleiner is mag slechts
één dezer schotten volgens de bepalingen van artikel 6 beschouwd
worden deel uit te maken van de waterdichte indeling van het schip.
8
Indien een dwarsscheepse waterdichte hoofdafdeling plaatselijk
onderverdeeld is en ten genoegen van het Hoofd van de 1S^e~P™ar ~
inspectie kan worden aangetoond, dat de gehele hoofdafdeling niet
volloopt bij beschadiging in de zijde, welke zich uitstrekt over een
lengte van 3,05 meter, vermeerderd met 3 percent van de len8te,^
het schip of 10,67 meter, indien dit kleiner is, zal naar verhouding
een vergroting van de voorgeschreven toelaatbare lengte worden toe-
ëCÏnneen dergelijk geval mag het drijfvermogen, dat verondersteld
wordt aan de onbeschadigde zijde aanwezig te zijn, niet groter zijn
dan dat aan de beschadigde zijde.
Artikel 8
c u i , ,
1
D e s t a b i l i t e i t m o e t i n a l l e v o o r k o m e n d e o m s t a n d i g h e d e n v a n
schepèï' i™Qbe-beladen toereikend zijn, opdat het schip de eindtoestand kan door-
stand'8de '°e" staan na het lek worden van enige hoofdafdeling, waarvan de lenste
binnen die van de vulbare lengte blijft.
Wanneer twee aangrenzende hoofdafdelingen zijn gescheiden
een schot dat trapsgewijze verspringt volgens de bepalingen van 1
onder (a) van artikel 7, moet de stabiliteit voldoende zijn om het hoofd
te kunnen bieden aan het gelijktijdig lek worden van deze twee aan
e,w"„»rr':XtSrweli„gs(«c.or gelijk aa» of kleiner
is dan 0 50 moet de stabiliteit voldoende groot zijn, opdat het schip
het lek worden van elke twee aan elkaar grenzende hoofdafdelingen
kan doorstaan.
2
Ter voldoening aan het bepaalde in het voorgaande lid moeten i
volledige berekeningen, in overeenstemming met de leden 3, 4 en 6
van dit artikel, aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie in drievoud i
ter goedkeuring worden ingezonden.
In deze berekeningen moeten de bijzondere kenmerken van het!
schip zomede de inrichting en de vorm van de beschadigde afdelingen,
in^TS^:a^men, dat het schip in de voor de
büiteit meest ongunstige bedrijfstoestand verkeert, welke kan voor-,
k0Wanneer voorgesteld wordt dekken, een dubbele huid of langs-)
«rhotten aan te brengen, welke het overvloeien van water in ernstige
mate zouden belemmeren, moet de invloed hiervan op de bereke-
ningen nauwkeurig worden nagegaan.
Bijlage II
3. Voor het maken van berekeningen voor lekstabiliteit moeten
de volgende inhouds- en oppervlakte-permeabiliteiten worden toe
gepast:
ingenomen door lading, kolen of voorraden
60
ingenomen door passagiers- en bemanningsverblijven
95
ingenomen door machines
85
bestemd voor vloeistoffen
0 óf 95
welke van deze twee de ongunstigste invloed heeft.
4. Als minimum omvang van de beschadiging moet worden aan
genomen:
Langsscheeps: een lengte van 3,05 meter, vermeerderd met 3 per
cent van de lengte van het schip of een van 10,67 meter, welke van
de twee de kleinste is.
Dwarsscheeps: (binnenboord gemeten vanaf de scheepshuid lood
recht op het vlak van kiel en stevens ter hoogte van de bovenste in-
delingslast hjn): een afstand van een vijfde van de breedte van het
schip, zoals deze laatste is omschreven in artikel 2.
grenslijnöa/' ^ ^ tOP Va° de dubbele bodem tot de indompelings-
°? eKen bepaalde plaats een beschadiging van kleinere om-
g dan hierboven wordt verondersteld een gevaarlijker toestand zou
hoo°rtfamonetT bHrekukh?.g.t0t s'a8zij of verlies aan metacenter-
worden gdegd
gmg aan de berekeningen ten grondslag
moet zoveel m°8elijk beperkt worden.
Daartoe moeten doeltreffende overvloeunrichtingen aangebracht zijn
welke, evenals de maximum slagzij, welke vóór het overvloeien tot
stand gekomen is aan de goedkeuring van het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie onderworpen zijn. Aan de kapitein moet een doel-
wordgeenggeesteiÏSaanW,JZlng ^ ^ inrichtinSe* ter beschikking
n;,6hPJhei!i-aanZien V3n, de toestand> waarin het schip zich bevindt
het volgende8-"18 **
* overvloeimaatregelen getroffen zijn, geldt
Pi„1 ^'j jymmetrlsch. voll°Pen moet de metacenterhoogte in de
eindtoestand positief zijn, doch het Hoofd van de Scheenvaart
Smet
tlnhblJZ(^ndrre gevallen genoegen nemen met een nega
tieve metacenterhoogte (in rechte stand), welke slagzij van niet meer
dan zeven graden tot gevolg heeft;
( b ) Bij onsymmetrisch vollopen mag de slagzij niet groter ziin dan
zeven graden, doch het Hoofd van dl ScheepviartinfpeSe kan m
bijzondere gevallen een grotere slagzij toestaan, indien het kenterend
i!f°e n
Zaakt; ln geen Seval mag deze slagzij in de eind
toestand echter groter zijn dan vijftien graden;
Bijlage II
(c) Onder geen voorwaarde mag de indompelingsgrenslijn in de
eindtoestand onder water komen. Indien met de mogelijkheid reke
ning moet worden gehouden, dat de indompelingsgrenslijn gedurende
het vollopen tijdelijk onder water komt, kan het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie een onderzoek naar deze mogelijkheid gelasten en
zulke maatregelen voorschrijven, als hij voor de veiligheid van het
schip noodzakelijk acht.
7. Aan de kapitein van het schip moeten de gegevens ter beschik
king worden gesteld, welke nodig zijn om in alle voorkomende omstan
digheden van beladen voor een voldoende stabiliteit in onbeschadigde
toestand te kunnen zorgdragen, opdat het schip de meest gevaarlijke
beschadiging zal kunnen doorstaan.
,
De kapitein van een schip, voor hetwelk in geval van beschadiging
dwarsscheeps overvloeien noodzakelijk is, moet worden ingelicht om
trent de stabiliteitstoestanden, waarop de slagzijberekeningen zijn ge
baseerd en worden gewaarschuwd, dat, in geval van ongunstiger be
ladingstoestand, bij beschadiging een overmatige slagzij zal kunnen
optreden.
8. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is bevoegd verzachting
in de eisen voor lekstabiliteit in overweging te nemen, indien aan
getoond kan worden, dat de metacenterhoogte van het onbeschadigde
schip in enige toestand van beladen, welke noodzakelijk is om te kun
nen voldoen aan die eisen, te groot zou zijn voor de voorgenomen
dl Deze verzachting zal echter slechts in die uitzonderingsgevallen
mogen worden toegestaan, waarbij aan genoemd Hoofd kan worden
aangetoond, dat de afmetingen, inrichting en de andere bijzondere
kenmerken van het schip de meest gunstige zijn, welke op praktische j
en aannemelijke gronden voor de stabiliteit na een beschadiging kun- ij
nen worden aanvaard.
Artikel 9
piekschotten,
1. Elk schip moet een voorpiek- of aanvaringschot hebben dat È
schotten, welke
* ^ ^et schottendek waterdicht opgetrokken is. Dit schot moet op een .
stuwingsgedeelte afstand, niet kleiner dan 5 percent van de lengte van het schip en met ,
begrenzen,
eroter dan 3,05 meter, vermeerderd met 5 percent van de lengte van
astunneis, enz. ^
schip> van de vóór-loodlijn zijn aangebracht.
Indien het schip een lange bovenbouw op het voorschip heeft, i
moet het voorpiekschot doorlopen tot het dek boven het schottendek
en aldaar dicht zijn tegen weer en wind. Deze voortzetting van het I
schot behoeft niet onmiddellijk boven het er onder geplaatste schot
te worden aangebracht, mits zij tenminste 5 percent van de lengte van
het schip van de vóór-loodlijn is verwijderd en het gedeelte van het
dek, dat de trapsgewijze verspringing vormt, dicht is tegen weer en
wind.
.
Bijlage II
2. Tevens moeten een achterpiekschot zijn aangebracht en schot
ten, welke het voortstuwingsgedeelte, als aangegeven in artikel 2,
van de vracht- en passagiersruimten vóór en achter afscheiden.
Deze schotten dienen tot het schottendek waterdicht te zijn. Het
achterpiekschot mag echter beneden het schottendek eindigen, mits
daardoor de veiligheid van het schip, wat de waterdichte indeling
betreft, niet wordt verminderd.
3.
De schroefaskokers moeten steeds waterdicht zijn ingesloten.
De pakkingbus moet geplaatst zijn binnen een waterdichte astunnel
of andere waterdichte ruimte, afgescheiden van de afdeling waarin de
schroefaskoker is ingesloten en van zodanige inhoud, dat de indompe
lingsgrenslijn niet onder water komt, wanneer deze ruimte door lek
kage van de pakkingbus zou vollopen.
Artikel 10
1. Een lastlijn, overeenkomende met de diepgang, welke is goed- vaststellen mer
gekeurd, als behorende bij de vereiste waterdichte indeling moet wor- nen'van inde-**'
den vastgesteld en het merk daarvoor moet op de zijden van het schip ïingsiastiijnen
worden geplaatst.
Indien een schip ruimten heeft, welke zijn ingericht om nu eens
voor de huisvesting van passagiers, dan weer voor het bergen van
lading te worden gebruikt, is het, indien de eigenaar zulks wenst, ge
oorloofd één of meer extra lastlijnen vast te stellen en merken daar
voor te plaatsen. Deze lastlijnen moeten overeenkomen met die diep
gangen, die, als behorend bij de waterdichte indeling, door het Hoofd
van de Scheepvaartinspectie voor de verschillende gebruikstoestanden
zijn goedgekeurd.
2. Het vrijboord, behorende bij de verschillende indelingslast
lijnen, volgens de in het vorige lid gegeven bepalingen vastgesteld en
op de zijden van het schip door merken aangegeven, moet duidelijk
op het veiligheidscertificaat zijn vermeld en moet worden onderschei
den door de aanwijzing Cj voor de toestand, waarbij het grootste
aantal passagiers en C2, C3, enz. voor die toestanden, waarbij telkens
een kleiner aantal passagiers wordt vervoerd.
3. Het vrijboord, dat met elk van deze lastlijnen overeenkomt en
in het veiligheidscertificaat is aangegeven, moet op dezelfde plaats
en van dezelfde deklijn worden gemeten als het minimum vrijboord,
dat volgens bijlage IV wordt bepaald.
4. In geen geval mag het vrijboord, dat in verband met de schot-
tenindeling wordt vastgesteld, kleiner zijn dan het kleinste minimum
zoutwater vrijboord, vastgesteld volgens de bepalingen van bijlage IV.
5. Een schip zal in geen geval zodanig geladen mogen zijn, dat
het in zout water dieper inzinkt dan tot de bovenkant van het schot-
tenuitwateringsmerk, hetwelk behoort bij de betreffende gebruikstoe-
stand. Evenmin zal het dieper in mogen zinken dan het uitwaterings-
Bijlage II
merk behorende bij vaargebied en seizoen, als bepaald volgens bij
lage IV.
Artikel 11
Constructie en
1
Zowel de langsscheepse, als de dwarsscheepse waterdichte in-
vanStewaterdichte delingsschotten moeten zó sterk zijn, dat zij met voldoende zekerheid
schotten, enz.
een waterdruk tot de hoogte van de indompelingsgrenslijn ter plaa se
van elk schot kunnen weerstaan. De constructie van deze schotten
moet door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn goedgekeurd.
2. De sprongen en nissen in schotten moeten waterdicht en zo
sterk zijn als een schot ter plaatse van de sprong of nis zou moeten
zijn.
Indien spanten of balken door een waterdicht dek of schot zijn
gevoerd, moet de doorvoering zonder toepassing van hout of cement
waterdicht zijn uitgevoerd.
3. De waterdichte schotten moeten zorgvuldig worden nagezien
en de waterdichtheid moet door bespuiten worden aangetoond.
4. De voorpiek moet worden beproefd met een waterdruk tot de
hoogte van de bovenste indompelingsgrenslijn.
5
De dubbele bodem, met inbegrip van kokervormige kielcon-
structies (kokerkiel) en een dubbele huid, moeten met een waterdruk
tot de hoogte van de indompelingsgrenslijn worden beproefd.
6. De tanks, welke bestemd zijn om vloeistoffen te bevatten en
deel uitmaken van de scheepsconstructie, moeten worden beproefd
met een waterdruk, hetzij tot de hoogte van de bovenste mdehngs-
lastlijn, hetzij tot een hoogte, gelijk aan twee derden van de verticale
afstand van bovenkant kielplaat tot de indompelingsgrenslijn, gemeten)
van bovenkant kielplaat ter plaatse van deze tanks, hetzij tot een:
hoogte van 0,92 meter boven het hoogste punt van de tank, waarbij'
de grootste van deze drukken moet worden toegepast.
I
7
De beproevingen, bedoeld in de leden 4, 5 en 6 hebben slechts
ten doel een voldoende waterdichtheid te verzekeren van constructiesi
behorende tot de waterdichte indeling.
Artikel 12
Openingen in
1.
Het aantal openingen in waterdichte schotten moet beperk
waterdichte
worden tot het minimum, dat verenigbaar is met de algemene in
schotten
richting en de goede uitoefening van de dienst aan boord; deze
openingen moeten van deugdelijke middelen tot afsluiting zijn voor
zien.
.
2
Indien pijpen, spuipijpen, kabels voor electrisch licht, enz.
door de waterdichte schotten worden gevoerd, moeten de doorvoering
gen waterdicht zijn.
3. Afsluiters en kranen, welke geen deel uitmaken van een pijp
leidingsysteem, mogen aan waterdichte schotten niet voorkomen.
7
De beproevingen, bedoeld in de leden 4, 5 en 6 hebben slechtM
. .
«
i • i
• J a_
xjon r»r\netrnrtiP^ II
K
Bijlage II
4. Wegneembare platen in waterdichte schotten mogen slechts tn
voortstuwingsruimten worden toegepast.
5.
Indien verkeersgangen of tunnels voor de verbinding tussen de
verblijven van de bemanning en de stookplaats, voor pijpleidingen of
voor enig ander doel door waterdichte hoofddwarsschotten leiden,
moeten zij waterdicht zijn. Indien dergelijke tunnels of verkeersgangen
gedurende de reis als doorgang worden benut, moet tenminste één uit
einde waterdicht aansluiten aan een schacht, welke tot boven de in
dompelingsgrenslijn waterdicht is opgetrokken en waarvan de uitgang
boven deze grenslijn is gelegen. De opening aan het andere einde van
deze verkeersgangen of tunnels mag gesloten worden door middel
van een waterdichte deur van de soort, als op grond van de plaats in
het schip volgens artikel 13 wordt vereist. Dergelijke verkeersgangen
of tunnels mogen niet door het eerste achter het aanvaringschot ge
legen dwarsschot, dat deel uitmaakt van de waterdichte indeling, wor
den gevoerd. Tunnels of gangen ten behoeve van geforceerde trek,
welke door waterdichte hoofddwarsschotten leiden, mogen worden
toegepast, mits ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaart
inspectie wordt aangetoond, dat afdoende maatregelen zijn genomen
om de waterdichtheid van de betreffende schotten te verzekeren.
6. (a) Deuren, mangaten en andere toegangsopeningen mogen
niet voorkomen in:
(1)
het aanvaringschot onder de indompelingsgrenslijn;
(2) waterdichte dwarsschotten, welke een laadruim afscheiden van
een belendend laadruim, van een permanent kolenruim of van een
reservekolenruim behalve in het geval, aangegeven in lid 2 van
artikel 14.
(b) Het aanvaringschot onder de indompelingsgrenslijn mag slechts
door een pijp doorboord zijn, wanneer de voorpiektank tot het bergen
van vloeistoffen wordt gebruikt, doch, behalve in het geval aan
gegeven onder (c) van dit lid, niet door meer dan één pijp. De pijp
moet zijn voorzien van een afsluiter met neerschroefbare klep, welke
boven het schottendek kan worden bewogen en in de voorpiek tegen
het aanvaringschot moet zijn bevestigd.
(c) Wanneer de voorpiek is ingericht voor de berging van twee
verschillende soorten vloeistoffen, kan het Hoofd van de Scheepvaart
inspectie toestaan, dat het aanvaringschot onder de indompelingsgrens
lijn door twee pijpen wordt doorboord, elk voorzien van een afsluiter
op de wijze zoals onder (b) van dit lid is voorgeschreven, indien een
andere oplossing, volgens welke met één pijp kan worden volstaan,
op praktische gronden onmogelijk is en in verband met de onderver
deling dezelfde mate van veiligheid blijft gehandhaafd.
7. Waterdichte deuren, welke in schotten tussen permanente kolen-
ruimen en reservekolenruimen zijn aangebracht, moeten steeds toe
gankelijk zijn, behalve in het geval, vermeld in lid 3 van artikel 15,
voor zover betreft kolenschuiven in het tussendek.
Bijlage II
Afdoende voorzieningen door middel van schermen als anderszins
moeten worden getroffen, teneinde te verhinderen dat de kolen het
sluiten van waterdichte kolenschuiven beletten.
8. In het voortstuwingsgedeelte mag niet meer dan één deur in
elk hoofddwarsschot voorkomen. Kolenschuiven en astunneldeuren
worden hierbij niet medegerekend. De bovenkant van de drempels
van deze deuren moet zo hoog zijn gelegen, als praktisch mogelijk is.
De bewegingsinrichting voor handkracht moet boven het schotten-
dek bediend kunnen worden en, indien uitvoerbaar, buiten het voort
stuwingsgedeelte worden aangebracht.
Artikel 13
Soorten van
J #
In waterdichte schotten mogen slechts draaideuren, schuif-
deuren'chte
deuren of deuren van een daarmede gelijkwaardig type zijn aange
bracht. In geen geval zijn deuren toegelaten, welke slechts door middel
van bouten worden bevestigd en deuren, welke door het eigen gewicht
of door middel van een valgewicht gesloten moeten worden.
2.
Een draaideur moet zijn voorzien van knevels, welke aan beide
zijden van het schot kunnen worden bewogen.
3.
Een schuifdeur mag voor horizontale of verticale beweging
zijn ingericht. Indien zulk een deur slechts met de hand beweegbaar
is, zie artikel 15, 1 (II) (a), moet de bewegingsinrichting zodanig zijn,
dat de deur zowel ter plaatse als op een toegankelijke plaats boven
het schottendek door middel van een handwiel kan worden behandeld.
De beweging ter plaatse moet aan beide zijden mogelijk zijn.
4. Een deur, welke van een centraal punt uit werktuiglijk gesloten
kan worden, moet van een zodanige bewegingsinrichting voorzien
zijn, dat de deur ook ter plaatse werktuiglijk bewogen kan worden.
De inrichting moet zo zijn, dat de deur automatisch weer wordt
gesloten, indien zij, nadat zij van het centrale punt uit is gesloten, ter
plaatse wordt geopend en voorts zodanig, dat ter plaatse de mogelijk
heid bestaat haar gesloten te houden, zonder dat zij van het centrale
punt uit geopend kan worden.
Aan beide zijden van het schot moeten bedieningshefbomen, ver
bonden aan de werktuiglijke bewegingsinrichting, aanwezig zijn, zodat
personen, die de deuropening passeren, deze in de open stand kunnen
houden. Zulke werktuiglijk bewogen deuren moeten zowel bij de deur,
als op een toegankelijke plaats boven het schottendek, ook door hand
kracht bewogen kunnen worden. Op de laatstgenoemde plaats moet
de handbewegingsinrichting voorzien zijn van een handwiel. Een ge
luidsignaal moet met een veilig tijdsverschil aan de sluiting van de
deur voorafgaan.
5. Schuifdeuren van elke soort moeten voorzien zijn van stand
aanwijzers, welke op alle plaatsen, waar de deur kan worden bewogen,
Bijlage II
behalve bij de deur zelve, aangeven of de deur geopend dan wel ge
sloten is.
Artikel 14
1. Waterdichte draaideuren kunnen worden toegelaten in gedeel-PIaatsen-waar
ten van het schip, welke bestemd zijn voor de passagiers en de be- wïtefdS van
manning en in dienstruimten, onder voorwaarde, dat zij zijn aange- draaideuren is
bracht boven een dek, waarvan de onderzijde op het laagste punt8eoorloofd
in de zijde, ten minste 2,13 meter boven de bovenste indelingslast
lijn ligt.
2. Waterdichte draaideuren mogen, onder door het Hoofd van
de Scheepvaartinspectie te stellen voorwaarden, in schotten wor
den aangebracht, welke tussendekslaadruimten van elkaar scheiden,
doch niet dan op het hoogste niveau dat mogelijk is, met inacht
neming van de eisen, welke uit praktische overwegingen aan de ver
binding van de betreffende ruimten moeten worden gesteld.
Geen der verticale zijden van een dergelijke deur mag gelegen zijn
op een afstand van de huidbeplating, welke minder is dan een vijfde
van de scheepsbreedte, als in artikel 2 omschreven, waarbij die afstand
loodrecht op het vlak van kiel en stevens ter hoogte van de bovenste
indelingslastlijn wordt gemeten.
Deze deuren moeten gesloten worden vóórdat de reis begint en
tijdens de vaart gesloten blijven; de tijdstippen, waarop deze deuren
in de haven worden geopend en, vóórdat het schip de haven verlaat,
worden gesloten, moeten in het scheepsdagboek worden vermeld.
Indien men dergelijke deuren wenst aan te brengen, moet men een
schriftelijke verklaring, welke de absolute noodzakelijkheid daarvan
aantoont, aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie overleggen.
3.
Op andere plaatsen mogen in waterdichte schotten geen draai
deuren worden aangebracht.
Artikel 15
1. Indien waterdichte schuifdeuren, welke somtijds op Zee ge- Inrichtingen tot
Dpend moeten zijn, met uitzondering van die aan de ingangen van waterSe" Van
tunnels, in de hoofddwarsschotten op zodanige hoogte zijn aange- schuifdeuren
bracht, dat hun drempels onder de bovenste indelingslastlijn zijn ge
legen, gelden de volgende bepalingen:
(I)
Indien het aantal van zulke deuren groter is dan 5, moeten
ille waterdichte schuifdeuren werktuiglijk beweegbaar zijn en moeten
sij gelijktijdig van de brug uit gesloten kunnen worden;
(II)
Indien het aantal van zulke deuren niet groter is dan 5, en
het criteriumgetal, bedoeld in artikel 6, lid 2:
fa)
niet groter is dan 30, mogen alle waterdichte schuifdeuren
litsluitend met de hand beweegbaar zijn;
Bijlage II
( b ) groter is dan 30, moeten alle waterdichte schuifdeuren werk
tuiglijk beweegbaar zijn.
2. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, indien er behalve
de tunneldeur nog slechts één waterdichte deur is en deze zich bevindt
in het voortstuwingsgedeelte, toestaan dat deze beide deuren, ongeacht
de grootte van het criteriumgetal, uitsluitend met de hand beweeg
baar zijn.
3. Indien waterdichte deuren, welk somstijds op zee met het oog
op het verwerken van steenkolen moeten worden geopend, tussen
tussendekskolenruimen onder het schottendek zijn aangebracht, moe
ten deze werktuiglijk beweegbaar zijn. Het openen en sluiten van
deze deuren moet in het scheepsdagboek worden aangetekend.
4. Indien verkeersgangen in verband met in koelruimen geborgen
lading door meer dan één waterdicht hoofddwarsschot leiden en de
drempels van de openingen minder dan 2,13 meter boven de bovenste
indelingslastlijn zijn gelegen, moeten de waterdichte deuren, welke
zodanige openingen afsluiten, werktuiglijk kunnen worden bewogen.
Artikel 16
Openingen in het
Het aantal openingen in de scheepshuid moet beperkt worden tot
onder'deTndom- het minimum, dat verenigbaar is met de algemene inrichting van het
peiingsgrensiijn schip en de goede uitoefening van de dienst aan boord.
Artikel 17
Patrijspoorten
1. (a) Indien in een tussendek het laagste punt van de opening
en vaste
van een patrijspoort lager zou zijn gelegen dan een lijn, welke even
wijdig aan het schottendek op het scheepsboord is getrokken en welke
haar laagste punt heeft op een hoogte boven de bovenste indelings
lastlijn, overeenkomend met 2i percent van de breedte van het schip,
mogen in dit tussendek geen patrijspoorten, doch slechts vaste licht-
randen worden aangebracht.
(b) Alle patrijspoorten, andere dan die, welke krachtens dit lid
onder (a) vaste lichtranden moeten zijn en waarvan het laagste punt
lager dan de indompelingsgrenslijn is gelegen, moeten zodanig zijn
uitgevoerd, dat zij niet door onbevoegden kunnen worden geopend.
(c) Indien in een tussendek het laagste punt van de opening van
een patrijspoort, als bedoeld in dit lid onder (b), lager is gelegen dan
een lijn, welke evenwijdig aan het schottendek op het scheepsboord is
getrokken en welke haar laagste punt heeft op een hoogte, gelijk aan
1,37 meter, vermeerderd met 2i percent van de breedte van het schip
boven de lastlijn, waarop het schip bij vertrek uit de haven ligt, moe
ten alle patrijspoorten in dat tussendek, vóór het schip de haven ver
laat, met behulp van een sleutel waterdicht zijn afgesloten. Zij mogen
gedurende de reis niet worden geopend. Bij de toepassing van dit lid
Bijlage II
mag zonodig met de grotere diepgang in zoet water rekening ge
houden worden.
Het tijdstip, waarop deze patrijspoorten in de haven geopend,
alsmede het tijdstip, waarop zij met een sleutel gesloten worden,
moeten in het scheepsdagboek worden ingeschreven.
( d ) Voor een schip met een of meer patrijspoorten, die zo gelegen
zijn, dat de bepalingen van dit lid onder (c) van kracht zouden zijn,
indien het was ingezonken tot de bovenste indelingslastlijn, is het
Hoofd van de Scheepvaartinspectie bevoegd de grootste gemiddelde
diepgang aan te geven, bij welke deze patrijspoorten met het laagste
punt van de opening moeten blijven boven de lijn, welke evenwijdig
aan het schottendek op het scheepsboord is getrokken en welke haar
laagste punt heeft op een hoogte, gelijk aan 1,37 meter, vermeerderd
met 2|- percent van de scheepsbreedte, boven de waterlijn, welke be
hoort bij de grootste gemiddelde diepgang en op welke diepgang
het geoorloofd is uit esn haven te vertrekken, zonder dat bedoelde
poorten te voren met een sleutel waterdicht gesloten zijn en op zee,
onder de verantwoordelijkheid van de kapitein, geopend mogen
worden.
In de tropische vaargebieden, zoals deze zijn omschreven in bij
lage IV, mag deze grootste diepgang met 0,305 meter worden ver
meerderd.
(e) Deugdelijke scharnierende, binnen boord aangebrachte blin
den, welke zodanig zijn ingericht, dat zij gemakkelijk en afdoend
gesloten en waterdicht aangedrukt kunnen worden, moeten op alle
onder de indompelingsgrenslijn gelegen patrijspoorten worden aan
gebracht, met de uitzondering, dat voor partijspoorten, welke achter
een achtste van de lengte van het schip van de vóór-loodlijn zijn ge
legen boven een lijn, welke evenwijdig aan het schottendek op het
scheepsboord is getrokken en welke haar laagste punt heeft op een
hoogte, gelijk aan 3,66 meter, vermeerderd met 2,5 percent van de
breedte van het schip, boven de bovenste indelingslastlijn, de blinden
in verblijven voor passagiers, geen tussendekspassagiers zijnde, weg-
neembaar mogen zijn, tenzij in bijlage IV vast aangebrachte blinden
zijn voorgeschreven. Wegneembare blinden moeten in de onmiddel
lijke nabijheid van de patrijspoorten geborgen worden. Zij moeten van
plaatstaal, gegoten staal of gelijkwaardig materiaal zijn vervaardigd.
Wanneer zij niet naast of onder de poorten zijn opgehangen, moeten
de plaatsen, waar zij zijn geborgen, duidelijk zijn aangegeven.
( f ) Patrijspoorten en hun blinden, welke gedurende de vaart niet
bereikbaar zijn, moeten vóór het schip de haven verlaat, gesloten en
vastgezet zijn.
2. In ruimten, welke uitsluitend voor het vervoer van lading of
het bergen van kolen zijn bestemd, mogen geen patrijspoorten zijn
aangebracht.
Bijlage II
In ruimten, welke afwisselend bestemd zijn voor het vervoer van
passagiers en lading, mogen echter patrijspoorten zijn aangebracht, die
zodanig zijn gemaakt, dat zij en de daarbij behorende blinden niet
door onbevoegden geopend kunnen worden.
Indien in deze ruimten lading wordt vervoerd, moeten de patrijs
poorten en de blinden met behulp van een sleutel waterdicht zijn
afgesloten en vastgezet.
3. Patrijspoorten met automatische ventilatie mogen zonder mach
tiging van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet onder de in
dompelingsgrenslijn in het scheepsboord worden aangebracht.
Artikel 18
Buitenboord-
1, Alle buitenboordopeningen moeten zodanig zijn ingericht, dat
openingen
elk ongewenst binnendringen van water wordt voorkomen.
2. Het aantal spuigaten, afvoerpijpen en andere soortgelijke ope
ningen in het scheepsboord moet tot een minimum beperkt worden,
hetzij door elke uitlaatopening voor het grootst mogelijk aantal sani
taire en andere leidingen te doen dienen, hetzij op een andere af
doende wijze.
3. Met uitzondering van het bepaalde in lid 4 moeten de door
het scheepsboord gaande afvoerpijpen, waarvan de binnenboord
opening lager is gelegen dan de indompelingsgrenslijn, van doelmatige
en bereikbare afsluitingsmiddelen aan het scheepsboord zijn voor
zien. Men mag voor elke afzonderlijke uitlaatopening, hetzij een terug
slagklep, welke voorzien is van een inrichting, waardoor de klep recht
streeks van boven het schottendek af dichtgezet kan worden, hetzij;
twee zelfsluitende terugslagkleppen, zonder zulk een inrichting ge-;
bruiken, waarbij één klep hoger dan de bovenste indelingslastlijn
zodanig is gelegen, dat zij steeds bereikbaar is om gedurende de nor-dj
male dienst te worden nagezien.
Indien een klep wordt aangebracht welke rechtstreeks kan worden
dichtgezet moet de plaats, waar deze boven het schottendek wordt
bediend, steeds gemakkelijk toegankelijk zijn en moet een inrichting,n
welke aanwijst of de klep open dan wel gesloten is, aldaar zijn aan-!
gebracht.
4. Hoofdin- en uitlaten en hulpin- en uitlaten voor de voortstu
wingswerktuigen moeten zijn voorzien van gemakkelijk bereikbare
kranen of afsluiters tussen de leidingen en de scheepshuid of tussen
de leidingen en de op de huid gebouwde stalen kasten.
Artikel 19
Toegangs-, laad-
i, Toegangs-, laad- en kolenpoorten in het scheepsboord, welke
ahmed^openin-'onder de indompelingsgrenslijn zijn aangebracht, moeten van vol-
gen van stort-
doende sterkte zijn.
kokers.
.
Bijlage II
Het laagste punt van de opening van deze poorten mag niet lager
gelegen zijn dan de bovenste indelingslastlijn.
Zij moeten, vóór het schip de haven verlaat, waterdicht gesloten
zijn en gedurende de vaart gesloten blijven.
2. De binnenboordopening van elke stortkoker voor as, vuil, enz.
moet van een deugdelijk deksel zijn voorzien. Indien de binnenboord
opening onder de indompelingsgrenslijn is gelegen, moet het deksel
waterdicht afsluiten en moet bovendien een terugslagklep in de koker
op een gemakkelijk toegankelijke plaats boven de bovenste indelings
lastlijn zijn aangebracht. Wanneer de koker niet in gebruik is, moeten
zowel het deksel als de klep gesloten en geborgd zijn.
Artikel 20
1. De constructie en de afwerking van alle waterdichte deuren, Constructie en.
patrijspoorten, toegangs-, laad- en kolenpoorten, kleppen, pijpen, ^n'^^urdlchle
as- en vuilnisstortkokers, welke in de voorafgaande artikelen zijn ver- deuren,
patrijs-
meld, alsmede de materialen, waarvan deze zijn vervaardigd, moeten poor,en'enz'
voldoen aan de eisen, door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
gesteld.
2. De onderkant van het raamwerk van verticaal bewegende
waterdichte deuren mag geen groef vormen, waarin zich vuil zou kun
nen verzamelen, dat de goede sluiting zou kunnen beletten.
3. Indien waterdichte deuren directe toegang verlenen naar een
ruimte, waarin zich bunkerkolen bevinden, moeten het raamwerk en
de deuren zelve gemaakt zijn van gietstaal of smeedstaal.
4. Kranen en afsluiters, ongeacht de doorlaat, welke op de
scheepshuid onder het schottendek zijn aangebracht of voor de water
dichte indeling van belang kunnen zijn, mogen niet in gietijzer worden
uitgevoerd.
5. Kranen of afsluiters voor de hoofdin- en uitlaten en voor de
hulpin- en uitlaten voor de voortstuwingswerktuigen met een door
laat, welke groter is dan 76 millimeter, moeten uitgevoerd zijn in
brons, staal of ander goedgekeurd smeedbaar materiaal.
6. Elke waterdichte deur moet met een waterdruk tot de hoogte
van de indompelingsgrenslijn worden beproefd. De proef moet wor
den genomen, hetzij vóór, hetzij na het aanbrengen van de deur.
Artikel 21
1. Waterdichte dekken, kokers, tunnels, kokerkielen en lucht-Constructie en
schachten moeten even sterk zijn als de waterdichte schotten op over-
eenkomstige hoogte.
dichte dekken, "
Waterdichte luchtschachten en kokers moeten ten minste tot hetkokers'enz-
schottendek zijn opgetrokken.
2. Na gereedkomen moeten de waterdichte dekken door bespuiten
of onder water zetten op waterdichtheid beproefd worden, terwijl de
Bijlage II
waterdichte kokers, tunnels en luchtschachten door bespuiten moeten
worden beproefd.
Artikel 22
Dubbele bodems
i. Er moet een dubbele bodem zijn, welke zich uitstrekt van het
voorpiekschot tot het achterpiekschot. Voor zover dit niet verenigbaar
is met de algemene inrichting van het schip en met de goede uit
oefening van de dienst aan boord, mag hiervan worden afgeweken,
zoals in de volgende leden nader wordt bepaald.
2. In schepen, welker lengte 61 meter of meer bedraagt, doch
minder dan 76 meter, moet de dubbele bodem in ieder geval onaf
gebroken doorlopen van het voortstuwingsgedeelte tot het voorpiek
schot of althans tot een zo dicht mogelijk daarbij gelegen punt.
3. In schepen, welker lengte 76 meter of meer bedraagt, doch
minder dan 100 meter, moet de dubbele bodem in elk geval buiten
het voortstuwingsgedeelte onafgebroken doorlopen tot het vóór- en
het achterpiekschot of althans tot zo dicht mogelijk daarbij gelegen
punten.
4. In schepen, welker lengte 100 meter of meer bedraagt, moet de
dubbele bodem over de gehele lengte van het vóór- tot het achter
piekschot of althans tot zo dicht mogelijk daarbij gelegen punten
onafgebroken doorlopen.
5. De in de vorige leden bedoelde dubbele bodems moeten in de
zijden op zodanige hoogte op de huid aansluiten, dat het vlak van
het schip tot de ronding van de kimmen beschermd is.
Deze bescherming wordt geacht aanwezig te zijn, indien de lijn
van aansnijding van de kantplaat met de huid nergens lager ligt dan
een horizontaal vlak, dat gaat door het punt van aansnijding tussen
de spantlijn op het grootspant en een dwarsscheepse diagonaal, welke
onder een hoek van 25 graden met de basislijn getrokken is uit het
snijpunt van deze basislijn met de verticale raaklijn aan genoemde
spantlijn.
6. In de dubbele bodem aangebrachte lensputten mogen niet die
per zijn dan nodig is. De afstand van hun bodem tot het scheepsvlak
of tot de binnenste aansnijding van de kantplaat, mag niet kleiner
zijn dan 46 centimeter.
In het achtergedeelte van een astunnel mag een lensput tot de
huid doorlopen.
Andere putten, zoals voor het opvangen van smeerolie onder de
hoofdvoortstuwingswerktuigen, kunnen door het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie worden goedgekeurd, indien wordt aangetoond,
dat de beveiliging niet achter staat bij die, welke een dubbele bodem,
geconstrueerd in overeenstemming met dit artikel, biedt.
7. Ter plaatse van een waterdichte afdeling van niet te grote in
houd, welke uitsluitend wordt gebruikt voor het vervoer van vloei-
Bijlage II
stoffen, behoeft geen dubbele bodem te worden aangebracht, indien
de veiligheid van het schip bij een bodem- of zijbeschadiging naar het
oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie daardoor niet
vermindert.
8. Voor een passagiersschip, dat in gevolge artikel 56, onder (d)
van het Schepenbesluit, een groter aantal personen vervoert dan er
plaatsen in de reddingboten beschikbaar zijn en hetwelk een geregelde
lijndienst onderhoudt binnen de begrenzing van een korte internatio
nale reis, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie dispensatie ver
lenen van de eis, dat een dubbele bodem aanwezig moet zijn, voor
zover betreft enig deel van het schip, waarvoor de waterdichte indeling
is geregeld door middel van een factor, welke niet groter is dan 0,5,
indien tot zijn genoegen is aangetoond, dat het aanbrengen van een
dubbele bodem in dat deel niet verenigbaar zou zijn met de eisen,
welke de algemene inrichting van het schip en een goede uitoefening
van de dienst aan boord stellen.
Artikel 23
1.
Patrijspoorten, toegangs-, laad- en kolenpoorten en andere °Phëtnfchee"sZ
middelen om openingen in het scheepsboord boven de indompelings- boord en elders-
grenslijn te sluiten, moeten deugdelijk ontworpen en uitgevoerd en p°K„nsdee^[]?nm
voldoende sterk zijn, rekening houdend met de ruimten, waarin zij pe 'n8SS ens 'Ja
zijn aangebracht en met hun plaats ten opzichte van de bovenste
indelingslastlijn.
2. Het schottendek of een daar boven gelegen dek moet dicht
zijn tegen weer en wind, met dien verstande, dat er geen water door
kan dringen.
Alle openingen in het aan weer en wind blootgestelde dek moeten
van hoofden van voldoende hoogte en sterkte zijn voorzien en van
doelmatige middelen, om deze snel tegen weer en wind af te sluiten.
Artikel 24
1.
Elk schip moet voorzien zijn van een doeltreffende pomp- Lensinrichting,
inrichting, welke in staat is elke waterdichte afdeling lens te pompen 'eïléidtagen e°
onder de na een ramp te verwachten omstandigheden, hetzij het schip
recht ligt dan wel slagzijde heeft. Behalve in smalle afdelingen in vóór-
en achterschip, waar één lensfles voldoende kan zijn, moeten daartoe
zuigleidingen naar de zijden aangebracht worden.
In afdelingen van bijzondere vorm kan het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie aanvullende lensflessen voorschrijven. Het water moet
gemakkelijk naar de lensflessen kunnen vloeien.
Uit de koelruimen moet het water op doelmatige wijze kunnen
worden verwijderd.
2. Aan boord van een schip moeten ten minste vier op de hoofd-
lensleiding aangesloten werktuiglijk gedreven pompen opgesteld zijn,
Bijlage II
van welke één door het hoofdvoortstuwingswerktuig mag worden
gedreven.
Indien het criteriumgetal kleiner is dan 30 mag één der onafhanke
lijke werktuiglijk gedreven pompen worden weggelaten en indien de
lengte van het schip bovendien kleiner is dan 91,5 meter mag één
der andere onafhankelijke werktuiglijk gedreven pompen door twee
doelmatige handpompen met krukbeweging worden vervangen, waar
van de ene in het voorschip, de andere in het achterschip moet zijn
opgesteld.
Sanitaire en ballastpompen worden evenals algemene dienstpompen
als onafhankelijke werktuiglijk gedreven lenspompen beschouwd, in
dien zij van de nodige aansluitingen aan de lensleiding zijn voorzien.
Elke pomp, die bestemd is als lenspomp gebruikt te worden, moet
zelfaanzuigend zijn.
3. Wanneer zulks praktisch uitvoerbaar is, moeten de werk
tuiglijk gedreven lenspompen in verschillende waterdichte afdelingen
zijn opgesteld, welke afdelingen zodanig gelegen moeten zijn, dat
het onwaarschijnlijk is, dat zij door een zelfde averij vol kunnen
lopen. Indien de machines voor de voortstuwing en de ketels in twee
of meer waterdichte afdelingen zijn geplaatst, moeten de pompen,
welke als lenspomp moeten kunnen dienen, zoveel als praktisch moge
lijk is, over deze afdelingen zijn verdeeld.
4. Indien de scheepslengte gelijk is aan of groter is dan 91,5
meter of indien het criteriumgetal 30 of groter is, moet de inrichting
zodanig zijn, dat tenminste één werktuiglijk gedreven pomp beschik
baar is voor het gebruik in alle voor de hand liggende omstandigheden,
waaronder een schip op zee gedeeltelijk kan vollopen.
Aan deze voorwaarde zal voldaan zijn, wanneer:
(a) één van de voorgeschreven pompen een noodpomp is, welke
onder water op betrouwbare wijze werkt; deze moet in normale om
standigheden op dezelfde wijze als de overige hulpwerktuigen en in
geval van nood door een zich boven het schottendek bevindende
krachtbron kunnen worden gedreven, of
( b ) de pompen met hun krachtbronnen op een zodanige wijze ver
deeld over het schip zijn opgesteld, dat in alle omstandigheden, waar
onder gedeelten van het schip moeten kunnen vollopen, zonder dat dit
zinkt, tenminste één pomp in een onbeschadigde afdeling beschik
baar is.
5. Alle lenspompen, behalve die, welke uitsluitend op piek-
afdelingen zijn aangesloten, moeten elk ruim en elke voortstuwings
afdeling van het schip lens kunnen pompen.
6. Een onafhankelijke werktuiglijk gedreven lenspomp moet op
elk boord van de afdeling, waarin zij is opgesteld, kunnen pompen
door een afzonderlijke rechtstreekse zuigleiding met een middellijn,
welke niet kleiner is dan die van de hoofdlensleiding.
Bijlage II
Wanneer meer dan één onafhankelijke werktuiglijk gedreven lens-
pomp in een afdeling is opgesteld, behoeft slechts één der pompen
aan deze voorwaarde te voldoen.
Op kolenstokende schepen moet het ketelruim, behalve van de
overige in dit artikel voorgeschreven zuigaansluitingen, voorzien zijn
van een buigzame zuigslang van voldoende lengte, welke ingericht
is om op de zuigzijde van een onafhankelijke werktuiglijk gedreven
pomp aangesloten te worden.
7.
Hoofdcirculatiepompen moeten rechtstreekse zuigverbindingen
hebben, welke van terugslagkleppen zijn voorzien, naar het laagste
punt in de voortstuwingsruimte leiden en een middellijn van ten minste
twee derde van die der hoofdcirculatie-inlaat hebben. Indien steen
kool als brandstof kan worden gebruikt en machine- en ketelruim
niet door een waterdicht schot zijn gescheiden, moet van ten minste
één circulatiepomp een rechtstreekse uitlaat naar buitenboord of een
rechtstreekse aansluiting op de circulatie-uitlaatleiding zijn aange
bracht. De draadstangen van de buitenboordafsluiter en van de af
sluiters van de rechtstreekse zuigverbindingen moeten tot boven het
machinekamerplatform reiken.
8. De lensleiding en de ballastleiding moeten zo zijn ingericht, dat
geen water rechtstreeks van buitenboord of uit waterballastruimen
naar laad- en voortstuwingsruimten of uit de ene afdeling naar een
andere kan vloeien. Bijzondere voorzorgen moeten zijn genomen om
te voorkomen, dat een dieptank, met aansluiting zowel aan de lens
leiding als aan de ballastleiding, door onachtzaamheid óf met zeewater
volloopt, indien zij lading bevat óf door een lenspijp wordt leeg
gepompt, indien zij waterballast bevat. Bij een aanvaring of bij aan
de grond lopen en daarmede gepaard gaand breken of beschadigen
van de lenspijp, mag een intact gebleven afdeling niet kunnen vol
lopen. Deze pijp dient daartoe binnen de afdeling waarin het open
zuigeind uitkomt, voorzien te zijn van een terugslagklep of van een
afsluiter — deze laatste van een plaats boven het schottendek te be
handelen —, indien de leiding achter de klep of afsluiter zich op
een der volgende plaatsen bevindt:
(a) overal waar het spant boven of onder de bovenste indelingslast-
lijn ten opzichte van deze lijn naar binnen valt: buiten de lijn, welke
in het vlak van het spant kan worden getrokken op een binnenwaartse
afstand, horizontaal gemeten, van een vijfde van de scheepsbreedte
uit de spantlijn;
( b ) overal waar het spant boven of onder de bovenste indelings
lastlijn ten opzichte van deze lijn naar buiten valt: buiten de lijn,
welke in het vlak van het spant loodrecht op de bovenste indelingslast
lijn kan worden getrokken op een afstand binnenwaarts van een vijfde
van de scheepsbreedte afgezet op deze lastlijn.
Bijlage II
Deze terugslagkleppen of afsluiters behoeven niet te worden aan
gebracht in lensleidingen, welke in tunnels zijn gelegd. Zij zijn echter
wel vereist in de lensleiding op het scheidingsschot van kokerkiel en
het te lenzen ruim, indien de leidingen in een kokerkiel zijn onder
gebracht.
9. Verdeelkasten, kranen en afsluiters, welke een onderdeel vor
men van de lensinrichting, moeten onder normale omstandigheden
te allen tijde bereikbaar zijn. Een en ander moet zo zijn ingericht,
dat in alle omstandigheden, waaronder het schip moet kunnen vol
lopen zonder dat het ten onder gaat, één van de lenspompen op elke
afdeling kan pompen. Indien slechts één pijpleidingstelsel door alle
pompen wordt bediend, moeten de nodige kranen of afsluiters, welke
de verdeling van de werking der lensleiding regelen, boven het schot-
tendek bewogen kunnen worden. Indien naast de hoofdlensinrichting
een noodlensinrichting is aangebracht, moet deze daarvan onafhan
kelijk zijn en zó zijn ingericht, dat de noodlenspomp in staat is op
elke afdeling te pompen; in dat geval behoeven slechts de nodige
kranen en afsluiters, welke de verdeling der noodlensleiding regelen,
boven het schottendek bewogen te kunnen worden.
HOOFDSTUK II
Brandbescherming in verblijven en dienstruimten
Artikel 25
Omschrüvingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder.
Onbrandbaar materiaal:
materiaal, dat noch brandt, noch ontvlambare gassen in voldoende
hoeveelheid afgeeft, om deze bij verhitting tot ongeveer 750° Cel
sius vlam te doen vatten aan een proefvlam;
Brandbaar materiaal:
elk ander materiaal;
Een standaard brandproef:
een proef, in het verloop waarvan in de proef oven ongeveer de
volgende temperaturen als functie van de tijd worden verkregen:
aan het einde van de eerste 5 minuten - 538 Celsius,
aan het einde van de eerste 10 minuten - 704° Celsius,
aan het einde van de eerste 30 minuten - 843° Celsius,
aan het einde van de eerste 60 minuten - 927° Celsius;
Schotten van klasse „A" of brandwerende schotten:
schotten en dekken, welke aan de volgende voorwaarden voldoen:
(a) zij moeten geconstrueerd zijn van staal of van ander gelijk
waardig materiaal;
Bijlage II
(b) zij moeten voldoende verstijfd zijn;
(c) zij moeten tot aan het einde van de standaard brandproef
van één uur de doortocht van rook en vlammen verhinderen;
(d) zij moeten met inachtneming van de aard van de belendende
ruimten een isolerend vermogen hebben, dat ten genoegen van het
Hoofd van de Scheepvaartinspectie is.
In het algemeen moeten de brandwerende schotten en dekken, waar
deze de scheiding moeten vormen tussen ruimten, welke aangrenzend
houtwerk, houten beschieting of ander brandbaar materiaal bevatten,
zodanig geïsoleerd zijn, dat, indien welke der beide zijden ook, wordt
onderworpen aan de standaard brandproef van één uur, de gemid
delde temperatuur aan de niet blootgestelde zijde gedurende de proef
niet meer dan 139° Celsius en de temperatuur op gesn enkel punt
meer dan 180" Celsius boven de begintemperatuur stijgt;
Schotten van klasse ,,B" of brandvertragende schotten:
schotten, welke in staat zijn tot aan het einde van het eerste half
uur van de standaard brandproef de doortocht van vlammen te ver
hinderen.
Bovendien moet het isolerend vermogen met inachtneming van de
aard van de belendende ruimten naar genoegen van het Hoofd van
de Scheepvaartinspectie zijn.
In het algemeen moeten de brandvertragende schotten, waar deze
de scheiding moeten vormen tussen hutten, van zodanig materiaal
zijn, dat, indien welke der beide zijden ook, wordt blootgesteld, het
eerste halfuur van de standaard brandproef kan worden doorstaan,
zonder dat de temperatuur op de niet blootgestelde zijde gedurende
de proef meer dan 139° Celsius boven de begintemperatuur stijgt.
Gedeelten van schotten, welke in onbrandbaar materiaal zijn uit
gevoerd, behoeven slechts aan de voorwaarde te voldoen, dat de
bovengenoemde temperatuurstijging niet intreedt gedurende de eerste
15 minuten van de standaard brandproef. De proef moet echter
voortgezet worden tot aan het einde van het eerste halve uur, waarna
het schot de doortocht van vlammen nog moet verhinderen;
Verticale hoofdsecties:
secties, waarin de romp, de bovenbouw en de dekhuizen door
hoofdbrandschotten zijn verdeeld; de gemiddelde lengte boven het
schottendek van elke sectie mag in het algemeen niet groter zijn dan
40 meter;
Controle-stations:
ruimten, in welke de radio-installatie, de voornaamste navigatie
middelen, de inrichting voor de centrale brandmelding of de nood-
generator ondergebracht zijn;
Bijlage II
Ruimten voor accommodatie:
hutten, ruimten bestemd voor algemeen gebruik, gangen, toiletten,
kantoren, verblijven voor de bemanning, kapperssalons, afzonderlijke
pantries en kasten en soortgelijke ruimten;
Ruimten voor algemeen gebruik:
die delen van de accommodatie, welke in gebruik zijn als vesti
bules, eetzalen, salons en soortgelijke permanent ingesloten ruimten;
Dienstruimten:
ruimten, welke gebruikt worden voor kombuizen, hoofdpantries,
voorraden (met uitzondering van afzonderlijke pantries en kasten),
post- en specieruimen en soortgelijke ruimten, zomede de bijbe
horende schachten;
Laadruimten:
alle ruimten, welke gebruikt worden voor lading (met inbegrip van
ladingolietanks) en de bijbehorende schachten;
Ruimten voor machines:
alle ruimten, welke gebruikt worden voor de werktuiglijke voort
stuwing, hulpwerktuigen en koelinstallaties, ketels, accumulatoren,
pompen, werkplaatsen, generatoren, luchtverversings- en luchtbe
handelingsinstallaties, vulstations voor brandstofolie en soortgelijke
ruimten, zomede de bijbehorende schachten;
Aan staal gelijkwaardig materiaal:
elk materiaal, dat zelf of door middel van isolatiemateriaal een
weerstandsvermogen heeft tegen brand, dat gelijkwaardig is aan dat É
van staal, tot aan het einde van de brandproef, welke van toepas
sing is.
Artikel 26
Beperking van de
Voor een schip, dat is ingericht voor niet meer dan 36 passagiers,
toepassing
zijn siec]-,ts de artikelen 29 en 30 van dit hoofdstuk van toepassing,
mits een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurde j
inrichting wordt aangebracht, welke automatisch op een of meer !
plaatsen of contrölestations, waar zulks het vlugst door de bemanning i
kan worden opgemerkt, het bestaan en de plaats van brand kan aan- 1
tonen in elke gesloten ruimte, bestemd voor het gebruik van passa- s
giers en bemanning, dan wel voor dienstruimten, met uitzondering r
van ruimten, welke geen brandgevaar van betekenis opleveren.
Artikel 27
Algemene be-
Een schip moet zijn verdeeld in verticale hoofdsecties door o
palingen
middel van schotten van klasse „A". Binnen de hoofdsecties moeten o
.
Bijlage II
verder gelijksoortige schotten de trapopeningen beschermen en de
ruimten voor accommodatie scheiden van die voor de voortstuwing,
voor lading, voor dienstgebruik en dergelijke. Ongeacht de ronde
diensten, alarmsystemen en de voorzieningen voor het blussen van
brand, zoals deze zijn voorgeschreven in bijlage V, moeten bovendien,
hetzij één van de volgende methoden voor beveiliging, hetzij een com
binatie van deze methoden, ten genoegen van het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie, voor ruimten voor accommodatie en dienst
ruimten worden gevolgd.
Methode 1
Het toepassen van schotten van klasse ,,B", zoals nader omschreven
in lid 1 van artikel 31, zonder de inrichting van een brandmelding-
of sprinklersysteem in de ruimten voor accommodatie of dienst
ruimten.
Methode II
Het installeren van een automatisch sprinkler- en brandmelding
systeem voor de ontdekking en de blussing van brand in alle ruimten,
in welke een brand kan ontstaan, waarbij geen beperkende bepaling
geldt ten aanzien van de klasse of het materiaal van de schotten
der aldus beschermde ruimten.
Methode III
Het onderverdelen van elke verticale hoofdsectie door schotten van
klasse „A" en „B", afhankelijk van de belangrijkheid, de afmetingen
en de aard van de verschillende afdelingen, met toepassing van een
automatisch brandontdekkingsysteem in alle ruimten, waar een
brand kan ontstaan, in het algemeen zonder de installatie van een
sprinklersysteem en waarbij het gebruik van brandbare en in hoge
mate ontvlambare materialen en stoffering, in beperkte mate is toe
gestaan.
Artikel 28
Methoden I, II en III
De romp, de bovenbouw, structurele schotten, dekken en dekhuizen Constructie
moeten van staal vervaardigd zijn, tenzij het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie het gebruik van ander materiaal goedkeurt.
Artikel 29
Methoden I, II en III
1. De romp, de bovenbouw en de dekhuizen moeten door schotten Verticale hoofd-
van klasse „A" in verticale hoofdsecties worden verdeeld, van elk secties
waarvan de gemiddelde lengte boven het schottendek in het alge
meen niet groter mag zijn dan 40 meter.
Bijlage II
De schotten moeten zich uitstrekken van dek tot dek en tot de
scheepshuid of tot andere grensschotten.
Wanneer trapsgewijs verspringen van een schot noodzakelijk is,
moet ook het horizontale deel als een schot van klasse „A" worden
uitgevoerd.
2. Zoveel mogelijk moeten de gedeelten van de in lid 1 bedoelde
schotten boven het schottendek in één vlak liggen met de hoofd
schotten voor de waterdichte indeling onmiddellijk onder het schot
tendek.
3. Op schepen, welke voor bijzondere doeleinden zijn ontworpen,
zoals veerboten voor het vervoer van automobielen of treinen, waar
het plaatsen van de in lid 1 bedoelde schotten het beoogde doel zou
belemmeren, moeten gelijkwaardige middelen voor het onder controle
houden en het voorkomen van uitbreiding van brand in de plaats van
de schotten worden gesteld, welke middelen door het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie moeten zijn goedgekeurd.
Artikel 30
Methoden I, II en III
Openingen in
1. Wanneer schotten van verticale hoofdsecties doorboord zijn
verticale hoofd" voor het doorlaten van electrische leidingen, pijpen, kokers, enz. of
secties
voor langsdragers of andere verbanddelen, moeten zodanige maat
regelen getroffen worden, dat het brandwerend vermogen van de
schotten niet vermindert.
2. In kokers, welke door schotten van verticale hoofdsecties
gaan, moeten dempers worden aangebracht, welke aan beide zijden
van het schot bediend moeten kunnen worden. De bedieningsplaatsen
moeten gemakkelijk bereikbaar en met een rode kleur aangegeven
zijn. Standaanwijzers, welke aangeven of de demper de doorgang
open laat dan wel afsluit, moeten aanwezig zijn.
3. Alle openingen moeten van vast aangebrachte sluitingsmid
delen voorzien zijn, welke tenminste even doeltreffend zijn voor het
weren van brand als de schotten, waarin zij voorkomen.
4. De constructie van alle deuren in schotten van verticale
hoofdsecties en de middelen, welke deze deuren gesloten houden,
moeten ten minste even doeltreffend zijn voor het weren van brand
als de schotten, waarin zij zijn aangebracht.
Waterdichte deuren behoeven niet geïsoleerd te zijn.
5. Elke deur moet aan beide zijden van het schot door één per
soon geopend en gesloten kunnen worden. Branddeuren, andere dan
waterdichte deuren, moeten zelfsluitend zijn en op eenvoudige en ge
makkelijke wijze vrijgemaakt kunnen worden, indien zij op enigerlei
wijze in geopende stand zijn vastgezet.
Bijlage II
Artikel 31
1. Methode 1
(a) In de ruimten voor accommodatie moeten alle schotten, welke bjj°e"e"erticale
afzonderlijke ruimten vormen, andere dan die, welke schotten van hóoMsectiese
klasse „A" moeten zijn, geconstrueerd worden als schotten van klasse
„B" en zodanig aaneengebouwd zijn, dat zij afzonderlijke brandvrije
eenheden vormen.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan een samenstel van
schotten, welke een afzonderlijke ruimte vormen, aan een proef doen
onderwerpen. Op schepen, welke voor meer dan 100 passagiers zijn
ingericht, moeten de schotten van klasse „B" van onbrandbaar mate
riaal gemaakt zijn, met dien verstande, dat zij, in overeenstemming
met het bepaalde in artikel 40, met brandbare materialen bekleed
mogen zijn.
(b) Alle schotten van gangen moeten worden opgetrokken van
dek tot dek. Ventilatieopeningen in deze schotten zijn toegelaten,
doch bij voorkeur moeten zij in het onderste deel worden aange
bracht. Alle andere schotten, welke afzonderlijke ruimten vormen,
moeten worden opgetrokken van dek tot dek en zich uitstrekken tot
de scheepshuid of tot andere begrenzende schotten, tenzij onbrand
bare plafonds of wanden aangebracht zijn, in welk geval de schotten
mogen eindigen bij de plafonds of wanden.
2.
Methode III
(a) In de ruimten voor accommodatie, met uitzondering van die
voor algemeen gebruik, moet, buiten de schotten welke van klasse „A"
moeten zijn, een onafgebroken samenstel van brandvertragende schot
ten worden aangebracht, waarbij de vloeroppervlakte van enige
afdeling in het algemeen niet groter mag zijn dan 120 vierkante meter,
doch nooit groter dan 150 vierkante meter. Deze schotten moeten
geconstrueerd worden als schotten van klasse „B".
(b) Alle ruimten voor algemeen gebruik zonder inwendige onder
verdeling moeten omgeven zijn door schotten van klasse „B".
De schotten van klasse „A" en die van klasse ,,B", met uitzonde
ring van die, welke de begrenzing vormen van de verticale hoofd
secties, de contrölestations, de trappenhuizen en de gangen, behoeven
niet van isolatie voorzien te zijn, indien zij de buitenzijde van het
schip vormen of, indien de belendende afdeling geen brandgevaar
medebrengt.
(c) Alle schotten van gangen moeten schotten van klasse „B" zijn
en moeten worden opgetrokken van dek tot dek. Indien er geen pla
fonds zijn of indien de plafonds van onbrandbaar materiaal zijn,
mogen ventilatie-openingen met roosters van onbrandbaar materiaal
toegepast worden. Alle andere soorten schotten, welke afzonderlijke
Bijlage II
ruimten vormen, moeten eveneens van dek tot dek worden opge
trokken.
(d) De schotten van klasse „B" moeten van een onbrandbare kern
zijn voorzien of moeten bestaan uit verschillende lagen, van welke
de binnenliggende van asbestplaat of soortgelijk onbrandbaar mate
riaal moeten zijn, terwijl de beperking van de temperatuurstijging, be
doeld in de laatste alinea van de omschrijving van schotten van klasse
„B" in artikel 25, geldt op het einde van de proef van een half uur.
Artikel 32
Methoden I, II en III
Scheiding tussen
De begrenzingschotten en dekken, welke de scheiding vormen
commodade' en tussen de ruimten voor accommodatie en de ruimten voor machines,
ruimten voor ma- lading, zomede dienstruimten, moeten schotten van klasse „A" zijn;
mèdeS'dkns°-'Z°* het isolerend vermogen van deze schotten en dekken moet ten ge-
ruimten
noegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn, waarbij
rekening wordt gehouden met de aard van de belendende ruimten.
Artikel 33
Methoden I, II en III
Dekbedekkingen
De onderste laag van dekbedekkingen in ruimten voor accommo
datie, contrölestations, trappen en gangen moet van materiaal zijn,
dat niet licht ontvlambaar is en door het Hoofd van de Scheepvaart
inspectie is goedgekeurd.
Artikel 34
Bescherming van
1. Methoden I, II en III
trappen
.
,
„
. .
Het constructieve deel van alle trappen moet van staal zijn.
Trappen moeten in trappenhuizen of gesloten ruimten zijn onder
gebracht, welke door schotten van klasse „A" omgeven zijn. Alle
openingen in deze schotten vanaf het onderste dek, waarop ruimten
voor accommodatie zijn, tot aan ten minste de hoogte, waar het open
dek direct toegankelijk is, moeten van middelen tot sluiting voorzien
zijn, met inachtneming van de volgende uitzonderingen:
(a) een trap, welke slechts twee dekken bedient, behoeft niet in
een trappenhuis of gesloten ruimte te zijn ondergebracht, indien de
brandwerende waarde van het dek wordt behouden door het aan
brengen van doelmatige schotten en deuren op één dek;
(b) een trap, welke uitkomt in een ruimte voor algemeen ge
bruik, behoeft ter plaatse niet door schotten omgeven te zijn, indien
zij zich geheel in die ruimte bevindt.
De gangen moeten in directe verbinding staan met de trappen
huizen of de gesloten ruimten, waarin zich de trappen bevinden en
deze trappenhuizen of ruimten moeten van voldoende oppervlakte zijn
om opstopping te kunnen voorkomen, waarbij rekening moet worden
Bijlage II
gehouden met het aantal personen, dat in geval van nood van de
trappen gebruik moet maken; de genoemde huizen of ruimten moeten
zo weinig mogelijk accommodatie- of andere ingesloten ruimten
bevatten, waarin brand zou kunnen ontstaan.
Schotten van ruimten, waarin zich trappen bevinden, moeten een
isolerend vermogen bezitten, hetwelk ten genoegen is van het Hoofd
van de Scheepvaartinspectie, rekening houdend met de aard van de
belendende ruimten. De middelen tot sluiting van de openingen in
deze schotten moeten ten minste hetzelfde brandwerend vermogen
bezitten als de schotten zelve.
Deuren, andere dan waterdichte deuren, moeten van dezelfde aard
zijn als die genoemd in lid 5 van artikel 30.
2.
Methode II
Trappen, welke volgens het oordeel van het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie als hulptrappen kunnen worden beschouwd, behoeven
niet in trappenhuizen of gesloten ruimten te zijn ondergebracht, mits
de brandwerende waarde van het dek gehandhaafd wordt door het
aanbrengen van sprinklers ter plaatse.
Artikel 35
Methoden I, II en III
1. Schachten van liften voor passagiers en voor dienstgebruik, Bescherming van
verticale kokers voor licht en lucht ten behoeve van passagiersruim- "e™ v°°r p*ssa"
ten en dergelijke moeten worden gebouwd van schotten van klasse dienstgebruik.
„A". Deuren moeten van staal zijn of van ander onbrandbaar mate- ^0"T,cht kïucht
riaal en in gesloten toestand een weerstand tegen brand kunnen en°.r 'c ' uc
bieden, welke ten minste even doeltreffend is als die, welke geboden
wordt door de schacht- of kokerwanden, waarin zij zijn aangebracht.
2. Liftschachten moeten zodanig zijn aangebracht, dat rook en
vlammen niet van het ene dek naar het andere kunnen doordringen.
Zij moeten van sluitingsmiddelen zijn voorzien, waarmede de trek
en de doorgang van rook onder controle kunnen worden gehouden.
Isolatie van schachtwanden van liften, welke zich bevinden in trap
penhuizen of in gesloten ruimten, waarin trappen zijn ondergebracht,
is niet verplicht.
3. Wanneer een licht- of luchtkoker met meer dan één dek in
verbinding staat en volgens het oordeel van het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie rook en vlammen van het ene dek naar het andere
kunnen doordringen, moeten doelmatig geplaatste rookkleppen wor
den aangebracht, opdat elke ruimte tussen twee dekken ingeval van
brand geïsoleerd kan worden.
4. Alle andere kokers (b.v. voor electrische leidingen) moeten op
zodanige wijze gebouwd zijn, dat het niet mogelijk is, dat een brand
zich van het ene dek naar het andere verplaatst.
Bijlage II
Artikel 36
Methoden I, II en lil
Bescherming van
j)e controle-stations moeten van de andere delen van het schip
controle-stations gescjiei(jen zjjn door schotten en dekken van klasse „A".
Artikel 37
Methoden 1, II en III
Bescherming van
De schotten van bagageruimen, postkamers, bergplaatsen, verf- en
bagageruimen.
lampenhutten) kombuizen en soortgelijke ruimten moeten van klasse
„A" zijn. Ruimten, in welke licht ontvlambare voorraden worden
medegevoerd, moeten zodanig zijn gelegen, dat het gevaar voor passa
giers en bemanning in geval van brand tot een minimum beperkt
blijft.
Artikel 38
1. Methoden 1 en UI
Ramen en patrijs-
j)e randen van alle ramen en patrijspoorten in ruimten voor accom-
poorten
modatie moeten van metaal of gelijkwaardig materiaal zijn. Het glas
moet in een metalen rand gevat zijn of op gelijkwaardige wijze zijn
bevestigd.
2.
Methoden l, 11 en UI
Alle ramen of patrijspoorten, welke openen naar gangen, trappen
huizen of gesloten ruimten, waarin trappen zijn ondergebracht, moe
ten eenzelfde weerstand bieden tegen brand als die, welke voor de
schotten is voorgeschreven, waarin zij zijn aangebracht.
Artikel 39
Methoden 1, II en 111
Ventilatie-
1. De hoofdinlaat en de uitlaat van alle ventilatiesystemen moeten
systemen
gemakkelijk bereikbare afsluitmiddelen hebben, welke in geval van
brand gesloten kunnen worden.
_
In het algemeen moeten de fans voor ventilatie zodanig geplaatst
zijn, dat de ventilatiekanalen voor de verschillende ruimten binnen
dezelfde verticale hoofdsectie blijven.
2. Alle toestellen voor mechanische ventilatie, met uitzondering
van die voor ruimten voor machines, moeten op twee bedienings
plaatsen centraal buiten werking gesteld kunnen worden; de twee
plaatsen moeten zo ver als praktisch mogelijk is, van elkaar verwij
derd zijn. Eén van de hoofdbedieningsmiddelen van de mechanische
ventilatie van ruimten voor machines moet vanaf een plaats buiten
die ruimten behandeld kunnen worden. Afvoerkanalen van kombuis
fornuizen, welke door ruimten voor accommodatie gaan, moeten
doeltreffend geïsoleerd zijn.
Bijlage II
Artikel 40
1. Methode I
Behalve in laadruimen, postkamers, bagageruimen of koel- en vries- Constructie-
ruimen voor scheepsgebruik, moeten alle beschietingen, stijlen, pla- details
fonds en isolaties van onbrandbaar materiaal zijn, doch op schepen,
welke niet meer dan 100 passagiers vervoeren, behoeven de beschie
tingen, stijlen en plafonds niet van onbrandbaar materiaal te zijn, in
dien zij overigens aan de voorwaarden voldoen, welke van toepassing
zijn op de schotten van de ruimten, waarvan zij deel uitmaken.
De gezamenlijke inhoud van brandbare bekleding, lijstwerk, deco
ratieve versieringen en fineerhout in een ruimte voor accommodatie
of voor algemeen gebruik, mag niet groter zijn dan het volume, dat
overeenkomt met een fineerbekleding van 2,54 millimeter op de totale
oppervlakte van de wanden en het plafond.
Brandbare bekledingen, lijsten, decoratieve versieringen of fineer
hout mogen niet gebruikt worden in gangen, in trappenhuizen of in
gesloten ruimten, waarin trappen zijn ondergebracht.
2.
Methode III
Het gebruik van brandbare materialen van elke soort, zoals niet-
geïmpregneerd hout, fineerhout, plafonds, gordijnen, karpetten, enz.
moet, zoveel als redelijkerwijze mogelijk en praktisch uitvoerbaar is,
worden beperkt. In grote ruimten voor algemeen gebruik moeten de
stijlen en balken van de wanden en van het plafond van staal of ge
lijkwaardig materiaal zijn.
Artikel 41
Methoden I, II en III
1. In de luchtruimten tussen het plafond en het dek en achter verschillende
wandbekledingen moeten afstoppingen worden aangebracht, welke de details
trek tegengaan en in langsscheepse richting niet verder dan 13,73
meter uit elkaar liggen.
In verticale richting moeten zulke ruimten, met inbegrip van die
achter de beschietingswanden van trappenhuizen, schachten en der
gelijke, op elk dek worden afgestopt.
2. De constructie van de plafonds en schotten moet zodanig zijn,
dat de brandrondedienst elke rookontwikkeling kan opsporen, zonder
dat de doeltreffendheid van de brandbeveiliging er door wordt ver
minderd.
3. Verven, vernissen en soortgelijke stoffen op nitrocellulose basis
mogen niet toegepast worden.
4. Lood mag niet worden toegepast voor spuipijpen, vuilwater-,
toilet- en andere uitlaten dicht bij de indelingslastlijn gelegen of daar
waar de toepassing door smelten ingeval van brand, gevaar voor in
stromen van water zou medebrengen.
Bijlage II
5. Methode III
Het vlamverspreidend vermogen van alle blootgestelde oppervlak
ken in ruimten voor accommodatie en van de zich daarop bevindende
verflagen moet beperkt zijn ten genoegen van het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie.
Artikel 42
Methode II
Automatische
Op schepen, waar methode II wordt toegepast, moet een auto-
sprinkier-, brand- ma(jsch sprinkler- en brandalarmsysteem van een door het Hoofd van
ontdekking^ '"' de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type geïnstalleerd zijn, dat vol-
systemen
,joet aan de bepalingen van artikel 4 van bijlage V en zodanig is
aangebracht, dat alle gesloten ruimten, bestemd voor het gebruik of
de bediening van passagiers en bemanning, worden beschermd, met
uitzondering van ruimten, welke vrijwel geen brandgevaar opleveren.
Artikel 43
Methode III
Automatisch
Op schepen, waar methode III wordt toegepast, moet een brand-
brandmeiding-
meldingsysteem van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
systeem
goedgekeurd type zodanig aangebracht worden, dat de aanwezigheid
van brand wordt ontdekt in alle gesloten ruimten, bestemd voor het
gebruik en de bediening van passagiers en bemanning, met uitzon
dering van ruimten, welke vrijwel geen brandgevaar opleveren. De
installatie moet op één of meer plaatsen of contrölestations, waar
dit het vlugst door de bemanning kan worden waargenomen, de aan
wezigheid en de plaats van brand kunnen aantonen.
Artikel 44
Methoden I, II en III
Algemene in-
Algemene inrichtingsplannen moeten op doeltreffende plaatsen
richtingsplannen
aanaebracht zijn, welke voor elk dek de verschillende secties tussen
brandwerende schotten aangeven, zomede de afdelingen ingesloten
door de brandvertragende schotten, de gegevens van de brandalarm
toestellen, brandontdekkingsystemen, de sprinklerinstallatie, de brand-
blusapparaten, de toegangen tot en de uitgangen van verschillende
afdelingen, dekken, enz. en het ventilatiesysteem met inbegrip van de
plaats van de dempers en de identificatienummers van de fans voor
ventilatie, welke de verschillende secties bedienen.
HOOFDSTUK III
Voorschriften voor passagiersruimten
Artikel 45
Hooete ventila-
1. De passagiersruimten mogen geen geringere hoogte hcb^cnf
tie,
verwarming (jan j 90 meter, gerekend van de onderkant van de in het verblijf
van'passagiers- doorlopende dekbalken tol de bovenkant van de vloerbedekking. Is
ruimten
Bijlage II
deze hoogte groter dan 2,5 meter, dan wordt bij de inhoudsbepa-
lingen volgens artikel 46 slechts 2,5 meter in rekening gebracht.
2. In deze ruimten moeten voldoende middelen aanwezig zijn om
te allen tijde een goede ventilatie te waarborgen. Voorts moet, be
halve waar dit bij binnenhutten op praktische gronden bezwaar
ontmoet, worden voorzien in een behoorlijke toetreding van daglicht
en moeten voldoende middelen voor verlichting des nachts en bij
binnenhutten zonodig ook des daags aanwezig zijn.
3. Op schepen, welke in gematigde en koude zönes passagiers ver
voeren, moeten in de passagiersverblijven verwarmingsmiddelen van
voldoende capaciteit aanwezig zijn. Slechts indien geen andere wijze
van verwarming is aan te brengen, mogen daartoe stookkachels wor
den gebezigd; deze kachels moeten stevig bevestigd worden en, indien
de vloer van brandbaar materiaal is, op een ijzeren plaat zijn ge
plaatst. Kachels en pijpen moeten worden omgeven door afdoende
beveiligingsmiddelen.
Artikel 46
1.
Voor reizen, die 48 uur of langer duren, moet in een hut voor inhoud en vrij
nachtverblijf van ten hoogste zes personen, voor elke passagier, voor oS'eï va"
wie een vaste slaapplaats aanwezig is, ten minste 3,5 kubieke meter ruimten
lucht beschikbaar zijn.
In ruimten voor meer dan zes passagiers, voor wie vaste slaap
plaatsen aanwezig zijn, moet voor elke passagier op het onderste
passagiersdek ten minste 4 kubieke meter en op de andere passagiers-
dekken of in vaste dekhuizen ten minste 3 kubieke meter lucht be
schikbaar zijn. Is de ruimte verdeeld in afzonderlijke slaap- en woon
ruimten, dan moet in de slaapruimte voor elke passagier op het on
derste passagiersdek ten minste 2,5 kubieke meter en op de andere
dekken ten minste 2 kubieke meter lucht beschikbaar zijn.
In ruimten voor meer dan zes passagiers, voor wie geen vaste
slaapplaatsen aanwezig zijn, moet voor elke passagier 1,6 kubieke
meter lucht beschikbaar zijn.
2.^ Voor reizen, die korter dan 48 uur duren, gelden de voor
schriften van lid 1, met dien verstande, dat in ruimten voor meer
uan zes passagiers, voor wie vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, voor
elke passagier niet meer dan 2 kubieke meter lucht beschikbaar be-
hoeft te zijn.
3. In ruimten voor meer dan zes passagiers, moet voor elke pas
sagier ten minste 0,84 vierkante meter dekoppervlak beschikbaar zijn.
4. Voor elke passagier, voor wie een vaste slaapplaats aanwezig
is, moet ten minste 0,46 vierkante meter vrije oppervlakte aan dek
in de buitenlucht beschikbaar zijn en voor elke passagier, voor wie
geen vaste slaapplaats aanwezig is, 0,37 vierkante meter.
5. Slechts op reizen, welke korter dan 48 uur duren, mogen dek
passagiers worden vervoerd, mits voor elke passagier 0,84 vierkante
meter vrije oppervlakte aan dek in de buitenlucht beschikbaar is en
Bijlage II
ten minste een zesde van het aantal dekpassagiers een overdekte
schuilplaats kan vinden.
Indien de omstandigheden en de te bevaren route daartoe aanleiding
geven, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie verlenging van
de tijdsduur van 48 uur toestaan.
6. Indien de gangen tussen hutten, verblijven of werkplaatsen
voor een behoorlijke verbinding nodig zijn, mogen zij niet als ver
blijf voor passagiers, als bedoeld in lid 3, in rekening worden ge
bracht.
7. Als vrij dekoppervlak mag niet in rekening worden gebracht
dekoppervlak, dat bezet is met kasten, werkbanken en dergelijke
blijvende inrichtingen of voorwerpen. Evenmin mag in rekening wor
den gebracht het gedeelte van het dek, hetwelk ter beschikking van
de niet tot de passagiers behorende opvarenden wordt gesteld, noch
het gedeelte van het brugdek en van het dek op het voorschip, nodig
voor de besturing van het schip en de behandeling van het ankergerei.
Bovendien moet voldoende ruimte vrij gehouden worden voor het
verkeer naar de privaten en wasgelegenheden en voor de scheeps
dienst.
Artikel 47
Inrichting van
1. De dekken in passagiersverblijven moeten hetzij van hout zijn,
passagiersver-
hetzij met hout of een andere de warmte slecht geleidende laag van
b"JVen
voldoende dikte zijn bedekt. Indien passagiersverblijven onder een
dek zijn gelegen, dat aan weer en wind is blootgesteld, moet ook dit
dek ter plaatse door een doelmatige bedekking op voldoende wijze
warmte en koude kunnen weren.
2. Een vaste slaapplaats moet esn minimum lengte van 1,90 meter
en een minimum breedte van 0,68 meter hebben. De slaapplaatsen
moeten behoorlijk zijn gescheiden en elk afzonderlijk toegankelij
zijn.
Er mogen niet meer dan twee slaapplaatsen boven elkaar zijn aan
gebracht. De onderkant van de onderste slaapplaats moet op schepen
van meer dan 500 ton tenminste 30 centimeter en op kleinere schepen
tenminste 15 centimeter boven het benedenste dek blijven, terwijl
de tweede slaapplaats midden tussen de eerste slaapplaats en het
bovenste dek moet zijn aangebracht.
.
De inrichting van de slaapplaatsen moet voldoende waarborg bie
den voor wering van ongedierte en een gemakkelijke grondige schoon
maak mogelijk maken.
,
,
Geen slaapplaats mag onder de opening van een luchtkoker zijn
aangebracht.
Artikel 48
ziekenverbiüf
1.
Aan boord van een schip, waar het aantal landverhuizers, geen
landverhuizers
dekpassagiers zijnde, 50 of meer bedraagt, moet bij een overtocht,
welke meer dan drie etmalen duurt, een van doelmatige verwarmings-
Bijlage II
en ventilatie-middelen voorzien ziekenverblijf zijn ingericht, dat voor
iedere 50 landverhuizers of gedeelte daarvan ten minste 4 kubieke
meter inhoud heeft en één slaapplaats bevat. In dit verblijf mogen
de slaapplaatsen niet boven elkaar zijn aangebracht en de hoogte
van het verblijf moet ten minste 1,90 meter bedragen, gerekend van
de onderkant der in het verblijf doorlopende dekbalken tot de
bovenkant van de vloerbedekking.
2. Er moet gelegenheid zijn personen, die aan ernstige of aan
besmettelijke ziekten lijden, afgezonderd van alle anderen behoorlijk
te verplegen.
3.
Bij het ziekenverblijf moet een apotheek tevens verbandkamer,
of een apotheek met daaraan verbonden verbandkamer aanwezig
zijn, alsmede een afzonderlijk privaat.
4. Het ziekenverblijf moet zoveel mogelijk in een dekhuis of onder
het bovenste dek doelmatig zijn gelegen en zoveel mogelijk van de
andere verblijven zijn afgescheiden.
5. Is het aantal landverhuizers kleiner dan 50, dan kan worden
volstaan met een ziekenkooi, die zodanig met losse wegneembare
schotten is ingericht, dat een zieke er gemakkelijk in en uit kan
worden gebracht.
6. Het ziekenverblijf met daarbij behorende apotheek en privaat
kan worden samengevoegd met dat, voorgeschreven in het Schepe-
lingenbesluit.
Artikel 49
1. Voor 50 of minder passagiers moeten twee privaten beschik- Privaten en
baar zijn, voor elk volgend 50-tal of gedeelte daarvan tot en met 500 waterplaatse
één privaat meer, bij meer dan 500 passagiers voor elk 100-tal of
gedeelte daarvan één privaat meer. Deze privaten moeten in privaten
voor mannen en voor vrouwen zijn verdeeld.
2.
Bovendien moeten een aantal waterplaatsen ten getale van een
derde van het aantal privaten aanwezig zijn. Daartoe aangewezen
privaten mogen als waterplaats dienst doen.
3.
De privaten en waterplaatsen moeten op afdoende wijze van
de verblijven zijn gescheiden en voorts behoorlijk zijn ingericht en
verlicht, zodat zij gemakkelijk schoon te houden zijn.
Artikel 50
Alle voor passagiers opengestelde dekken moeten, waar nodig, verschansingen
voorzien zijn van een verschansing of relingwerk van ten minste één relin^werk
meter hoogte.
Bij relingwerk moet de inrichting zodanig zijn, dat geen gevaar
bestaat, dat volwassen personen of kinderen door de openingen te
water geraken. In een verschansing moeten ten aanzien van de water
loospoorten soortgelijke voorzieningen worden getroffen.
BIJLAGE III
CONSTRUCTIE VAN PELGRIMSSCHEPEN EN VAN PASSA
GIERSSCHEPEN, WELKE GROTE AANTALLEN PASSAGIERS,
VOOR WIE GEEN VASTE SLAAPPLAATSEN AANWEZIG
ZIJN, VERVOEREN IN BEPAALDE GEBIEDEN
HOOFDSTUK I
Artikel 1
Toepassing
Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen, gebezigd voor het ver
voer van pelgrims tussen havens aan de Rode Zee enerzijds en In
donesië, India, Pakistan, Ceylon, Honkong en de Straits Settlements
anderzijds, alsmede op schepen, welke bestemd zijn voor het vervoer
van meer dan 12 passagiers, terwijl voor grote aantallen passagiers
geen vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, op reizen tussen Indonesië,
India, Pakistan, Ceylon, Honkong en de Straits Settlements.
Artikel 2
Geldigheid van
Bijlage II is op de schepen, bedoeld in artikel 1, van toepassing
bijlage II
met inachtneming van hetgeen in de volgende artikelen nader is be
paald.
Artikel 3
Permeabiliteit
Van artikel 5 van bijlage II is lid 4 niet van toepassing.
Artikel 4
Toelaatbare
1. Lid 2 van artikel 6 van bijlage II moet als volgt worden ge
lengte van
Ipypn-
afdelingen
lezen.
Criterium van dienst
Nadat voor een schip van gegeven lengte de factoren A en B zijn
vastgesteld, wordt de juiste waarde van de indelingsfactor bepaald
met behulp van een getal, dat het criterium van dienst aangeeft. Dit
getal is het criteriumgetal, dat bepaald wordt door de formule:
M + l,5Pi
Cs = 72
waarin:
Cs het criteriumgetal is;
M de inhoud is van het voortstuwingsgedeelte, als omschreven m
artikel 2 van bijlage II, vermeerderd met de inhoud van alle vaste
brandstofolieruimten, welke zich boven de dubbele bodem en vóór
of achter het voortstuwingsgedeelte mochten bevinden;
Bijlage III
P de gezamenlijke inhoud van de passagiersruimten onder de in-
dompelingsgrenslijn is;
li:n^i ^ ®e^e'e 'n'louc^ van het schip onder de indompelingsgrens-
P1 = P + 2,134A+0,0372 LN,
waarin:
A het gezamenlijke dekoppervlak in vierkante meters is van de
ruimten gemeten voor het vaststellen van het aantal boven de indom-
pelingsgrenshjn te vervoeren passagiers, voor wie geen vaste slaap
plaatsen aanwezig zijn, vermeerderd met het oppervlak van alle af
delingen, welke meer dan 6 slaapplaatsen bevatten (het oppervlak
van de ruimten, ingenomen door kombuizen, eetvertrekken, privaten
wasplaatsen, bagage- en proviandbergplaatsen, toiletten, ziekenver-
blijven, alsmede het vrije dekoppervlak, beschikbaar voor tussendeks
passagiers, moeten bij het bepalen van A niet worden medegerekendV
L de lengte van het schip in meters is;
N het aantal boven de indompelingsgrenslijn gelegen slaapplaatsen
voor hutpassagiers is, waarbij iedere passagier, die verblijf houdt in
een ruimte, welke met meer dan 6 vaste slaapplaatsen bevat, als hut
passagier wordt beschouwd.
2. Lid 3, onder (d) van artikel 6 van bijlage II moet als volst
worden gelezen:
De bepalingen onder (c) vermeld, zijn ook van toepassing op
schepen van onverschillig welke lengte, die een totaal aantal passa
giers mogen vervoeren, dat groter is dan 12, doch niet groter dan
de waarde van — (L in meters), waarbij echter het aantal 280 niet
mag worden overschreden. Hiervan mag het aantal hutpassagiers
niet groter zijn dan de waarde van—
(L in meters), waarbij echter
het aantal 50 niet mag worden overschreden.
Voor schepen met een lengte van 131 meter of groter, waarop dit
lid van toepassing is, moet de indeling achter de voorpiek geregeld
worden met behulp van de factor één.
3. Lid 4 van artikel 6 van bijlage II is niet van toepassing.
Artikel 5
1. Lid 3 van artikel 7 van bijlage II moet als volgt worden ge- Bijzondere bepa-
lezen;
lingen nopens de
In schepen met een lengte van 131 meter of groter moet één van deHngichte
de hoofddwarsschotten achter de voorpiek worden aangebracht op
een afstand van de vóórloodlijn, welke niet groter is dan de vulbare
lengte.
Bijlage III
2. Lid 7 van artikel 7 van bijlage II moet als volgt worden ge
lezen:
|
Indien de afstand tussen twee opvolgende hoofddwarsschotten of
tussen de daarmede gelijkwaardige vlakke schotten, als bedoeld in
lid 5 dan wel de afstand tussen de dwarsvlakken, gaande door de
dichtst bij elkaar gelegen vlakken van nissen in de schotten, minder
is dan 3,05 meter, vermeerderd met 2 percent van de lengte van net
schip, mag slechts één dezer schotten volgens de bepalingen van
artikel 6 beschouwd worden deel uit te maken van de waterdichte
indeling van het schip.
3. Lid 8 van artikel 7 van bijlage II moet als volgt worden ge-
lezen!
Indien een dwarsscheepse waterdichte hoofdafdeling plaatselijk
onderverdeeld is en ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaart
inspectie kan worden aangetoond, dat bij beschadiging in de zijde,
welke zich uitstrekt over een lengte van 3,05 meter, vermeerder
met 2 percent van de lengte van het schip, de gehele hoofdafdeling
niet volloopt, zal naar verhouding een vergroting van de anders voor
geschreven toelaatbare lengte worden toegekend. In een dergelijk
geval mag het drijfvermogen, dat verondersteld wordt aan de onbe
schadigde zijde aanwezig te zijn, niet groter zijn dan dat aan de be
schadigde zijde.
Artikel 6
stabiliteit van
1. Artikel 8 van bijlage II is niet van toepassing.
schepen in be-
_
Tntjien waterdichte dekken, een dubbele huid of al ot met
stand
e tOC"
waterdichte langsschotten worden aangebracht, moet ten genoegen
van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden aangetoond, dat
de veiligheid van het schip daardoor in geen enkel opzicht zal wor
den verminderd. Daarbij moet in het bijzonder acht worden geslagen
op de mogelijkheid van het ontstaan van slagzijde ten gevolge van
het vollopen van gedeelten van het schip ter plaatse van dergelijke
constructiedelen.
Artikel 7
Merken van in-
In artikel 10, lid 2 van bijlage II moet in plaats van de aanwij-
deiingsiastiünen
7ingPn
C2, C3, enz." worden gelezen: „D,, U2, u3, enz. .
Artikel 8
plaatsen, waar
Lid 2 van artikel 14 van bijlage II moet als volgt worden ge-
het gebruik van fezen*.
draaideuren is ge-
Waterdichte draaideuren mogen, mits onder door het Hoofd^ van
Scheeovaartinspectie te stellen voorwaarden, in schotten welke
tussendekslaadruimen van elkaar scl?eid/no>^
worden aangebracht, als waarop laadpoorten in het scheepsooor
•
Bijlage III
volgens de bepalingen van artikel 11 van bijlage III zijn toegestaan,
indien de noodzakelijkheid van deze deuren kan worden aangetoond.
Artikel 9
Lid 1 (II) van artikel 15 van bijlage II moet als volgt worden ge- inrichtingen
tot
lezen:
bewegen van
waterdichte
Indien het aantal van zulke deuren groter is dan 3 en niet groter schuifdeuren
dan 5 en het criteriumgetal, bedoeld in artikel 4 van bijlage III:
(a) niet groter is dan 30, mogen alle waterdichte schuifdeuren
uitsluitend met de hand beweegbaar zijn;
(b) groter is dan 30, moeten alle waterdichte schuifdeuren als
werktuiglijk bewogen deuren zijn uitgevoerd.
Indien het aantal van zulke deuren niet groter is dan 3:
(a) mogen, indien het criteriumgetal niet groter is dan 65, alle
waterdichte schuifdeuren uitsluitend met de hand beweegbaar zijn;
(b) moeten, indien het criteriumgetal groter is dan 65, alle water
dichte schuifdeuren werktuiglijk beweegbaar zijn.
Artikel 10
Artikel 17 van bijlage II moet als volgt worden gelezen:
Patrijspoorten en
1. (a) Indien in een tussendek het laagste punt van de opening vas,e lichtranden
van een patrijspoort lager zou zijn gelegen dan een lijn, welke even
wijdig aan het schottendek op het scheepsboord is getrokken en
welke haar laagste punt heeft op een hoogte boven de bovenste in
delingslastlijn, overeenkomend met 2,5 percent van de breedte van
het schip, mogen in dit tussendek geen patrijspoorten, doch slechts
vaste lichtranden worden aangebracht;
(b) Indien in een tussendek het laagste punt van de opening van
een patrijspoort hoger is gelegen dan de onder (a) genoemde lijn,
doch lager dan een lijn, welke eveneens evenwijdig aan het schotten-
dek op het scheepsboord is getrokken en welke haar laagste punt
heeft op een hoogte, gelijk aan 3,66 meter, vermeerderd met 2,5 per
cent van de breedte van het schip boven de bovenste indelingslast
lijn, moeten alle patrijspoorten in dat tussendek zodanig zijn uitge
voerd, dat zij niet door onbevoegden geopend kunnen worden.
2. Deugdelijke, scharnierende blinden, welke zodanig zijn inge
richt, dat zij gemakkelijk en afdoend gesloten en waterdicht aange
drukt kunnen worden, moeten aan de binnenzijde zijn aangebracht
op alle onder de indompelingsgrenslijn gelegen patrijspoorten, voor
zover zij:
(a) vaste lichtranden moeten zijn;
Bijlage III
(b) binnen een achtste van de lengte van het schip van de vóór
loodlijn zijn gelegen;
(c) op de plaats, aangeduid in lid 1, onder (b), zijn gelegen;
Cd)
gedurende de vaart niet bereikbaar zijn;
(e) in ruimten, welke bestemd zijn voor de huisvesting van de
scheepsgezellen of van tussendekspassagiers, zijn gelegen.
3. Patrijspoorten, welke onder het schottendek zijn aangebracht,
met uitzondering van die, welke in het vorige lid zijn vermeld, moeten
aan de binnenzijde voorzien zijn van deugdelijke blinden, welke weg-
neembaar mogen zijn en in de onmiddellijke nabijheid van de patrijs
poorten geborgen moeten worden. Deze blinden moeten van vloei-
ijzer, gegoten staal of gelijkwaardig materiaal zijn vervaardigd. Wan
neer zij niet naast of onder de poorten zijn opgehangen, moeten de
plaatsen, waar zij zijn geborgen, duidelijk zijn aangegeven.
4. In ruimen, welke uitsluitend voor het vervoer van lading of
het bergen van kolen zijn bestemd, mogen geen patrijspoorten zijn
aangebracht.
5. Patrijspoorten met automatische ventilatie mogen zonder mach
tiging van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie niet onder de in
dompelingsgrenslijn in het scheepsboord worden aangebracht.
Artikel 11
Toegangs-, laad-
Artikel 19 van bijlage II moet als volgt worden gelezen:
ahmede^openin-
1. Toegangs-, laad- en kolenpoorten in het scheepsboord, welke
gen
van stort- oncjer de indompelingsgrenslijn zijn aangebracht, moeten van vol-
kokers
doende sterkte zijn.
Laad- en kolenpoorten, welke geheel of gedeeltelijk onder de bo
venste indelingslastlijn zijn gelegen, mogen slechts met bijzondere
machtiging van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden aan
gebracht.
2. De binnenboordopening van elke stortkoker voor as, vuil, enz.
moet van een deugdelijk deksel zijn voorzien.
Indien de binnenboordopening onder de indompelingsgrenslijn is
gelegen, moet het deksel waterdicht afsluiten en moet bovendien een
terugslagklep in de koker op een gemakkelijk toegankelijke plaats
boven de bovenste indelingslastlijn zijn aangebracht. Wanneer de
koker niet in gebruik is, moeten zowel het deksel als de klep gesloten
en geborgd zijn.
Artikel 12
Dubbele bodems
Lid 8 van artikel 22 van bijlage II is niet van toepassing.
Artikel 13
pompinrichting
Van artikel 24 van bijlage II zijn lid 4 en lid 9, met uitzondering
van de eerste volzin, niet van toepassing.
Bijlage III
Artikel 14
1. Hoofdstuk II van bijlage II is niet van toepassing
Brandwerende
schotten
2. Alle schepen moeten op door het Hoofd van de Scheepvaart
inspectie goedgekeurde plaatsen boven het schottendek voorzien zijn
van brandwerende schotten, welke zonder onderbreking van boord
tot boord doorlopen.
De gemiddelde afstand tussen twee opvolgende brandwerende
schotten mag in het algemeen niet groter zijn dan 40 meter.
Zij moeten van metaal of ander brandwerend materiaal gemaakt
zijn en in staat zijn gedurende één uur het verspreiden van brand
aan boord, waarbij een temperatuur van 815° Celsius aan één zijde
van het schot ontstaat, tegen te houden.
Sprongen en nissen in deze schotten en de middelen om de ope
ningen in de schotten af te sluiten moeten brandwerend en vlam-
dicht zijn.
3. De in lid 2 geëiste brandwerende schotten behoeven niet te
worden aangebracht in een lange, gesloten, afzonderlijke bovenbouw,
welke niet blijvend is ingericht voor het vervoer van passagiers, voor
wie vaste slaapplaatsen aanwezig zijn en evenmin in een bovenbouw
met grote openingen in het scheepsboord.
Artikel 15
De eerste volzin van artikel 47, lid 1 van bijlage II is niet van inrichting van
toepassing op de tussendekken en de dekken binnen een bovenbouw, {^®icrsver"
wanneer daarop passagiers worden vervoerd, voor wie geen vaste
slaapplaatsen aanwezig zijn of wanneer daarop passagiers worden
vervoerd, voor wie vaste slaapplaatsen aanwezig zijn in afdelingen
voor meer dan zes personen.
Artikel 16
1. Artikel 48 van bijlage II is niet van toepassing.
ziekenverbiijf,
2. Er moeten aan boord één of meer van doelmatige ventilatie-
middelen voorziene ziekenverblijven zijn ingericht, welke niet bene-
dendeks gelegen mogen zijn en gezamenlijk tenminste 6 slaapplaatsen
bevatten. De oppervlakte van een ziekenverbiijf voor 6 personen moet
tenminste 13 vierkante meter zijn; de oppervlakte van ziekenverblijven
voor een kleiner aantal personen wordt door het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie vastgesteld. De hoogte moet ten minste 1,90
meter zijn, gerekend van de onderkant van de in het verblijf door
lopende dekbalken tot de bovenkant van de vloerbedekking.
3. Indien meer dan 50 vrouwelijke tussendekspassagiers worden
vervoerd, moet een afzonderlijk ziekenverbiijf, dat ten minste 2
slaapplaatsen bevat, voor deze zijn ingericht. De oppervlakte van het
verblijf moet tenminste 6,5 vierkante meter zijn, terwijl hetgeen ove
rigens in lid 2 is bepaald van toepassing is.
Bijlage III
4. Er moet een van het ziekenverblijf gescheiden apotheek aan
boord zijn.
5. De ziekenverblijven moeten van afzonderlijke privaten zijn
voorzien en zo zijn gebouwd, dat personen, die aan een besmettelijke
ziekte lijden en personen, die met hen in aanraking zijn geweest,
kunnen worden afgezonderd overeenkomstig de aard van de ziekte.
Artikel 17
Privaten en was-
i. Artikel 49 van bijlage II is slechts van toepassing voor zoveel
gelegenheden
gr passagiers worden vervoerd, voor wie vaste slaapplaatsen aan-
wezig zijn in afdelingen voor ten hoogste zes personen.
2. Voor de overige passagiers moeten voor elk 100-tal of ge
deelte daarvan 3 privaten aanwezig zijn. Een voldoend aantal van
deze privaten moet uitsluitend voor vrouwen bestemd zijn; geen pri
vaten of waterplaatsen mogen zich bevinden in tussendekken of in
het ruim.
3. De privaten en waterplaatsen moeten voldoende ruim en luchtig
zijn en met waterdoorloop zodanig zijn ingericht, dat zij gemakkelijk
kunnen worden schoongehouden.
4
Voor alle passagiers moet tussen de keerkringen gelegenheid
bestaan zich dagelijks geheel te wassen, terwijl een voldoend aantal
der wasgelegenheden uitsluitend voor vrouwelijke passagiers bestemd
moet zijn.
HOOFDSTUK II
Artikel 18
Toepassing
Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen, gebezigd voor het ver
voer van grote aantallen passagiers, voor wie geen vaste slaapplaatsen
aanwezig zijn, tussen havens in de volgende gebieden, of op de
volgende reizen:
( a ) De Caraïbische Zee, benevens een strook ter breedte van
30 zeemijlen aan de Noordzijde der Grote Antillen en aan de Noord
en Oostzijde der Kleine Antillen en voor reizen in een gebied, ge
legen ten Westen van de lijn Ragged Point (Barbados) naar de mon
ding van de Surinamerivier, waarop de schepen zich niet verder dan
200 zeemijlen van het naastbijzijnde land verwijderen;
( b ) Voor reizen langs de Westkust van Midden- en Zuid-Amerika
tussen havens, niet noordelijker gelegen dan 13° Noorderbreedte
en niet zuidelijker dan Coquimbo, waarop de schepen zich niet verder
dan 200 zeemijlen van het naastbijzijnde land verwijderen;
( c ) Voor reizen langs de Westkust van Afrika tussen havens,
niet noordelijker gelegen dan Kaap Blanco en niet zuidelijker dan
Mossamedes, waarop de schepen zich niet verder dan 200 zeemijlen
van het naastbijzijnde land verwijderen;
Bijlage III
(d) De Rode Zee en de Golf van Aden ten westen van de meri
diaan van 52° Oosterlengte, alsmede voor reizen langs de Oostkust
van Afrika, niet zuidelijker dan de haven van Lourenzo Marqués,
waarop de schepen zich niet verder dan 200 zeemijlen van het naast-
bijzijnde land verwijderen.
Artikel 19
Op schepen bedoeld in artikel 18 is hoofdstuk I van toepassing, Geldigheid van
met inachtneming van hetgeen in de volgende artikelen nader ishoofdstuk 1
bepaald.
Artikel 20
Artikel 4 is niet van toepassing.
Toelaatbare
In afwijking van het bepaalde in artikel 6 van bijlage II wordt delgen*" af"
steeds de indelingsfactor één gebruikt, tenzij ten genoegen van het
Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aangetoond, dat het noch
praktisch uitvoerbaar, noch redelijk is deze factor aan te houden.
Artikel 21
Artikel 7 is niet Van toepassing.
Merken van inde-
lingslastlijnen
Artikel 22
Artikel 16 is niet van toepassing.
ziekenverbiijf,
apotheek
Artikel 23
In afwijking van het bepaalde in artikel 46, lid 5 van bijlage II, Vrüe oppervlakte
mogen ook op reizen, welke 48 uur of langer duren, dekpassagiers v°" dekPassa-
worden vervoerd, mits de vrije oppervlakte aan dek, beschikbaar voor 8'er"
de passagiers, tot 1,1 vierkante meter per persoon wordt uitgebreid.
BIJLAGE IV
VOORSCHRIFTEN VOOR DE VASTSTELLING VAN DE
UITWATERING VAN SCHEPEN
HOOFDSTUK I
Inleiding
Artikel 1
Toepassing
i. Deze bijlage is van toepassing op alle schepen, bedoeld in de
artikelen 94 en 95 van het Schepenbesluit, met dien verstande, dat:
( a ) voor schepen van minder dan 150 ton, welke zich uitsluitend
in bepaalde vaargebieden ophouden, door het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie, voorzover het de hoofdstukken II tot en met V van
deze bijlage betreft, afwijking van de voorschriften kan worden toe
gestaan;
( b ) het minimum vrijboord voor schepen, waarvan de kiel is gelegd
vóór 1 Juli 1932, voor zover zij sindsdien geen zodanige verbouwing
ondergaan hebben, dat de uitwatering opnieuw moet of moest worden
vastgesteld, wordt berekend volgens de bepalingen, zoals deze waren
opgenomen in het Koninklijk Besluit van 22 September 1909, Staats
blad no. 315. Deze schepen moeten slechts, voor zover dit redelijk en
praktisch uitvoerbaar is, aan de eisen, gesteld in hoofdstuk II, voldoen.
2.
De eigenaar van een schip als bedoeld in lid 1 onder ( b ) kan
schriftelijk aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie verzoeken
voor zulk een schip een certificaat, aangevende een minimum vrij
boord volgens de bepalingen van deze bijlage, uit te reiken. In dit
geval moet geheel voldaan worden aan de in deze bijlage gestelde
eisen.
Artikel 2
Geldigheidsduur
1. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bepaalt de geldigheids
van certificaten
duur yan het certificaat van uitwatering en van dat voor de houtvaart
met dien verstande, dat deze nimmer langer mag zijn dan vijf jaar,
gerekend van de datum van afgifte.
2.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan de geldigheids
duur periodiek voor een bepaald tijdvak, doch telkenmale niet langer
dan vijf jaar, verlengen. Deze verlenging van de geldigheidsduur
wordt op het certificaat aangetekend.
3. Certificaten worden niet afgegeven, noch wordt hun geldig
heidsduur verlengd, zonder dat een volledige periodieke inspectie
heeft plaats gehad, waarbij gebleken is, dat voldaan is aan de in deze
bijlage gestelde eisen.
Bijlage IV
Artikel 3
1. Voor de toepassing van de bepalingen van deze bijlage wordt Omschrijvingen
een lichter, een sleepschip of enig ander schip zonder voldoende
eigen voortstuwingsmiddelen, op voorwaarde, dat zodanig vaartuig
gesleept wordt, als een stoomschip beschouwd.
2. Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:
gladdekschip: een schip zonder enige bovenbouw op het vrijboord-
dek;
bovenbouw: een overdekte constructie op het vrijboorddek, welke
zich van boord tot boord uitstrekt, terwijl een verhoogd halfdek wordt
beschouwd als een bovenbouw;
minimum vrijboord: de afstand loodrecht langs het scheepsboord
gemeten van de bovenkant van de deklijn als aangegeven in artikel 4
tot het uitwateringsmerk;
vrijboorddek: het dek, van welks bovenkant het vrijboord wordt ge
meten, dus als regel het bovenste doorlopende dek, dat voorzien is
van permanente middelen tot sluiting van alle openingen in de aan
weer en wind blootgestelde gedeelten, als bedoeld in de artikelen
11 tot en met 18. Het is het bovendek van gladdekschepen en van
schepen met niet doorlopende bovenbouw. Op schepen, die binnen
een bovenbouw, welke niet geheel gesloten is of welke niet is voor
zien van de in artikel 44 bedoelde middelen tot afsluiting der eerste
klasse, dekken hebben, welke verspringen, wordt het laagste gedeelte
van zodanig dek onder het dek van de bovenbouw als vrijboorddek
beschouwd.
midscheeps: de plaats van het dwarsscheepse vlak op het midden
van de lengte, zoals deze volgens artikel 33 wordt bepaald.
Artikel 4
De deklijn wordt aangegeven door een horizontale lijn met een Deklijn
lengte van 300 millimeter en een dikte van 25 millimeter. Zij wordt
midscheeps aan elke zijde van het schip aangebracht en haar boven
kant valt samen met de snijlijn van het doorgestrookte bovenvlak van
het vrijboorddek met de buitenzijde van de huid (zie afbeelding 1).
Indien midscheeps een gedeeltelijk houten dek is aangebracht, moet
de bovenkant van de deklijn samenvallen met de snijlijn van het door-
gestrookte bovenvlak van de dekdelen midscheeps met de buitenzijde
van de huid.
Bijlage IV
Afbeelding 1
Artikel 5
De cirkel van het
De cirkel van het uitwateringsmerk heeft een buitenmiddellijn van
uitwatering*-
3Q() millimeter en een dikte van 25 millimeter; hij wordt gesneden
door een horizontale lijn met een lengte van 460 millimeter en een
dikte van 25 millimeter, welker bovenzijde door het middelpunt van
de cirkel gaat. De cirkel wordt loodrecht onder de deklijn midscheeps
geplaatst.
Artikel 6
Lijnen in verband
lijnen, welke de grootste toegelaten diepgang onder verschil-
gebruiken*rkel "lende omstandigheden en voor verschillende vaargebieden en jaar
getijden (hoofdstuk VII) aanduiden, moeten horizontale lijnen zijn
met een lengte van 230 millimeter en een dikte van 25 millimeter.
Zij beginnen bij en staan loodrecht op een verticale lijn, welke 540
millimeter vóór het middelpunt van de cirkel is geplaatst (zie afbeel
ding 1).
De volgende lijnen kunnen voorkomen:
(a) Uitwateringslijn voor de Zomer.
De Uitwatering voor de Zomer (Zomeruitwatering) wordt aan
geduid door de bovenkant van de lijn, welke gaat door het middel-
Bijlage IV
punt van de cirkel en tevens door een op gelijke hoogte gelegen
lijn, gemerkt Z;
(b) Uitwateringslijn voor de Winter.
De Uitwatering voor de Winter (Winteruitwatering) wordt aan
geduid door de bovenkant van een lijn, gemerkt W;
(c) Uitwateringslijn voor de Winter in de Noord-Atlantische
Oceaan.
De Uitwatering voor de Winter in de Noord-Atlantische Oceaan
(Noord-Atlantische Winteruitwatering) wordt aangeduid door de
bovenkant van een lijn, gemerkt W N A;
(d) Uitwateringslijn voor de Tropen.
De Uitwatering voor de Tropen (Tropenuitwatering) wordt aange
duid door de bovenkant van een lijn, gemerkt T;
(e) Uitwateringslijnen in Zoetwater.
De Uitwatering in Zoetwater voor de Zomer (Zomer-Zoetwater-
uitwatering) wordt aangeduid door de bovenkant van een lijn, ge
merkt Z W.
Het verschil tussen de Zomer-Zoetwateruitwatering en de Zomer-
uitwatering is de correctie, die bij andere uitwateringslijnen moet
worden toegepast bij het laden in zoet water.
De Tropen-Zoetwateruitwatering wordt aangeduid door de boven
kant van een lijn, gemerkt T Z W.
Artikel 7
1. Wanneer de berekening van het minimum vrijboord uitsluitend Aanduiding van
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie heeft plaats gehad, ge- bureau^'dat hdc
schiedt het toezicht op de plaatsing van het merk door een ambtenaar juiste plaatsing
van de Scheepvaartinspectie. Naast de cirkel en boven de middellijn ™ft g«ontro-rk
worden in dit geval de letters S en I geplaatst. Deze letters moeten een leerd
hoogte van 115 millimeter hebben, terwijl de dikte der letters 15
millimeter en de breedte van de letter S ongeveer 75 millimeter moet
bedragen. S wordt links en I rechts van de cirkel geplaatst.
2. Wanneer de berekening van het minimum vrijboord onder toe
zicht van voornoemd Hoofd door een particulier onderzoekingsbureau
heeft plaats gehad, geschiedt het toezicht op de plaatsing van het merk
door een vertegenwoordiger van dit onderzoekingsbureau. De naam
van het betrokken bureau wordt door naast de cirkel te plaatsen letters
aangeduid. Deze letters moeten een hoogte van 115 millimeter, een
dikte van 15 millimeter en een breedte van ongeveer 75 millimeter
hebben.
Artikel 8
De cirkel, lijnen en letters moeten in wit of geel op donkere grond Büzonderheden
of in zwart op lichte grond worden aangebracht. Zij moeten op de betreffende het
boorden van ijzeren of stalen schepen bovendien zorgvuldig ingehakt hrtmlrT" va"
Bijlage IV
of met een kornagel ingeslagen zijn en op houten schepen moeten
zij tenminste 3 millimeter diep in de huidbeplanking ingesneden zijn.
De merken moeten goed zichtbaar zijn en blijven.
Artikel 9
Verificatie van de
Het certificaat van uitwatering wordt eerst uitgereikt, nadat aan
merken
de betrokken ambtenaar van de Scheepvaartinspectie, dan wel aan
de vertegenwoordiger van het betrokken particulier onderzoekings
bureau, is gebleken, dat de merken juist en onuitwisbaar zijn aan
gebracht.
Hij, die de plaats van het merk heeft gecontroleerd, geeft hiervan
onmiddellijk schriftelijk kennis aan het Hoofd van de Scheepvaart
inspectie.
HOOFDSTUK II
Voorwaarden, waaraan het schip moet voldoen voor het verkrijgen
van een certificaat van uitwatering
A. Inleiding
Artikel 10
Algemene voor-
Qe vaststelling van de uitwatering geschiedt onder de voorwaarden,
waarden
dat het schip voldoende sterk is gebouwd en dat maatregelen zijn
genomen om schip en bemanning doeltreffend, mede in verband met
de grootte van het minimum vrijboord, te beschermen.
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn geheel van toepassing op die
schepen, voor welke het kleinste, volgens deze bijlage voor het type
en de grootte van het schip bepaalde minimum vrijboord wordt
vastgesteld. Ten aanzien van schepen, voor welke op grond van hun
algemene sterkte of om andere redenen een groter minimum vrijboord
wordt vastgesteld, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ver
mindering van de in dit hoofdstuk vermelde eisen toestaan, mits de
bescherming naar verhouding doeltreffend is.
B. Openingen in het vrijboorddek en in dekken
van de bovenbouw
Artikel 11
Luik- en andere
£)e (jouw en inrichting van luik- en andere hoofden op blootge-
nfefdoo'r debo- stelde plaatsen op het vrijboorddek en op dekken van de bovenbouw
venbouw be-
moeten tenminste gelijkwaardig zijn aan hetgeen in de artikelen 12
schermd worden tot en met jg aJg standaardconstructie is vastgesteld.
Artikel 12
Luikhoofden
j
Onverminderd het bepaalde krachtens de Stuwadoorswet moet
de hoogte van luikhoofden op vrijboorddekken tenminste 61 centi
meter boven het dek bedragen. De hoogte van hoofden op dekken
van de bovenbouw moet tenminste 61 centimeter boven het dek be
dragen, indien zij binnen een vierde gedeelte van de scheepslengte
Bijlage IV
van de voorsteven zijn gelegen en ten minste 46 centimeter, indien zij
elders zijn gelegen.
2. De hoofden moeten deugdelijk van staal zijn vervaardigd en,
indien een hoogte van 61 centimeter is voorgeschreven, van een deug
delijke horizontale verstijving zijn voorzien, welke niet lager dan
25 centimeter onder de bovenkant is aangebracht en welke op af
standen, niet groter dan 3,05 meter, van deugdelijke knieën of
steunen tussen die verstijving en het dek is voorzien. Voor dwars-
hoofdplaten, welke beschermd zijn, kunnen deze eisen worden ver
minderd.
3. In het algemeen mag een opening in een vrijboorddek niet
langer dan 30 percent van de scheepslengte of breder dan 60 percent
van de scheepsbreedte zijn, terwijl het oppervlak over het algemeen
niet groter mag zijn dan 15 percent van het oppervlak, verkregen
door de lengte en de breedte van het schip met elkaar te vermenig
vuldigen. Voor kleine schepen in zeer beperkt vaargebied kunnen
deze percentages tot 33 onderscheidenlijk 70 en 22 worden vergroot.
Indien het om bijzondere redenen noodzakelijk is een opening in
het vrijboorddek groter te maken, dan in de eerste zinsnede van dit
lid is aangegeven, moeten zowel in het dwarsverband van het schip,
als in de gebruikelijke omlijsting van de opening in het dek door het
Hoofd van de Scheepvaartinspectie goed te keuren versterkingen
worden aangebracht.
Artikel 13
1. Luiken voor blootgestelde luikopeningen moeten deugdelijk Luiken
zijn samengesteld en te allen tijde goed passend zijn. Indien zij van
hout zijn vervaardigd, moet de dikte na afwerking ten minste 60 milli
meter zijn voor een spanning van niet meer dan 1,52 meter. De
breedte van elk draagvlak moet voor deze luiken ten minste 63 milli
meter bedragen. Indien de spanning groter is dan 1,52 meter worden
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie nadere voorschriften
gegeven.
2. De einden van houten luiken moeten zijn voorzien van gegal
vaniseerde stalen banden van, in verband met de afmetingen der
luiken, voldoende breedte en dikte. Dit voorschrift is niet van toe
passing op de schepen, bedoeld in de hoofdstukken II en III van
bijlage VII van het Schepenbesluit.
3. Indien stalen luiken worden toegepast, moeten zij van gelijke
sterkte zijn als voor houten luiken is voorgeschreven.
Artikel 14
1. Indien houten luiken worden toegepast en voor de luikhoofden Luikschiiden
een hoogte van 61 centimeter is voorgeschreven, moeten de luik- langsmerkels
schilden en de langsmerkels de afmetingen hebben en op onderlinge
afstanden liggen, als in tabel I is aangegeven.
Bijlage IV
2. Indien voor de luikhoofden een hoogte van 46 centimeter is
voorgeschreven, moeten de luikschilden en de langsmerkels de af
metingen hebben en op onderlinge afstanden liggen, als in tabel II is
aangegeven.
3. De versterkingshoekstalen aan de bovenkant van elk schild
moeten over de gehele lengte van het schild doorlopen. Houten
langsmerkels moeten op alle draagvlakken van staalbeslag zijn voor
zien.
4. Indien stalen luiken worden toegepast moeten de afstanden,
de afmetingen en de constructie van de luikschilden en de langs
merkels, welke ook één geheel met de luiken mogen uitmaken, aan
de goedkeuring van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden
onderworpen.
Artikel 15
stroppen of
Stroppen of schoenen voor schilden en langsmerkels moeten van
schilden" voor
staal zijn; hun dikte moet ten minste 12,5 millimeter en de breedte
van het draagvlak ten minste 75 millimeter bedragen.
Artikel 16
Scnaimiippen
j
Sterke schalmlippen met een breedte van ten minste 63 milli
meter moeten op afstanden van niet meer dan 61 centimeter van hart
tot hart aan de luikhoofden worden aangebracht; de schalmlippen
aan de einden mogen niet verder dan 15 centimeter van elke hoek
van het hoofd zijn geplaatst.
De schalmlippen moeten van een goedgekeurd model zijn met een
tapsheid ten opzichte van de luikhoofdplaat van 1 op 6. Bij toepas
sing van stalen keggen kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
afwijking toestaan.
2. Wanneer het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het aanwezig
zijn van presennings bij de toepassing van stalen luiken niet nodig
oordeelt, kan van het aanbrengen van schalmlippen worden afgezien.
Artikel 17
Schaimiatten en
Schalmlippen en keggen moeten deugdelijk en in goede staat zijn.
keseen
De heggen moeten van daartoe geschikt hout volgens goedgekeurd
model zijn vervaardigd en een tapsheid hebben van 1 op 6. Aan het
dunste eind moet de dikte ten minste 13 millimeter bedragen. De
toepassing van stalen keggen kan door het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie worden toegestaan.
Artikel 18
Voorziening van
j. Alle luikopeningen, waarvan het luikhoofd, krachtens arti-
de luiken
kel ^ 2> li(J ^ een hoogte van
centimeter moet hebben, moeten
voorzien zijn van doeltreffende middelen om de luiken neer te druk
ken, nadat de presennings zijn aangebracht en geschalmd. Tot deze
middelen worden ook stalen sluitbalken gerekend, mits deze deugde
lijk en onafhankelijk van elkaar elke rij luiken neerdrukken.
Bijlage IV
2.
Bij alle overige luikhoofden, welke op een blootgestelde plaats
op het vrijboorddek of op een dek van de bovenbouw zijn aange
bracht, moeten ringbouten of andere inrichtingen om sjorrings te
bevestigen aanwezig zijn.
Indien de breedte van een luikhoofd groter is dan 60 percent van
de breedte van het dek ter plaatse en volgens artikel 12 voor het
hoofd een hoogte van 61 centimeter is voorgeschreven, moeten in
richtingen voor extra sjorrings zijn aangebracht, teneinde de luiken
op hun plaats te houden nadat de presennings zijn vastgekegd.
3.
Bij toepassing van stalen luiken moet de waterdichte afsluiting
van blootgestelde luikopeningen op door het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie goedgekeurde wijze zijn verkregen.
Artikel 19
Luik-, kolenstort- en dergelijke openingen in het vrijboorddek Luik- en andere
binnen een bovenbouw, welke van de in artikel 45 bedoelde middelen o™h«^bóo8rd-
tot afsluiting der tweede klasse zijn voorzien, moeten hoofden met een dek binnen een
hoogte van ten minste 23 centimeter en inrichtingen tot sluiting van z^^van" midde-
die openingen hebben, welke even doeltreffend zijn als die, vereist ien tot afsluiting,
voor blootgestelde luikhoofden, waarvan de hoofden 46 centimeter "odtreffend" n
hoog zijn.
dan die der eerste
Indien de middelen tot afsluiting minder doeltreffend zijn dan die klasse
der tweede klasse, moeten de luikopeningen hoofden hebben met een
hoogte van ten minste 46 centimeter en middelen en inrichtingen tot
sluiting van die openingen, even doeltreffend als die, welke voor
blootgestelde luikhoofden worden geëist.
TABEL I
Hoogte der luikhoofden 61 centimeter
Luikschilden en langsmerkels voor schepen met een lengte van 61 meter of meer *)
Luikschilden
—
.
Luikschilden met langsmerkels
Luikschilden zonder
langsmerkels
Wijdte der
'
~~
—
luikopening
Beslag
Afstand van hart tot hart
Afstand van hart tot hart
1,83 m
2,44 m
3,05 m
1,22 m
j
1,52 m
m
mm
mm
mm
mm
mm
mm
3,05
75x75x10 HS
280 x 7,5 P
305 x 8 P
356 X 8,5 P
230x11,5 BP 254x12,5 BP
3,66
75x75x10 HS
305 x 8 P
356 X 8,5 P
432 X 9 P
280x12,5 BP 305x12,5 BP
4,27
75 X75 x 10,5 HS
356 X 8,5 P
432X 9 P
508 X 9,5 P
305x12,5 BP 305 X 8
P
4,88
90 X 75 X 10,5 HS
406 X 9 P
483 X 9,5 P
559 X 9,5 P
305 X 8 P
356 X 8 5 P
5,49
100x75x11 HS
457 X 9 P
533 x 9,5 P
635x10 P
356X 8,5 P
406 x 9 P
6,10
100x75x11 HS
508 X 9,5 P
610x10 P
71 lx 10,5 P
381X 8,5 P
457 x 9 P
6,71
115x75x11,5 HS
559x 9,5 P
660x10,5 P
762x11 P
406x 9 P
483 X 9 P
7,32
130x90x11,5 HS
584x10 P
711 x 10,5 P
813x11 P
432x 9 P
508 X 9,5 P
7,93
140x90x12 HS
610x10 P
736x10,5 P
864x11,5 P
457x 9
P
533 x 9 5 P
8,54
150x90x12,5 HS
635x10 P
787x11 P
915x12 P
483 X 9,5 P
559 x 9 5 P
9,14
150x90x13 HS
660x10,5 P
813x11 P
965x12 P
508 X 9,5 P
584x10' P
HS = Hoekstaal; BP = Bulbplaat; P = Plaat.
*) In schepen, welker lengte 30,50 meter niet te boven gaat, mag de hoogte van uit plaat en hoekstalen samengestelde
schilden 60 percent van de hierboven vermelde hoogten bedragen; de hoogten van schilden en langsmerkels, welke uit bulb
plaat en gewoon hoekstaal zijn samengesteld, mogen 80 percent bedragen van de hierboven vermelde hoogten; de dikten van
platen, hoekstalen en bulbplaten moeten overeenkomen met de dikten, die in de tabel voor de gereduceerde hoogten,
doch met een minimum van 7,5 millimeter, zijn aangegeven; de hoogten en breedten van houten langsmerkels mogen
80 percent bedragen van die, welke in de tabellen voor zijmerkels zijn aangegeven, doch de middenmerkels mogen niet
Ï.matter i\jn dan. \65 mttttcneter. In settepen met een \engte lussen 10,50 en 61 meier moeten de afmetingen van de
5
ET
CTQ O
t—l <
/
/
Stalen middenmerke/s (liulbplaat)
/
Sta/en zifmerkels (&u/b/ioekstaaO
Lc'lings'-in / Beslag
~Afstand van hart tot hart
7
Afstand van hart tot hart
merkels
|
0,91 m
1,22 m
[
1,52 m
0,91 m
1,22 m
1,52 m
m
mm
mm
mm
mm
mm
mm
mm
1 83
65x65x 9
150x 9
165x 9,5
180x 9,5
150x75x 9,5
165x90x 9,5
180x90x 9,5
244
65x65x9 5
180x10,5
200x11
230x11
180x90x10,5
200x75x11
225x90x11
3'05
65x65x10
200x12,5
240x12,5
280x12,5
200x90x12,5
240x90x12,5
280x90x12,5
Houten middenmerkels
Houten zijmerkels
Lengte
Afstand van hart tot hart
Afstand van hart tot hart
van
langs-
0 91 m
j
1,22 m
1,52 m
0,91 m
1,22 m
1,52 m
MERKELS
H
'
B
H
B
H
B
H
B
H
B
H
~~i~
, Ri
140
180
150
180
165
180
140
140
150
150
165
150
2 44
165
180
190
180
200
180
165
165
190
180
200
180
3 05
200
180
215
200
230
230
200
180
215
200
230
230
'
*
H = Hoogte; B = Breedte.
De hoogte der schilden wordt in het midden van
bracht. Indien bulbplaten zijn voorgeschreven, moe
hun lengte en van de bovenkant van het bovenste
ten twee hoekstalen aan de bovenkant van het schild
daarop geklonken hoekstaal tot de onderkant gemeten.
of de merkel worden aangebracht. Indien bulbhoek-
De hoogte der langsmerkels wordt van de onderzijde
stalen zijn voorgeschreven, moet één hoekstaal van een
der luiken tot de onderkant gemeten. Voor tussen-
profiel, als voor het beslag is aangegeven, tegen de
gelegen lengten en afstanden worden de afmetingen
bovenkant van het profiel worden aangebracht. Indien
door interpolatie bepaald. Indien platen zijn voor-
de voorgeschreven flenzen van een hoekstaal verschil-
geschreven, moeten twee hoekstalen van het profiel,
lende afmetingen hebben, moet de grootste flens hori-
als voor het beslag is aangegeven, aan de bovenkant
zontaal zijn.
en aan de onderkant van het schild worden aange-
O)
ET
ÏQ
O
>—i <
TABEL II
Hoogte der luikhoofden 46 centimeter
Luikschilden en langsmerkels voor schepen met een lengte van 61 meter of meer
Luikschilden
Luikschilden met langsmerkels
Luikschilden zonder
langsmerkels
Wijdte der
'
-—
luikopening
Beslag
Afstand van hart tot hart
Afstand van hart tot hart
1,83 m
2,44 m
3,05 m
1,22 m
1,52 m
m
mm
mm
mm
mm
mm
mm
3,05
75x75x10 HS
241x11,5 BP 267x12,5 BP 292x13
BP 203x10
BP 225x11
BP
3,66
75x75x10 HS
280x12,5 BP 280x 7,5 P 330x 8,5 P 230x11
BP 254x12,5 BP
4,27
75x75x10,5 HS
280x 7,5
P 330x 8
P 381 X 8,5
P 254x12,5 BP 292x12,5 BP
4,88
90 x75 X 10,5 HS
305 X 8
P 381X 8,5 P 432 x 9
P 280 x 7,5 P 280 x 7,5
P
5,49
100x75x11 HS
356x 8,5
P 432x 9
P 483 x 9,5 P 280x 7,5 P 305X 8
P
6,10
100x75x11 HS
406 x 9
P 483 X 9,5 P 533 X 9,5 P 305x 8
P 305X 8,5 P
6,71
115x75x11,5 HS
432X 9
P 508 x 9,5 P 584x10
P 318x 8
P 356x 8,5 P
7,32
130x90x11,5 HS
457X 9
P 533 x 9,5 P 635x10
P 330x 8,5 P 368x 8,5
P
7,93
140x90x12 HS
483 x 9,5
P 559 X 9,5 P 660x10,5 P 344 X 8,5 P 381 X 8,5
P
8,54
150X90X 12,5 HS
508 X 9,5
P 584x10
P 686x10,5 P 356 X 8,5 P 406 X 9
P
9,14
150x90x13 HS
533 X 9,5 P 610x10
P 711x10,5 P 381X 8,5 P 432X 9
P
HS = Hoekstaal; BP = Bulbplaat; P = Plaat.
r) In schepen ,welker lengte 30,50 meter niet te boven gaat, mag de hoogte van uit plaat en hoekstalen samengestelde
schilden 60 percent van de hierboven vermelde hoogten bedragen; de hoogten van schilden en langsmerkels, welke uit bulb-
hoekstaal en gewoon hoekstaal zijn samengesteld, mogen 80 percent bedragen van de hierboven vermelde hoogten; de
dikten van platen, hoekstalen of bulbplaten moeten overeenkomen met de dikten, die in de tabel voor de gereduceerde
hoogten, doch met een minimum van 7,5 millimeter, zijn aangegeven; de hoogten en breedten van houten langsmer
kels mogen 80 percent bedragen van die, welke in de tabellen voor zijmerkels zijn aangegeven, doch de middenmerkels mogen
niet smaller zijn dan \65 millimeter. In schepen met een lengte tussen 30,50 en 6\ meter moeten de afmetingen van de
s
S*
OQ O
HM
<
Y>LÖ>5Z; W
/
j
Stalen middenmerkels (Bulbplaat)
j
Stalen zijmerkels (Bulbhoekstaal)
LC,\fngs-n
Beslag
l
Afstand van hart tot hart
/
Afstand van hart tot hart
melkeIS
0,91 m
1,22 m
1,52 m
0,91 m
1,22 m
1,52 m
m
mm
mm
mm
mm
mm
mm
mm
1 83
65x65x9
130X 8,5
140x 8,5
150x 9
130x75x 8,5
140x75x 8,5
150x75x 9
244
65x65x9,5 150X 9,5
180x10
190x10,5
150x75x 9,5
180x75x10
190x90x10,5
3,05
65x65x10
180x11
200x11,5
230x12,5
180x75x11
200x90x11,5
230x90x12,5
Houten middenmerkels
Houten zijmerkels
Lengte
Afstand van hart tot hart
Afstand van hart tot hart
van
langs-
0,91 m
1,22 m
1,52 m
0,91 m
1,22 m
1,52 m
merkels
—
H
B
H
B
H
B
H
B
H
B
H
B
1 83
130
180
140
180
150
180
130
130
140
130
150
130
2 44
150
180
165
180
180
180
150
130
165
150
180
150
3,05
180
180
190
180
200
180
180
150
190
180
200
180
H = Hoogte; B = Breedte.
De hoogte der schilden wordt in het midden van
gebracht. Indien bulbplaten zijn voorgeschreven, moe
hun lengte en van de bovenkant van het bovenste
ten twee hoekstalen aan de bovenkant van het schild
daarop geklonken hoekstaal tot de onderkant genieten.
of de merkel worden aangebracht. Indien bulbhoek-
De hoogte der langsmerkels wordt van de onderzijde
stalen zijn voorgeschreven moet één hoekstaal van een
der luiken tot de onderkant gemeten. Voor tussen-
profiel als voor het beslag is aangegeven, tegen de
gelegen lengten en afstanden worden de afmetingen
bovenkant van het profiel worden aangebracht. Indien
door interpolatie bepaald. Indien platen zijn voor-
de voorgeschreven flenzen van een hoekstaal verschil-
geschreven, moeten twee hoekstalen van het profiel,
lende afmetingen hebben, moet de grootste flens hori-
als voor het beslag is aangegeven, aan de bovenkant
zontaal zijn.
en aan de onderkant van het schild worden aan-
2?
P
*
OQ
C O
I—I <
Bijlage IV
Artikel 20
de^voortstuwings-
'' °Penin8en boven de voortstuwingsafdeling op blootgestelde
afdeling op
plaatsen op vrijboorddekken en verhoogde halfdekken, moeten rond-
piaatsöi'opCvry- om behoorIijk versterkt en op doeltreffende wijze door stalen schach- i
boorddekken en ten van voldoende sterkte omsloten zijn. Indien deze schachten niet
dekk°engde
ha'f~ door andere constructies beschermd zijn, moet de sterkte aan bij
zondere eisen voldoen. Deuren in zulke schachten moeten van staal i
vervaardigd, op doeltreffende wijze verstijfd, blijvend bevestigd en
ingericht zijn om van beide zijden geopend en gesloten te kunnen
worden. De drempels van de openingen moeten een hoogte van ten
minste 61 centimeter boven het vrijboorddek of van ten minste 46
centimeter boven het verhoogd halfdek hebben.
2. Hoofden van luchtroosters boven ketelruimen, van schoor
stenen en van luchtkokers moeten zo hoog boven het dek zijn als ;
redelijk en praktisch is. De luchtroosters moeten van sterke schar
nierende stalen luiken zijn voorzien.
Artikel 21
voorsCtuw°ngT-
'' °Peningen boven de voortstuwingsafdeling op blootgestelde :
afdeling op bloot- plaatsen op dekken van de bovenbouw, met uitzondering van ver- '
opdèkken'vande '10°Sde halfdekken, moeten rondom behoorlijk versterkt en op doel-
bovenbouw met treffende wijze door stalen schachten van voldoende sterkte om- ij
vnhoogde18hli'f" S'°.t;en z'jn- Deuren in zulke schachten moeten van sterke constructie, I
dekken
blijvend bevestigd en ingericht zijn om van beide zijden geopend en i
gesloten te kunnen worden. De drempels van de openingen moeten i
een hoogte van ten minste 38 centimeter boven het dek van de
bovenbouw hebben.
2. Hoofden van luchtroosters boven ketelruimen, van schoor
stenen en van luchtkokers, moeten zo hoog boven het dek zijn, als
redelijk en praktisch is. De luchtroosters moeten van sterke schar-
i
nierende stalen luiken zijn voorzien.
Artikel 22
devoOTtstuwings-
Openingen boven de voortstuwingsafdeling in het vrijboorddek
afdeling in het binnen een bovenbouw, welke voorzien is van middelen tot afsluiting,
nenb°eei?dboven-
m'nt'er doeltreffend zijn dan die der eerste klasse, moeten rond
bouw, welke voor om behoorlijk versterkt en op doeltreffende wijze door stalen schach-
SnntotVaftMüng ten oms'oten z')n- Deuren in zulke schachten moeten van sterke con-
die minder doei- structie, blijvend bevestigd en ingericht zijn om van beide zijden
dieffelderZ1J eerste geoPend en gesloten te kunnen worden. De drempels van de ope-
kiasse
ningen moeten, indien de bovenbouw door middelen tot afsluiting
der tweede klasse wordt gesloten, een hoogte van ten minste 23 een-
i
timeter boven het dek en, indien de middelen tot afsluiting minder s
doeltreffend zijn dan die der tweede klasse, een hoogte van ten
minste 38 centimeter boven het dek hebben.
Bijlage IV
Artikel 23
Verzonken kolenstortgatranden mogen slechts in dekken van de ^ortgatrandenTa
bovenbouw worden aangebracht. Zij moeten, evenals de deksels, van deksels
ijzer of staal vervaardigd, van voldoende sterkte zijn en voor sehroef-
of bajonetsluiting zijn ingericht. Het deksel moet door een ketting
blijvend bevestigd zijn. De plaatsing van verzonken kolenstortgat
randen op het vrijboorddek van kleine schepen voor bijzondere vaar-
gebieden en van sleepboten, kan door het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie worden toegestaan.
Artikel 24
Toegangskappen op blootgestelde plaatsen op het vrijboorddek en Toegangskappen
op het dek van een gesloten bovenbouw moeten van stevige construc
tie zijn. De drempels van de deuropeningen moeten zo hoog zijn
als voor luikhoofden is voorgeschreven (artikelen 12 en 19). De
deuren moeten van sterke constructie zijn en ingericht zijn om van
beide zijden geopend en gesloten te kunnen worden. Indien de toe-
gangskap binnen een vierde van de scheepslengte van de voorsteven
is gelegen, moet zij van staal vervaardigd en aan de dekbeplating
geklonken, of door middel van een electrische las verbonden zijn.
Artikel 25
Luchtkokers, in verbinding met ruimten onder het vrijboorddek Luchtkokers op
of onder het dek van een bovenbouw, welke geheel gesloten is of plaatsen opevrü-
welks openingen voorzien zijn van middelen tot afsluiting der eerste £°°^/k"(!i,°ven"
klasse, moeten stevige stalen potten hebben, die door klinknagels met ouw
een steek van vier diameters, hart op hart gemeten, of door even
deugdelijke middelen aan het dek zijn verbonden. De dekbeplating,
waarop de pot is bevestigd, moet tussen de dekbalken voldoende zijn
verstijfd. De luchtkokerpotten moeten van doeltreffende middelen
tot afsluiting zijn voorzien. Indien luchtkokers op het vrijboorddek
of binnen een vierde van de scheepslengte van de voorsteven op het
dek van een bovenbouw zijn gelegen en hun middelen tot afsluiting
van tijdelijke aard zijn, moeten de luchtkokerpotten een hoogte van
ten minste 92 centimeter hebben. Op andere blootgestelde plaatsen
op de bovenbouw moeten zij een hoogte van ten minste 76 centimeter
hebben. Indien een luchtkokerpot hoger is dan 92 centimeter, moet
hij bijzonder gesteund en bevestigd zijn.
Artikel 26
Indien luchtpijpen van ballast- en andere tanks boven het vrij- Luchtpijpen
boorddek of het dek van de bovenbouw uitsteken, moeten de bloot
gestelde delen van die pijpen van voldoende sterkte zijn. De hoogte
van de opening boven het dek moet in kuilen op het vrijboorddek
Bijlage IV
ten minste 92 centimeter, op een verhoogd halfdek ten minste 76 cen
timeter en op het dek van een ander soort bovenbouw ten minste
46 centimeter zijn. Voor afsluiting van deze luchtpijpen moeten vol
doende middelen aanwezig zijn. Deze middelen moeten aan de lucht
pijpen zijn verbonden.
C. Openingen in het scheepsboord
Artikel 27
Toegangs-, laad-
Openingen in het scheepsboord onder het vrijboorddek als toe-
en kolenpoorten.
,
,
, .
f
,
....
a
...
enz.
gangs-, laad- en kolenpoorten en dergelijke moeten voorzien zijn van
waterdichte deuren of deksels, welke evenals de middelen om deze
af te sluiten, van voldoende sterkte moeten zijn.
Artikel 28
Spuipüpen en af-
De door het scheepsboord gaande afvoerpijpen van ruimten onder
sanïtai'rT'doe"01 het vrijboorddek moeten voorzien zijn van doeltreffende middelen
einden
ter voorkoming van het binnendringen van water. Deze middelen
tot afsluiting moeten bereikbaar zijn. Elke afzonderlijke uitlaat-
opening moet zijn voorzien van een terugslagklep met een inrich
ting, door middel waarvan de klep in gesloten toestand rechtstreeks
van een plaats boven het vrijboorddek kan worden geborgd, dan
wel van twee terugslagkleppen zonder zulk een inrichting, mits de
bovenste klep zo gelegen is, dat zij gedurende de normale dienst
kan worden nagezien. De rechtstreeks geborgde klep moet gemak
kelijk bereikbaar zijn en voorzien zijn van een inrichting, welke aan
wijst of de klep open, dan wel gesloten is. De kleppen mogen,
indien zij tegen het scheepsboord zijn geplaatst, niet van gegoten
ijzer vervaardigd zijn. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan
overeenkomstige voorschriften geven voor uitlaatpijpen van ruimten
binnen een gesloten bovenbouw.
Indien spuipijpen zijn aangebracht in een bovenbouw, welke niet
is voorzien van middelen tot afsluiting der eerste klasse, moeten
zij zodanig zijn ingericht, dat door deze pijpen geen water onder
het vrijboorddek kan binnendringen.
Artikel 29
Patrijspoorten en
1. Patrijspoorten en vaste lichtranden in ruimten onder het vrij-
vaste hchtranden ^oorddek 0f ;n ru;mten onder een dek van een bovenbouw, welke
door middelen tot afsluiting der eerste en tweede klasse worden ge
sloten, moeten aan de binnenzijde voorzien zijn van scharnierende
blinden, welke deugdelijk en waterdicht kunnen worden gesloten.
Indien echter zulke ruimten in de bovenbouw bestemd zijn voor
passagiers, met uitzondering van tussendekspassagiers, of voor de
Bijlage IV
bemanning, mogen de patrijspoorten en vaste lichtranden voorzien
zijn van wegneembare blinden, welke in de onmiddellijke nabijheid
van de patrijspoorten worden geborgen, mits deze laatste te allen
tijde gedurende de reis gemakkelijk te bereiken zijn.
2. De patrijspoorten, vaste lichtranden en blinden moeten van
deugdelijke en goedgekeurde constructie zijn.
Artikel 30
Een verschansing van goede constructie of deugdelijk relingwerk verschansing
moet op alle blootgestelde gedeelten van vrijboord- en bovenbouw-re 1Dgwer
dekken worden aangebracht.
Artikel 31
1. Indien ter plaatse van een kuil op aan weer en wind blootge- waterioos-
stelde gedeelten van vrijboord- of bovenbouwdekken een verschansing poorten
is aangebracht, moet voldoende gelegenheid tot lozing van water be
staan. Het totale oppervlak der waterloospoorten moet in elk scheeps
boord voor elke kuil op het vrijboorddek of op een verhoogd halfdek
ten minste gelijk zijn aan dat, volgens onderstaande tabel. Het totale
oppervlak der waterloospoorten voor elke kuil op andere dekken van
de bovenbouw moet ten minste de helft van het in de tabel gegeven
oppervlak bedragen. Indien de lengte van de kuil 0,7 der scheepslengte
overschrijdt, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een afwijking
van de schaal toestaan.
Op schepen met een zeeg, welke kleiner is dan de standaardzeeg,
moet het oppervlak der waterloospoorten op passende wijze worden
vergroot.
Lengte der verschansing aan
Totaal opplak der waterloos-
één zijde in de kuilen in meters
poorten m elk boord m
vierkante meters
4
0,726
6
0,787
8
0,848
10
0,909
12
0,969
14
1,030
16
1,092
18
1,152
20 en meer
1,214
vermeerderd
met 0,061 vierkante meter voor elke
meter, welke de lengte der verschan
sing groter dan 20 meter is.
2. De onderkanten van de waterloospoorten moeten zo dicht
mogelijk boven het dek liggen en bij voorkeur niet hoger dan de
bovenkant van het stringerhoekstaal. Twee derde van het voorge
schreven oppervlak der waterloospoorten moet in die helft van de
kuil zijn aangebracht, welke het dichtst bij het midden der scheeps
lengte is gelegen.
3. Waterloospoorten en dergelijke openingen in de verschansing
moeten door rasterwerk of door staven met een onderlinge afstand
van 23 centimeter worden beschermd.Indien kleppen zijn aangebracht,
moet voor ruime speling gezorgd worden, teneinde klemmen te ver
mijden. De scharnieren moeten van koperen pennen zijn voorzien.
D. Bescherming van de bemanning
Artikel 32
Loopbruggen,
1. Loopbruggen, handleiders of andere afdoende middelen moeten
sterkte
dekhui- ter bescherming van de bemanning bij het gaan naar. of het komen
zen
van hun logiezen zijn aangebracht.
2. De sterkte van de dekhuizen voor het onderbrengen van de
bemanning op gladdekschepen moet gelijkwaardig zijn aan die, welke
voor de schotten van de bovenbouw wordt vereist.
HOOFDSTUK III
Uitwatering van stoom- en motorschepen
A. Algemeen
Artikel 33
Lengte (L)
De lengte (L), welke in deze bijlage voor de bepaling van het mini
mum vrijboord wordt gebruikt, is de lengte in meters op de lastlijn bij
zomeruitwatering van de voorzijde van de voorsteven tot de achter
zijde van de roersteven. Bij ontstentenis van een roersteven wordt de
lengte gemeten van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn
van de roerkoning. Bij schepen met een kruiserachterschip rekent
men de lengte gelijk aan 96 percent van de lengte op de lastlijn bij
zomeruitwatering, dan wel aan de lengte van de voorzijde van de
voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning, indien deze laatste
lengte groter is.
Artikel 34
Breedte (B)
De breedte (B) is de grootste breedte in meters, midscheeps ge
meten op de buitenkant der spanten bij stalen schepen en op de
buitenkant der huidbeplanking bij houten en composiet schepen.
Bijlage IV j'
Bijlage IV
Artikel 35
De holte naar de mal is de vertikale afstand in meters midscheeps Holte naar de
»emeten van de lijn van onderkant spanten tot de bovenkant van de
balken van het vrijboorddek in de zijde. Bij houten en composiet
schepen wordt de afstand gemeten van de onderkant der sponning
yan de kiel. Indien de vorm in het onderste gedeelte van het groot
spant hol verloopt of indien dikke zandstroken zijn aangebracht,
.vordt de holte gemeten van het punt, waar de lijn, welke van het
blakke deel van het scheepsvlak naar het middenvlak wordt door
getrokken, de zijde van de kiel snijdt.
Artikel 36
1. De holte (D), welke bij het bepalen van het minimum vrij-Holte voor de be
hoord volgens de artikelen 68 en 76 wordt gebruikt en in meters vrijb™ofd(D)
.vordt uitgedrukt, is:
(a) Voor een geheel stalen dek de holte naar de mal, vermeer-
J /T
Q\
ierd met de dikte van de stringerplaat en met —
, waarin T
ie naar het oppervlak gemiddelde dikte van een aanwezige bedek-
cing van het blootgestelde dek vrij van de openingen in het dek is
in S de totale lengte van de bovenbouw als aangegeven in artikel
U;
( b ) Voor een houten dek met een stringerplaat en schaarstokken
le holte naar de mal, vermeerderd met de dikte van de stringer-
T (L—S)
slaat, of met
j-
, indien dit laatste groter is.
2. Indien het bovendeel van het scheepsboord een ongewone
/orm heeft, neemt men voor D de holte van een denkbeeldig groot-
ipant met verticaal bovendeel van het boord en met een standaard-
lekrondte, waarbij het oppervlak van het bovenste gedeelte der
iwarsdoorsnede gelijk is aan dat van het bovengedeelte van het
verkelijke grootspant Indien een terugwijking of verspringing in
iet bovendeel van het boord (zoals bij torendekschepen) voorkomt,
vordt 70 percent van de doorsnede boven de terugwijking of ver-
ipringing bij de bepaling van het oppervlak der gelijkwaardige door
snede medegerekend.
L
3. Indien D kleiner is dan -jy, mag de holte, welke in verband
net de tabel in artikel 68 of in artikel 76 wordt gebruikt, niet kleiner
L
ian -jy worden genomen, tenzij het een schip betreft met een ge
sloten bovenbouw, welke over tenminste 0,6 L het middengedeelte
Ier lengte bedekt, dan wel een schip met een gesloten koffervormig
Bijlage IV
dekhuis (trunk) of een schip met een samenstel van waterdicht ge
sloten gedeelten bovenbouw en een trunk, dat van voor tot achter
doorloopt.
Artikel 37
Voiheidscoëffi-
De volheidscoëfficient (c), welke bij het bepalen van het minimum
vrij boord volgens de artikelen 68 en 76 wordt gebruikt, wordt uit
gedrukt door:
A
°
1,025 L. B. d,
waarin A de waterverplaatsing in zeewater naar de mal in tonnen
voorstelt (schroefasuitbouwsels niet medegerekend) bij een gemiddelde
diepgang zonder kiel d„ welke 85 percent van de holte naar de mal
bedraagt. De coëfficiënt c mag niet kleiner dan 0,68 worden genomen.
Artikel 38
Sterkte
1. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie beoordeelt de sterkte
der schepen in verband met het daarvoor vast te stellen minimum
vrijboord. Schepen, welke voldoen aan de hoogste standaard van de
voorschriften van een der erkende particuliere onderzoekingsbureaux,
worden als voldoende sterk beschouwd voor de toekenning van het
minimum vrijboord, dat krachtens deze bijlage wordt bepaald.
2. Aan schepen, welke niet voldoen aan de hoogste standaard van
de voorschriften van een erkend particulier onderzoekingsbureau, kent
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een vergroot minimum vrij
boord toe.
Als richtsnoer kan daarbij het volgende dienen:
(a) Materialen.
De weerstandsmomenten zijn vastgesteld in de veronderstelling, dat
voor de constructie gebruik is gemaakt van vloei-ijzer, verkregen door
het „open haard" proces (zuur of basisch) van de soort St.41, als
bedoeld in Normaalblad N 702, vastgesteld door de Hoofdcommissie
voor de Normalisatie in Nederland;
(b) Sterktedek.
Het sterktedek is het bovenste dek, dat ten minste over de halve
lengte midscheeps behoort tot en een integrerend deel uitmaakt van
de langsscheepse verbanddelen van het schip;
(c) Holte tot sterktedek (Ds).
De holte tot het sterktedek is de verticale afstand in meters,
midscheeps gemeten van de lijn van onderkant spanten tot de boven
kant van de dekbalk van het sterktedek in de zijde;
Bijlage IV
(d) Diepgang (d).
De diepgang is de verticale afstand in meters, midscheeps gemeten
van de lijn van onderkant spanten tot het middelpunt van de cirkei
van het uitwateringsmerk;
(e) Weerstandsmoment voor langsscheepse sterkte.
Het weerstandsmoment voor langsscheepse sterkte * - is het traag
heidsmoment I van het grootspant ten opzichte van de neutrale as,
gedeeld door de afstand y, gemeten van de neutrale as tot de boven
kant van de dekbalk van het sterktedek in de zijde. Het wordt be
rekend ter plaatse van de dekopeningen, doch zonder aftrek van
nagelgaten.
De doorsneden van het materiaal worden berekend in vierkante
millimeters en de afstanden in meters. Onder het sterktedek worden
alle doorlopende langsverbanddelen medegerekend, met uitzondering
van die delen van onderdeklangsdragers, welke slechts dienen voor
ondersteuning. Boven het sterktedek worden slechts het stringerhoek-
staal en het bovengedeelte van de berghoutsgang in rekening gebracht.
Het vereiste weerstandsmoment voor langsscheepse sterkte van de
werkelijke doorsnede wordt uitgedrukt door f.d.B., waarin f een
factor is, die verkregen wordt uit de volgende tabel.
L in meters
f
L in meters
f
30
3 777
108
19 386
36
4 193
114
21 232
42
4 892
120
23 106
48
5 622
126
25 051
54
6 532
132
27 031
60
7 470
138
29 146
66
8 669
144
31 268
72
9 920
150
33 480
78
11 253
156
35 770
84
12 774
162
38 063
90
14 335
168
40 414
96
15 897
174
42 868
102
17 615
180
45 368
Voor tussenliggende lengten wordt de waarde van f door inter
polatie bepaald.
De formule is van toepassing, wanneer L niet groter is dan 180
meter, B noch kleiner is dan de waarde--^- + 1,52, noch groter dan
L
L
-J Q-+ 6,10 en
noch kleiner is dan 10, noch groter dan 13,5;
Bijlage IV
( f ) W e e r s t a n d s m o m e n t v a n h e t s p a n t .
Voor de berekening van het weerstandsmoment van de doorsnede
van een spant wordt met het oog op het verkrijgen van vergelijkbare i
waarden voor eventuele vormverandering aangenomen, dat het be
staat uit een spanthoekstaal en een keerspanthoekstaal, welke van i
I
dezelfde afmetingen en dikte zijn. Het weerstandsmoment —- van
het spant op de halve lengte van het schip onder de onderste rij i
balken is het traagheidsmoment I van de spantdoorsnede ten opzichte
van de neutrale as, gedeeld door de grootste afstand y. gemeten van
die as en berekend zonder aftrek van nagel- en boutgaten. Het weer-1
standsmoment wordt in kubieke centimeters uitgedrukt.
Het als minimum voorgeschreven weerstandsmoment van het spant
wordt aangeduid door
s (d—t) (fi+f,).
1000
s is de spantstand en t de verticale afstand van de bovenkant van de
kiel tot een punt, dat gelegen is midden tussen de bovenkant van de
dubbele bodem in de zijde en de bovenkant van de kimknieplaat, beide
in meters gemeten (zie afbeelding 2). Indien er geen dubbele bodem
is, wordt t gemeten tot een punt, dat gelegen is midden tussen de
bovenkant van de vrang in het midden en de bovenkant van de vrang
in de zijde.
fj is een coëfficiënt, afhankelijk van H, welke laatste grootheid in
schepen met een dubbele bodem de verticale afstand in meters is van
het midden van de balkknie van de onderste rij balken in de zijde
tot een punt, dat gelegen is midden tussen de bovenkant van de'
dubbele bodem in de zijde en de bovenkant van de kimknieplaat (ziel
afbeelding 2). Indien er geen dubbele bodem is, wordt H gemeten j
tot een punt, dat gelegen is midden tussen de bovenkant van de vrang i
in het midden en de bovenkant van de vrang in de zijde. Indien het ;
spant aan de scheepsvorm een grotere sterkte ontleent, moet hiermede
bij de bepaling van de waarde van f; rekening worden gehouden.
Bijlage IV
f2 is een coëfficiënt, afhankelijk van K, welke laatste grootheid
de verticale afstand in meters is van de bovenkant der onderste rij
balken tot een punt, dat 2,29 meter boven het vrijboorddek in de
zijde ligt, of indien er een bovenbouw is, tot een punt, dat 3,81 meter
boven het vrijboorddek in de zijde is gelegen (zie afbeelding 2).
De waarden van f, en f2 worden uit de volgende tabellen verkregen.
H in meters
0
2,1 | 2,7
3,3 | 3,9
4,5
5,1 | 5,7
6,3
6,9 | 7,g
fi
19050 23218 26234 31290 39355 49551j 60877| 74144| 88564| 104891 121552
K in meters
j
0
i
1_,5
3,0 | 4,5
j
6,0
[ 7,5
I 9,0
j 10,5
12,0
fj
0
1042
2084
4133
6217
9275 13358 18467 24600
Bijlage IV
Tussengelegen waarden worden door interpolatie verkregen. De
formule is van toepassing, indien D noch kleiner is dan 4,57 meter,
noch groter dan 18,29 meter, B noch kleiner is dan^- + 1,52, noch
groter dan-y^- + 6,10,
noch kleiner is dan 10, noch groter dan
13,5 en de horizontale afstand van de buitenkant van het spant tot
de eerste rij stutten 6,10 meter niet te boven gaat.
In schepen van gewone vorm met één dek wordt, indien H niet
groter is dan 5,49 meter, het volgens de vorige methode bepaalde
weerstandsmoment van het spant met een factor f3 vermenigvuldigd,
waarbij:
f, = 0,50 + 0,05 (^-8)
Indien de horizontale afstand van de buitenkant van het spant tot
het midden van de eerste rij stutten groter is dan 6,10 meter, moet
ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden
aangetoond, dat een voldoende overmaat van sterkte aanwezig is.
B. Bovenbouw
Artikel 39
Hoogte van de
j)e hoogte van een bovenbouw is de kleinste verticale hoogte,
bovenbouw
gemeten van de bovenkant van het dek van de bovenbouw tot de
bovenkant van de balken van het vrijboorddek, verminderd met het
verschil tussen D (artikel 36) en de holte naar de mal (artikel 35).
Artikel 40
Standaardhoogte
oe standaardhoogte van een verhoogd halfdek is 0,91 meter voor
bouwde bOVet" schepen met een lengte van 30,50 meter en kleiner, 1,22 meter voor
schepen met een lengte van 76,20 meter en 1,83 meter voor schepen
met een lengte van 122 meter en groter. De standaardhoogte voor elk
ander type van bovenbouw is 1,83 meter voor schepen met een lengte
van 76,20 meter en kleiner en 2,29 meter voor schepen met een
lengte van 122 meter en groter. De standaardhoogte voor tussen
gelegen lengten wordt door interpolatie verkregen.
Artikel 41
Lengte van de
De lengte van de bovenbouw (S) is de som van de gemiddelde
bovenbouw (S) iengten van overdekte delen van de bovenbouw, welke zich van
boord tot boord uitstrekken, voorzover zij binnen lijnen liggen, lood
recht getrokken op de uiteinden van de lastlijn, zoals deze volgens
artikel 33 worden bepaald.
Bijlage IV
Artikel 42
Een op zich zelf staand gedeelte van een onderbroken bovenbouw gcsio'cn boven-
wordt slechts als gesloten beschouwd, indien:
(a) de eindschotten voldoende sterk zijn en met het bepaalde in
artikel 43 rekening is gehouden;
(b) de toegangsopeningen in de eindschotten van middelen tot
afsluiting der eerste of tweede klasse (artikelen 44 en 45) zijn voor
zien;
(c) alle overige openingen in het scheepsboord of in de eind
schotten van de bovenbouw zijn voorzien van doeltreffende middelen
tot afsluiting, welke dicht zijn tegen weer en wind;
(d) afzonderlijke toegangen voor de bemanning naar de binnen
een brughuis of een kampanje gelegen voortstuwingsruimten, brand
stofbergplaatsen en andere ruimten, welke nodig zijn voor de dienst,
te allen tijde gebruikt kunnen worden, wanneer de openingen in de
schotten gesloten zijn.
Artikel 43
Schotten aan de blootgestelde einden van een kampanje, een brug- Schotten van de
huis en een bak moeten voor schepen met een minimum vrijboord bovenbouw
aan de volgende standaard, dan wel aan een door het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie gelijkwaardig geachte constructie voldoen. Deze
standaard houdt in, dat:
(a) de stijlen op de schotten en de beplating van de afmetingen
zijn als in tabel III is aangegeven;
(b) de onderlinge afstand van de stijlen 0,76 meter is;
(c) de einden der stijlen op de schotten aan de voorzijde van de
kampanje en van het brughuis deugdelijk met de dekken zijn ver
bonden;
(d) de stijlen op de schotten aan de achterzijde van het brughuis
en van de bak over de gehele hoogte tussen de randhoekstalen der
schotten doorlopen.
Bijlage IV
TABEL III
Blootgestelde schotten van een bovenbouw met standaardhoogte
Schotten van een kampanje,
schotten van' een kampanje
weIke 8edeelteIÜk is beschermd
Schotten aan de achterzijde
me, een ?eng?e van oTl
°f«" geringere lengte heeft
van een brughuis of bak
of groter
dan 0,4 L
Scheeps-
Stijlen van
Scheeps-
Stijlen van ge-
Scheeps-
Stijlen van ce
lengte
bulbhoekstaal
lengte
woon hoekstaal
lengte
woon hoekstaal
in meters
in millimeters
in meters
in millimeters
in meters
in millimeters
Kleiner dan
Kleiner dan
Kleiner dan
48,80
140 x 75 x 7,5
45,75
75x65x 7,5
45,75
65x65x 6,5
48,80
150 x75 X 8
45,75
90x65x 8
45,75
75x65x 7
61,00
165 x75 x 8,5
61,00
100x75x 8,5
76,25
90x75x 7,5
73,20
180x75 x 9
76,25
115x75x 9
106,75
100x75 x 8
85,40
190 x 75 x 9,5
91,50
130x75 x 9,5
97,60
205x75x10
106,75
140x75x10,5
109,80
215x75x10,5
122,00
150x75x11
122,00
230x75x11
137,25
165x90x11,5
134,20
240x90x11,5
152,50
180x90x12
146,40
255x90x12
167,75
180x90x12,5
158,60
265x90x12,5
170,80
280x90x13
Scheeps-
Schotbeplating
Scheeps-
Schotbeplating
Scheeps-
Schotbeplating
lengte
in millimeters
lengte
in millimeters
lengte
in millimeters
m meters
in meters
in meters
61
7,5
48,80
6
48,80
5
en kleiner
en kleiner
en kleiner
115,80
11
122
9,5
122
7,5
en groter
en groter
en groter
Voor schepen met een tussengelegen lengte moet de dikte der schot
beplating door interpolatie worden verkregen.
C.
Inrichtingen om toegangsopeningen in eindschotten van op zich
zelf staande gedeelten van een onderbroken bovenbouw af te sluiten
Artikel 44
Middelen tot af-
De middelen tot afsluiting der eerste klasse van toegangsopeningen
kiass"8 d"MrSte 'n eindschotten van de op zich zelf staande gedeelten van een onder
broken bovenbouw, moeten van ijzer of staal, blijvend en stevig aan
het schot bevestigd, ingeraamd, verstijfd en zodanig aangebracht zijn,
dat het gehele samenstel even sterk is alsof geen opening in het schot
aanwezig was. Zij moeten, wanneer zij gesloten zijn, dicht zijn tegen
weer en wind. De sluitinrichting voor deze middelen tot afsluiting
moet blijvend aan het schot of aan de middelen tot afsluiting zelve
.
Bijlage IV
zijn bevestigd en deze sluitinrichting moet zodanig zijn, dat deze mid
delen aan beide zijden van het schot of van het dek er boven geopend
en gesloten kunnen worden. De drempels van de toegangsopeningen
moeten ten minste 38 centimeter boven het dek reiken.
Artikel 45
De middelen tot afsluiting der tweede klasse voor de in artikel 44 Middelen tot af-
bedoelde openingen, moeten zijn:
sluiting der
tweede klasse
(a) hetzij scharnierende hardhouten deuren met stevig regelwerk,
welke deuren niet breder dan 76 centimeter en niet dunner dan 50
millimeter mogen zijn;
(b) hetzij losse planken, welke over de volle hoogte van de
opening tussen op het schot geklonken kanaal ijzers zijn gevat, waarbij
deze planken niet dunner dan 50 millimeter mogen zijn, indien de
wijdte van de opening 76 centimeter of minder bedraagt, terwijl de
dikte der planken in reden van 25 millimeter voor elke vermeerdering
in wijdte van 38 centimeter moet worden vergroot;
(c) hetzij even doeltreffende wegneembare platen.
D. Inrichtingen tot het afsluiten van openingen in dekken
van de bovenbouw, door tijdelijke middelen
Artikel 46
Tijdelijke middelen tot het afsluiten van in de hartlijn gelegen Tijdelijke midde-
openingen in het dek van een gesloten bovenbouw moeten bestaan 'en tot afs|uitin8
Uit;
van openingen in
het dek van de
(a) een stalen hoofd, dat deugdelijk aan het dek is geklonken en bovenbouw
een hoogte boven het dek heeft, welke niet geringer is dan 23 centi
meter;
(b) luiken, als aangegeven in artikel 13, welke bevestigd worden
door sjorrings van touw;
(c) een ondersteuning van de luiketj# als aangegeven in de arti
kelen 14 en 15 en de tabellen I en II.
E. In rekening te brengen lengte van een onderbroken bovenbouw
Artikel 47
1. Indien blootgestelde eindschotten van een kampanje, een brug- Algemeen
huis of een bak niet voldoen aan de standaard van sterkte volgens
artikel 43, worden deze schotten geacht niet te bestaan.
2.
Indien in de zijbeplating van een bovenbouw een opening is
aangebracht, welke niet van permanente middelen tot afsluiting is
Bijlage IV
voorzien, wordt de lengte van het gedeelte van de bovenbouw, dwars
van de opening, niet in rekening gebracht.
3
Indien de hoogte van een bovenbouw geringer is dan de stan
daardhoogte, wordt de in rekening te brengen lengte van die boven
bouw evenredig met de verhouding van de werkelijke hoogte tot de
standaardhoogte verminderd. Indien de hoogte groter is dan de stan
daardhoogte, wordt geen grotere lengte van de bovenbouw in rekening
geb"Ch'-
Artikel 48
Kampanje
De in rekening te brengen lengte van een kampanje wordt als volgt
bepaald:
. .
(a) Indien een schot van voldoende sterkte aanwezig is en de
toe°angsopeningen daarin van middelen tot afsluiting der eerste klasse
zijn voorzien, wordt de gehele lengte tot het schot in rekening ge
bracht;
( b ) Indien een schot van voldoende sterkte aanwezig is en de
toegangsopeningen daarin van middelen tot afsluiting der tweede
klasse zijn voorzien, moet als volgt worden gehandeld:
1. indien de lengte 0,5 L of minder bedraagt, wordt 100 percent
van deze lengte in rekening gebracht;
2. indien de lengte 0,7 L of meer bedraagt, wordt 90 percent
van deze lengte in rekening gebracht;
3
indien de lengte groter is dan 0,5 L en kleiner dan 0,7 L,
moet een door interpolatie bepaald percentage van die lengte in
rekening worden gebracht;
4
indien een vermindering wordt toegestaan voor een deugde
lijke, belendende trunk (artikel 52), wordt 90 percent van de lengte
tot het schot in rekening gebracht.
Cc)
Van de lengte van een open kampanje of van een open ge
deelte van een kampanje vóór een deugdelijk voorschot wordt 50
percent in rekening gebracht.
Artikel 49
Verhoogd half-
i. indien een voldoend sterk schot zonder openingen de voor
dek
zi-de van de j-uimte onder een verhoogd halfdek afsluit, wordt de
gehele lengte tot het schot in rekening gebracht.
2. Indien het schot, in lid 1 bedoeld, van openingen is voorzien,
wordt de bovenbouw als een kampanje van een hoogte, welke gerin
ger is dan de standaardhoogte, beschouwd.
Artikel 50
Bmghuis
De in rekening te brengen lengte van een brughuis wordt als volgt
bepaald:
Bijlage IV
(a) Indien een voldoende sterk schot aan elk uiteinde van een
brughuis aanwezig is en de toegangsopeningen in die schotten voor
zien zijn van middelen tot afsluiting der eerste klasse, wordt 100 per
cent van de lengte tussen de schotten in rekening gebracht;
(b\ Indien de toegangsopeningen in het voorschot van middelen
tot afsluiting der eerste klasse en de toegangsopeningen in het achter
schot van zodanige middelen der tweede klasse zijn voorzien, wordt
100 percent van de lengte tussen de schotten in rekening gebracht.
Indien echter een aftrek wordt toegestaan voor een deugdelijke trunk,
welke tegen het achterschot aansluit (artikel 52) wordt slechts 90
percent van de lengte in rekening gebracht;
(c) Indien de toegangsopeningen in beide schotten zijn voorzien
van middelen tot afsluiting der tweede klasse, wordt 90 percent van
de lengte tussen de schotten in rekening gebracht;
(d) Indien de toegangsopeningen in het voorschot van middelen
tot afsluiting der eerste of tweede klasse zijn voorzien en de toeganes-
openingen in het achterschot geen middelen tot afsluiting hebben
bracht 75 perCent Van de lengte tussen de schotten in rekening ge-
Ce)
Indien de toegangsopeningen in beide schotten geen middelen
tot afsluiting hebben, wordt 50 percent van de lengte in rekening
gebracht;
6
(ƒ)
Van een open gedeelte achter het achterschot wordt 75 per
cent en van een open gedeelte vóór het voorschot wordt 50 percent
van de lengte in rekening gebracht.
Artikel 51
bepaald^ rekening te brengen lcn8te van een bak wordt als volgt Bak
(a) Indien een schot van voldoende sterkte aanwezig is en de
oegangsopeningen van middelen tot afsluiting der eerste of tweede
klasse zijn voorzien, wordt 100 percent van de vóórloodlijn tot het
schot in rekening gebracht;
(b) Indien geen middelen tot afsluiting zijn aangebracht, moet
als volgt worden gehandeld:
Zeeg V?Ór het midden der lengte niet kleiner is dan
de standaardzeeg, wordt 1(W percent van de lengte van de bak ge-
egen voor 0,1 L, van de vóórloodlijn gemeten, in rekening gebracht'
2. indien de zeeg vóór het midden der lengte gelijk is aan of
kleiner is dan de helft van de standaardzeeg, wordt 50 percent van
de onder 1 genoemde lengte in rekening gebracht;
ind!en, d,lz,eeg een waarde heeft, welke tussen de standaard-
hPnLw
f
standaardzeeg ligt, wordt een door interpolatie
bepaald percentage in rekening gebracht;
Bijlage IV
(c) Van de lengte van een open gedeelte achter het schot of
achter 0,1 L, gemeten van de vóórloodlijn, wordt 50 percent in reke
ning gebracht.
Artikel 52
Trunk
1. Een trunk of een soortgelijke constructie, welke zich niet tot
de scheepsboorden uitstrekt, wordt in rekening gebracht mits:
(a) de trunk ten minste even sterk is als een bovenbouw;
{ b ) de luikhoofden op het trunkdek zijn aangebracht en voldoen
aan het bepaalde in de artikelen 11 tot en met 18;
(c) de breedte van de stringerplaat van het trunkdek een vol
doend gangboord vormt en toereikende dwarsscheepse verstijving
verzekert en het trunkdek van voor tot achter één doorlopend, vast,
van relingwerk voorzien, begaanbaar platform vormt, dan wel dat dit
wordt gevormd door onderbroken trunken, welke met andere ge
deelten van de bovenbouw door vaste loopbruggen zijn verbonden;
(,d) de luchtkokers door de trunk, dan wel de luchtkokerpotten
door waterdichte deksels of door gelijkwaardige middelen zijn be
schermd;
(e) naast de trunk op de aan weer en wind blootgestelde gedeel
ten van het vrijboorddek over ten minste hun halve lengte de ver
schansing door open relingwerk is onderbroken;
(ƒ) de schachten boven de voortstuwingsruimten door de trunk,
door een bovenbouw van standaardhoogte of door een dekhuis van
dezelfde hoogte en van overeenkomstige sterkte zijn beschermd.
2. De standaardhoogte van een trunk is gelijk aan die van een
brughuis.
3. Indien de toegangsopeningen in schotten van de kampanje of
van het brughuis van middelen tot afsluiting der eerste klasse zijn
voorzien, wordt 100 percent van de lengte van een volledige trunk,
verkleind in verhouding van zijn gemiddelde breedte tot B, bij de in
rekening te brengen lengte van de bovenbouw opgeteld. Indien de
toegangsopeningen in deze schotten niet van middelen tot afsluiting
der eerste klasse zijn voorzien, wordt 90 percent, in dezelfde ver
houding verkleind, daarbij opgeteld. Indien de hoogte van een trunk
kleiner is dan de standaardhoogte, wordt de toevoeging in verhou
ding van de werkelijke tot de standaardhoogte verkleind. Indien de
hoogte van de luikhoofden op het trunkdek geringer is dan de
standaardhoogte van luikhoofden (artikel 12), moet een vermindering
van de hoogte van de trunk, welke overeenkomt met het verschil
tussen de werkelijke en de standaardhoogte van de hoofden, in reke
ning worden gebracht.
Bijlage IV
F. In rekening te brengen lengte van een overigens gesloten
bovenbouw met openingen, gelegen in de hartlijn van het dek
Artikel 53
Indien een overigens gesloten bovenbouw aanwezig is met één of Gesloten boven-
meer openingen in de hartlijn van het dek van die bovenbouw ge- J^gen SiegenTn
legen, welke openingen niet van permanente middelen tot afsluiting de hartlijn van het
zijn voorzien (artikelen 11 tot en met 18), wordt de in rekening te ^n' ^rmtneme
brengen lengte van de bovenbouw als volgt bepaald:
middelen tot af-
( a ) Indien geen doeltreffende tijdelijke middelen tot afsluiting van ^|i"ng "jn voor"
deze in de hartlijn gelegen openingen (artikel 46) aanwezig zijn, of
de wijdte van de opening 80 percent of meer van de breedte 1^ van
het dek van de bovenbouw, op het midden van de lengte van de
opening gemeten, bedraagt, wordt het schip beschouwd, alsof het
ter plaatse van elke opening een open kuil heeft; waterloospoorten
moeten ter plaatse van deze kuil worden aangebracht. De in reke
ning te brengen lengte van de bovenbouw wordt bepaald volgens de
artikelen 48, 50 en 51;
( b ) Indien doeltreffende tijdelijke middelen tot afsluiting van
deze in de hartlijn gelegen openingen aanwezig zijn en de wijdte van
de opening geringer is dan 80 percent van de breedte B„ wordt de in
rekening te brengen lengte eveneens bepaald volgens de artikelen 48,
50 en 51, met dien verstande, dat, indien toegangsopeningen in schot
ten binnen de bovenbouw door middelen tot afsluiting der tweede
klasse zijn gesloten, zij in verband met de bepaling van de in reke
ning te brengen lengte worden beschouwd als door middelen tot
afsluiting der eerste klasse te zijn gesloten, terwijl de totale in reke
ning te brengen lengte wordt verkregen door bij de lengte, bepaald
als hierboven is aangegeven, het verschil op te tellen tussen deze
Jg
lengte en de scheepslengte en wel gewijzigd in de verhouding —5—>
1
waarbij b de wijdte van de opening in het dek is, met dien verstande,
dat deze verhouding nimmer groter dan 0,5 wordt aangenomen.
G. Aftrek voor bovenbouw
Artikel 54
1. Indien de in rekening te brengen lengte van de bovenbouw Aftrek voor ho
gelijk is aan L, bedraagt de aftrek van het vrijboord 356 millimeter venbouw
voor een scheepslengte van 24,40 meter, 864 millimeter voor een
lengte van 85,30 meter en 1067 millimeter voor een lengte van 122
meter en groter. Bij tussengelegen lengten wordt de aftrek door
interpolatie verkregen.
2. Indien de totale in rekening te brengen lengte kleiner is dan
L, wordt een percentage van deze aftrek, bepaald naar de volgende
tabel, toegepast.
Bijlage IV
Algemeen
Totale in rekening te brengen lengte van de bovenbouw
BoVe°bOUW
Q
Q,1 L 0.2 L 0,3 L | 0,4 L Q,5L|O.6L 0,7 L 0.8 L 0,9 L
L~
%
%
%
%
%
%
%
%
%
%
%
a. alle typen met
bak doch zonder af-
2
4
63
75 3
87 7
100
zonderlijk brughuis
0
5
10
id
b. alle typen met
^Vugh™^
0
6,3
12,7
19
27,5
36
46
63
75,3
87,7
100
Standaard-
zeeglijn
bovenbouw worden door interpolatie verkregen.
H. Zeeg
Artikel 55
1
De zeeg wordt gemeten van het dek in de zijde, tot een denk
beeldige lijn, welke evenwijdig aan de kiel door de zeeglijn op he
midden der lengte is getrokken.
2
Van schepen, welke met stuurlast ontworpen zijn, mag de zeeg
ten opzichte van de lastlijn worden gemeten, mits een bijzonder merk,
gelijk aan de cirkel met streep van het uitwatenngsmerk, op 0,25 L
vóór het midden der lengte wordt geplaatst.
3. Van gladdekschepen en van schepen met onderbroken boven
bouw wordt de zeeg van het vrijboorddek gemeten.
4. Van schepen, waarvan de bovenzijde van het scheepsboord een
ongewone vorm heeft en waarbij een terugwijking of verspringing in
die" bovenzijde voorkomt, wordt de zeeg beschouwd in verband met
de gelijkwaardige holte in het midden der lengte (artikel 36).
5
Van schepen met een bovenbouw van standaardhoogte, welke
zich over de gehele lengte van het vrijboorddek ultstrekt> wofdt„^
zeeg van het dek van de bovenbouw gemeten. Indien de hoogte van
de bovenbouw de standaardhoogte overtreft, mag bij de bepaling va
de zeeg met de grotere hoogte rekening worden gehouden.
6. Indien een bovenbouw geheel gesloten is of de toegangsope-
nineen in de begrenzende schotten van middelen tot afsluiting der
eerste klasse zijn voorzien en het dek van de bovenbouw ten minste
dezelfde zeeg heeft als het blootgestelde vrijboorddek, wordt de zeeg
van het gedeelte van het vrijboorddek binnen die bovenbouw met in
rekening gebracht.
Artikel 56
De ordinaten in centimeters van de standaardzeeglijn worden in de
volgende tabel aangegeven:
Bijlage IV
Plaats van de ordinaat
Ordinaat
Factor
ALL
0,833 L+25,4
1
1/6 L van ALL
0,37
L+11,3
4
1/3 L van ALL
0,0925 L + 2,825
2
Grootspant
0
4
1/3 L van VLL
0,185 L+ 5,65
2
1/6 L van VLL
0,74
L+22,6
4
VLL
1,666 L+50,8
1
ALL is de loodlijn op het achterste punt van de in artikel 33 bedoelde
lengte.
VLL is de loodlijn op het voorste punt van de in artikel 33 bedoelde
lengte.
L in meters.
Artikel 57
Indien de zeeglijn niet samenvalt met de standaardzeeglijn worden Metins van ar
de zeven ordinaten van beide lijnen met de daarbij behorende fac- SS™''
toren, als aangegeven in de tabel van artikel 56, vermenigvuldigd. uin
Het verschil tussen de sommen van de onderscheidene producten, ge
deeld door 18, geeft dan het tekort of de overmaat van zeeg aan.
Indien de achterste helft van de zeeglijn hoger en de voorste helft
lager is dan de standaard, wordt de overmaat achter niet in aan
merking genomen en slechts het tekort vóór in rekening gebracht. In
dien de voorste helft van de zeeglijn hoger en de achterste helft van
de zeeglijn niet lager is dan 75 percent van de standaard, wordt de
overmaat vóór in rekening gebracht. Indien het achterste deel lager
is dan 50 percent van de standaard, wordt geen rekening gehouden
met de overmaat van zeeg in het voorschip. Indien de zeeg in het
achterschip een waarde heeft tussen 50 percent en 75 percent van de
standaard, kan een tussenliggende correctie voor de overmaat van
zeeg in het voorschip worden toegestaan.
Artikel 58
De wijziging van het vrijboord met het oog op de grootte van de wijzigingen op
zeeg is het tekort aan of de overmaat van zeeg (artikel 57), vermenig- kingeV^an^
. . . .
.
_ _
S
. .
s t a n d a a r d z e e g -
vuldigd met 0,75—
waarbij S de gehele lengte van de bovenbouw 'ün
is, als aangegeven in artikel 41.
Artikel 59
Indien de zeeg kleiner is dan de standaardzeeg, wordt de wijziging Vermeerdering
voor het tekort aan zeeg (artikel 58) bij het vrijboord opgeteld.
° ™°gr lekort aan
Bijlage IV
Artikel 60
Aftrek voor over-
1_
Voor gladdekschepen en voor schepen, waar een gesloten
maat van zeeg
bovenbouw ten minste 0,1 L vóór en 0,1 L achter het midden der
lengte van het schip bedekt, wordt de wijziging voor een overmaat
van zeeg (artikel 158) van het vrijboord afgetrokken. Voor schepen
met onderbroken bovenbouw, waar geen gesloten bovenbouw het
midden van het schip bedekt, wordt niets van het vrijboord afge
trokken. Indien een gesloten bovenbouw minder dan 0,1 L vóór en
0,1 L achter het midden der lengte van het schip bedekt, wordt de
aftrek door interpolatie bepaald.
2. De grootst toegelaten aftrek voor een overmaat van zeeg is
38 millimeter bij een scheepslengte van 30,50 meter en neemt toe
in reden van 38 millimeter voor elke vermeerdering van 30,50 meter
in lengte van het schip.
J. Dekrondte
Artikel 61
Standaarddek-
De standaarddekrondte van het vrijboorddek is een vijftigste van
rondte
jg scheepsbreedte.
Artikel 62
wijziging voor
i. Indien de dekrondte van het vrijboorddek groter of kleiner
dekrondte
js dan de standaard, wordt het minimum vrijboord onderscheiden
lijk verkleind of vergroot met een vierde gedeelte van het verschil
tussen de werkelijke en de standaarddekrondte, vermenigvuldigd met
de breuk, die aangeeft, welk gedeelte van de lengte van het vrij
boorddek niet door een gesloten bovenbouw is bedekt.
2. Tweemaal de standaarddekrondte is het maximum, waarvoor
aftrek wordt toegestaan.
K. Minimum vrijboord
Artikel 63
Zomerminimum-
j
fjet minimum vrijboord in de zomer is het minimum vrij-
vnjboord
boord, dat uit de tabellen voor het minimum vrijboord na wijzi
ging wegens afwijkingen van de standaardgrootheden en na aftrek
voor bovenbouw is afgeleid.
2. Het minimum vrijboord in de zomer in zout water mag niet
minder dan 5 centimeter bedragen.
Artikel 64
Tropenminimum.
1. Het minimum vrijboord in het tropisch vaargebied is het vrij-
vrijboord
boord, dat wordt verkregen door van het minimum vrijboord in de
Bijlage IV
1
zomer 48" van de zorrierdiepgang, gemeten van de bovenkant van de
kiel tot het middelpunt van de cirkel, af te trekken.
2. Het minimum vrijboord in de tropen in zout water mag niet
minder dan 5 centimeter bedragen.
Artikel 65
Het minimum vrijboord in de winter is het vrijboord, dat wordt winterminimum-
|
vrijboord
verkregen door bij het zomerminimumvrijboord -75- van de zomer-
4o
diepgang, gemeten van de bovenkant van de kiel tot het middelpunt
van de cirkel, op te tellen.
Artikel 66
Het minimum vrijboord voor schepen met een lengte, welke niet winterminimum-
groter is dan 100,58 meter, is voor reizen gedurende de winter- £ijb°ord in
maanden dwars over de Noord-Atlantische Oceaan, ten noorden van sche OceaanU"
de 36ste breedtegraad, gelijk aan het minimum vrijboord in de
winter vermeerderd met 51 millimeter. Voor schepen met een lengte
groter dan 100,58 meter is het gelijk aan het minimum vrijboord
in de winter.
Artikel 67
1. Het minimum vrijboord in zoet water van een soortelijk ge- Minimum vrij-
wicht van één is het vrijboord, verkregen door van het minimum boord in zoet
water
vrijboord in zout water
af te trekken, waarin
de water
verplaatsing is in zout water in tonnen bij de uitwatering in de
zomer en t het aantal tonnen, waarmede de waterverplaatsing per
centimeter in zout water bij de uitwatering in de zomer toeneemt.
2. Indien dé waterverplaatsing bij de uitwatering in de zomer niet
met zekerheid kan worden vastgesteld, moet de aftrek— van de
48
zomerdiepgang zijn, gemeten van de bovenkant van de kiel tot het
middelpunt van de cirkel.
Artikel 68
De grondslag voor het minimum vrijboord in de zomer voor Tabel voor mini-
;toom- of motorschepen, welke voldoen aan de vastgestelde normen, mum vrüboord
is neergelegd in de volgende tabel, waarbij de onder (a) tot en met montorXPe°n
f) gegeven voorschriften moeten worden gevolgd.
:r
Bijlage IV
I Minimum
I
T
j Minimum
,
Minimum i
L
I Minimum
L
j vrijboord |
L
| vrijboord ,
| vrijboord |
I vruboord
ieter
millimeter
meter
millimeter
meter
millimeter
meter
millimeter
24
200
78
850
132
2080
183
3290
27
225
81
905
135
2155
186
3355
30
250
84
960
138
2235
189
3415
33
275
87
1015
141
2310
192
3475
36
300
90
1075
144
2390
195
3530
39
325
93
1135
147
2465
198
3590
42
355
96
1195
150
2540
201
3645
45
385
99
1260
153
2615
204
3700
48
420
102
1325
156
2685
207
3755
51
455
105
1395
159
2760
210
3810
54
490
108
1465
162
2830
213
3860
57
530
111
1540
165
2895
216
3915
60
575
114
1615
168
2965
219
3965
63
615
117
1690
171
3030
222
4015
66
660
120
1765
174
3100
225
4070
69
705
123
1845
177
3165
228
4115
72
755
126
1920
180
3230
231
4165
75
800
129
2000
(a) Het minimum vrijboord bij tussengelegen lengten wordt door
interpolatie verkregen.
(b) Het minimum vrijboord voor schepen zonder bovenbouw
(gladdekschepen) wordt verkregen door bij de waarden volgens
bovenstaande tabel een aantal millimeters op te tellen, in reden van
38 millimeter per 30,50 meter lengte.
Ook voor schepen, waarvan de lengte van de bovenbouw minder
dan 0,1 L bedraagt, wordt een correctie wegens tekort aan boven
bouw naar dezelfde maatstaf toegepast door lineaire interpolatie
verkregen.
(c) Indien c (artikel 37) groter is dan 0,68, wordt het uit de tabel
na toepassing van de correctie volgens (b) verkregen minimum vrij-
c + 0,68
boord vermenigvuldigd met de factor
.
(d) Indien D (artikel 36) groter is dan -jj, wordt het minimum
vrijboord vermeerderd met 8,33 (D —jy) R millimeter, waarin R
celiik is aan
^ voor een lengte, welke kleiner is dan 118,90 meter
en gelijk aan 30 voor een lengte gelijk aan of groter dan 118,90
meter.
Voor een schip met een gesloten bovenbouw, welke over ten minste
0,6 L het middengedeelte der lengte bedekt, met een complete trunk
of met een samenstel van waterdicht gesloten gedeelten bovenbouw
en een trunk, dat van voor tot achter doorloopt, wordt, indien D
kleiner is dan^, het minimum vrijboord in bovenvermelde mate
verkleind.
>
Indien de hoogte van de bovenbouw of van de trunk kleiner is dan
de standaardhoogte, geschiedt de vermindering in verhouding tot de
standaardhoogte.
(e) Indien de werkelijke holte, gemeten tot het bovenvlak van het
vrijboorddek in het midden der lengte, groter of kleiner is dan D,
wordt het verschil in millimeters tussen de holten bij het minimum
vrijboord opgeteld of er van afgetrokken.
(f) Nadat de maten voor de afstand van de uitwateringslijn voor
de zomer tot de deklijn en van die van de overige uitwateringslijnen
tot eerstgenoemde uitwateringslijn in millimeters zijn bepaald, worden
deze afgerond tot hele centimeters. Hierbij worden 5 millimeter of
meer als één centimeter gerekend en minder dan 5 millimeter verwaar
loosd.
HOOFDSTUK IV
Uitwatering van zeilschepen
Artikel 69
De lijnen voor winter- en tropenuitwatering, genoemd in artikel 6, Lünel;in *erband
i
r
tt
t
i
t
met de cirkel te
worden op zeilschepen met aangegeven. Het hoogst gelegen merk, gebruiken
tot waar een zeilschip in zout water zowel in de zomer als in de
winter en binnen het tropisch vaargebied mag worden geladen, is
het middelpunt van de cirkel. (Zie afbeelding 3.)
Bijlage IV
Afbeelding 3
Bijlage IV
Artikel 70
Berekening van
Het minimum vrijboord van zeilschepen wordt op dezelfde wijze
het minimum
r .
...
-
^
,
vrijboord
berekend als het minimum vrijboord van stoom- 01 motorschepen,
behoudens het bepaalde in de artikelen 71 tot en met 77.
Artikel 71
reken'n°°van het
de bepaling van de holte (D) (artikel 36) wordt voor zeil-
vrijboord (D)
schepen, welke een grotere tilling van het vlak hebben dan 125 milli
meter per strekkende meter van de halve breedte, de verticale afstand
van de lijn van onderkant spanten verminderd met het halve verschil
tussen de totale tilling van het vlak en de totale tiiling, indien deze
125 millimeter per strekkende meter zou bedragen. De maximum
tilling van het vlak, waarvoor een aftrek wordt toegestaan, bedraagt
208 millimeter per strekkende meter van de halve breedte.
2. Indien de vorm van het onderste gedeelte van het grootspant
hol verloopt, of indien dikke zandstroken zijn aangebracht, wordt de
holte gemeten van het punt, waar de lijn van het vlakke gedeelte
van het bodemvlak, naar het middenvlak doorgetrokken, de zijde van
de kiel snijdt.
L
3. De holte (D) mag niet kleiner dan -jy worden genomen.
Artikel 72
Volheids-
De volheids-coëfficient (c) (artikel 37) mag niet kleiner dan 0,62
coëfficiënt (c)
.
'
en niet groter dan 0,72 worden genomen.
Artikel 73
h°ute^sche en°P
^p houten schepen moeten bouw en inrichtingen tot afsluiting van
houten sc epen
bovenbouw, waarvoor aftrek van het vrijboord wordt toegekend,
ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn uit
gevoerd.
Artikel 74
bovenbouw
1 •
Indien de in rekening te brengen lengte van de bovenbouw
gelijk is aan L, bedraagt de aftrek voor bovenbouw 76 millimeter
voor schepen met een lengte van 24,40 meter en 711 millimeter voor
schepen met een lengte van 100,58 meter of groter. Bij tussengelegen
lengten wordt de aftrek door interpolatie verkregen.
2. Indien de totale in rekening te brengen lengte kleiner is dan L,
wordt de aftrek een percentage van deze aftrek, bepaald naar de
volgende tabel:
Bijlage IV
Type van
*n re^ening te brengen lengte van de bovenbouw
bovenbouw
~
7~
T~
"1—~~
t
___
^
'
0,2L|0,3L 0,4 L 0,5 L 0,6 L | 0,7 L 0,8 L | 0,9 L L
a. Alle typen zonder
%
%
%
%
%
%
%
%
%
%
%
JT^eVen met
°
7
'7
23,5
30
47,5
70
80
9"
100
brughuisl) ... .
0
7
14,7
22
32
42
56
70
80
90
,00
pUnuges'dio^^etllaleTu^n aTb7^^™ ktota»" dan °-2 L- ~
<*e
Percentages voor tussengelegen lengten van bovenbouw worden door interpolatie bepaald
Artikel 75
over dffSAH? vrijboord voor reizen gedurende de winter dwars winterminimum-
r de N oord-Atlantische Oceaan ten noorden van de 36ste breedte- ™jboord in de
76amkme,fr ""
""
™. STSTV
O
ü
nimum vrijboord
voor een
T, h? T"711™ Vrijboord i" zoet water
k-flnt ,W c
schip wordt de diepgang gemeten van de onder-
nt der sponning van de kiel tot het middelpunt van de cirkel.
Artikel 76
cirkeH 8 v T n
V
0 °
r
! " ?
v r i i b o o r d (middellijn van de Tabel voor he,
cirkel) van ijzeren en stalen gladdekzeilschepen, welke voldoen aan ^niTum vrij".,
de vastgestdde normen, is neergelegd in de volgende tabel waar Sn™
gevolgd0
M t0t 6n met ^ §egeVen V00rschr,f^ moeten worden
L
! ^r'üboörd
L
h
L
Minimum
Minimum
vru Boord
vrijboord
L
vrijboord
meter
millimeter
meter
millimeter
meter
millimeter
meter
millimeter
27
97?
4A
585
66
"*>5
87
1470
33
,
370°
i
1
}ll
2
1SJS
39
«0
«
8 0
78
11
11
J«°
_3
S
SS
!J
!33°
102
iS
inte%olat?e~eg?nVrijb°0rd W°rdt ^ tUSSenSeleSen Engten door
(b) Indien c (artikel 72) groter is dan 0,62, wordt het uit de
tabel verkregen minimum vrijboord vermenigvuldigd met C + °'62'
T
^
(<c)
Indien (D) (artikel 36) groter is dan— wordt het minimum
vrijboord vermeerderd met 8,33 (D-i) X (l0 +J0 millimeter.
Bijlage IV
(d) Indien de werkelijke holte tot de bovenkant van het vrij-
boorddek in het midden der lengte groter of kleiner is dan D, wordt
het verschil tussen de holten in millimeters bij het minimum vnj-
boord opgeteld of er van afgetrokken.
( e ) De afronding in centimeters van de maten voor het minimum
vrijboord, nadat de berekening heeft plaats gehad, geschiedt op de
w i j z e a l s a a n g e g e v e n i n a r t i k e l 6 8 , o n d e r ( f ) .
Artikel 77
Minimum vrij-
Het minimum vrijboord van een houten zeilschip is het minimum
boord van
vrijboord, hetwelk het schip zou verkrijgen, indien het van ijzer of
schepen"1"
staal ware, doch door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ver-
groot in verband met de klasse, de bouw, de leeftijd en de toestand
van het schip.
HOOFDSTUK V
Uitwatering van stoom- of motorschepen, welke deklasten
hout vervoeren
A.
Algemeen
Artikel 78
1. Deklast hout.
Omschrijvingen
j)e uitdrukking „deklast hout" duidt een lading hout aan, wejk®
op een niet overdekt gedeelte van een vrijboorddek of van een dek
van de bovenbouw wordt vervoerd. Houtpulp of dergelijke lading
wordt niet als een deklast hout beschouwd.
2. Houtvaartuitwatering.
Een houtvaartuitwatering is een bijzondere uitwatering, welke
onder de voorwaarden, gesteld in de artikelen 79 tot en met
,
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan worden verleend.
B.
Bijzondere voorwaarden, waaraan in het algemeen moet
worden voldaan
Artikel 79
Eisen, gesteld ter
j
yoor het verkrijgen van een certificaat voor de houtvaart
eVe"krSLa.an komen alleen in aanmerking de schepen, welke voldoen aan de
voor de hout-
eisen gesteld in de artikelen 80 tot en met 87 en 91.
vaart
2 ' Een tekening van het algemeen plan, benevens tekeningen,
welke de onderdelen en inrichtingen voor het sjorren van de dek
last hout aangeven, moeten bij de eerste aanvraag tot het verkrijgen;
van een certificaat voor de houtvaart worden overgelegd.
Artikel 80
sterkte en
Het schip moet voldoende sterk zijn met het oog op het gewicht
stabiliteit
yan de deklast en redelijke waarborgen bieden voor voldoende
Bijlage IV
stabiliteit bij het vervoer van deklasten hout. In verband daarmede
kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie de hoogte van de deklast,
welke een schip mag vervoeren, beperken, welke beperking op het
certificaat voor de houtvaart wordt aangegeven.
Een deklast van onbeperkte hoogte in de zomer kan slechts wor
den toegekend, indien het schip van een dubbele bodem is voor
zien. Een dubbele bodem moet over ten minste de halve scheepslengte
midscheeps op doelmatige wijze door langsscheepse waterdichte
zaathouten en door waterdichte vrangen zijn ingedeeld.
Artikel 81
Het schip moet voorzien zijn van een bak en bovendien van een Bovenbouw
kampanje of van een verhoogd halfdek. Indien een verhoogd half
dek is aangebracht, moet daarop achteruit een sterke stalen kap of
dekhuis zijn geplaatst.
Artikel 82
1. Het schip moet voorzien zijn van een verschansing van een verschansing
hoogte, welke, in geval de toegekende hoogte van de deklast beperkt
is, ten minste gelijk is aan een derde van die hoogte, met dien ver
stande, dat de verschansing niet lager mag zijn dan 75 centimeter
en niet hoger behoeft te zijn dan één meter. Indien geen beperking
voor de hoogte van de deklast is voorgeschreven, moet de hoogte
van de verschansing ten minste één meter bedragen.
2. De verschansing moet door verschansingsteunen van voldoende
sterkte op onderlinge afstanden van ten hoogste 1,85 meter worden
gesteund. Deze steunen moeten op dekbalken rusten en aan het dek
en aan de verschansing met dubbele hoekstalen mannetjes of door
gelijkwaardig electrisch laswerk zijn verbonden. Een der beide man
netjes, welke de verschansingsteun aan de verschansing verbindt, moet
over de gehele hoogte van de verschansing doorlopen. De staande
flenzen van de mannetjes, welke de steunen aan het dek verbinden,
moeten voldoende hoogte hebben, opdat de verschansingsteun daaraan
met drie nagels kan worden verbonden.
3.
De verschansing moet voorzien zijn van de in hoofdstuk II
voorgeschreven waterloospoorten, welke zodanig moeten zijn inge
richt, dat, ook wanneer het schip een deklast voert, hun goede werking
is gewaarborgd.
Artikel 83
De schachten boven de voortstuwingsruimten op het vrijboorddek Schachten boven
moeten door een bovenbouw worden beschermd, tenzij deze schach- de voortstuwinss-
ten voldoende sterk en hoog zijn om tegen het voeren van deklasten rU'm'en
hout langs haar zijden bestand te zijn.
Artikel 84
1.
De plaats van het stuurrad moet zodanig zijn, dat de roer- stuurinrichting
ganger te allen tijde vrij uitzicht over de deklast heen heeft.
Bijlage IV
2. De stuurinrichting moet deugdelijk tegen beschadiging door de
deklast zijn beschermd en, voorzover dit uitvoerbaar is, te allen tijde
bereikbaar zijn. Indien op het achterdek van schepen zonder kam
panje een stuurinrichting aanwezig is, moet deze in een stevige stalen
dekhut, welke te allen tijde behoorlijk toegankelijk is, zijn opgesteld,
tenzij een andere doeltreffende bescherming aanwezig is.
Artikel 85
Inrichtingen aan
1
Op het dek moeten op onderlinge afstanden van ten hoogste
vandVe°dekStrren 3 meter dekpotten van behoorlijke constructie en sterkte stevig aan
de stringerplaat nabij de verschansing zijn bevestigd of gelijkwaardige
inrichtingen zijn aangebracht om de losse stutten ter voorkoming van
het overgaan van de deklast te steunen. Verticaal boven elke pot
moet een tweetal gaten van 26 millimeter middellijn in het verschan
singprofiel aanwezig zijn om gelegenheid te bieden bedoelde deklast-
stutten daaraan te bindselen. De afstand van de^ eerste dekpot tot
een eindschot van de bovenbouw mag niet groter zijn dan 1,90 meter.
2. Voor het bevestigen van de sjorrings voor de deklast moeten
sterke oogplaten aan de berghoutsgang op afstanden van ten hoogste
3 meter stevig zijn bevestigd, waarbij de afstand van de eerste oog
plaat tot een eindschot ongeveer 1,25 meter moet zijn.
3.
In het boveneind van elke verschansingsteun moet een gat
met een middellijn van ten minste 26 millimeter aanwezig zijn om
zo nodig extra sjorrings te kunnen aanbrengen.
Artikel 86
Lier of spil op
Een werktuiglijk gedreven lier of spil moet op het achterdek aan-
achterdek
wgzig zj»n> tenzij de inrichting zodanig is, dat te allen tijde van een
der werktuiglijk gedreven lieren aan dek of op een bovenbouw kan
worden gebruik gemaakt. Op schepen van minder dan 500 ton wordt
een dergelijke lier of spil niet geëist.
Artikel 87
Bescherming van
1. Veilig en voldoend verkeer van en naar de verblijven van de
de bemanning,
bemanning, naar de voortstuwingsruimten en naar alle overige ge-
vmfrtstuwings-
deelten, welke in verband met de werkzaamheden aan boord moeten
ruimten enz.
worden gebruikt, moet te allen tijde gewaarborgd zijn.
2.
De verblijven van de opvarenden moeten daartoe voorzien zijn
van veilige nooduitgangen, indien de inrichting zodanig is, dat gevaar
bestaat, dat de gewone toegangsopeningen door verschuiving van de
deklast worden versperd. Onder deze nooduitgangen moeten trappen
of klimklampen zijn aangebracht.
3.
Als bescherming voor de bemanning bij het verkeer over de
deklast, moeten lijnen op onderlinge afstanden van ten hoogste 30
centimeter boven elkaar worden bevestigd aan stevig geplaatste stut
ten. De hoogte van deze bescherming moet ten minste 1,20 meter
boven de deklast bedragen. Deze bescherming moet aan beide zijden
van de deklast worden aangebracht. Bovendien moet ter plaatse van
een loopgang als handleider een lijn op ten minste 1 meter hoogte
zijn gespannen en moet de deklast aldaar voldoende vlak zijn om als
loopgang te kunnen dienen. Het licht van de boordlantaarns mag
echter niet worden onderschept.
Artikel 88
Openingen, welke naar ruimten onder het vrijboorddek leiden en Dekopeningen,
welke door de deklast worden bedekt, moeten goed gesloten en ge- deklast d°worden
schalmd zijn. Alle onderdelen als luikschilden, langsmerkels en luiken, bedekt
moeten op hun plaats liggen. Luchtkokers moeten op doeltreffende
wijze beschermd zijn.
Artikel 89
1.
Een deklast hout moet zo goed mogelijk passend tussen delen stuwen
van de bovenbouw, luikhoofden en dergelijke zijn gestuwd en be
hoorlijk zijn gesjord. Ter plaatse van openingen, welke toegang geven
tot de verblijven van de bemanning, de voortstuwingsruimten en
andere ruimten, welke in verband met de werkzaamheden aan boord
moeten worden gebruikt, moet de deklast zodanig zijn gestuwd, dat
deze openingen behoorlijk kunnen worden bereikt, geopend en af
gesloten tegen het binnendringen van water.
2.
De deklast mag op generlei wijze de navigatie en het verrichten
van noodzakelijke werkzaamheden aan boord belemmeren of gevaar
opleveren voor de stabiliteit gedurende de reis, waarbij rekening moet
worden gehouden met het verbruik van brandstoffen en voorraden
en met het toenemen van het gewicht van de deklast door het op
nemen van water.
Het vervoer van een deklast hout mag in het algemeen niet plaats
hebben op een dek, waar de boten zijn opgesteld. Indien echter geen
deklast hout in de nabijheid van de boten wordt gestuwd en naar
het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het verkeer
naar en de behandeling van de boten ook bij mogelijk verschuiven
van de deklast geen hinder zullen ondervinden, kan hij van deze
bepaling vrijstelling verlenen.
3.
De peilpijpen moeten bij het vervoer van een deklast hout
bereikbaar zijn. De deklast mag het gebruik van de peilpijpen niet
belemmeren.
4.
Op een schip, dat zich in de winter in een periodiek winter-
gebied bevindt, mag de hoogte van de deklast boven het vrijboord
dek een derde gedeelte van de grootste scheepsbreedte niet te boven
gaan.
Artikel 90
1. In elk der in artikel 85 voorgeschreven dekpotten moet een Dekiaststutten
stevige stut tegen de verschansing worden geplaatst om overgaan
Bijlage IV
Bijlage IV
van de deklast te verhinderen. Deze stutten moeten van hout zijn
en stevig aan het verschansingprofiel worden gebindseld.
2.
De stutten kunnen aan de lading worden ontleend. Indien de
aard van de deklast dit wenselijk maakt, moeten, zowel voor de dek
last op het vrijboorddek als voor die op een dek van de bovenbouw,
tussen bovengenoemde stutten extra stutten, zo goed mogelijk be
vestigd, worden geplaatst.
3. Waar nodig moeten de stutten door dwarsscheepse sjorrings
van voldoende sterkte onderling worden verbonden.
Artikel 91
Sjorrings
]. Een deklast hout moet deugdelijk over de gehele lengte door
onafhankelijke over de deklast geslagen sjorrings op afstanden van
ten hoogste 3 meter worden vastgemaakt.
2. Indien de lengte van het als deklast vervoerde hout korter is
dan 3,60 meter, moet de afstand van de sjorrings verminderd worden
of moeten andere geschikte voorzieningen worden getroffen.
3. De sjorrings over de deklast moeten in goede toestand ver
keren en voorzien zijn van de nodige sliphaken en spanschroeven,
welke te allen tijde bereikbaar moeten zijn.
C.
Bijzondere eisen voor dieper afladen
Artikel 92
Algemeen
j
Schepen, waarvoor een vermindering van het minimum vrij-
boord bij het vervoer van deklasten hout wordt toegestaan, moeten '
voldoende sterk zijn met het oog op het dieper laden.
2. Ter beoordeling van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
s
moeten afdoende waarborgen aanwezig zijn voor het behoud van
voldoende stabiliteit, zodat, zelfs nadat de deklast nat is geworden
en de brandstoffen en voorraden zijn verbruikt, een positieve aan-
vangsstabiliteit aanwezig blijft.
3. Dieper laden is slechts toegestaan indien de kuilen op het
vrijboorddek met hout zijn gevuld tot een hoogte, welke ten minste
gelijk is aan de standaardhoogte van een brughuis.
Artikel 93
Bovenbouw
De volgens artikel 81 voorgeschreven bak moet bij de in artikel 92
bedoelde schepen een hoogte hebben ten minste gelijk aan de stan
daardhoogte en een lengte van ten minste 7 percent van de scheeps
lengte.
Artikel 94
Verschansing
1. De hoogte van de verschansing mag bij de in artikel 92 be
doelde schepen niet minder zijn dan 1 meter en de dikte der ver
schansingplaat niet minder dan 7 millimeter.
2. De afstanden tussen de verschansingsteunen op het vrijboord-
I
dek mogen bij de in lid 1 bedoelde schepen niet groter zijn dan
1| maal de hoogte van de verschansing.
Bijlage IV
De verschansingsteunen moeten zijn vervaardigd van bulbplaat
van 180 x 10 millimeter of van gelijkwaardig profiel en overigens
voldoen aan het bepaalde in artikel 82.
Artikel 95
De schachten boven de voortstuwingsruimten op het vrijboorddek Schachten boven
moeten bij de in artikel 92 bedoelde schepen ten minste een hoogte ruinuenStUW'ngS"
hebben gelijk aan de standaardhoogte van een brug of van een kam
panje. Indien deze schachten zich uitstrekken boven het dek van een
bovenbouw, waarop een deklast hout wordt vervoerd, moeten zij
voldoende sterk en hoog zijn om tegen het voeren van deklasten hout
langs haar zijden bestand te zijn.
Artikel 96
De in artikel 92 bedoelde schepen moeten zijn voorzien van een Dubbele bodem
dubbele bodem, welke zoveel mogelijk van het voorpiekschot tot het
achterpiekschot doorloopt. Deze dubbele bodem moet over ten
minste de halve scheepslengte midscheeps op doelmatige wijze door
langsscheepse waterdichte zaathouten en door waterdichte vrangen
zijn ingedeeld. Deze indeling moet zodanig zijn, dat gemakkelijk vol
daan kan worden aan het bepaalde in artikel 123 van het Schepen
besluit, waarbij bovendien rekening moet worden gehouden met het
voorschrift, dat ook compensatie moet kunnen worden gevonden
voor het rijzen van het zwaartepunt van schip en lading door het
nat worden van de deklast.
Artikel 97
1. De sjorrings over de deklast bij de in artikel 92 bedoelde Sjorrings
schepen moeten bestaan uit ketting, van welke de diameter niet min
der is dan 19 millimeter of uit buigzaam staaldraad van gelijke
sterkte.
2. In staaldraadsjorrings moet een kort eind ketting met lange
schalmen voorkomen, teneinde de lengte der sjorrings te kunnen
regelen.
3. Indien de onderlinge afstand der sjorrings kleiner is dan
1,50 meter mag de zwaarte der sjorrings evenredig verminderd wor
den, doch nimmer mogen zij uit ketting bestaan, welker diameter
kleiner is dan 13 millimeter of uit staaldraad van een geringere
sterkte dan die, welke overeenkomt met de sterkte van een ketting
van 13 millimeter.
4. Alle onderdelen, welke nodig zijn voor het vastmaken van de
sjorrings, moeten in sterkte met die van de sjorrings overeenkomen.
D. Lijnen om de Houtvaartuitwatering aan te duiden
Artikel 98
De lijnen, welke het minimum vrijboord bij het vervoer van dek- Houtvaartmerk
lasten hout in verschillende omstandigheden en voor verschillende
Bijlage IV
jaargetijden aanduiden, moeten horizontale lijnen zijn met een lengte
van 230 millimeter en een dikte van 25 millimeter.
Zij beginnen bij en staan loodrecht op een verticale lijn, welke
540 millimeter achter het middelpunt van de cirkel (zie afbeelding 4)
is geplaatst. Het merken en het controleren van de plaats van het
merk moeten op dezelfde wijze geschieden, als in de artikelen 7, 8 en
9 is voorgeschreven.
Lijnen in verband
De volgende lijnen kunnen voorkomen:
met cirkel te ge-
gebruiken
(a) Uitwateringslijn voor Houtvaart in de Zomer.
De uitwatering voor Houtvaart in de Zomer (Houtvaart Zomeruit- 1
watering) wordt aangeduid door de bovenkant van een lijn, ge- I
merkt HZ;
( b ) Uitwateringslijn voor Houtvaart in de Winter.
De uitwatering voor Houtvaart in de Winter (Houtvaart Winter- I
uitwatering) wordt aangeduid door de bovenkant van een lijn, ge- I
merkt HW;
(c) Uitwateringslijn voor Houtvaart in de Winter op de Noord- i
Atlantische Oceaan.
De uitwatering voor Houtvaart in de Winter over de Noord- n
Atlantische Oceaan (Houtvaart Noord-Atlantische Winteruitwate- |
ring) wordt aangeduid door de bovenkant van een lijn, gemerkt I
H W N A ;
1
Bijlage IV
(d) Uitwateringslijn voor Houtvaart in de Tropen.
De uitwatering voor Houtvaart in de Tropen (Houtvaart Tropen-
uitwatering) wordt aangeduid door de bovenkant van een lijn, ge
merkt HT;
(e) Uitwateringslijnen voor Houtvaart in Zoetwater.
De uitwatering voor Houtvaart in Zoetwater in de Zomer (Hout
vaart Zomer Zoetwateruitwatering) wordt aangeduid door de boven
kant van een lijn, gemerkt H Z W. Het verschil tussen de Houtvaart
Zomer Zoetwateruitwatering en de Houtvaart Zomeruitwatering is
de correctie, welke moet worden toegepast voor het laden in zoet
water bij de andere lijnen voor Houtvaartuitwatering. De lijn voor
Houtvaart Tropen Zoetwateruitwatering wordt aangeduid door de
bovenkant van een lijn, gemerkt H T Z W.
E. Minimum vrijboord
Artikel 99
1. Indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie overtuigd is, dat Berekening van
het schip geschikt is voor het vervoer van deklasten hout en dat de he'^™um
inrichtingen gelijk of ten minste gelijkwaardig zijn aan hetgeen hier- ™J °°r
boven nopens de inrichtingen voor dat vervoer is voorgeschreven,
mag voor stoom- of motorschepen, tijdens dat vervoer, het minimum
vrijboord in de zomer, vastgesteld volgens het bepaalde in hoofd
stuk III, verminderd worden. Deze vermindering geschiedt door de
volgende percentages in de plaats te stellen van die volgens artikel 54.
Totale in rekening te brengen lengte van de bovenbouw
0
0,1 L
0,2 h
0,3 L
0,4 L
0,5 L
0,6 L
0,7 L
0,8 L
0,9 L
L
%
%
%
%
%
%
%
%
%
%
%
20
30,75
41,5
52,25
63
69,25
75,5
81,5
87,5
93,75
100
2. Het houtvaart minimum vrijboord in de winter wordt verkregen
door bij het houtvaart minimum vrijboord in de zomer -- van de,
36
tot bovenkant kiel gemeten, corresponderende diepgang op te tellen.
3. Het houtvaart minimum vrijboord in de winter in de Noord-
Atlantische Oceaan, is het minimum vrijboord in de winter in de
Noord-Atlantische Oceaan, als in artikel 66 voorgeschreven.
4. Het houtvaart minimum vrijboord in de tropen wordt verkregen
door van het houtvaart minimum vrijboord in de zomer —
van de
48
corresponderende diepgang af te trekken.
Bijlage IV
5. De afronding in centimeters van de maten voor het minimum
vrijboord na afloop van de berekening geschiedt op de wijze als aan
gegeven in artikel 68 onder (ƒ).
HOOFDSTUK VI
Uitwatering van Tankschepen
A.
Algemeen
Artikel 100
Omschrijving
De uitdrukking „tankschip" omvat alle stoom- en motorschepen,
welke in het bijzonder zijn gebouwd en ingericht voor het vervoer
van onverpakte vloeistofladingen.
Artikel 101
Toepassing
oe bepalingen van de hoofdstukken I tot en met IV van deze
bijlage zijn van toepassing op tankschepen voor zover in de volgende
artikelen van dit hoofdstuk niet anders is voorgeschreven.
B.
Aanvullende voorwaarden, waaraan moet worden voldaan
Artikel 102
Constructie van
De constructie van het schip moet voldoende sterk zijn met het
het schip
diepgang in verband met het voor tankschepen vastge
stelde minimum vrijboord.
Artikel 103
Bak
Het schip moet een bak hebben met een lengte niet kleiner dan
7 percent van de scheepslengte en een hoogte niet kleiner dan de
standaardhoogte.
Artikel 104
Schachten boven
j. De openingen in de schachten boven de voortstuwingsruimten
wlngsruimten
moeten van stalen deuren zijn voorzien. Deze schachten moeten
door een gesloten kampanje of brughuis van ten minste de stan
daardhoogte of door een dekhuis van gelijke hoogte en overeen
komstige sterkte worden beschermd. De schotten aan de einden van
deze dekhuizen moeten een sterkte hebben, welke met die van een
vóórschot van het brughuis overeenkomt. Alle toegangen tot deze
dekhuizen op het vrijboorddek moeten van doelmatige afsluitings
inrichtingen zijn voorzien en de drempels moeten een hoogte van ten
minste 46 centimeter boven het dek hebben. Blootgestelde schachten
boven voortstuwingsruimten op het dek van de bovenbouw moeten
van sterke constructie zijn en alle openingen daarin moeten zijn
voorzien van stalen middelen tot afsluiting, welke blijvend aan de
schachten zijn verbonden en geschikt zijn om aan beide zijden ge
opend en gesloten te worden. De drempels van deze openingen
moeten een hoogte hebben van ten minste 38 centimeter boven het
dek.
>
2. Hoofden van luchtroosters boven ketelruimen moeten zo hoog
boven het dek van de bovenbouw reiken, als redelijk en praktisch
uitvoerbaar is en moeten van sterke scharnierende stalen luiken zijn
voorzien.
Artikel 105
Een deugdelijke vaste loopbrug moet tussen het kampanjedek en Loopbrug
het dek van een midscheeps geplaatst brughuis en, indien verblijven
onder het bakdek aanwezig zijn, tussen het brugdek en het bakdek
zijn aangebracht. Deze loopbrug moet in verband met haar bloot
gestelde opstelling, voldoende sterk zijn en van voor tot achter op
dezelfde hoogte boven het vrijboorddek liggen als het dek van de
bovenbouw.
Artikel 106
Er moet een veilige en voldoende verbinding zijn tussen de loop- Bescherming van
brug en de verblijven, de voortstuwingsruimten en alle ruimten,
welke in verband met de werkzaamheden aan boord gedurende de voortstuwings-
reis moeten worden gebruikt.
ruimten enz.
Artikel 107
Alle luikhoofden op het vrijboorddek en op het dek van expansie- Luikhoofden
trunks moeten van deugdelijke waterdicht afsluitende stalen deksels
zijn voorzien.
Artikel 108
Luchtkokers naar ruimten onder het vrijboorddek moeten van Luchtkokers
voldoende sterkte zijn, indien zij niet door de bovenbouw of op even
doeltreffende wijze zijn beschermd.
Artikel 109
1. Op het onbeschermde gedeelte van het aan weer en wind Middelen tot io-
blootgestelde dek van schepen met een verschansing moet deze over 21118 van water
ten minste haar halve lengte door relingwerk worden onderbroken
of moeten even doeltreffende inrichtingen voor waterlozing zijn aan
gebracht. De bovenkant van de berghoutsgang moet zo laag mogelijk
en bij voorkeur niet hoger dan de bovenkant van het stringerhoek.-
staal zijn.
2. Indien twee delen van de bovenbouw door een trunk zijn ver
bonden, moet ter weerszijden daarvan over de volle lengte van het
aan weer en wind blootgestelde deel van het vrijboorddek reling-
werk zijn aangebracht.
Artikel 110
Tekeningen, welke de in dit hoofdstuk bedoelde onderdelen en Tekeningen
inrichtingen aangeven, moeten aan de goedkeuring van het Hoofd
van de Scheepvaartinspectie worden onderworpen.
Bijlage IV
Bijlage IV
C. Minimum vrijboord
Artikel 111
Berekening van
Indien het Hoofd van de Scheepvaartinspectie overtuigd is, dat I
vrijboord11""
aan de voorafgaande bepalingen is voldaan wordt het minimum vrij- |
boord in de zomer met behulp van de tabel voor het minimum vrij- I
boord van tankschepen berekend. Alle correcties moeten volgens het
:i
bepaalde in hoofdstuk III worden toegepast, met inachtneming van t.
het bepaalde in de artikelen 112, 113 en 114.
I
Artikel 112
Aftrek voor
Indien de totale in rekening te brengen lengte van de bovenbouw {.
bovenbouw"
kleiner is dan L, wordt de aftrek voor onderbroken bovenbouw een jh
percentage van die voor een bovenbouw met een lengte gelijk aan L, jl
welk percentage uit de volgende tabel wordt verkregen.
Totale in rekening te brengen lengte van de bovenbouw
0
0,1 L
0,2 L
0,3 L
0,4 L
0,5 L
0,6 L
0,7 L
0,8 L
0,9 L
L
%
%
%
%
%
%
%
%
%
%
°>«
0
7
14
21
31
41
52
63
75,3
87,7
100
Artikel 113
Aftrek voor over-
Indien de zeeg groter is dan de standaardzeeg, wordt voor tank-
maat van zeeg
schepen jje correctie voor overmaat van zeeg (artikel 58) afgetrokken :
van het vrijboord. Van artikel 60 is slechts lid 2 van toepassing.
Artikel 114
Minimum vrij-
Het minimum vrijboord voor reizen gedurende de wintermaanden
Winterende
dwars over de Noord-Atlantische Oceaan, benoorden de 36ste breedte-
Noor"Atlanti-
graad, wordt verkregen door bij het minimum vrijboord in de winter
sche Oceaan
^ aanta] millimeters in reden van 25 millimeter voor elke 30,50 !
meter lengte van het schip op te tellen.
Artikel 115
Tabel voor mini-
De grondslag voor het minimum vrijboord in de zomer van tank-
varrtankschepen schepen, welke voldoen aan de vastgestelde normen, is neergelegd in
de onderstaande tabel, waarbij de onder (a) en (b) gegeven voor
schriften moeten worden gevolgd.
Bijlage IV
L in
Minimum
. .
Minimum
meters
Vrijboord in
Vrijboord in
millimeters
meiers
millimeters
57
535
123
1 610
60
575
126
1 670
63
615
129
1 730
66
655
132
1 795
69
695
135
1 860
72
740
138
1 925
75
780
141
1 990
78
825
144
2 055
81
875
147
2 115
84
920
150
2 175
87
970
153
2 235
90
1 020
156
2 290
93
1 070
159
2 350
96
1 120
162
2 405
99
1 170
165
2 460
102
1 220
168
2 510
105
1 275
171
2 565
108
1 325
174
2 615
Hl
1 380
177
2 660
114
1 435
180
2 710
117
1 495
183
2 755
120
1 550
(a) Voor schepen met een lengte groter dan 183 meter, wordt het
minimum vrijboord volgens door het Hoofd van de Scheepvaart
inspectie nader vast te stellen regelen bepaald en voor schepen met
een lengte kleiner dan 57 meter volgens de tabel in artikel 68.
( b ) De afronding in centimeters van de maten voor het minimum
vrijboord na afloop der berekening geschiedt op de wijze als aan
g e g e v e n i n a r t i k e l 6 8 o n d e r ( f ) .
D. Schepen van bijzonder type
Artikel 116
1. Voor stoom- of motorschepen, welke een grotere lengte hebben Bepalingen voor
dan 91,50 meter en welke in constructie zodanige overeenkomst met ^nder" va" b'J"
een tankschip vertonen, dat daardoor op soortgelijke wijze de zee-
r ypc
waardigheid van het geladen schip is vergroot, kan een vermindering
van minimum vrijboord worden toegestaan.
2.
De grootte van deze vermindering wordt in dat geval door het
Hoofd van de Scheepvaartinspectie bepaald in verhouding tot het
minimum vrijboord, dat aan tankschepen wordt toegekend, waarbij
rekening wordt gehouden met de mate, waarin wordt voldaan aan de
Bijlage IV
voorwaarden voor het toekennen van het minimum vrijboord voor
tankschepen en met de waterdichte indeling.
3. Het minimum vrijboord, dat aan zulk een schip wordt toe- |j
gekend, mag niet kleiner zijn dan dat, hetwelk voor het schip als
tankschip zou worden vastgesteld.
HOOFDSTUK VII
Vaargebieden en periodieke seizoenvaargebieden
(Zie afbeelding 5)
Artikel 117
Toepassing
in de verschillende vaargebieden mag niet dieper worden afgeladen,
dan tot de bij het betreffende vaargebied behorende lijn, welke deelj
uitmaakt van het uitwateringsmerk, als genoemd in de artikelen 6,
69 en 98, terwijl daarbij rekening moet worden gehouden met het
bepaalde in de artikelen 63 tot en met 67, 75 en 114, met dien ver
stande, dat het in periodieke wintervaargebieden, buiten de daarbij
genoemde tijdperken, steeds geacht wordt zomer te zijn.
Artikel 118
NoordelijkPerio-
1. Het Noordelijk Periodiek Wintervaargebied
is gelegen ten
diek Wintervaar- Noorden van een iijR; getrokken van de Oostkust van Noord-Amerika
langs de parallel van 36° Noorderbreedte naar Kaap Tarifa (Spanje),
van de Oostkust van Korea langs de parallel van 35 Noorderbreedte
naar de Westkust van Honshiu (Japan), van de Oostkust van Honshiu ,
langs de parallel van 35° Noorderbreedte tot 150° Westerlengte en j
van daar langs de loxodroom naar de Westkust van het eiland Van-i .
couver op 50° Noorderbreedte, waarbij Fusan (Korea) en Yokohama
beschouwd worden od de grenslijn te liggen van het Noordelijk |
Periodiek Wintervaargebied en het Zomervaargebied.
2. In dit gebied wordt het wintertijdperk gerekend van 16 Octobei
tot en met 15 April, behoudens de hieronder volgende uitzonderingen:; i
(a) in de Atlantische Oceaan wordt in het Noordelijk Periodiekl
Wintervaargebied het wintertijdperk gerekend van 1 November to
en met 31 Maart, voor zover een gebied betreft bewesten, bezuiden
en beoosten een lijn recht Zuid getrokken van de kust van Groenland '
op 50° Westerlengte tot aan 45° Noorderbreedte, vandaar ^langs d<
parallel van 45° Noorderbreedte tot aan de meridiaan van 15 Wester
lengte vandaar recht Noord tot aan 60° Noorderbreedte en ver
volgens langs de parallel van 60° Noorderbreedte tot aan de Westkus ,
van Noorwegen, waarbij Bergen beschouwd moet worden op d<
grenslijn te liggen van dit gebied en het overblijvende gedeelte vai
het Noordelijk Periodiek Winter vaargebied;
(£>)
in de Oostzee en haar toegangen (begrensd door de meridiaan
van Kaap Skagen) wordt het wintertijdperk gerekend van 1 Novembe
tot en met 31 Maart;
•
Bijlage IV
(c) in de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt het winter -
tijdperk gerekend van 16 December tot en met 15 Maart;
(d) in de Japanse Zee tussen de parallellen van 35° en 50° Noor
derbreedte wordt het wintertijdperk gerekend van 1 December tot en
met 28/29 Februari.
Artikel 119
1. Het Tropisch vaargebied wordt aan de Noordzijde begrensd Tropisch vaarge-
door een lijn, getrokken van de Oostkust van Zuid-Amerika langs de bied
parallel van 10° Noorderbreedte tot 20° Westerlengte, daarna recht
Noord tot 20° Noorderbreedte en vandaar langs de parallel van 20°
Noorderbreedte tot de Westkust van Afrika: vervolgens van de Oost
kust van Afrika langs de parallel van 8° Noorderbreedte naar de
Westkust van het Maleise schiereiland, vandaar de kust volgend van
dit schiereiland en van Siam tot de Oostkust van Cochin China op
10° Noorderbreedte en vervolgens langs de parallel van 10° Noorder
breedte tot 145° Oosterlengte; vandaar recht Noord tot 13° Noorder
breedte en vervolgens langs de parallel van 13° Noorderbreedte naar
de Westkust van Centraal Amerika, waarbij Saigon beschouwd wordt
op de grenslijn te liggen van het Tropisch vaargebied en het Periodiek
Tropisch vaargebied, bedoeld in artikel 122 onder (d). De Zuidelijke
grens wordt gevormd door een lijn, getrokken van de Oostkust van
Zuid-Amerika langs de Zuider-keerkring tot de Westkust van Afrika;
van de Oostkust van Afrika langs de parallel van 20° Zuiderbreedte
tot de Westkust van Madagaskar, vandaar langs de West- en Noord
kust van Madagaskar tot 50° Oosterlengte, vervolgens recht Noord
tot 10° Zuiderbreedte, vandaar langs de parallel van 10° Zuider
breedte tot 110° Oosterlengte, dan langs de loxodroom naar Port
Darwin (Australië) en vandaar Oostwaarts langs de kust van Australië
en het eiland Wessel tot Kaap Wessel, vervolgens langs de parallel
van 11° Zuiderbreedte naar de Westzijde van Kaap York, van de
Oostzijde van Kaap York op 11° Zuiderbreedte langs de parallel van
11° Zuiderbreedte naar 150° Westerlengte, vandaar langs de loxo
droom naar een punt op 26° Zuiderbreedte en 75° Westerlengte en
ten slotte langs de loxodroom naar een punt op de Westkust van
Zuid-Amerika op 30° Zuiderbreedte, waarbij Coquimbo, Rio de
Janeiro en Port Darwin worden beschouwd op de grenslijn te liggen
van het Tropisch en van het Zomervaargebied.
2. De volgende gebieden worden bovendien als Tropisch vaar
gebied beschouwd:
(а) Het Kanaal van Suez, de Rode Zee en de Golf van Aden tot
de meridiaan van 45° Oosterlengte, waarbij Aden en Berbera be
schouwd worden op de grenslijn te liggen van het Tropisch vaargebied
en het Periodiek Tropisch vaargebied, als bedoeld in artikel 122
onder b (2);
(б) De Perzische Golf tot de meridiaan van 59° Oosterlengte.
Bijlage IV
Artikel 120
Zuidelijk Perio-
1. Het Zuidelijk Periodiek Wintervaargebied is gelegen, bezuiden
diek Wintervaar- eefl
getrokken van de Oostkust van Zuid-Amerika langs de
parallel 'van 40° Zuiderbreedte tot 56° Westerlengte, vandaar langs de
loxodroom naar een punt gelegen op 34° Zuiderbreedte en 50 Wes
terlengte, vervolgens langs de parallel van 34° Zuiderbreedte tot de
Westkust van Afrika; van de Oostkust van Afrika op 30° Zuider
breedte langs de loxodroom naar de Westkust van Australië op 35
Zuiderbreedte, vervolgens langs de Zuidkust van Australië tot Kaap
Arid, vandaar langs de loxodroom naar Kaap Grim (Tasmamë),
vervólgens langs de Noordkust van Tasmanië naar Eddystone Punt,
vandaar langs de loxodroom naar de Westkust van Zuideiland (Nieuw-
Zeeland) op 170° Oosterlengte, vervolgens langs de West-, Zuid- en
Oostkust van Zuideiland tot Kaap Saunders en vandaar langs de
loxodroom naar een punt op 33° Zuiderbreedte en 170° Westerlengte;
van dit punt langs de parallel van 33° Zuiderbreedte naar de West
kust van Amerika, waarbij Valparaiso, Kaapstad en Durban worden
beschouwd op de grenslijn te liggen van het Zuidelijk Periodiek
Wintervaargebied en het Zomervaargebied.
2. In dit gebied wordt het wintertijdperk gerekend van 16 April
tot en met 15 October.
Artikel 121
Zomervaarge-
De in de artikelen 118, 119 en 120 niet genoemde gebieden vormen
bleden
de Zomervaargebieden.
Artikel 122
Periodiek Tropi-
De volgende gebieden worden als Periodiek Tropische vaargebieden
sche
vaargebie- beschouwd;
( a ) In de Noord-Atlantische Oceaan van 1 November tot en met
15 Juli: een gebied, aan de Noordzijde begrensd door een lijn van Kaap
Catoc'ne (Yucatan) naar Kaap San Antonio (Cuba), door de Zuid-
Cubaanse kust tot 20° Noorderbreedte en door de parallel van 20°
Noorderbreedte tot een punt OD 20° Noorderbreedte en 20° Wester
lengte, aan de Westzijde door de kust van Centraal-Amerika, aan de
Zuidzijde door de Noordkust van Zuid-Amerika en door de parallel
van 10° Noorderbreedte en aan de Oostzijde door de meridiaan van
20° Westerlengte;
(b) De Arabische Zee:
(1) Ten Noorden van 24° Noorderbreedte van 1 Augustus tot en
met 20 Mei. (Karachi wordt beschouwd op de grenslijn te liggen van
dit vaargebied en het hieronder bedoelde Periodiek Tropisch vaar-
gebied (2));
Bijlage IV
(2) Ten Zuiden van 24° Noorderbreedte van 1 December tot en
met 20 Mei en van 16 September tot en met 15 October;
(c) De Golf van Bengalen van 16 December tot en met 15 April;
( d ) In de Chinese Zee van 2 1 Januari tot en met 30 April:
een gebied, begrensd aan de West- en de Noordzijde door de kust
van lndo-China en China tot Hongkong, aan de Oostzijde door de
loxodroom van Hongkong naar de haven van Soeal (op het eiland
Luzon), door de Westkust van de eilanden Luzon, Samar en Leyte
tot aan de parallel van 10° Noorderbreedte en aan de Zuidzijde door
de parallel van 10° Noorderbreedte, waarbij Hongkong en Soeal
worden beschouwd op de grenslijn te liggen van het Periodiek Tro
pisch vaargebied en het Zomervaargebied;
(e) In de Noordelijke Stille Oceaan:
(1) van 1 April tot en met 31 October: een gebied, aan de Noord
zijde begrensd door de parallel van 25° Noorderbreedte, aan de
Westzijde door de meridiaan van 160° Oosterlengte, aan de Zuidzijde
door de parallel van 13° Noorderbreedte en aan de Oostzijde door
de meridiaan van 130° Westerlengte;
(2) van 1 Maart tot en met 30 Juni en van 1 tot en met 30 No
vember: een gebied, aan de Noordzijde en Oostzijde begrensd door de
kusten van Californië, Mexico en Centraal-Amerika, aan de West
zijde door de meridiaan van 120° Westerlengte en door de loxodroom
lopende van een punt op 30° Noorderbreedte en 120° Westerlengte
naar een punt op 13° Noorderbreedte en 105° Westerlengte en aan
de Zuidzijde door de parallel van 13° Noorderbreedte;
(ƒ) In de Zuidelijke Stille Oceaan:
(1) van 1 April tot en met 30 November: een gebied, aan de
Noordzijde begrensd door de parallel van 11° Zuiderbreedte, aan de
Westzijde door de Oostkust van Australië, aan de Zuidzijde door de
parallel van 20° Zuiderbreedte en aan de Oostzijde door de meridiaan
van 175° Oosterlengte, met inbegrip van de Golf van Carpentaria,
bezuiden 11° Zuiderbreedte, waarbij Mackay wordt beschouwd op
de grenslijn te liggen van het Periodiek Tropisch vaargebied en het
Zomervaargebied;
(2) van 1 Maart tot en met 30 November: een gebied, aan de
Westzijde begrensd door de meridiaan van 150° Westerlengte, aan
de Zuidzijde door de parallel van 20° Zuiderbreedte en aan de Noord
en Oostzijde door de loxodroom, die de Zuidgrens vormt van het
Tropisch vaargebied.
Artikel 123
Een haven, liggende op de grens tussen twee vaargebieden, wordt Haven op de
beschouwd te liggen binnen de zone, vanwaar het schip komt of
waarheen het vertrekt.
vaargebieden gg
BIJLAGE V
OPSPOREN EN BLUSSEN VAN BRAND
HOOFDSTUK I
Algemeen
Artikel 1
Pompen, brand-
j. Brandbluspompen moeten onafhankelijk van het voortstuwings-
brandkranen*
werktuig gebruikt kunnen worden.
brandslangen en
Sanitaire-, lens-, ballast- en algemene dienstpompen mogen als
straaipüpen
brandbluspomp dienst doen. De capaciteit van een pomp, bestemd
voor brandbluspomp, moet ten minste twee derde zijn van de capa
citeit, vereist voor de lenspompen. Elk van de pompen moet ten
minste één of twee krachtige stralen water kunnen geven, zoals deze
nader in de beide hiernavolgende hoofdstukken worden aangegeven.
De reikwijdte van de straal moet ongeveer 12 meter vanaf de straal-
pijp zijn.
2. Brandblusleidingen moeten zo nodig van ontlastkleppen voor
zien zijn. Deze kleppen moeten op zodanige plaats zijn aangebracht,
dat een te hoge druk in enig deel van de hoofdbrandblusleiding wordt
voorkomen.
3
De doorlaat van de brandblusleidingen moet voldoende groot
zijn, om een hoeveelheid water voor het gelijktijdig gebruik van ten
minste twee brandslangen te kunnen opbrengen, m overeenstemming
met de voorgeschreven capaciteit van de voor brandblusdoeleinden
bestemde pompen. Voor schepen, waarop de brandblusleiding slechts
moet zijn ingericht voor het spuiten van één straal, behoeft de door
laat van de brandblusleidingen slechts voldoende groot te zijn, opdat
een hoeveelheid water voor het gebruik van één brandslang kan
worden opgebracht.
4
Het aantal en de plaats van de brandkranen moeten zodanig
zijn, dat op enig deel van het schip, waar ook gelegen, ten minstei
twee waterstralen gespoten kunnen worden, van welke een door
middel van een uit één lengte bestaande brandslang van ten hoogste
25 meter Bij elke brandkraan behoort een brandslang met koppe
lingen en straalpijp. Voor schepen, waarop de brandblusleiding slechts
moet zijn ingericht voor het spuiten van een straal, behoeft dit aan
tal niet groter te zijn dan nodig is om op elk deel van het schip een
waterstraal te kunnen spuiten.
5
De leidingen en kranen moeten zodanig zijn aangebracht, da'
de brandslangen gemakkelijk daaraan kunnen worden gekoppeld. Aar
boord van schepen, ook wanneer daarmede dekladingen worder
vervoerd
moet een voldoende aantal kranen steeds gemakkelijk
Bijlage V
bereikbaar zijn; de leidingen mogen niet door deklading beschadigd
kunnen worden.
6. Kranen of afsluiters moeten in rode kleur geschilderd zijn en
op een zodanige wijze op de leidingen worden aangebracht, dat elke
brandslang kan worden aangekoppeld, terwijl de brandbluspompen
in bedrijf zijn.
7. Brandslangen moeten vervaardigd zijn van materiaal dat door
het Hootd van de Scheepvaartinspectie is goedgekeurd; de lengte
moet voldoende zijn om een waterstraal te kunnen spuiten in elke
ruimte, waarin hun gebruik noodzakelijk kan worden. Zij moeten
van de nodige onderdelen voorzien zijn. De inwendige middellijn
van de straalpijpmonding moet ten minste 12 millimeter zijn De
straalpijpen moeten tevens ingericht zijn voor het sproeien van water.
8. De brandslangen en de noodzakelijke onderdelen en gereed
schappen moeten voor het gebruik gereed, op zichtbare plaatsen en
onmiddellijke nabijheid van de brandkranen zijn opgeborgen.
Zij mogen niet voor andere doeleinden dan voor het blussen van
brand gebruikt worden.
9. Brandslangen moeten ten minste tweemaal per jaar beproefd
worden.
r
10. Waar kranen of afsluiters in gangen van verblijven of in
andere ruimten voor accommodatie zijn aangebracht, moet door
middel van een aftapkraantje bij de klep of kraanplug de waterdruk
gecontroleerd en vuil verwijderd kunnen worden.
Artikel 2
h ,Het brandblussend middel, de constructie en de werkwijze van Extincteurs, vast
extincteurs moeten door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ziin °p»csteldcbranti-
goedgekeurd De inhoud van draagbare extincteurs mag niet groter
zijn dan 13,5 liter en, indien niet anders bepaald, niet kleiner dan
y liter.
2
Het aantal reservevullingen moet in overeenstemming zijn met
voorschriften
r ^
van de Scheepvaartinspectie te geven
3. Extincteurs, waarin het brandblussend middel onder druk be-
gepkatsHiin
m°êen
passagiers" of bemanningsverblijven
4. Eén van de draagbare extincteurs, welke voor het gebruik in
een bepaalde ruimte zijn bestemd, moet nabij de toegang tot die
ruimte worden geplaatst.
5. Alle afsluiters van een vast opgesteld brandblusapparaat moeten
een zodanige plaats hebben, dat ze gemakkelijk bereikbaar zijn en
Ziï""*b""" ""bI'km van brand niM semakMik
6
De in dit artikel bedoelde toestellen moeten periodiek nagezien
worden en aan beproevingen worden onderworpen, welke door het
Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden voorgeschreven
Bijlage V
Artikel 3
verstikkend gas
j Qc aanvoerleidingen voor de toelating van verstikkend gas of
laadruimen, ma- stoom in laadruimen, machinekamers of ketelruimen, moeten van
chinekamers en afsluiters of kranen voorzien zijn, welke gemakkelijk onder alle om-
keteiruimen
standigheden van het dek af bereikbaar zijn en zodanig gemerkt zijn,
dat daardoor duidelijk wordt aangegeven, naar welke aidelingen de
leidingen voeren. Doelmatige voorzieningen moeten worden getrot-
fen, welke een ongewenste toelating van gas of stoom in een afdeling
kunnen voorkomen. Indien een leiding naar een voor passagiers
toegankelijke ruimte voert, moet een goed beschermde extra afsluiter |
of kraan buiten deze ruimte worden aangebracht.
2. Het leidingstelsel moet een doeltreffende verdeling van de
stoom of van het verstikkende gas mogelijk maken. Grote ruimen
moeten over ten minste twee aanvoerleidingen beschikken, van welke
één naar het voorste en één naar het achterste deel leidt. Indien
stoom wordt toegepast, moeten de aanvoerleidingen afzonderlijke
toevoer naar het onderruim en de verschillende tussendekken mogelijk
maken en tot diep in het ruim leiden.
3. Waar koolzuur als brandblussend middel, zowel in laadruimen
als in machinekamers of ketelruimen wordt gebruikt, behoelt de
hoeveelheid gas niet groter te zijn dan die, welke wordt voorgeschre-
ven voor de grootste afdeling, welke op deze wijze wordt beveiligd,
onverschillig of deze een laadruim, een machinekamer of een ketel-
ruim is, met inachtneming van de beperkende bepaling in de geval
len, bedoeld in artikel 10, lid 4 onder (6), en in artikel 15, lid 8.
De installatie moet voorzien zijn van veiligheidsinrichting;n, waar
door in geval van brand de druk daarin nergens hoger dan tot negen
tiende van de persdruk van de koolzuurcihnders kan stijgen.
Inrichtingen moeten worden aangebracht, zodat elke cilinder ge
makkelijk gewogen kan worden.
De afdeling waarin de hoofd-koolzuurcilinderbattenj is opgesteld,
moet van een 'luchtkoker van voldoende doorsnede zijn voorzien.
4. De nodige voorzieningen moeten worden getroffen, opdat alle
fans dienende" voor ventilatie en voor kunstmatige trek, stopgeze
kunnen worden buiten de ruimte, waarin zij zijn opgesteld en dat allei
gangen, ventilatiekokers, ringvormige ruimten rond schoorstenen en
andere openingen naar ruimten, waarin stoom of verstikkend gas a
,
brandblussend middel wordt gebezigd, gesloten kunnen worden.
5. Voorzieningen moeten worden getroffen, opdat ter plaatse een.
hoorbare waarschuwing wordt gegeven, zodra in een werkruimte
koolzuur wordt toegelaten.
Artikel 4
„h
i
F£n automatisch werkend watersprinklersysteem, zoals bedoeld
sprinklersysteem in artikel 42 van bijlage II moet steeds onder voldoende druk staan,
.
Bijlage V
een doorlopende toevoer van water moet verzekerd zijn. De des-
betrel fende buitenboordafsluiter moet daartoe steeds geopend zijn.
De bedieningssleutel moet slechts in geopende stand afgenomen kun
nen worden en onder berusting zijn van de chef van de machinekamer.
2. Het systeem moet ter beoordeling van het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie in een aantal secties zijn onderverdeeld; de in
richting moet op één of meer doelmatige plaatsen automatisch de
aanwezigheid en de plaats van brand kunnen aantonen.
3. De pomp of pompen, welke het spuiten van de sprinkler
elementen onderhouden, moeten automatisch gaan werken, indien
een drukval in het systeem optreedt.
4. Elke pomp moet in staat zijn doorlopend een voldoende hoe
veelheid water onder de juiste druk voor sprinkler-elementen op te
brengen, wanneer een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
te bepalen aantal elementen spuit.
5. Er moeten ten minste twee krachtbronnen zijn voor het in
bedrijf stellen van zeewaterpompen, luchtcompressors en automatische
alarmtoestellen. Bij het gebruik van electrische stroom moet deze
worden verkregen via het noodschakelbord, door middel van een
voedingleiding, welke uitsluitend voor dat doel wordt gebruikt. Er
maS geen andere schakelaar in de stroomketen zijn dan die aan het
noodschakelbord. De schakelaar moet van een duidelijk opschrift
voorzien en normaal ingeschakeld zijn.
6. Sprinkler-elementen moeten gaan spuiten bij een temperatuur,
welke door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt bepaald.
Alle automatische inrichtingen moeten van doelmatige middelen voor
zien zijn voor periodieke beproevingen.
Artikel 5
1*
Gasmasker-zuurstoftoestellen en rookhelmen moeten van een Gasmasker-zuur
type zijn, goedgekeurd door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie. rÓokhetaën"'
Rookhelmen moeten voorzien zijn van luchttoevoer van buitenaf veiligheid™e"
door middel van een lange slang, welke dusdanig stevig moet zijn, lampen
dat de toevoer van verse lucht niet door knikken van de slang kan
worden afgesloten.
2.
Om te voorkomen, dat de drager van een rookhelm met lucht-
slang rook inademt, moet de lengte van de beschikbare slang vol
doende groot zijn om te kunnen reiken van het open dek, vrij van
het luikhoofd, de deuropening of ingang, tot aan elke plaats in de
ruimen of voortstuwingsruimten.
3. Een gasmasker-zuurstof toestel kan de plaats van een rookhelm
met slang innemen. Bij elk gasmasker-zuurstoftoestel moet ten minste
eén reserve zuurstofcylinder en één reserve kalipatroon aanwezig zijn.
Bijlage V
4. Veiligheidslampen moeten een minimum brandtijd van drie
uren bezitten en door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goed
gekeurd zijn.
Artikel 6
Toelating van
Waar in deze bijlage enig toestel, apparaat, brandblussend middel
middelen"06
of inrichting van bijzondere soort of aard is voorgeschreven, kan
elk ander toestel, enz. daarvoor in de plaats worden gesteld, indien
ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt aan
getoond, dat het vervangende middel of de inrichting niet minder
doeltreffend is.
HOOFDSTUK II
Bepalingen voor passagiersschepen
Artikel 7
Niet-automati-
l. Aan boord van passagiersschepen, behoudens die, bedoeld in
SenlaeTau"to- lid 3, moeten niet-automatische brandalarmtoestellen over de passa-
matfsche" brand- giers- en bemanningsverblijven verdeeld worden aangebracht, welke ;
melders
het voor de brandrondedienst mogelijk maken onmiddellijk de brug
<
of de brandcontrole-stations, bedoeld in artikel 25 van bijlage II, te :
alarmeren.
2. Aan boord van de in lid 1 bedoelde schepen moet een goed-
-i
gekeurde inrichting zijn aangebracht, welke automatisch op één of
1
meer doelmatig gekozen plaatsen of op de in lid 1 bedoelde stations,
waar zulks het snelst door de bemanning kan worden opgemerkt, het
begin, de aanwezigheid en de plaats van brand aantoont in enig deel
van het schip, dat niet toegankelijk is voor de rondedienst, met uit
zondering van ruimten, welke geen brandgevaar van betekenis op
leveren.
,
I
3. Aan boord van een passagiersschip, dat niet meer dan 36
passagiers vervoert en waar de brandbescherming in verblijven en
ï
dienstruimten ingevolge artikel 26 van bijlage II is beperkt tot hetgeen
in de artikelen 29 en 30 van die bijlage is voorgeschreven, moet r
bovendien een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goed-
gekeurde inrichting worden aangebracht, welke automatisch op één
of meer plaatsen, waar zulks het vlugst door de bemanning kan
<
worden opgemerkt, het begin, de aanwezigheid en de plaats kan
aantonen van brand in enige gesloten ruimte, bestemd voor het
gebruik van passagiers en bemanning of tot dienstruimte, met uit
zondering van ruimten, welke geen brandgevaar van betekenis op
leveren.
4
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan vrijstelling van
toepassing van lid 2 van dit artikel verlenen, indien kan worden aan
getoond, dat deze in verband met de korte duur van de reizen van
het schip onredelijk zou zijn.
.
5. Dit artikel is niet van toepassing op schepen, genoemd in de
artikelen 1 en 18 van bijlage III.
•
Bijlage V
Artikel 8
1. Aan boord van een passagiersschip moet de brandblusleiding Ruimten en dek-
zodanig zijn ingericht, dat met ten minste twee krachtige stralen nassf^rs^nbï
water snel en gelijktijdig in en op elk deel van het schip, dat voor manning
passagiers of bemanning wordt gebruikt, gespoten kan worden, ook
wanneer alle waterdichte deuren en alle deuren in de hoofdbrand-
schotten gesloten zijn. De deuren in tussenliggende schotten mogen
daartoe van goed afsluitbare openingen zijn voorzien.
2. Aan boord van een passagiersschip moeten de nodige draag
bare extincteurs, met een inhoud van ten minste 9 liter, in de ver
schillende bemannings- en passagiersverblijven, bij de radiohut, de
kombuizen en op verder daarvoor in aanmerking komende plaatsen
zijn opgesteld, een en ander ter beoordeling van het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie.
Artikel 9
1. Aan boord van een passagiersschip moet de brandblusleiding Laadruimen
zodanig zijn ingericht, dat met ten minste twee krachtige stralen
water snel en gelijktijdig in elk laadruim gespoten kan worden.
2. Bovendien moet aan boord van een in lid 1 bedoeld schip van
1000 ton of meer een inrichting zijn aangebracht om door middel
van een vaste pijpleiding in elke afdeling, waar lading is geborgen,
dadelijk een verstikkend gas te kunnen blazen. De capaciteit moet
zodanig zijn, dat een hoeveelheid gas kan worden ontwikkeld tot
een volume, gelijk aan 30 percent van de bruto-inhoud van het groot
ste laadruim van het schip, hetwelk luchtdicht kan worden afge
sloten. Waar koolzuur als brandblussend middel wordt gebruikt,
moet het volume gas op 0,56 kubieke meter per kilogram worden
gesteld. In plaats van gas mag stoom worden toegepast, mits in dit
geval de stoomproductie bij voortduring tijdens de vaart zodanig zij,
dat ten minste een kilogram per uur voor elke 0,75 kubieke meter
van de bruto-inhoud van het grootste laadruim van het schip be
schikbaar is.
3. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan vrijstelling van
toepassing van lid 2 verlenen, indien kan worden aangetoond, dat
deze in verband met de korte duur van de reizen van het schip
onredelijk zou zijn.
Artikel 10
1. Aan boord van een passagiersschip moet de brandblusleiding Voortstuwings-
zodanig zijn ingericht, dat met ten minste twee krachtige stralen |^see"enen bu"'
water snel en gelijktijdig in elk deel van de machinekamers, ketel-
ruimen en bunkers gespoten kan worden.
2. Aan boord van passagiersschepen, geen motorschepen zijnde,
waarvan ketels uitgerust zijn met geforceerde trek, moeten de des
betreffende luchtkanalen van een stoombrandblusleiding zijn voor
zien.
Bijlage V
3. Aan boord van een passagiersschip, hetwelk voorzien is van
met olie gestookte ketels of hetwelk door motoren wordt voort
gestuwd, moeten in elk voortstuwingsgedeelte ten minste twee brand-
afsluiters aanwezig zijn, van welke één aan bakboord en één aan
stuurboord is aangebracht. Bij elk der brandafsluiters moet een
brandslang met koppeling en straalpijp aanwezig zijn.
4. Aan boord van een passagiersschip, geen motorschip zijnde,
waar de hoofd- en hulpketels met olie gestookt worden, moeten be
halve de inrichtingen, genoemd in de leden 1 en 2, aanwezig zijn:
(a) op elke stookplaat en in elke ruimte, waarin een gedeelte
van de brandstofolie-installatie is opgesteld, twee goedgekeurde
draagbare extincteurs van een type, dat schuim of andere voor het
blussen van oliebranden goedgekeurde stof ontwikkelt;
(b) inrichtingen, waardoor in ten hoogste tien minuten schuim
ontwikkeld kan worden over het ketelruim of, in geval er meer dan
één ketelruim is, over elk ketelruim en over elke ruimte, waarin
zich delen van de brandstofolie-installatie of brandstofolie-bezink-
tanks bevinden. De hoeveelheid schuim, welke kan worden ontwik
keld moet ruimschoots voldoende zijn om tot een hoogte van 15 cen
timeter het gehele oppervlak te bedekken, waarover olie zich in geva
van lekkage kan verspreiden. Bij de berekening van de hoeveelheid
schuim moet in aanmerking genomen worden dat, indien chemisch
schuim wordt gebruikt, 15 percent en indien luchtschuim wordt ge
bruikt, 30 percent door wegbranden verloren gaat. In de plaats van
schuim mag verstikkend gas of een goedgekeurd vast ingebouwd
hoge druk watersproeisysteem worden toegepast.
Waar koolzuur als brandblussend middel in deze ruimten wordt
gebruikt, moet de hoeveelheid mede te voeren gas zó groot zijn, dat
l
een minimum hoeveelheid vrij gas beschikbaar is, gelijk aan 30
percent van de bruto-inhoud van de grootste ruimte; een ketelruim
wordt daarbij gemeten tot aan de bovenkant van de ketels, een
machinekamer tot een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
gelijkwaardig geachte hoogte. Indien machinekamer en ketelruim
niet voldoende gescheiden zijn en brandstofolie uit de vullingen van
het ketelruim in de machinekamer kan lekken, moeten machinekamer
en ketelruim tezamen als één afdeling worden beschouwd. De in
richting moet buiten de afdeling, waarin brand kan voorkomen, in
werking kunnen worden gesteld en geregeld;
(c) bij één ketelruim één schuimblusser met een inhoud van ten
minste 136 liter en bij meer dan één ketelruim twee van zulke
schuimblussers. Deze blussers moeten voorzien zijn van op haspels
gewonden slangen, welke geschikt zijn om alle delen van de ketel- I
ruimen en van de ruimten, welke delen van de brandstofolie-instal- I
latie of brandstofolie-bezinktanks bevatten, te bereiken. In plaats t
van een schuimblusser met een inhoud van 136 liter mag een kool- I
•
Bijlage V
zuur-brandblusapparaat met een capaciteit van 45 kilogram worden
toegepast.
5. Waar aan boord van een passagiersschip hoofd- en/of hulp
ketels met olie gestookt worden, moeten op elke stookplaat één
of meer bakken, tezamen inhoudend ten minste 0,3 kubieke meter
zand, met soda-oplossing doordrenkt zaagsel of andere goedgekeurde
stoffen, benevens schoppen om deze stoffen te verspreiden, aan
wezig zijn.
6. Aan boord van een passagiersschip, dat door motoren wordt
voortgestuwd, moeten, behalve de inrichtingen, genoemd in de leden
1 en 3, in elke voortstuwingsruimte deugdelijke schuimblussers met
doelmatige sproei-installaties, als hieronder is aangegeven, aanwezig
zijn:
(a) één schuimblusser met een inhoud van ten minste 45 liter
en bovendien één schuimblusser met een inhoud van ten minste 9
liter voor elke 1000 rempaardekrachten der voortstuwingswerktuigen
met dien verstande, dat het totale aantal schuimblussers van 9 liter
niet kleiner mag zijn dan twee en niet groter behoeft te zijn dan zes.
In plaats van een schuimblusser met een inhoud van 45 liter mag een
koolzuur-brandblusapparaat met een inhoud van 16 kilogram wor
den toegepast;
(b) indien zich een hulpketel aan boord bevindt, de inrichtingen
voorgeschreven in de leden 4 en 5 en indien deze ketel zich in de
voortstuwingsruimte bevindt, in plaats van de hierboven vermelde
schuimblusser met een inhoud van ten minste 45 liter, één schuim
blusser met een inhoud van ten minste 136 liter met doelmatige
slangaansluitingen of een ander goedgekeurd toestel om schuim te
ontwikkelen en te verspreiden.
In plaats van een schuimblusser met een inhoud van 136 liter mag
een koolzuur-brandblusapparaat met een capaciteit van 45 kilogram
worden toegepast, indien dit naar het oordeel van het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie even doeltreffend is.
7. Aan boord van een passagiersschip, dat door motoren met
een gezamenlijk vermogen van 1000 rempaardekrachten of groter
wordt voortgestuwd, moet gelegenheid zijn om verstikkend gas toe
te laten in de uitlaatgassenleidingen.
8. Aan boord van een passagiersschip, hetwelk door motoren
wordt voortgestuwd en dat voor brandblussing in de laadruimen
over een koolzuur-brandblusinrichting beschikt, moeten de voort
stuwingsruimten eveneens hierop aangesloten zijn, doch de capaci
teit behoeft hiervoor niet vergroot te worden. De wijze van aan
sluiting moet ten genoegen zijn van het Hoofd van de Scheepvaart
inspectie.
9. Aan boord van een passagiersschip moeten ten minste twee
draagbare extincteurs in elke afdeling van de voortstuwingsruimte
zijn opgesteld.
Bijlage V
10. Alle brandblusmiddelen en hun bedieningsinrichtingen moe
ten rood geschilderd, gemakkelijk bereikbaar en zo doelmatig moge
lijk geplaatst zijn.
Artikel 11
Pompen
j
Aan boord van een passagiersschip moeten, indien het kleiner
is dan 4000 ton, ten minste twee en indien het 4000 ton of groter is, ten
minste drie werktuiglijk gedreven pompen voor brandblusdoeleinden
aanwezig zijn, die onafhankeijlk van het voortstuwingswerktuig kun
nen worden gebruikt.
2. Aan boord van een passagiersschip met een lengte van 91,5
meter of meer, hetwelk voorzien is van met olie gestookte ketels of
hetwelk door motoren wordt voortgestuwd, moeten de inrichting voor
de buitenboord-inlaat met de pompen, hun aansluitingen en hun
krachtbronnen zodanig zijn, dat een brand in een bepaalde afdeling
niet alle brandbluspompen buiten werking kan stellen.
Voor een schip met een lengte, kleiner dan 91,5 meter, waar een
brand in een bepaalde afdeling alle pompen buiten werking zou kun
nen stellen, moet een verplaatsbare, werktuiglijk gedreven pomp met
onafhankelijke krachtbron of een ander, zoveel mogelijk gelijkwaardig
middel tot blussing van de brand beschikbaar zijn.
Artikel 12
Gasmasker-zuur-
j
Aan boord van passagiersschepen, welke niet meer dan 200
rookheim;°f
passagiers vervoeren, moeten ten minste twee deugdelijke en volledige
brandbiji,
uitrustingen, elk bestaande uit een veiligheidslamp, een reddinglijn
veihgheidsiamp
yan void0ende lengte en een gasmasker-zuurstoftoestel of rookhelm
zomede een brandbiji aanwezig zijn. Aan boord van passagiersschepen,
welke meer dan 200, doch minder dan 800 passagiers vervoeren,
moeten ten minste drie en aan boord van passagiersschepen, welke
800 passagiers of meer vervoeren, ten minste vier dergelijke volledige
uitrustingen aanwezig zijn.
2. De uitrustingen moeten zodanig zijn geborgen, dat zij te allen
tijde gemakkelijk bereikbaar zijn. De bergplaatsen moeten over het
schip verdeeld zijn.
HOOFDSTUK III
Bepalingen voor schepen, geen passagiersschepen zijnde
Artikel 13
Ruimten en dek-
1. Aan boord van schepen geen passagiersschepen zijnde, van
bemfnning,tdp°°- minder dan 1000 ton, moet de brandblusleiding zodanig zijn inge-
sagiers, enz.
richt, dat met ten minste één krachtige straal water en aan boord
van een dergelijk schip van 1000 ton en meer met ten minste twee
krachtige stralen water snel en gelijktijdig gespoten kan worden in
en op elk deel van het schip, dat voor bemanning of passagiers wordt
Bijlage V
gebruikt, ook wanneer de waterdichte deuren gesloten zijn. Schepen
mei een vermogen van 150 rempaardekrachten of minder zijn van
de toepassing van het bepaalde in dit lid uitgezonderd.
2. Aan boord van een schip van meer dan 200 ton moeten in de
ruimten, welke gebruikt worden door de bemanning en de passagiers,
alsmede bij de radiohut of bij de radio-installatie en bij de kombui
zen draagbare extincteurs met een inhoud van ten minste 9 liter
in voldoend aantal aanwezig zijn. Op schepen van minder dan 1000
ton behoeft dit aantal niet groter te zijn dan vier en op die van 1000
ton of meer is het minimum-aantal vijf.
3. Indien een met kolen of olie gestookte verwarmingsketel aan
wezig is, moet één draagbare schuimolusser extra aanwezig zijn.
Artikel 14
1. Aan boord van schepen, geen pasagiersschepen zijnde, Van. Laadruimen
minder dan 1000 ton, moet de brandblusleiding zodanig zijn inge-
richt, dat met ten minste één krachtige straal water en aan boord van
een dergelijk schip van 1000 ton en meer met ten minste twee krach
tige stralen water snel en gelijktijdig in elk laadruim gespoten kan
worden. Schepen met een vermogen van 150 rempaardekrachten of
minder zijn van de toepassing van het bepaalde in dit lid uitge
zonderd.
2. Aan boord van een schip van 2000 ton of meer moet boven
dien een inrichting zijn aangebracht om door middel van een vaste
pijpleiding in elke afdeling, waar lading is geborgen dadelijk een
verstikkend gas te kunnen blazen. De capaciteit moet zodanig zijn,
dan een hoeveelheid gas kan worden ontwikkeld tot een volume,
gelijk aan 30 percent van de bruto-inhoud van het grootste laadruim
van het schip, hetwelk luchtdicht kan worden afgesloten. Waar kool
zuur als brandblussend middel wordt gebruikt, moet het volume gas
op 0,56 kubieke meter per kilogram worden gesteld.
In plaats van verstikkend gas mag stoom worden gebruikt, mits in
dit geval de stoomproductie bij voortduring tijdens de vaart zodanig
zij, dat ten minste één kilogram per uur voor elke 0,75 kubieke meter
van de bruto-inhoud van het grootste laadruim van het schip be
schikbaar is. Voor tanks van een tankschip mag in plaats van ver
stikkend gas of stoom, schuim worden gebruikt.
3. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan vrijstelling verlenen
van de eis tot het aanbrengen van een in lid 2 voorgeschreven inrich
ting voor de laadruimen (andere dan tanks van een tankschip):
(a) indien zij voorzien zijn van stalen luiken en voorts bovendien
alle ventilatie- en andere naar de laadruimen leidende openingen
doeltreffend kunnen worden afgesloten, of
( b ) indien het schip speciaal gebouwd en uitsluitend bestemd is
voor ladingen als erts of kolen, of
(c) indien kan worden aangetoond, dat deze in verband met de
korte duur van de reizen van het schip onredelijk zou zijn.
Artikel 15
Voortstuwings-
1. Aan boord van schepen geen passagiersschepen zijnde, meteen
gedeelten en bun-bruto_inhoud van m;ncier <jan jooo ton, moet de brandblusleiding
zodanig zijn ingericht, dat met ten minste één krachtige straal
water en aan boord van een dergelijk schip met een bruto-inhoud van
1000 ton en meer met ten minste twee krachtige stralen water snel en
gelijktijdig gespoten kan worden in elk deel van de machinekamers,
ketelruimen of kolenbunkers. Schepen met een vermogen van 150 rem-
paardekrachten of minder zijn van de toepassing van dit lid uitge
zonderd. Aan boord van een schip, geen passagiers- noch motorschip
zijnde, waarvan ketels uitgerust zijn met geforceerde trek. moeten de
desbetreffende luchtkanalen van een stoombrandblusleiding zijn
voorzien.
2. Aan boord van een schip met een bruto-inhoud van 1000 ton
of meer, hetwelk voorzien is van met olie gestookte ketels of hetwelk
door motoren wordt voortgestuwd, moeten in elk voortstuwingsge
deelte ten minste twee brandafsluiters aanwezig zijn, van welke één
aan bakboord en één aan stuurboord is aangebracht. Bij elk der
brandafsluiters moet een brandslang, een koppeling en een straalpijp
aanwezig zijn.
3. Aan boord van een schip, geen motorschip zijnde, waar de
hoofd- of hulpketels met olie gestookt worden, moeten behalve de
inrichtingen, genoemd in de voorgaande leden van dit artikel aan
wezig zijn:
(а) op elke stookplaat één of meer bakken, tezamen inhoudende
ten minste 0,3 kubieke meter zand, met soda-oplossing doordrenkt
zaagsel of andere goedgekeurde stoffen, benevens schoppen om deze
stoffen te verspreiden;
(б) op elke stookplaat en in elke ruimte, waarin een gedeelte van
de brandstofolie-installatie is opgesteld, twee goedgekeurde draag
bare extincteurs van een type, dat schuim of andere voor het blussen
van oliebranden goedgekeurde stof ontwikkelt.
Indien het schip een bruto-inhoud heeft van 1000 ton of meer,
bovendien ten minste één zelfde type extincteur met een inhoud van
9 liter voor elke brander. De totale inhoud van dit extra aantal
extincteurs behoeft niet groter te zijn dan 45 liter voor elk ketel-
ruim;
(c) indien het schip een bruto-inhoud heeft van 1000 ton of
meer, inrichtingen, waardoor in ten hoogste tien minuten schuim ont
wikkeld en verdeeld kan worden over het ketelruim of, in geval er
meer dan één ketelruim is, over elk ketelruim en over elke ruimte, I
waarin zich delen van de brandstofolie-installatie of brandstofolie-
•
Bijlage V
Bijlage V
benzinktanks bevinden. De hoeveelheid schuim, welke kan worden
ontwikkeld, moet ruimschoots voldoende zijn om tot een hoogte van
15 centimeter het gehele oppervlak te bedekken, waarover olie zich
ingeval van lekkage kan verspreiden. Bij de berekening van de hoe
veelheid schuim moet in aanmerking worden genomen dat, indien
chemisch schuim wordt gebruikt, 15 percent, en indien luchtschuim
wordt gebruikt, 30 percent door wegbranden verloren gaat.
In de plaats van schuim mag verstikkend gas, stoom of een goed
gekeurd vast ingebouwd hoge druk watersproei-systeem worden toe
gepast.
Waar koolzuur als brandblussend middel in deze ruimten wordt
gebruikt, moet de hoeveelheid mede te voeren gas zó groot zijn dat
een minimum hoeveelheid vrij gas beschikbaar is, gelijk aan 30'per
cent van de bruto-inhoud van de grootste ruimte; een ketelruim
wordt hierbij gemeten tot aan de bovenkant van de ketels een
machinekamer tot een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
gelijkwaardig geachte hoogte.
Indien machinekamer en ketelruim niet voldoende gescheiden zijn
en brandstofolie uit de vullingen van het ketelruim in de machine
kamer kan lekken, moeten machinekamer en ketelruim tezamen als
een afdeling worden beschouwd. De inrichting moet buiten de afde
ling waarin brand kan voorkomen, in werking kunnen worden ge
steld en geregeld;
, J l n d i e n . h e . t s c h i p e e n b r u t o i n h o u d h e e f t v a n m i n d e r d a n
1000 ton, een inrichting tot het verdelen van stoom onder de ketels.
4. Aan boord van een in lid 3 bedoeld schip met een bruto-
ïnhoud van 1000 ton of meer kan het Hoofd van de Scheepvaartin
spectie extra brandblusmiddelen in de machinekamers en ketelruimen
voorschrijven, indien olie en steenkolen gelijktijdig als brandstof wor
den gebruikt.
5. Aan boord van een schip, hetwelk door motoren wordt voort
gestuwd, van minder dan 1000 ton moet behalve hetgeen in lid 1 is
bepaald, één deugdelijke extincteur met een inhoud van ten minste
y llter ln de voortstuwingsruimte geplaatst zijn, indien het ver
mogen van de voortstuwingsmotor 150 rempaardekrachten of min
der, twee dergelijke extincteurs, indien dat vermogen meer dan 150
rempaardekrachten doch minder dan 300 bedraagt. Aan deze twee
moet eén draagbare extincteur van het type, dat schuim of andere
voor het blussen van oliebranden goedgekeurde stof ontwikkelt, wor
den toegevoegd, indien het vermogen van de voortstuwingsmotor
-300 rempaardekrachten of meer bedraagt.
6. Aan boord van een motorschip van 1000 ton of meer moeten
de volgende brandblusmiddelen in de voortstuwingsruimten aan
wezig zijn:
(a) de middelen volgens de leden 1 en 2;
Bijlage V
( b ) één schuimblusser met een inhoud van ten minste 45 liter
of een koolzuur-brandblusapparaat met een capaciteit van 16 kilo-
gram;
(c) één schuimblusser met een inhoud van 9 liter voor elke 1000
rempaardekrachten der voortstuwingswerktuigen, met dien verstande
dat het totale aantal schuimblussers van 9 liter niet kleiner mag zijn
dan twee en niet groter behoeft te zijn dan zes.
Indien een met olie gestookte hulpketel in de voortstuwingsruimte
aanwezig is, zijn eveneens de bepalingen van lid 3 van toepassing.
7
Aan boord van een schip, dat door motoren, met ^ gezamen
lijk'vermogen van 1000 rempaardekrachten of groter wordt voortge
stuwd, moet gelegenheid zijn verstikkend gas toe te laten in de uit-
laatgassenleidingen.
8
Aan boord van een schip, hetwelk door motoren wordt voort
gestuwd en dat voor brandblussing in de laadruimen over een kool-
zuur-brandblusinstallatie beschikt, dienen eveneens f voortstuwings-
ruimten hierop aangesloten te zijn, doch de capacite
behoeft uer
voor niet vergroot te worden. De wijze van aansluiting moet ten
genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn.
9
Indien een met kolen of olie gestookte verwarmingsketel in de
voortstuwingsruimte aanwezig is, moet een draagbare schuimbluss
extra aanwezig zijn.
Artikel 16
1
Aan boord van schepen, geen passagiersschepen zijnde, welke
Pompen, pulsen
boorü ^ ^ ^ cc|1 vermogcn va„ met meer dan
150 rempaardekrachten en van gesleepte schepen, indlen Z'] b^n
zijn, moeten de nodige putsen aanwezig zijn om water van buiten
boord op te slaan.
2
Aan boord van zeilschepen, al of niet van een hulpmotor met
een vermogen van niet meer dan 150 rempaardekrachten, voorzien en
van meer dan 200 ton, moet een goed werkende ha"f •brandsP"lt
aanwezig zijn met zuigbuis en voldoende slangen om alle delen van
het schip te bereiken.
3
Aan boord van een schip, geen passagiersschip zijnde, van min
der dan 1000 ton en niet genoemd in de voorgaande >eden £1
minste één krachtige werktuiglijk bewogen pomp, die onafhankelijk,
van het voortstuwingswerktuig kan worden gebruikt, aanwezig zijn
om te kunnen dienen tot het blussen van brand.
4
Aan boord van een schip, geen passagiersschip zijnde >/an 1000
ton'of meer doch minder dan 4000 ton, moeten ten minste twee en
indien 4000 'ton of meer, ten minste drie werktuiglijk gedreven pom
pen aanwezig zijn, die onafhankelijk van het voortstuw.ngswerktuig
kunnen worden gebruikt voor het blussen van brand.
•
Bijlage V
li/'hiw
aan b°0rd Van een schip' als bedoeld in het voorgaande
lid, hetwelk voorzien is van met olie gestookte ketels, of hetwelk
door motoren wordt voortgestuwd een brand in een bepaalde af
deling alle pompen buiten werking zou kunnen stellen, moet een ver
plaatsbare, werktuiglijk gedreven pomp met onafhankelijke kracht-
uCenjau
rLZ0Veel mo2e''jk gelijkwaardig middel tot blussing
van de brand beschikbaar zijn.
Artikel 17
i JiA .Aan boord yan 6611 schiP' S06" pasagiersschip zijnde, van Gasmasker-zuu,
1000 ton en meer doch minder dan 6000 ton, moet ten minste één ""ÏÏT' f
ui rus ing en op die van 6000 ton en meer moeten ten minste twee büt vd.igheTd'
uitrustingen aanwezig zijn, als bedoeld in lid 1 van artikel 12. Lid 2 lamp
van genoemd artikel is eveneens van toepassing.
2. Aan boord van een in het vorig lid bedoeld schip, van meer
clan 500 ton, moeten ten minste twee brandbijlen aanwezie zijn
welke op een gemakkelijk bereikbare plaats moeten zijn geborgen.
Up kleinere schepen kan met één bijl worden volstaan.
BIJLAGE VI
VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE ELECTRISCHE
INRICHTINGEN
HOOFDSTUK I
Inleiding
Artikel 1
Toepassing
1. Deze bijlage is van toepassing op de aanleg en het bedrijf van
electrische installaties.
....
.
i •
2. Voor electrische installaties, welke bij het in werking treden
van deze bijlage reeds in bedrijf of in aanleg waren, kan het Hoofd
van de Scheepvaartinspectie gedeeltelijk ontheffing van de
schriften van deze bijlage verlenen.
,
•
. ol
3
Bij uitbreiding, herstelling of wijziging van bestaande instal
laties moeten deze uitbreidingen, herstellingen of ™jz^mgen zo veel
mogelijk met inachtneming van het bepaalde in deze bijlag
g
schiederiectrische installaties moeten voldoen aan de voorschriften
welke dienaangaande worden gegeven door het desbetreffende do
Ons erkende particuliere onderzoekingsbureau, voor zover in dez
bijlage geen afwijkende of aanvullende voorschriften worden gegeven.
Voor niet geklasseerde schepen worden gelijkwaardige eisen gestel .
Artikel 2
omschrijvingen
Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder.
electrische bedrijfsruimten: ruimten, waarin zich electrische ma
chines, transformatoren, accumulatoren, schakel- en verdeelinnch-
tingen of electrische toestellen bevinden en welke in de regel slechts
door bevoegd personeel worden betreden;
electrische machines: generatoren, motoren en omzetters;
electrische voortstuwingsinstallatie: het gedeelte van de scheeps-
installatie uitsluitend bestaande uit de electrische voortstuwingsmotor
of -motoren van het schip en de daarmede electnsch verbonden
machines, toestellen en leidingen;
,
spanning: middelbare spanning, bij welke de electrische ene g
onder normale omstandigheden wordt verbruikt;
noodinstallatie: het gedeelte van de scheepsinstallatie, bestaande uit
en ten behoeve van de in artikel 50 van het Schepenbesluit lid 2 en 3
genoemde en in deze bijlage nader vermelde noodverlichting nood- .
pomp, verlichting voor de navigatie- en seinlampen en overige in
richtingen, welke in geval van nood moeten kunnen werken,
schakelruimten: besloten ruimten, speciaal bestemd voor het Pla^sen
van schakel- en verdeelinrichtingen, en welke in de regel slechts door .
bevoegd personeel worden betreden;
1
Bijlage VI
verbruiksvermogen: het vermogen, dat maximaal gelijktijdig zal
worden verbruikt;
vochtige ruimten: ruimten, waarin vocht het behouden van een nor
male isolatietoestand bemoeilijkt of de electrische weerstand van de
daarin vertoevende personen belangrijk vermindert.
Artikel 3
1.
Bij de aanvraag tot het verkrijgen van een certificaat van Tekeninsen van
deugdelijkheid moeten een volledig installatieschema, leidingteke- de instaUa,ie
ningen en verdere plannen van de electrische installatie in viervoud
worden overgelegd. Het installatieschema moet in hoofdzaak aan-
geven:
(a) de stroomsoorten en spanningen, zomede eventuele frequenties:
(b) het aantal, de soort en het vermogen van de generatoren,
transformatoren, omzettere, gelijkrichters, accumulatoren en dergelijke;
(c) het aantal, de soort en het meetgebied van de voornaamste
meetinstrumenten;
(d) de wijze van schakelen en verbinden van de afzonderlijke
delen der installatie;
(e) de soort, de koperdoorsnede en de wijze van aanleggen van de
leidingen;
( f ) de nominale stroomsterkte van de smeltpatronen, de patroon-
houders, de schakelaars en de automatische schakelaars met hun in
stelling;
het aantal, de soort, het vermogen en eventueel de gelijktijdig-
heidsfactor, alsmede de stroomsterkte en de arbeidsfactor van mo
toren, lampen en stroomverbruikende toestellen.
2. Van de in lid 1 bedoelde bescheiden moet steeds een exemplaar
aan boord aanwezig zijn.
Belangrijke veranderingen in de aanleg moeten daarop zijn aan
gebracht.
HOOFDSTUK II
Algemene voorschriften
Artikel 4
1.
Behoudens het bepaalde in artikel 32 mag de spanning ten Toegelaten spaar
hoogste bedragen:
ningen.
a) bij gelijkstroom:
(1)
250 volt tussen de polen;
(2)
500 volt tussen de polen voor de vast aangebrachte kracht
installatie onder door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te stel
len voorwaarden;
b) bij wisselstroom:
(1) 115 volt tussen de fazen, mits de spanning tegen aarde niet
meer bedraagt, of tengevolge van een fout in de installatie niet meer
kan bedragen dan de helft daarvan, voor:
Bijlage VI
alle doeleinden in hutten en verblijven, niet zijnde ruimten voor
algemeen gebruik, als bedoeld in artikel 25 van bijlage II, en onver
minderd het onder b) (2) bepaalde omtrent kachels en verwarmings
toestellen;
verplaatsbare lampen en verplaatsbare werktuigen en toestellen met
een vermogen van minder dan 2,5 kW;
(2) 230 volt tussen de fazen voor:
de vast aangebrachte verlichting met uitzondering van die in hutten,
toiletten, badkamers en wasplaatsen;
verplaatsbare werktuigen en toestellen met een vermogen van
2,5 kW of meer;
de vast aangebrachte krachtinstallatie onverminderd het onder b ) (3)
bepaalde;
kachels en overige vast aangebrachte verwarmingstoestellen;
telecommunicatietoestellen voor het interne gebruik;
(3)
440 volt tussen de fazen voor:
de vast aangebrachte krachtinstallatie op schepen met een ver-
bruiksvermogen van 200 kVA of meer voor zover betreft krachtwerk
tuigen in de machinekamer, stuurmachines, dekwerktuigen, ankerspil-
•
len, kaapstanders, ventilatoren voor centrale ventilatie en andere door
i
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aan te wijzen werktuigen en
toestellen, onder door hem te stellen voorwaarden.
2. De bovenstaande spanningen gelden, voor zover het electrom-
sche toestellen betreft, slechts voor de voeding daarvan.
3. Voor accumulatoren heeft de in lid 1 a) (1) genoemde span-
ningsgrens betrekking op de ontlaadspanning.
4. Het in lid 1 bepaalde geldt niet voor voortstuwingsinstallaties.
Artikel 5
wisselstroom-en
1. Wisselstroom- en draaistroomstelsels mogen niet zijn geaard.
draaistroomstei-
j
Wisselstroom- en draaistroomstelsels mogen niet van een neu-
sels
,
trale leiding zijn voorzien.
3. Het in lid 1 en 2 bepaalde geldt niet voor de in artikel 4
lid 1 b) (1) bedoelde wisselstroomstelsels.
Artikel 6
Materiaal en in-
1. Het voor de installatie gebruikte materiaal benevens de wijze :
richting
van aanieggen van de installatie moeten een voldoende veiligheid en
bedrijfszekerheid waarborgen.
2. Installaties moeten zowel in het algemeen als in onderdelen zo
danig zijn ingericht en opgesteld, dat het optreden van brand en van
stroomovergang op personen, zowel bij het gebruik en de bediening, ji
als bij herstellings-, onderhouds-, meet- en controlewerkzaamheden :
zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Artikel 7
Bescherming
Bij alle blanke of daarmede gelijk te stellen delen van een installatie, ii
tegen aanraking weJke onder spannjng kunnen geraken,. moet een deugdelijke en doel- »
matige bescherming tegen aanraking zijn aangebracht.
.
Bijlage VI
Dit voorschrift geldt, voor zover geen gevaar van bijzondere aard
aanwezig is, niet:
(a) in electrische bedrijfsruimten voor de collectoren en sleep-
ringen van electrische machines bij een gelijkspanning van minder dan
250 volt of bij een wisselspanning van minder dan 130 volt;
( b ) in electrische bedrijfsruimten voor de blanke of daarmede
gelijk te stellen delen op schakel- en verdeelborden of -rekken, mits
zich ter plaatse geisoleerde inrichtingen bevinden, waaraan men zich
kan vasthouden en de vloer met een rubbermat of een tegen vocht ge
ïmpregneerd houten rooster is bedekt, met dien verstande, dat zo
danige delen niet mogen zijn aangebracht aan de voorzijde van open
schakel- en verdeelborden en -rekken bij een gelijkspanning van
meer dan 250 volt of bij een wisselspanning van meer dan 230 volt
tussen de fazen.
Artikel 8
1. Metalen huizen of omhulsels van electrische machines trans' Aardverbinding
formatoren, toestellen en leidingen moeten deugdelijk zijn geaard
2.
Metalen omhulsels van verplaatsbare lampen, gereedschappen
en soortgelijke toestellen, welke tot de electrische uitrusting van het
schip behoren, moeten bij een gelijkspanning van 100 volt of meer of
bij een wisselspanning van meer dan 24 volt tussen de fazen bij een
met-geaard stroomstelsel of tegen de aarde bij een geaard stroom
stelsel door middel van een daartoe geschikte geleider, welke deel
uitmaan.i van de buigzame voedingleiding, zijn geaard.
Artikel 9
1. De in de installatie voorkomende electrische verbindingen Beveiliging tegen
mogen niet kunnen loswerken.
loswerken
2. Toestellen, zoals schakelaars, schakelwalsen en dergelijke, welke
in meer dan één stand kunnen worden gesteld, moeten zodanig zijn
ingericht, dat elk dezer standen is gewaarborgd.
Artikel 10
Electrische machines en toestellen moeten zodanig zijn ingericht er invloed van de
opgesteld, dat de goede werking door verandering van de invloed zwaartekracht
van de zwaartekracht niet wordt belemmerd.
Artikel 11
1. De inrichting en opstelling van electrische machines, transfor- invloed op ins ru-
matoren, accumulatoren, toestellen, de aanleg en de samenstelling van menlen
leidingen moeten zodanig zijn, dat magnetische kompassen, tijdmeters
en electrische meetinstrumenten niet door optredende magnetische
velden kunnen worden beïnvloed en dat de radio-installaties zo weinig
mogelijk worden gestoord.
2. De gloeidraad van de lampen voor de verlichting van magne
tische kompassen moet op een afstand van ten minste 18 centimeter
van de roos verwijderd blijven; hij mag niet meer dan 0,6 ampère
Bijlage VI
stroom voeren. Alle stroomkringen, welke op een afstand van minder
dan 9 meter van magnetische kompassen zijn aangelegd, moeten
geheel dubbelpolig zijn uitgevoerd. De heen- en de terugleiding moe
ten tegen elkaar liggen. De leidingen mogen op een afstand van
minder dan 2 meter van de magnetische kompassen geen ijzer- ot
staaldelen bevatten.
Artikel 12
Groep
van
de
Aan boord van schepen met een verbruiksvermogen van meer dan
envivaanedehtse"n- 1 kW moeten de navigatielichten en de seinlampen ieder op een
ITmpe"
afzonderlijke stroomkring zijn aangesloten. De groep van de naviga
tielichten en de seinlampen moet op een doelmatige plaats, op een
andere daartoe geschikte stroomkring, welke normaal onder spanning
staat, kunnen worden omgeschakeld.
Op passagiersschepen moet deze groep ook op het noodscnaKei-
bord kunnen worden geschakeld.
Artikel 13
Aansluiting van
Contactstoppen met contactpennen mogen niet aan het van de
contactstoppen
stroomhr0n afgekeerde einde van verplaatsbare leidingen zijn aan
gebracht.
Artikel 14
Kolenruimen,
1. In ruimten, bestemd voor het vervoer en de opslag van steen-
koienbunkers en ^00j eierkolen, steenkoolbriketten en dergelijke vaste brandstollen
kruitkamers
^
electrische toestellen zijn aangebracht, met uitzondering
van vast aangebrachte ontploffingsvrije, drukvaste lamparmaturen.
2. Voor de vast aangebrachte verlichting van kruitkamers mag
slechts gebruik worden gemaakt van gesloten armaturen, voorzien
van een schutglas en -korf.
. , .
Andere electrische toestellen, van welke aard ook, mogen niet in
kruitkamers zijn geplaatst.
De groep van de lampen in de kruitkamer moet buiten deze ruimte
door middel van een dubbelpolige schakelaar spanningloos kunnen
worden gemaakt. Een controlelamp, die aangeeft of de groep al ot
niet onder spanning staat, moet ter plaatse zijn aangebracht.
3
Voor tijdelijke verlichting van de in de vorige leden genoemde
ruimten mag slechts van draagbare lampen, welke voldoen aan de
eisen, gesteld in artikel 32 onder F gebruik worden gemaakt.
Artikel 15
Dekwerktuigen
1. Electrisch gedreven dekwerktuigen moeten zodanig zijn inge
richt, dat:
(a) het inschakelen van de aandrijfmotor alleen van de ruststand
der bedieningsorganen uit kan geschieden;
I
Bijlage VI
(b) bij het wegvallen van de netspanning of bij het onderbreken
van de stroomtoevoer naar de aandrijfmotor de rem automatisch in
werking treedt en de last vasthoudt. Deze bepaling geldt niet voor
het vieren van de last bij dekwerktuigen, waarbij de rem tijdens het
vieren met de hand wordt gelicht.
(c) bij toepassing van hulpstroom het ontstaan van een aardslui-
ting in de hulpstroomketen niet tot het in gang komen of blijven van
de aandrijfmotor of het lichten of gelicht blijven van de rem van het
lierwerk kan leiden.
2. Nabij het bedieningshandel van electrisch gedreven dekwerk
tuigen moet de stand van het handel bij halen en vieren op duidelijke
en duurzame wijze zijn aangegeven.
3. Nabij de plaats, waar het werktuig wordt bediend, moet een
schakelaar of hulpschakelaar zijn aangebracht, waarmede de stroom
toevoer naar de aandrijfmotor of naar de motor van het voedings
aggregaat onafhankelijk van de stand van de bedieningsinrichting van
de motor kan worden uitgeschakeld.
HOOFDSTUK III
Accumulatoren
Artikel 16
1. Accumulatoren moeten zodanig zijn opgesteld, dat zij tegen Alge mene voor
beschadiging van buiten af doelmatig zijn beschermd.
schriften
2. Accumulatoren moeten deugdelijk geïsoleerd zijn opgesteld. De
opstelling moet zodanig zijn, dat tussen twee naast elkaar geplaatste
cellen geen spanningsverschil groter dan 50 volt kan optreden.
3. Accumulatorenbatterijen moeten met inachtneming van het
voorafgaande zijn geplaatst in speciaal voor dit doel bestemde ruim
ten, kisten of kasten, onderscheidenlijk hierna aangeduid als accu
ruimten, -kisten of -kasten.
4. Accuruimten moeten op zodanige wijze zijn geventileerd, dat
zich hierin geen ontplofbare gasmengsels kunnen verzamelen. Hier
toe moeten zij zijn voorzien van op doelmatige wijze aangebrachte
ventilatiepijpen of -kokers. Deze moeten een doortocht hebben van
ten minste 175 vierkante centimeter; de inwendige weerstand moet zo
gering mogelijk zijn; de verticale afstand tussen het afvoereinde van
de afvoerpijp en het toevoereinde van de toevoerpijp moet zo groot
als praktisch mogelijk zijn en mag niet minder dan 3 meter bedragen.
Indien in deze ruimten accubatterijen zijn geplaatst, waarvan het
product van de spanning in volt en het aantal ampère-uren bij 10-
urige ontlading het getal 25 000 te boven gaat, moet bovendien kunst
matige ventilatie worden toegepast. Ditzelfde geldt eveneens, wanneer
twee of meer accubatterijen in genoemde ruimten zijn geplaatst en
Bijlage VI
welke gelijktijdig geladen kunnen worden, indien de som van de
afzonderlijke producten bovengenoemd getal overschrijdt.
De kunstmatige ventilatie moet zodanig zijn ingericht, dat per uur
een aantal liters lucht gelijk aan 110 maal het product van het aantal
cellen en de laadstroomsterkte in ampère, de accuruimte doorstroomt.
Tijdens het laden moet de ventilator steeds in werking zijn, totdat
de laadstroomsterkte tot 50 % van de aanvangsstroomsterkte is afge
nomen.
De kunstmatige ventilatie moet verder zodanig zijn, dat de voor
geschreven natuurlijke ventilatie er door wordt versterkt. De af te
voeren gassen mogen de ventilatormotor niet kunnen bereiken, ter
wijl de waaier of het schoepenrad van zodanig materiaal moet zijn
vervaardigd, dat het verwekken van vonken onder alle omstandig
heden wordt voorkomen.
Indien naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
voor accuruimten met accubatterijen beneden genoemde grenswaarde
van 25 000 door middel van natuurlijke ventilatie geen voldoende
veiligheid wordt verkregen, kan deze kunstmatige ventilatie voor
schrijven.
5. Accukisten of -kasten moeten op dezelfde wijze als accuruimten
worden geventileerd, met dien verstande, dat de doortocht van de
ventilatiepijpen of -kokers niet minder dan 75 vierkante centimeter
mag bedragen.
Dit voorschrift is niet van toepassing op kisten of kasten, mits
opgesteld op een veilige plaats op het open dek, in welk geval deze
kisten of kasten door middel van op doelmatige wijze aangebrachte
ventilatie-openingen, zwaanshalzen of dergelijke, moeten zijn geventi
leerd.
6. Accubatterijen, waarvan het product van het aantal cellen en
de laadstroomsterkte in ampère niet meer dan 120 bedraagt, mogen,
mits op een goed geventileerde plaats, welke voor onbevoegden niet
toegankelijk is, met inachtneming van het eerste lid van dit artikel
vrij zijn opgesteld.
7. Het inwendige van accuruimten, -kisten of -kasten moet duur
zaam beschermd zijn tegen aantasting door het electrolyt.
8. De opstelling van de cellen moet zodanig zijn, dat voldoende
ruimte aanwezig is ten behoeve van het onderhoud en de controle
van de batterij.
9. In accuruimten, -kisten of -kasten mogen geen andere leidin
gen aanwezig zijn dan die, welke voor de daarin aanwezige delen
der installatie nodig zijn. Machines en toestellen, die tot vonkvorming
aanleiding kunnen geven, mogen daarin niet voorkomen. Voor de
kunstmatige verlichting van accuruimten mogen slechts lampen wor
den gebruikt, die binnen vast aangebrachte ontploffingsvrije, druk-
vaste armaturen zijn aangebracht. Voor tijdelijke verlichting van deze
>.
Bijlage VI
ruimten mag slechts van draagbare lampen, welke voldoen aan de
eisen, gesteld in artikel 32 onder F gebruik worden gemaakt.
10. In of bij accumulatorenruimten moeten volledige gegevens
betreffende spanning, capaciteit en stroomsterkte bij laden en ont
laden zijn aangegeven.
11. Op de deuren van accuruimten moet zijn aangegeven, dat het
binnengaan met open licht en vuur is verboden.
Op de deksels of deuren van accukisten of -kasten moet zijn aan
gegeven, dat het openen in de nabijheid van open licht en vuur is
verboden.
HOOFDSTUK IV
Schakel- en verdeelinrichtingen
Artikel 17
1. In en op schakel- en verdeelinrichtingen moet zoveel mogelijk Algemene voor-
gebruik zijn gemaakt van niet van een isolerende bekleding voorziene schnften
hoofdrails en hoofdverbindingen.
2. Leidingen, welke behoren tot verschillende stroomkringen,
mogen niet aan eenzelfde stel klemmen zijn aangesloten.
3. Bij schakel- en verdeelinrichtingen moet voldoende bedienings
ruimte aanwezig zijn.
Onderhoud en bediening mogen niet door in de nabijheid opge
stelde toestellen of voorwerpen worden belemmerd.
4. Smeltveiligheden, automaten, schakelaars en dergelijke van
licht-, kracht- en verwarmingsinstallaties moeten doelmatig geschei
den zijn aangebracht.
5. Schakel- en verdeelinrichtingen moeten zijn voorzien van de
nodige aanduidingen ten dienste van het bedrijf. De polariteit of
faze moet duidelijk door verschillende kleuren kenbaar zijn gemaakt.
Artikel 18
Voor schakel- en verdeelborden geldt, onverminderd het bepaalde in Schakel - en ver-
de artikelen 7 en 17, het volgende:
^rekken*6"
(a) niet tegen de wand bevestigde borden moeten zodanig zijn
opgesteld, dat zich aan de achterzijde een vrije ruimte bevindt, die
goed toegankelijk is; bij een totale lengte van 6 meter of meer moet
deze ruimte aan beide einden goed toegankelijk zijn. De toegangen
moeten door goed afsluitbare deuren kunnen worden afgesloten;
draaideuren moeten naar buiten draaiende deuren zijn;
( b ) bij tegen de wand bevestigde borden moeten de verbindingen
der aangesloten leidingen aan de voor- of zijkant gecontroleerd en
losgemaakt kunnen worden, tenzij de borden aan de achterzijde ge
makkelijk bereikbaar zijn;
(c) bij tegen de wand bevestigde schakel- en verdeelrekken moeten
de hierop geplaatste toestellen en aangesloten leidingen van de voor
zijde af verwijderd en aangebracht kunnen worden.
Bijlage VI
HOOFDSTUK V
Noodinstallatie op schepen, geen passagiersschepen zijnde
Artikel 19
Noodschakei-
]. Op schepen, geen passagiersschepen zijnde, welke met een nood-
generator of -batterij zijn uitgerust, moet een noodschakelbord of
-kastenbatterij zijn aangebracht. Indien een noodgenerator aanwezig
is, moet dit schakelbord of deze kastenbatterij nabij deze generator
zijn geplaatst.
2.
Bij aanwezigheid van een noodbatterij moet een inrichting aan
wezig zijn, waardoor deze batterij automatisch op het noodschakel
bord of op de -kastenbatterij wordt aangesloten, zodra de netspanning
wegvalt. Tegelijkertijd moet de machinist van de wacht door een
optisch sein worden gewaarschuwd.
Indien de stroomvoorziening van de noodverlichting steeds ver
zekerd is, kan het inschakelen daarvan, in plaats van automatisch,
geschieden door een met de hand bediende schakelaar, mits deze
schakelaar zich in het stuurhuis of in de kaartenkamer bevindt.
3. Op de in lid 1 bedoelde schepen van minder dan 500 ton mogen
een schakelbord en een krachtbron, welke zo hoog als practisch
mogelijk is in het schip zijn geplaatst, als noodschakelbord en als
noodkrachtbron voor de noodverlichting dienst doen.
HOOFDSTUK VI
Electrische toestellen
Artikel 20
Algemene eisen
1, Stroomvoerende delen van electrische toestellen moeten op
onbrandbaar of moeilijk brandbaar niet-hygroscopisch isolatiemateri
aal zijn aangebracht.
2. Electrische toestellen moeten tegen mechanische beschadiging
voldoende bestand of gevrijwaard zijn.
3. Op electrische toestellen moeten de fabrieksgegevens betreffende
stroomsoort, spanning, stroomsterkte en frequentie zijn aangegeven.
Artikel 21
Plaatsing van
1. In elke electrische installatie moeten de voor het bedrijf en
schakelaars
het doelmatig en veilig verrichten van bedienings-, herstellings- en
onderhoudswerkzaamheden nodige schakelaars aanwezig zijn.
2. In de naaste omgeving van motoren moeten schakelaars of
gelijkwaardige inrichtingen zijn aangebracht, waarmede elke motor
afzonderlijk volledig van het net kan worden gescheiden.
Deze bepaling geldt niet:
(a) voor motoren van een nominaal vermogen van 0,5 kilowatt
of minder, aangesloten op een groep, welke door smeltpatronen of
maximumschakelaars van een nominale stroomsterkte van ten hoog-
Bijlage VI
ste 25 ampère is beveiligd, mits deze groep van een groepschakelaar
is voorzien;
(b) voor motoren van een nominaal vermogen van 0,5 kilowatt
of minder, aangesloten door middel van stopcontacten;
(c) voor motoren, deel uitmakende van een combinatie van mo
toren, welke bij eenzelfde werktuig behoren, mits een schakelaar aan
wezig is, waarmede deze motoren gezamenlijk kunnen worden uit
geschakeld.
3. Indien voor de bediening van motoren automatische schakelaars
met afstandbediening worden toegepast, moeten zo nodig maatregelen
zijn genomen, welke verhinderen, dat ten gevolge van een aard-
sluiting in de hulpstroomketen de motoren onverwacht in beweging
kunnen komen of ongewild in beweging kunnen blijven.
4. Voor stroomverbruikende toestellen met uitzondering van lam
pen moeten schakelaars aanwezig zijn, waarmede elk toestel afzon
derlijk volledig van het net kan worden gescheiden.
Deze bepaling geldt niet:
(a) voor stroomverbruikende toestellen van een nominaal ver
mogen van 0,5 kilowatt of minder aangesloten op een groep, welke
door smeltpatronen of maximumschakelaars van een nominale stroom-
sterkte van ten hoogste 25 ampère is beveiligd, mits deze groep van
een groepschakelaar is voorzien;
(b) voor stroomverbruikende toestellen aangesloten door middel
van stopcontacten van een nominale stroomsterkte van ten hoogste
25 ampère.
5. Schakelaars mogen niet zijn aangebracht in uit hoofde van het
bedrijf met de aarde in verbinding zijnde leidingen, tenzij deze door
één handeling gelijktijdig met de overige bijbehorende leidingen
worden uitgeschakeld.
Artikel 22
Indien generatoren parallel zijn geschakeld, moet een beveiligings- schakeling bij
inrichting zijn aangebracht, waarmede de belasting bij varen en ma- paraiiei-bednjf
noeuvreren bij het afvallen van één generator automatisch wordt
teruggebracht tot de toelaatbare belasting der overgebleven genera
toren. Deze bepaling geldt niet, indien de maximum belasting, die
bij varen of manoeuvreren kan optreden, het vermogen van één over
gebleven generator onder alle omstandigheden niet overschrijdt.
Artikel 23
1. Weerstandselementen van aanloopweerstanden en van al of niet weerstanden
regelbare weerstanden moeten op doelmatige wijze tegen aanraking
en tegen indringen van water zijn beschermd en zodanig zijn op
gesteld, dat zij geen ontvlamming van brandbare stoffen kunnen
veroorzaken.
Bijlage VI
2. Stroomverbrekende delen van aanloopweerstanden en regelbare
weerstanden moeten op doelmatige wijze tegen aanraking zijn be
schermd. Deze bepaling is niet van toepassing op weerstanden in
schakelruimten.
3. Aanloopweerstanden voor gelijkstroommotoren met een vermo
gen van 0,75 kilowatt of meer moeten zodanig zijn ingericht, dat na
het wegvallen van de spanning het vanzelf in bedrijf komen van de
motor bij terugkeren van de spanning niet mogelijk is, tenzij de aard
van het bedrijf zulks eist.
Artikel 24
ujestóiicn"8S~
Electrische kachels moeten vast zijn opgesteld.
2. Electrische kachels moeten zodanig zijn ingericht en opgesteld,
dat zij geen brandgevaar voor hun omgeving kunnen medebrengen.
In vochtige ruimten moeten zij van waterdichte constructie zijn.
3. Electrische kachels, welker oppervlakte-temperatuur 100° Cel
sius kan overschrijden, zijn alleen toegelaten, indien zij door een
j
doeltreffend metalen omhulsel, welks oppervlakte-temperatuur niet
hoger kan worden dan 100° Celsius, zijn beschermd.
4. Verwarmingstoestellen, zoals kooktoestellen en dergelijke, mo
gen alleen worden gebruikt, indien de delen, welke de verwarmings
lichamen vormen, zijn omgeven door een doelmatig beschuttend om
hulsel.
Artikel 25
Smeicveiiigheden
1. Smeltveiligheden van een nominale stroomsterkte van niet meer
'
schakelaars"1
dan 25 ampère moeten als schroefsmeltveiligheden of daarmede ten
minste gelijkwaardige patroonveiligheden zijn uitgevoerd.
2. Smeltveiligheden moeten zodanig zijn ingericht, dat:
(a) bij een nominale stroomsterkte van de smeltpatroon van 6 tot
en met 25 ampère voor een bepaalde stroomsterkte het door onacht
zaamheid of bij vergissing inzetten van een smeltpatroon van een
hogere nominale stroomsterkte niet mogelijk is;
( b ) bij een nominale stroomsterkte van de smeltpatroon van
minder dan 6 ampère het inzetten van een smeltpatroon van meer dan
6 ampère niet mogelijk is.
3. Het gebruik van open buisveiligheden is verboden. Bovendien
is het gebruik van smeltveiligheden met verwisselbare smeltdraad van
een nominale stroomsterkte van niet meer dan 25 ampère verboden.
4. Smeltveiligheden moeten zodanig zijn ingericht, dat het uit
nemen of inzetten van de smeltpatronen kan geschieden, zonder dat
daartoe blanke, onder spanning staande delen met de hand of met
ongeïsoleerd gereedschap behoeven te worden aangeraakt en zonder
dat gevaar bestaat om met onder spanning staande delen in aan
raking te komen.
5. Het gebruik van gerepareerde smeltpatronen, die kennelijk niet
voor vervanging van de smeltdraad zijn ingericht, is verboden.
H
Bijlage VI
6. Op de smeltveiligheidhouders en op de smeltpatronen moeten
de nominale stroomsterkte en de spanning, waarvoor zij mogen
worden gebruikt, zijn aangegeven.
7. Smeltveiligheden en maximumschakelaars moeten zoveel moge
lijk een uitschakelvermogen bezitten, dat ten minste gelijk is aan het
kortsluitvermogen ter plaatse; is dit niet het geval, dan moeten zij
zijn beveiligd door smeltveiligheden of maximumschakelaars, welke
dit uitschakelvermogen wel bezitten.
8. In serie geschakelde beveiligingsmiddelen moeten onderling vol
doende selectief zijn.
Artikel 26
1. In elke electrische installatie moeten de voor een deugdelijke Meet- en con-
bediening en controle en voor een doelmatig gebruik nodige meet- en föietoesteiien
contröletoestellen zijn aangebracht. Op de meetinstrumenten moet de
hoogst toelaatbare waarde door een rode streep zijn aangegeven.
2. Ter controle van het al of niet in bedrijf zijn van de genera
toren en van de motoren der hulpwerktuigen ten dienste van de voort
stuwing of de besturing van het schip moeten op één of meer doel
matig gekozen plaatsen controlelampen of meetinstrumenten zijn
aangebracht.
Artikel 27
1. Ter controle van de isolatieweerstand van de electrische instal- isolatiemeter en
latie in haar geheel, zowel als in onderdelen, moet een daartoe ge- ^"e"snsaan"
schikte draagbare isolatiemeter aanwezig zijn. Dit voorschrift is niet
van toepassing op installaties, indien daarvan geen motoren met een
vermogen van meer dan 2,5 kilowatt deel uitmaken. Deze uitzondering
geldt niet voor tankschepen en schepen, ingericht voor het vervoer
van verpakte brandbare vloeistoffen, als bedoeld in bijlage VII.
2. Om te onderzoeken of de delen van een electrische installatie
al of niet onder spanning staan, moeten daartoe geschikte draagbare
voltmeters, proeflampen of andere spanningaanwijzers aanwezig zijn.
3. Draagbare spanningaanwijzers moeten voldoen aan de vol
gende eisen:
(a) zij moeten zodanig zijn ingericht, dat daarin geen kortsluiting
kan optreden;
(b) het deel, dat de aanwezigheid van spanning aanwijst, moet zijn
omgeven door deugdelijk en moeilijk breekbaar isolatiemateriaal;
(c) zij moeten tegen ruwe behandeling, vallen en stoten zoveel
mogelijk bestand zijn.
Bijlage VI
HOOFDSTUK VII
Lamphouders en lampen
Artikel 28
Algemene eisen
1. Lamphouders voor lampen met schroefvoet moeten aan de
volgende eisen voldoen:
(a) de voet van de daarin geschroefde lamp moet geheel en deug
delijk tegen aanraking zijn beschermd;
( b ) zij moeten zodanig zijn ingericht, dat loswerken van de lamp
afdoende wordt verhinderd.
2. Lampen, fluorescentiebuizen en andere lichtbronnen, vast aan
gebracht op plaatsen, waar zij in het bedrijf aan beschadiging bloot
staan, moeten van stevige schutglazen, welke zonodig door deugde
lijke korven worden beschermd, zijn voorzien.
3. In vochtige ruimten moeten ter beoordeling van het Hoofd van
de Scheepvaartinspectie hetzij druipwaterdichte, hetzij spatwaterdichte
of waterdichte lamparmaturen zijn gebruikt. In badkamers mogen
geen wand-contactdozen zijn aangebracht.
4. Verlichtingsarmaturen moeten zodanig uitgevoerd zijn, dat geen
temperatuurstijgingen kunnen ontstaan, welke schade aan de leidingen
kunnen veroorzaken. Overmatige verhitting van het in de omgeving
aanwezige materiaal mag niet plaats kunnen vinden.
Artikel 29
Lampengroepen
1. In machinekamers en ketelruimen, in gangen en bij trappen,
zomede in die ruimten, welke naar het oordeel van het Hoofd van de
Scheepvaartinspectie daarvoor in aanmerking komen, moeten bij aan
wezigheid van twee of meer lichtpunten, deze op ten minste twee
afzonderlijke groepen zijn aangesloten. Dit voorschrift geldt niet ten
aanzien van hutten voor passagiers en andere opvarenden.
2. Groepleidingen voor verlichting moeten zijn beveiligd door
smeltpatronen of maximumschakelaars van ten hoogste 15 ampère
nominale stroomsterkte.
Artikel 30
verplaatsbare
1. Als verplaatsbare lampen mogen alleen handlampen als in lid 2
lampen
omschreven, worden gebruikt. Deze bepaling geldt niet voor statief
lampen, dagseinlampen, cargolampen, tafellampen en dergelijke.
2. Handlampen moeten aan de volgende eisen voldoen:
(a) zij moeten zijn vervaardigd met gebruikmaking van sterk
isolatiemateriaal of van tegen vocht geïmpregneerd hout, waarin de
lamphouder zoveel mogelijk verzonken moet zijn aangebracht; meta
len lamphouders in houten handlampen moeten zodanig op isolatie
materiaal zijn bevestigd, dat zij niet met het hout in aanraking komen;
( b ) bij afgenomen schutkorf en -glas mogen geen metalen delen
van de lamphouder en de lampvoet kunnen worden aangeraakt; de
Bijlage VI
bescherming van de lampvoet moet voldoende tegen mechanische
beschadiging bestand zijn;
(c) zij mogen niet van een schakelaar zijn voorzien.
3. Het metaal van statieflampen en cargolampen mag niet door
enig inwendig defect onder spanning kunnen geraken.
Zij mogen niet van een schakelaar zijn voorzien.
HOOFDSTUK VIII
Electrische leidingen
Artikel 31
1. Leidingen moeten zijn beveiligd door smeltveiligheden of Beveiliging en
maximumschakeiaars, waarvan de nominale stroomsterkte niet hoger belastln8
is dan is voorgeschreven door het desbetreffende door Ons erkende
particuliere onderzoekingsbureau.
2. Smeltveiligheden
of
maximumschakelaars
behoeven, voor
zover daartegen geen overwegende bezwaren bestaan, niet te zijn
aangebracht:
(a) in verbindingsleidingen in of aan schakel- en verdeelinrich-
tingen;
(b) in het algemeen in zodanige gevallen, waar, door het in wer
king treden van een smeltveiligheid of maximumschakelaar, gevaren
zouden kunnen ontstaan, een en ander mits de leidingen brandvrij
zijn gelegd.
3. (a) In de nul van een meergeleiderstelsel mogen geen smelt
veiligheden zijn aangebracht;
(b) In de nul van een meergeleiderstelsel mogen geen maximum
schakelaars zijn aangebracht, tenzij de nul tezamen met de polen of
fazen kan worden in- of uitgeschakeld.
4. Niet parallel geschakelde leidingen, welke van verschillende
zijden stroom kunnen ontvangen, moeten aan die zijden door smelt
veiligheden of maximumschakelaars zijn beveiligd.
5. Met uitzondering van de in lid 6 genoemde gevallen, mogen
leidingen niet worden parallel geschakeld.
6.
Bij toepassing van draaistroom mogen twee of meer drie-
aderige kabels met een koperdoorsnede per ader van 70 vierkante
millimeter of meer worden parallel geschakeld, mits zij tezamen door
één smeltveiligheid of maximumschakelaar zijn beveiligd.
Bij toepassing van gelijkstroom mogen twee of meer éénaderige
kabels met een koperdoorsnede van 120 vierkante millimeter of
meer worden parallel geschakeld, mits zij tezamen door één smelt
veiligheid of maximumschakelaar zijn beveiligd.
Bijlage VI
7. Op de schakel- en verdeelinrichtingen moet de toelaatbare
stroomsterkte van iedere stroomkring, evenals de nominale waarde
van de smeltveiligheden of maximumschakelaars blijvend zijn aan
gegeven.
HOOFDSTUK IX
Tankschepen en schepen, ingericht voor het vervoer van verpakte
brandbare vloeistoffen
Artikel 32
Aanvullende
Qe electrische installatie op tankschepen en op schepen, ingericht
voorschriften
yoor het vervoer van verpakte brandbare vloeistoffen, als bedoeld
in bijlage VII van het Schepenbesluit, moet, met inachtneming van
het in de vorige artikelen bepaalde voor zover daarvan in dit artikel
niet wordt afgeweken, voldoen aan de volgende nadere voorschriften:
A 1. De nominale spanning mag ten hoogste bedragen:
bij gelijkstroom:
a. 115 volt voor:
de gehele verlichting;
alle doeleinden in hutten en verblijven, onverminderd het in A 1 b
bepaalde omtrent kachels en verwarmingstoestellen;
telecommunicatietoestellen voor het interne gebruik.
b. 230 volt voor:
de krachtinstallatie;
de kachels en de overige vast aangebrachte verwarmings- en kook-
toestellen.
bij wisselstroom:
c. 115 volt tussen de fazen voor:
de gehele verlichting;
I
alle doeleinden in hutten en verblijven, onverminderd het in A ld
I
bepaalde omtrent kachels en verwarmingstoestellen;
verplaatsbare werktuigen en toestellen van een vermogen van ft
minder dan 2,5 kW;
verplaatsbare lampen;
telecommunicatietoestellen voor het interne gebruik.
d. 230 volt tussen de fazen voor:
de vast aangebrachte krachtinstallatie, onverminderd het onder
A le bepaalde;
kachels en de overige vast aangebrachte verwarmingstoestellen;
verplaatsbare werktuigen en toestellen van een vermogen van i
2,5 kW of meer.
•
Bijlage VI
e. 440 volt tussen de fazen voor:
de vast aangebrachte krachtinstallatie op schepen met een ver-
bruiksvermogen van 200 kVA of meer (ongeacht de voortstuwings
installatie) voor zover betreft krachtwerktuigen in de machine
kamer, stuurmachines, dekwerktuigen, ankerspillen, kaapstanders,
ventilatoren voor centrale ventilatie en andere door het Hoofd van
de Scheepvaartinspectie te aanvaarden werktuigen en toestellen
onder door deze te stellen voorwaarden.
2. De bovenstaande spanningen gelden, voor zover het electro-
nische toestellen betreft, slechts voor de voeding daarvan.
3.
Voor accumulatoren hebben de onder A la en A lè genoemde
spanningsgrenzen betrekking op de ontlaadspanning.
4. Het in sub 1 bepaalde geldt niet voor voortstuwingsinstallaties.
B
Het schip mag niet als terugleider worden gebruikt. Behou
dens voor het aansluiten van aardcontrölelampen mag geen enkel
punt van de installatie met de aarde zijn verbonden;
C In tanks en kofferdammen, tenzij deze laatste tevens pomp-
kamer zijn, zie onder E, mogen geen leidingen zijn aangebracht;
D De verlichting moet met inachtneming van het bepaalde onder
E en F geschieden door lampen, welke, uitgezonderd in de verblijven,
moeten zijn omgeven door gesloten schutglazen, welke zonodig van
een stevige metalen bescherming zijn voorzien;
E Voor de vast aangebrachte verlichting in pompkamers, laad
ruimen bestemd voor het vervoer van Kt in verpakking en ruimten,
welke direct grenzen aan tanks of aan bovengenoemde laadruimen,
mag slechts gebruik zijn gemaakt van lampen, welke binnen vast
aangebrachte ontploffingsvrije drukvaste armaturen zijn aangebracht.
De schakelaars voor de bediening van deze lampen moeten even
eens van ontploffingsvrije constructie zijn uitgevoerd, tenzij deze
schakelaars zijn aangebracht op plaatsen, waar geen gevaarlijk gas
mengsel kan worden verwacht. Zij moeten buiten genoemde ruimten
zijn geplaatst.
F In tanks, kofferdammen, alsmede voor tijdelijke verlichting
van de onder E genoemde ruimten, mag slechts gebruik worden
gemaakt van draagbare electrische lampen met eigen stroombron,
bestaande uit droge elementen of accumulatoren met een totale span
ning van ten hoogste 6 volt. De draagbare lampen moeten ook
overigens zodanig zijn, dat zij geen aanleiding kunnen geven tot een
ontsteking van een ontplofbaar mengsel van koolwaterstoffen en
lucht;
G
In pompkamers mogen behoudens lamparmaturen geen elec
trische machines of toestellen worden geplaatst.
Bijlage VI
HOOFDSTUK X
Passagiersschepen
Artikel 33
Algemene voor-
1. De electrische installatie op passagiersschepen gebezigd op |
schnften
internationale reizen moet behalve aan het bepaalde in de hoofd
stukken I tot en met VIII voldoen aan de volgende nadere voor
schriften.
De electrische installatie op passagiersschepen, welke slechts op
nationale reizen worden gebruikt, moet voldoen aan de eisen, welke
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden gesteld.
2. Elk passagiersschip, waarvoor uitsluitend electriciteit wordt ge
bruikt voor het onderhouden van de voor de voortstuwing en veilig
heid onontbeerlijke hulpdiensten, moet van ten minste twee hoofd-
generatoraggregaten zijn voorzien. Het vermogen van deze aggregaten
moet zo groot zijn, dat de goede werking van genoemde diensten nog
gewaarborgd is, indien één hoofdgeneratoraggregaat is uitgeschakeld.
Artikel 34
Noodinstaiiatie
1. De noodkrachtbron, voorgeschreven in artikel 50 van het
Schepenbesluit, moet zo hoog als praktisch mogelijk is, buiten de
schacht van de machinekamer, boven het schottendek zijn opgesteld.
De capaciteit moet voldoende zijn om gedurende 36 achtereenvol-
i
gende uren gelijktijdig de energie te kunnen leveren voor de nood
verlichting, voor de in artikel 24 van bijlage II bedoelde noodpomp,
voor de alarminstallatie van liften met betreedbare kooi, voor de )
alarminstallatie als bedoeld in lid 4 van artikel 50 van het Schepen-
sluit, voor de brandmeldings- en brandontdekkingsinstallaties als be
doeld in artikel 42 en 43 van bijlage II, voor de niet-automatische
brandalarmtoestellen als bedoeld in artikel 7 van bijlage V, zomede
voor alle andere inrichtingen, welke in geval van nood gelijktijdig in
bedrijf moeten kunnen zijn, tenzij één of meer van deze installaties of ,
toestellen over een eigen batterij beschikken, welke aan de in dit 1 |
genoemde voorwaarden voldoet.
2. Voor passagiersschepen, welke als regel slechts op reizen van t
korte tijdsduur worden gebruikt, kan het Hoofd van de Scheepvaart
inspectie met een kortere dan de in lid 1 bedoelde tijdsduur genoegen
nemen.
3. De noodkrachtbron, bedoeld in lid 1, moet zijn, hetzij
( a ) een accumulatorenbatterij, die zonder wederopladen of over-: 1
matig spanningverlies in staat is de noodbelasting op te nemen, hetzij.
( b ) een generator, aangedreven door een verbrandingsmotor, voor
zien van onafhankelijke brandstofvoeding en een goedgekeurd aanzet-
systeem. De te gebruiken brandstof mag geen vlampunt hebben, dat
lager is dan 55° Celsius.
•
Bijlage VI
4. De noodinstallatie moet bij een dwarsscheepse helling van het
schip van 22,5°, al of niet gelijktijdig met een langsscheepse helling
van 10°, nog goed kunnen werken.
5. Indien de energie voor de noodinstallatie geleverd wordt door
een accumulatorenbatterij, moet een inrichting aanwezig zijn, waar
door, indien de hoofdvoeding van de verlichting uitvalt, de noodver
lichting automatisch in bedrijf komt. Tegelijkertijd moet de chef van
de wacht in de machinekamer door een optisch sein worden gewaar
schuwd.
Indien de noodkrachtbron een generator is, moet een accumu
latorenbatterij als tijdelijke noodkrachtbron van voldoende capaciteit
aanwezig zijn om
(a) gedurende een half uur onafgebroken de noodverlichting te
kunnen voeden,
( b ) de alarminstallatie van de liften met betreedbare kooi, zomede
de alarminstallatie, bedoeld in lid 4 van artikel 50 van het Schepen
besluit te doen werken en
(c) de waterdichte deuren (indien electrisch bediend) te kunnen
sluiten. Gelijktijdig sluiten van alle deuren is echter niet noodzakelijk.
De tijdelijke noodkrachtbron moet automatisch in bedrijf komen
indien de hoofdvoeding uitvalt, terwijl tegelijkertijd de chef van de
wacht in de machinekamer door een optisch sein moet worden ge
waarschuwd.
6. Een afzonderlijk noodschakeibord of een afzonderlijke nood-
kastenbaterij moet zijn aangebracht. Indien een noodgenerator aan
wezig is, moet dit schakelbord of deze kastenbatterij nabij deze
generator zijn geplaatst.
Artikel 35
Voor de voeding van de electrische stuurinrichting moeten twee stel Electrische stuur-
voedingleidingen van het hoofdschakelbord naar de stuurmachine-machines
kamer zijn aangebracht. Elk stel voedingleidingen moet een voldoende
doorsnede hebben om de motoren, welke gelijktijdig moeten kunnen
werken, te voeden. De twee stel leidingen moeten over hun gehele
lengte zover van elkaar zijn gescheiden, als praktisch mogelijk is. Deze
leidingen en motoren moeten uitsluitend tegen kortsluiting zijn be
veiligd.
Artikel 36
1. Het schip mag niet als terugleider dienen.
voorzorgen t-gen
2. Indien een schip door middel van hoofdbrandschotten in secties hrandgevaar
is verdeeld, moeten in elke sectie ten minste twee afzonderlijke
voedingleidingen voor de verlichting worden aangebracht. Een van
deze mag de voedingleiding van de noodverlichting zijn.
De voedingleidingen voor de verschillende secties moeten zodanig
zijn gelegd, dat, in geval van brand in een sectie, de voeding van de
andere secties blijft gehandhaafd. Aan deze voorwaarde wordt ge
acht te zijn voldaan, indien de hoofd- en de noodvoedingleidingen.
Bijlage VI
welke één of meer secties doorlopen, zowel in verticale als in horizon
tale zin zover mogelijk gescheiden zijn aangebracht.
3. Metalen mantels en de bewapening van kabels moeten geaard
zijn.
4.
f a ) Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan bijzondere
maatregelen voorschrijven, indien kabels, welke niet van een metalen
mantel of van een bewapening zijn voorzien, brandgevaar kunnen
veroorzaken.
( b ) Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan voorschrijven, dat
kabels voor bepaalde doeleinden of in bepaalde afdelingen van het
schip van een speciale constructie moeten zijn.
5. Verbindingen in leidingen onderling mogen slechts in lasdozen,
klemmendozen of dergelijke zijn ondergebracht. De constructie
daarvan en van andere bijbehorende hulpstukken voor de aanleg van
leidingen moet zodanig zijn, dat brandgevaar voor de omgeving zoveel
mogelijk wordt beperkt.
I
BIJLAGE VII
VERVOER BRANDBARE VLOEISTOFFEN, WELKE
LICHT ONTVLAMBAAR ZIJN
HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen
Artikel 1
Deze bijlage is van toepassing op schepen, ingericht of gebezigd Toepassing
voor het vervoer van de in artikel 2 bedoelde brandbare vloeistoffen.
Artikel 2
Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:
Omschrijving
brandbare vloeistoffen:
de koolwaterstoffen en vloeibare brandstoffen met een vlampunt
lager dan of gelijk aan 55° Celsius, met uitzondering van brandbare
vloeistoffen, welke in elke verhouding met water mengbaar zijn.
Als vloeibare brandstoffen, als bovenbedoeld, worden beschouwd
de vloeistoffen, welke gebruikt plegen te worden om door verbran
ding warmte, licht of drijfkracht op te wekken.
Zij worden aangeduid als:
Kj Brandbare vloeistoffen met een vlampunt lager dan of gelijk
aan 21° Celsius;
K2 Brandbare vloeistoffen met een vlampunt hoger dan 21°, doch
niet hoger dan 55° Celsius;
kofferdam: een ruimte, welke bestemd is om ruimten, waarin K,
of K2 wordt vervoerd, af te scheiden van andere delen van het schip
en die begrensd wordt door de scheepshuid en door twee oliedichte
dwarsschotten, welke ten minste 53 centimeter van elkander zijn ver
wijderd (deze schotten moeten zich over de gehele breedte van het
schip uitstrekken en van de kiel zó hoog zijn opgetrokken, dat geen
deel van tank of ruim grenst aan enige andere besloten ruimte dan
de kofferdam);
vlampunt: het vlampunt bij een barometerstand van 760 milli
meter kwikdruk, bepaald met het toestel van Abel-Pensky.
Artikel 3
1. Wordt Kj of K2 in verpakking vervoerd, dan moet deze ver- Verpakken en
pakking bestaan uit stevige blikken of metalen vaten, welke herme- stuwen
tisch zijn gesloten. Lekke vaten of blikken mogen niet aan boord
worden gebracht.
Bijlage VII
2
Blikken moeten in stevige houten kratten of kisten worden
vervoerd, tenzij de blikken zelf voldoende sterk zijn. Zij mogen niet
zo hoog worden opgestapeld, dat de druk op de onderste laag te
groot wordt.
3. Vaten met
of K2 moeten met een spon- of vulgat naar
boven worden gestuwd.
Artikel 4
Passagiers
j. Schepen, waarmede onverpakte Kx of K2 wordt vervoerd,
mogen geen passagiers vervoeren.
2. Wordt K, in verpakking anders dan als deklading vervoerd,
dan is vervoer van passagiers slechts toegestaan na verkregen toe
stemming van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Artikel 5
Gebruik van een
Een kofferdam mag niet als laadruim of als bergplaats worden
koflerdam
gebruikt. Een uitzondering wordt gemaakt voor het bergen van
vloeistof met een vlampunt hoger dan 55° Celsius, met dien ver
stande dat, indien deze vloeistof bestemd is voor eigen georuik, aan
de kofferdam geen ladingtank, welke onverpakte
bevat, mag
grenzen.
Artikel 6
Eiecmsche
De electrische inrichtingen moeten voldoen aan de voorschriften,
inrichtingen
we]ke voor de in deze bijlage bedoelde schepen in bijlage VI zijn
gesteld.
HOOFDSTUK II
Tankschepen
Artikel 7
Toepassing
Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen, welke bestemd zijn
om onverpakte K, of K2 als lading te vervoeren.
Artikel 8
Indeling
l
Tanks, waarin K, of K2 wordt vervoerd, moeten gelegen zijn i
in een gedeelte van het schip, dat aan de voor- en achterzijde door I
een kofferdam is begrensd. De tanks moeten oliedicht zijn.
2
In het door kofferdammen begrensde gedeelte van het schip i
moêen zich behalve ladingtanks, slechts pompkamers en laadruimen I
ingericht voor het vervoer van K„ K, of vloeistof met een vlampunt,
van hoger dan 55° Celsius in verpakking bevinden.
3
De vorm en afmetingen van de tanks moeten zodanig zijn, a
in een normaal gevulde tank de vrije vloeistofspiegel niet zo groot n
is, dat door de bewegelijkheid van de lading gevaren kunnen ontstaan.
Bijlage VII
Artikel 9
1. De lensinrichting van een kofferdam mag niet op zodanige Lens- en vut-
wijze in verbinding staan met andere leidingstelsels of andere ruim- Xrda^en
ten, dat daardoor naar het oordeel van het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie gevaar kan ontstaan.
2. Een kofferdam moet van een peilinrichting zijn voorzien en
in korte tijd geheel met water kunnen worden gevuld.
Artikel 10
Kofferdammen, pompkamers, tanks en laadruimen, als bedoeld in Gasdichte
lid 2 van artikel 8, moeten evenals de bijbehorende hoofden gasdicht
kunnen worden gesloten, behoudens dat de in de artikelen 13 en 23
genoemde ventilatie-inrichting mag zijn aangebracht.
Artikel 11
1. Alle ladingtanks moeten door ladingleidingen geheel leeg ge- Ladingleidingen
pompt kunnen worden. Deze ladingleidingen moeten van alle andere en pompen
leidingen aan boord volkomen zijn gescheiden. Uitgezonderd kunnen
zijn lensleidingjn, welke uitsluitend op een pompkamer zijn aange
sloten, waarbij de lenspomp tevens dienst doet als aftappomp voor de
ladingleiding.
Alle ladingpompen moeten in daarvoor bestemde pompkamers
zijn ondergebracht.
3. Door de tankschotten mogen geen andere leidingen dan lading
leidingen worden gevoerd.
Artikel 12
De in artikel 11 genoemde pompkamers moeten achter het voorste Pompkamers
en voor het achterste kofferdamschot zijn gelegen.
Artikel 13
1\. Tanks'. kofferdammen en pompkamers mogen slechts van een ventiiatie-
ventilatie-inrichting zijn voorzien indien deze op een doeltreffende inrichting
plaats uitmondt en aan het boveneinde een deugdelijke vlamkerende
inrichting heeft, tenzij deze laatste naar het oordeel van het Hoofd
van de Scheepvaartinspectie in verband met de veilige plaatsing niet
nodig is.
Indien een ventilatie-inrichting op een kofferdam of een pomp
kamer, welke laatste aansluiting heeft met een ruimte, bestemd voor
het vervoer van K, of K,, aanwezig is, moet deze bestaan uit ten
minste twee ventilatiekokers, waarvan één nabij de bodem aanvangt
en bovendeks van een zuigkap is voorzien.
2. De ventilatie-inrichting van tanks, laadruimen, ingericht voor
het vervoer van Kj of K2, of daartoe gebezigd, kofferdammen en
pompkamers mag geen verbinding hebben met die van andere
ruimten.
Bijlage VII
Artikel 14
Gebruik van
1. Met uitbreiding van het bepaalde in artikel 45 van het Schepen-
l!of'bare brand" besluit mogen ook de hulpwerktuigen niet met K2 worden gedreven.
2. Brandstofvoorraadtanks mogen niet onmiddellijk aan een lading
tank met onverpakte
grenzen.
Artikel 15
Vervoer in ver-
l. Elk ruim van een tankschip, ingericht voor het vervoer van K,
pakking
;n verpakking, moet van elke andere ruimte van het schip, niet voor
dit vervoer gebezigd — met uitzondering van een pompkamer of een
tank — door een kofferdam of door een andere daarmede gelijk te
stellen ruimte zijn gescheiden. In deze met een kofferdam gelijk te
stellen ruimte is het verrichten van elke handeling, welke vonkvorming,
vuur of verhitting kan veroorzaken, verboden.
2. Ruimen, ingericht voor het vervoer van K, in verpakking, moe
ten voldoen aan de voorschriften voor dergelijke ruimen in hoota-
stuk III gegeven.
Artikel 16
Verblijven
Indien een verblijf geheel of gedeeltelijk vóór de achterste of achter
de voorste kofferdam, dan wel vóór of achter een met een kofferdam
gelijkgestelde ruimte, als bedoeld in het vorige artikel, is gelegen, tt
moet het:
(a) öf door een goed geventileerde vrije ruimte, met een hoogte
van ten minste 1 meter, gescheiden zijn van het bovenste dek van
een daaronder gelegen tank of laadruim voor verpakte K,;
(b) öf geplaatst zijn boven een laadruim voor verpakte K„ waar
van het bovenste begrenzend dek oliedicht is en met een laag c>lie-
werende goed afsluitende stof van tenminste 3d millimeter dikte is
bedekt.
.
Artikel 17
„
.
,
r>;: v,Pt laden moet rekening worden gehouden met de volume-1
voorschrift
verandering van de lading tengevolge van te verwachten temperatuurs-ji
veranderingen gedurende de reis.
2
De kofferdammen moeten dagelijks worden gepeild.
3' De hoofden van tanks en de luiken van ruimen, ingericht voorn
het vervoer van K, of K2, of daartoe gebezigd, moeten met uitzonde-; 1
ring van de ventilatie-inrichting, gedurende de reis gasdicht zijn g -j
sloten. Voor ontgassingsdoeleinden mag hiervan echter worden af, |
geWeken"
Artikel 18
.......
1
Het is verboden aan boord van met
of K2 geladen schepen^
SS""""- in he.^è.1» »« h.t schip vóór he, achtmchot van de achwsj
en achter het vóórschot van de voorste kofferdam dan wel voor o!
achter een met een kofferdam gelijkgestelde ruimte, als bedoeld irU
*
Bijlage VII
artikel 15, te roken, vuur of open licht te gebruiken of handelingen
te verrichten, welke vonkvorming, vuur of verhitting kunnen ver
oorzaken. Voor de verblijven kan dit verbod door de kapitein worden
opgeheven.
2. De in het vorige lid genoemde verbodsbepaling blijft voor een
met Kj geladen schip, ook na het lossen van de lading, van kracht,
totdat in het in lid 1 genoemde deel van het schip alle ruimten onder
het dek en de eventueel bovendeks gelegen pompkamers voldoende
droog, schoon en vrij van gevaarlijke dampmengsels zijn bevonden.
3. Aan boord van een met K, geladen schip moet de kapitein, na
het lossen van de lading, die veiligheidsmaatregelen treffen, welke
hem in verband met de omstandigheden nodig voorkomen, met dien
verstande, dat voor een tank, een kofferdam of een pompkamer de
in lid 1 genoemde verbodsbepaling van kracht blijft, totdat deze en
de daaraan grenzende ruimten voldoende droog, schoon en vrij van
gevaarlijke dampmengsels zijn bevonden.
HOOFDSTUK III
Schepen, blijvend ingericht voor vervoer van Kx
in verpakking
Artikel 19
Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen, welke blijvend zijn Toepassing
ingericht om Kx in verpakking als lading te vervoeren.
Artikel 20
1. Ruimen, waarin K, in verpakking wordt vervoerd, moeten indeling
gelegen zijn in een gedeelte van het schip, dat aan de vóór- en achter
zijde door een kofferdam of een daarmede gelijk te stellen ruimte,
als bedoeld in artikel 15, is begrensd.
2. In het door de kofferdammen of door daarmede gelijk te
stellen ruimten begrensde gedeelte van het schip mogen zich, behalve
tot het ^vervoer van K„ K2 of vloeistof met een vlampunt van hoger
dan 55 Celsius in verpakking bestemde ruimen, slechts pompkamers
en tanks bevinden.
Artikel 21
1. Voor het lenspompen van laadruimen en kofferdammen moet Pompkamers,
ten minste één afzonderlijk leidingstelsel aanwezig zijn met een pomp, !en?" en vuI"
welke met geen ander leidingstelsel of andere ruimte is verbonden en 1Dnchtms
in een afzonderlijke pompkamer, gelegen achter het voorste en vóór
het achterste kofferdamschot, is opgesteld.
2. Kofferdammen en pompkamers moeten in korte tijd met water
kunnen worden gevuld.
Bijlage VII
Artikel 22
Gasdichte
Kofferdammen en daar tussen gelegen laadruimen en pompkamers
afsiumng
moeten, evenals de daarbij behorende hoofden, gasdicht kunnen
worden gesloten, behoudens, dat de in artikel 23 vermelde ventilatie-
inrichting mag zijn aangebracht.
Artikel 23
ventilatie-
\ Laadruimen voor K, in verpakking, kofferdammen en pomp-
inrichting
kamers mogen slechts zijn voorzien van een ventilatie-inrichting, in
dien deze bestaat uit ten minste twee ventilatiekokers, welke op een
doeltreffende plaats uitmonden en waarvan één nabij de bodem van
het laadruim aanvangt en bovendeks van een zuigkap is voorzien.
2. Alle ventilatiekokers moeten van een deugdelijk vlamkerend
rooster zijn voorzien, tenzij zulks naar het oordeel van het Hoofd
van de Scheepvaartinspectie in verband met de veilige plaatsing niei
nodig is.
3. De ventilatie-inrichting van laadruimen, kofferdammen en
pompkamers mag geen verbinding hebben met die van andere ruim
ten.
Artikel 24
Gebruik van
[Q ruimen, waarin K, in verpakking wordt vervoerd, in koffer-
vantVonken°men dammen en in pompkamers mag geen blijvende houtgarnering aan
wezig zijn, terwijl voor zover mogelijk, bijzondere voorzorgen ge
nomen moeten worden tegen het ontstaan van vonken in deze ruim
ten.
Artikel 25
Gebruik van
Met uitbreiding van het bepaalde in artikel 45 van het Schepen-
vloeibare brand- beslujt mQgen Qok de hulpwerktuigen niet met K2 worden gedreven.
Artikel 26
Vervoer in de
K, in verpakking mag in een deel van een schip, dat daarvoor niet
bovenbouw
blijvend is ingericht, slechts worden vervoerd, indien de inrichting
daarvan vooraf door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is goed
gekeurd.
Artikel 27
Verblijven
Indien verblijven vóór de achterste of achter de voorste Kofferdam,
dan wel vóór of achter een met een kofferdam gelijkgestelde ruimte,
als bedoeld in artikel 15, zijn gelegen, moeten zij door een goed ge
ventileerde vrije ruimte, met een hoogte van ten minste 1 meter,
«escheiden zijn van het bovenste dek van een daaronder gelegen laad
ruimte, tenzij dit dek oliedicht is en met een laag oliewerende goeü
afsluitende stof van ten minste 35 millimeter dikte is bedekt.
Bijlage VII
Artikel 28
1. Luiken van ruimen moeten gedurende de reis gasdicht zijn Bedienings
gesloten, behalve indien deze ruimen geen brandbare vloeistoffen voorschrift
bevatten en ontgast zijn.
2. Deklading mag uitsluitend verwerkt worden indien de laad
ruimen gasdicht zijn gesloten.
Artikel 29
1. Het is verboden aan boord van met K, in verpakking geladen Veiligheids
schepen, in het gedeelte van het schip vóór het achterschot van de maatregelcn
achterste en achter het voorschot van de voorste kofferdam, dan wel
voor of achter een met een kofferdam gelijkgestelde ruimte, als
bedoe d in artikel 15, te roken, vuur of open licht te gebruiken, of
handelingen te verrichten, welke vonkvorming, vuur of verhitting
kunnen veroorzaken. Voor de verblijven kan dit verbod door de
kapitein worden opgeheven.
2. De in het vorige lid genoemde verbodsbepaling blijft ook na
het lossen van de lading van kracht, totdat in het in lid 1 genoemde
gedeelte van het schip alle ruimten onder het dek en de eventueel
boven het dek gelegen pompkamers voldoende droog, schoon en vrij
van gevaarlijke dampmengsels zijn bevonden.
HOOFDSTUK IV
Schepen, niet blijvend ingericht voor vervoer van
in verpakking
Artikel 30
Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen, welke K. in verpakking Toepassing
als lading vervoeren, mdien deze daartoe niet volgens het bepaalde
in hoofdstuk III zijn ingericht.
A. Vervoer als deklading
Artikel 31
7 V®rpaAkki"F in ?cn Nederlandse haven of in een haven Kennisgeving
an de Nederlandse Antillen als deklading zal worden gestuwd moet
voordat met het inladen een aanvang wordt gemaakt, volgens het
bepaalde in lid 13 van artikel 99 van het Schepenbesluit, het betrokken
JJistrictshoofd van de Scheepvaartinspectie daarvan tijdig kennis wor
den gegeven. Aan de door hem, in overeenstemming met het bepaalde
in de artikelen 32 tot en met 36, gegeven aanwijzingen moet gevolg
worden gegeven.
,
Artikel 32
De verpakte Kt moet op veilige afstand van kombuizen, verblijven, stuwen
enz. goed zeevast en afgezonderd van andere lading aan dek zijn
gestuwd en zo nodig op voldoend hoge garnering zijn geplaatst.
Bijlage VII
Artikel 33
Beschutting
Over en om de deklading K, in verpakking moet een gemakkelijk
en vlug wegneembare beschutting tegen zonnestralen en vonken zijn
aangebracht. De beschutting moet zó hoog zijn en zodanig zijn in
gericht, dat een ruime toetreding van lucht onder de beschutting en
over en om de deklading kan plaats hebben. De wanden der be
schutting moeten daartoe zo nodig van voldoende openingen zijn
voorzien.
Artikel 34
Verkeer van
Passagiers mogen geen toegang hebben tot die gedeelten van dek
passagiers
ken> waarop Kj in verpakking is gestuwd.
Artikel 35
Veiiigheidsmaat-
Het is verboden in de nabijheid van de deklading K, in verpakking
regelen
te roken
Vuur of open licht te gebruiken, dan wel handelingen
verrichten, welke vonkvorming, vuur of verhitting kunnen veroor
zaken.
.
.
Artikel 36
Werpen
De deklading moet gemakkelijk kunnen worden geworpen.
B. Vervoer anders dan als deklading
Artikel 37
Toestemming tot
K, in verpakking mag anders dan als deklading slechts worden
vervoer
vervoerd, nadat het Hoofd van de Scheepvaartinspectie het vervoer
voor één of meer bepaalde reizen onder door hem te stellen voor
waarden heeft toegestaan.
Artikel 38
stuwen
De lading moet goed zeevast en zo nodig op voldoend hoge
garnering worden gestuwd.
Artikel 39
Gasdichte afslui-
i. Het dek en de schotten van ruimten, waarin K, in verpakking
ting en ventilatie wordt vervoerd, moeten gasdicht zijn en de openingen in dat aeic
en in die schotten moeten gasdicht worden gesloten.
2. Ruimen, waarin K, in verpakking wordt vervoerd, moeten op
doeltreffende wijze worden geventileerd, door ten minste twee flinke
luchtkokers, waarvan er één, die tot bij de bodem van het ruim rei ,
aan het boveneinde van een zuigkap is voorzien. De ventilatie
openingen moeten van een deugdelijk vlamkerend rooster zijn voor
zien.
.
3. Geen leiding of luchtkoker, welke naar een andere ruimte
leidt, mag met een ruim, waarin K, wordt vervoerd, in verbinding
staan.
Bijlage VII
Artikel 40
1. Onder een lading K, in verpakking mag geen buikdenning en Voorkomen van
geen houten dek aanwezig zijn, tenzij deze door een doeltreffende brand
Kj-absorberende of K^-werende laag zijn bedekt.
2. Electrische leidingen, welke door het ruim lopen, moeten zijn
uitgeschakeld, tenzij de veiligheid door de inrichting van de leidingen
op andere wijze voldoende is gewaarborgd.
Artikel 41
Waar zulks nodig is, moeten zanddammen gebouwd worden Van Zanddammen
ten minste 40 centimeter dikte.
Artikel 42
1. Het is verboden in of nabij een ruim, waarin ICj in verpakking Veiiïgheidsmaat-
is geladen, te roken, vuur of open licht te gebruiken, dan wel hande- regelen
lingen te verrichten, welke vonkvorming, vuur of verhitting kunnen
veroorzaken. Dit verbod moet ter plaatse duidelijk zijn aangegeven.
2. De in het vorig lid genoemde verbodsbepaling blijft ook na
het lossen van de lading K, van kracht, totdat de betrokken ruimten
voldoende droog, schoon en vrij van gevaarlijke dampmengsels zijn
bevonden.
3. Het gebruikte stuwhout moet na het lossen van de lading K,
van boord worden verwijderd.
HOOFDSTUK V
Vervoer van K2 in verpakking
Artikel 43
Voor het vervoer van K2 in verpakking anders dan als deklading vervoer in
kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voorschriften geven.
gesloten ruimten
BIJLAGE VIII
LUCHTVATEN
Artikel 1
Constructie-eisen
l. Naadloze en gelaste luchtvaten moeten voldoen aan de vol
voer luchtvaten gende voorschriften:
(a) zij moeten een cirkelvormige doorsnede hebben en glad zon
der trekgroeven en plooien en vrij van hamerslag zijn,
( b ) indien zij van niet-veredeld staal zijn vervaardigd, moet het
materiaal een trekvastheid van ten minste 37 kilogram per vierUnt
millimeter hebben, terwijl de rek in percenten ten minste moet be
dragen:
. .
25-23 percent voor materiaal van 37 tot 42 kilogram per vierkante
"'"Tp'er'ctr.tfma.eri.al v,„ 42 ... 50 kilogram p« vierkante
™2w5'^"«n™«r materiaal van 50 tot 60 kilogram por vierkante
^de^Mtlen^Jti^van p'roefstaven ter bepaling van deze rek dient te
bedragen: 5,65 VT, waarin f de oppervlakte van de doorsnede voor-
stelt*
(c) indien zij van veredeld staal zijn vervaardigd mag de strek-
grens van het materiaal na de veredeling niet meer dan 45 kll°gra™
per vierkante millimeter bedragen, terwijl de rek bij breuk ten minste
12 percent moet zijn;
( d ) de wanddikte moet ten minste 5 millimeter bedragen en mag
in het cilindrische gedeelte nergens dikker dan 1 /5 maal de wand
dikte op de dunste plaats zijn;
( e ) de wanddikte moet zo groot zijn, dat bij de persproef, bedoeld
in artikel 3, op geen enkele plaats een berekende maten-l^m.g
ontstaat, die voor veredeld materiaal groter is dan 2 3 van^de strek
grens en voor niet-veredeld materiaal groter is dan 1/3 van de treK
vastheid;
f f ) het materiaal moet Siemens-Martinstaal of electrostaal zijn,
tenzij de goedkeuring van het Hoofd van de Scheepyaartinspectie voor
het gebruik van ander materiaal dan ongelegeerd koolstofstaai is
verkregen.
2. Gelaste luchtvaten moeten voorts voldoen aan de volgende
voorschriften:
.
(a) zij moeten zodanig zijn geconstrueerd, dat de naden niet aan
normaalspanningen door buiging zijn onderworpen;
( b ) indien de afmetingen dit toelaten, moeten zij na de vervaar
diging doelmatig zijn uitgegloeid, tenzij de trekvastheid van het mate-
•
Bijlage VIII
riaal, waarvan zij zijn vervaardigd, minder bedraagt dan 42 kilogram
per vierkante millimeter;
(c) de lassen moeten voldoen aan eisen van goed en deugdelijk
werk.
3. Bij de berekening van de in lid 1 onder (e) bedoelde materi
aalspanning wordt de sterkte van de lasnaden gesteld op:
(a) 60 percent van het materiaal bij niet uitgegloeide vaten;
(b) 70 percent van het materiaal bij uitgegloeide vaten of bij in
het vuur overlapt gewelde vaten, die niet uitgegloeid zijn;
(c) 80 percent van het materiaal voor in het vuur overlapt ge
welde vaten, die daarna uitgegloeid zijn.
Voor laswerk van bijzondere aard of waarbij lasmateriaal van bij
zondere samenstelling is gebezigd, kan het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie toestaan, dat de sterkte van de lasnaden op een hoger
percentage wordt gesteld.
4. Gewelfde eindvlakken van vaten, welke een uitwendige middel
lijn hebben van meer dan 210 millimeter, moeten zodanig zijn ge
vormd, dat het gebogen gedeelte, dat de overgang vormt van het cilin
drische gedeelte naar het eindvlak, een straal heeft, die, uitwendig
gemeten, ten minste 5 maal de plaatdikte, doch nimmer minder dan
30 millimeter bedraagt, terwijl de welving van het eindvlak uitgevoerd
moet zijn met een straal, die, uitwendig gemeten, niet groter is dan de
uitwendige middellijn van het cilindrische gedeelte.
De wanddikte van de eindvlakken moet zo groot zijn, dat in het
gewelfde gedeelte bij de persproef geen materiaalspanning ontstaat,
die volgens berekening groter is dan 1/3 van de materiaalspanning
bij de strekgrens van het materiaal.
De in het luchtvat heersende druk mag uitsluitend tegen de holle
zijde van de welving worden uitgeoefend.
5. De vaten moeten inwendig kunnen worden nagezien. Bij een
uitwendige middellijn niet groter dan 600 millimeter moeten zij, in
dien de lengte 1,85 meter of kleiner is, aan één der einden een kijk
gat en indien de lengte groter is, aan ieder einde een kijkgat hebben.
De middellijn van het kijkgat in vaten met een uitwendige middel
lijn van minder dan 300 millimeter mag niet kleiner zijn dan 100 milli
meter en in vaten met een uitwendige middellijn van 300 millimeter
tot en met 600 millimeter, niet kleiner dan 150 millimeter.
Vaten met een uitwendige middellijn groter dan 600 millimeter
moeten zijn voorzien van een mangat van ten minste 300 bij 400 mil
limeter, of van een cirkelvormig gat van ten minste 350 millimeter
middellijn, bij voorkeur aangebracht in een der eindvlakken.
In geen geval mag een kijkgat of mangat zo zijn gelegen, dat daar
door een lasnaad wordt onderbroken.
Bijlage VIII
Artikel 2
Appendages en
j, Eik luchtvat moet op het laagst gelegen punt van een aftap-
aansiuitingen
inrichting tot het verwijderen van water en vuil zijn voorzien. Deze
inrichting moet ook gebruikt kunnen worden, wanneer het vat in
bedrijf is.
2. Elk luchtvat moet zijn voorzien van een manometer, welke de
druk in het vat, tot een maximum gelijk aan dé beproevingsdruk, als
bedoeld in artikel 3, aangeeft. De hoogst toegestane werkdruk moet
duidelijk op de schaal door middel van een rode streep zijn aange
geven en op elk luchtvat goed zichtbaar zijn ingeslagen. De mano
meter moet zodanig zijn geplaatst, dat deze gemakkelijk in de motor
kamer kan worden afgelezen. Voorts moet elk luchtvat zijn voor
zien van een aansluiting, met een boring van een halve duims gas-
draad, voor een contrölemanometer.
3. Elk luchtvat moet zijn voorzien van een veiligheidsklep of van
een goedgekeurde breekplaat, die bij een druk gelijk aan 1,5 maal
de hoogst toegestane werkdruk in werking treedt of breekt.
Indien een breekplaat springt moet de samengeperste lucht van het
luchtvat kunnen ontwijken in de open lucht.
Bij elk luchtvat, dat voorzien is van een breekplaat, moeten ten
minste drie goedgekeurde breekplaten als reserve aanwezig zijn.
4. Op de vulleiding moet een veiligheidsklep zijn aangebracht, die
voorkomt dat de druk oploopt boven de hoogst toegestane werk
druk, waarvoor het vat is bestemd. Deze veiligheidsklep moet door
middel van een afsluiter van het luchtvat gescheiden kunnen worden.
5. De afsluiter in de leiding van een luchtvat naar de motor moet
zodanig zijn ingericht, dat bij het openen het dekstuk niet mede uit
gedraaid kan worden.
6. Bij vaten, die door een gemeenschappelijke leiding door de
compressor of uit de motorcilinder worden gevuld, kan worden vol
staan met één manometer op de gemeenschappelijke vulleidmg. Deze
manometer moet zodanig worden aangebracht, dat gedurende de be-
proeving kan worden gecontroleerd of deze juist aanwijst.
Indien óók een fles samengeperste lucht of koolzuur kan worden
aangesloten, moet de aansluiting zodanig zijn, dat de lucht of het
koolzuur in elk geval bij het verlaten van de fles de veiligheidsklep
en de manometer rechtstreeks bereikt.
Artikel 3
Beproeving van
1. De druk, waarop luchtvaten bij de eerste beproeving moeten
luchtvaten
worden geperst, bedraagt het dubbele van de hoogst toegestane
werkdruk, tenzij het vat is voorzien van een mangat en inwendig
geheel toegankelijk is, in welk geval de druk waarmede de beproeving
plaats heeft, slechts het anderhalfvoudige van de hoogst toegestane
werkdruk behoeft te bedragen.
•
Bijlage VIII
2. De persproef duurt zolang als nodig is om het vat behoorlijk
te kunnen onderzoeken, terwijl daarbij de vereiste beproevingsdruk
onveranderd moet blijven. Tijdens deze beproeving mag het vat niet
met verf zijn bedekt.
3. De vaten moeten telkenmale na verloop van ten hoogste 5 jaar
inwendig worden schoongemaakt, nagezien en beproefd met een druk,
gelijk aan het anderhalfvoudige van de werkdruk.
Luchtvaten, welke van een mangat zijn voorzien en inwendig ge
heel toegankelijk zijn, behoeven niet te worden beproefd. De appen
dages moeten tezelfdertijd worden nagezien, veiligheidskleppen op de
voorgeschreven druk gesteld en de manometers op de juiste aanwij
zing worden gecontroleerd.
4. Indien aan een luchtvat ingrijpende herstellingen zijn verricht,
moet een beproeving plaats vinden, als omschreven in lid 1 van dit
artikel.
BIJLAGE IX
BEPALINGEN BETREFFENDE DE INRICHTING VAN DE
MOTORKAMER EN DE DAARIN GEPLAATSTE MOTOR
MET TOEBEHOREN IN SCHEPEN VAN MINDER
DAN 500 TON
Artikel 1
Toepassing
Deze bijlage is van toepassing op schepen van minder dan 500 ton,
waarin een motor voor de voortstuwing aanwezig is.
Artikel 2
Motorkamer
j. De ruimte in de motorkamer moet zodanig zijn, dat de motor
gemakkelijk kan worden bediend en dat alle daarvoor in aanmerking
komende delen steeds behoorlijk bereikbaar zijn en zonder bezwaar
in orde kunnen worden gehouden. Het personeel moet rechtop staande
de motor kunnen bedienen.
2. Boven de cilinders moet voldoende vrije hoogte zijn en moeten
de nodige middelen tot het uitvoeren van werkzaamheden aan de
motor zijn aangebracht.
3. De motorkamer mag niet onmiddellijk in verbinding met de ver
blijven staan en moet een uitgang hebben, waardoor het open dek
gemakkelijk bereikbaar is.
4. Alle scheidingswanden tussen verblijven en motorkamer moeten
in zoverre dicht zijn, dat daardoor geen schadelijke gassen uit de
motorkamer in de verblijven kunnen binnendringen.
5. Houtwerk mag in het algemeen in de motorkamer niet voor
komen; indien het dek van hout is, moet dit aan de onderzijde met
staalplaat zijn bekleed. In houten schepen behoeven echter de wanden
niet met staalplaat bekleed te zijn. Waar sterke verhitting kan worden
verwacht, moet het hout door met staalplaat beklede asbestplaten
of ander doelmatig isolatiemateriaal worden beschermd.
6. De motorkamer moet behoorlijk kunnen worden verlicht en
door ten minste twee luchtkokers van voldoende middellijn, waarvan
één doorlopend tot ongeveer 2 meter boven de vloer van de motor
kamer, goed geventileerd kunnen worden.
De lampen voor de verlichting moeten zoveel mogelijk worden be
schermd en, tenzij de verlichting electrisch is, bij voorkeur niet op
gehangen worden op plaatsen, welke moeilijk kunnen worden ge
ventileerd.
7. De inrichting van de vullings moet zo zijn, dat vloeistoffen
gemakkelijk naar de lensflessen, welke op de laagste plaats moeten
zijn aangebracht, kunnen vloeien.
Bijlage IX
8. Van de plaats, waar het schip wordt bestuurd, moeten door
middel van een telegraaf en van een spreekbuis of telefoon naar
de motorkamer orders kunnen worden gegeven, welke moeten kunnen
worden beantwoord. Een telegraaf wordt niet vereist, indien de motor
niet in de motorkamer bediend kan worden en slechts bovendeks
met de motor gemanoeuvreerd kan worden.
9. Indien het omkeren van de draairichting van de schroef van
de plaats, waar het schip wordt bestuurd, door een bewegingshefboom
geschiedt, moet de inrichting zo zijn, dat bij vooruitdraaiende schroef
de bewegingshefboom naar voren wijst.
10. Met de hand omzetbare keerkoppelingen moeten zodanig
zijn ingericht, dat slippen van de koppeling op eenvoudige wijze kan
worden verholpen.
Keerkoppelingen welke door middel van oliedruk worden omgezet
en waarvan de oliepomp niet rechtstreeks bereikbaar is. moeten van
een inrichting zijn voorzien waarmede de koppeling voor vooruit-
draaiende schroef kan worden vastgezet.
11. De brandstof leiding met de zich daarin bevindende tanks en
toestellen moeten zoveel mogelijk zodanig zijn aangelegd, dat lekolie
niet op de motoren, uitlaatgassenleidingen en dergelijke kan vallen.
Waar nodig moeten lekbakken zijn aangebracht waaruit de lekolie
op doelmatige wijze kan worden afgetapt en opgevangen.
Artikel 3
1. Het hoofdvoortstuwingswerktuig moet op een zorgvuldig ef- Motor
gewerkte fundatie geplaatst en stevig bevestigd zijn.
Schermplaten, handgrepen en hekwerk moeten, ter beveiliging van
het bedienend personeel, doelmatig worden aangebracht.
2. Het voortstuwingswerktuig moet behoorlijk getornd kunnen
worden. Indien het vermogen meer dan 300 rempaardekrachten be
draagt, moet het voortstuwingswerktuig vóór- en achteruit getornd
kunnen worden.
3. Tornijzers moeten zodanig zijn ingericht, dat zij niet vast kun
nen lopen. Zij mogen niet voor het aanzetten van de motor worden
gebruikt.
4. Indien bij direct omkeerbare motoren de torninrichting niet
uit een wormoverbrenging bestaat, moet een vanginrichting aanwezig
zijn om de asleiding te kunnen vastzetten.
Artikel 4
1. Buitenboordaansluiting van pijpleidingen moet geschieden door Buitenboord-
middel van klepkasten, kranen of afsluiters. Deze, zomede de onder- ""'uitingen
linge pijpverbindingen, moeten zodanig zijn ingericht dat geen
buitenboordwater ongewenst in het schip kan lopen.
Bijlage IX
Indien een plugkraan als buitenboordaansluiting wordt toegepast,
mag de plug door loswerken van het drukstuk niet uit liet huis
gedreven kunnen worden.
2. De inlaatkoelwaterleiding moet aan de binnenzijde van het
schip van een wierrooster zijn voorzien. Vaartuigen, welke de Wad
den bevaren, moeten van een hoge en een lage inlaat zijn voorzien.
Indien een vast rooster in de huid aanwezig is, moet tussen de af
sluiter tot het inlaten van koelwater en het vaste rooster een leiding
met kraan van de luchtketel zijn aangebracht, teneinde het rooster
bij verstopping te kunnen doorblazen.
Artikel 5
Lensinrichting
] #
Een door de motor gedreven lenspomp van voldoende giootte
moet in staat zijn alle afdelingen van het schip lens te pompen. Aan
boord van vissersvaartuigen behoeft de lenspomp niet op ruimten
buiten de motorkamer te kunnen pompen, indien deze ruimten door
een op de donkeyketel aangesloten lensblazer van voldoende capa
citeit behoorlijk kunnen worden lens gepompt.
Indien de persleiding afgesloten kan worden, moet op de lenspomp
tussen zuig- en perskleppen een ontlastklep aanwezig zijn.
De motorkamer moet bovendien door een doelmatige handpomp
lens kunnen worden gepompt. Deze pomp mag niet op de lensverdeel
kast worden aangesloten.
2. In de motorkamer en overal elders, waar brandstoftanks zijn
geplaatst, mogen geen loden pijpen worden gebruikt.
De middellijn der lensleidingen mag niet kleiner zijn dan 50 milli
meter. Voor schepen met motoren met een vermogen niet groter dan
60 rempaardekrachten kan echter een kleinere middellijn worden
toegestaan.
3. De lensflessen moeten gedurende het bedrijf gemakkelijk be
reikbaar zijn. Zo nodig moet de lensfles daartoe verbonden zijn aan
een gedeelte pijp, dat boven de vloerplaat kan worden ontkoppeld.
Artikel 6
Hulpkoelwater-
Op motorschepen met een voortstuwend vermogen van meer dan
pomp
150 rempaardekrachten moet een hulpkoelwaterpomp, welke tevens
moet zijn ingericht om water aan dek voor brandblussen te geven en
als hulplenspomp dienst te doen, aanwezig zijn. Indien het voort
stuwend vermogen 150 rempaardekrachten of minder is, moet de
lenspomp een aansluiting hebben op de koelwaterleiding om de koel-
waterpomp te kunnen vervangen.
Artikel 7
Luchtcompres-
i
Alle voortstuwingsmotoren moeten voorzien zijn van een lucht-
aan£titóch-dere compressor of een inrichting aan de kop van één der cilinders om
tingen
Bijlage IX
daarmee de spanning in het luchtvat voldoende te kunnen opvoeren,
of van een andere door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goed
gekeurde aanzetinrichting. De lengte van de leiding tussen de cilinder-
kop en het luchtvat mag niet kleiner zijn dan 3 meter.
2. Aan boord van schepen, waar de voortstuwingsmotoren zijn
voorzien van een luchtcompressor of een inrichting aan de kop van
één der cilinders als bedoeld in lid 1, moet bovendien een door een
hulpmotor gedreven hulpcompressor aanwezig zijn.
,
3. In afwijking van het in het vorige lid bepaalde geldt, dat:
(a)
bij toepassing van motoren met een vermogen van 150 rem-
paardekrachten of minder de hulpcompressor met de hand of de voet
mag worden gedreven, indien op deze wijze in 20 minuten een vol
doende hoeveelheid lucht op de benodigde spanning kan worden
gebracht;
(b) aan boord van zeilschepen met hulpmotorvermogen en van
vissersvaartuigen, beide met motoren van een vermogen van niet meer
dan 80 rempaardekrachten, met een reserve-fles, gevuld met samen
geperste lucht of koolzuur, kan worden volstaan.
4. Mechanisch bewogen luchtcompressoren moeten van veilig
heidskleppen zijn voorzien. In de persleiding moet bij elke compressor
een terugslagklep zijn aangebracht.
Artikel 8
1. Knalpotten en uitlaatgassenleidingen voor de afgewerkte gassen Knaipotten
moeten goed beschermd en bekleed zijn.
2. Uitlaatgassenleidingen moeten op voldoende hoogte boven het
dek uitmonden, tenzij het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn
goedkeuring heeft verleend aan een uitvoering, waarbij zij beneden-
deks uitmonden. De uitlaatpijpen mogen niet door verblijven zijn
geleid.
Artikel 9
1. Motoren, welke door middel van lucht worden aangezet, moe-veiiigheids-
ten voorzien zijn van een veiligheidsklep op de deksels van de motor- kleppen
cilinders en op de aanzetluchtleiding van de motor.
2. De in het vorige lid genoemde veiligheidskleppen moeten zo
danig zijn geplaatst of beschermd, dat bij het openen van deze kleppen
geen gevaar voor het bedienend personeel kan ontstaan.
Artikel 10
1. In de motorkamer geplaatste brandstofvoorraadtanks moeten Brandstofvoor-
van de hete delen van de motorinstallatie, als gloeikop, knalketel enraadtanks
uitlaatleiding, zijn verwijderd.
2. Deze tanks moeten van staalplaat met een dikte van ten minste
4 millimeter deugdelijk zijn geconstrueerd.
Bijlage IX
De tanks moeten goed zeevast worden bevestigd, zonodig van
slingerschotten zijn voorzien en zo zijn ingericht, dat zij gemakkelijk
inwendig kunnen worden gereinigd. Zij moeten met een halve at
mosfeer overdruk worden beproefd.
3. Indien de tanks zich in de motorkamer bevinden, moeten alle
aansluitingen en openingen aan de bovenzijde zijn aangebracht. Met
inachtneming van het bepaalde in artikel 12, lid 2, kan evenwel
worden toegestaan, dat de leiding naar de motor of naar de dagtank
aan de onderzijde is aangebracht.
Elke tank moet van een vulpijp met een middellijn van ten minste
50 millimeter en van een peilpijp zijn voorzien. Deze laatste kan ver
vallen, indien de vulpijp tevens als peilpijp is ingericht. Deze pijpen
moeten tot ten minste 15 centimeter boven dek worden opgetrokken
en door een schroefdop kunnen worden afgesloten. Onder de uit
monding van de peilpijp in de tank moet de tankwand door een stoot-
plaatje worden beschermd.
Indien de tanks door middel van een open trechter aan dek gevuld
worden, moet een luchtpijp met een middellijn, welke ten minste gelijk
is aan de helft van die van de vulleiding, aanwezig zijn, die tot boven
het dek doorloopt en voorzien is van een zwaanshals. Indien de tanks
door een gekoppelde leiding worden gevuld, moet de doorlaat van de
luchtleiding 1,25 maal de doorlaat van de vulleiding zijn. Vulpijpen
moeten oliedicht aan het dek zijn aangesloten. Behalve de voor
geschreven peilpijp mag een peilglas worden aangebracht, mits dit |
van deugdelijke constructie, zeer goed beschermd en aan de onder- *
zijde van een zelfsluitende kraan of afsluiter is voorzien.
Indien geen dagtank aanwezig is, moet gelegenheid bestaan tot het
)
aftappen van water.
Indien onder aan de brandstoftank een aftapkraan is aangebracht,
<
moet deze een zelfsluitende kraan zijn.
Artikel 11
Dagtank
1. Onder dagtank wordt verstaan de tank, welke uit een brandstof- J
voorraadtank wordt gevuld en een hoeveelheid brandstof kan bevatten |
ten hoogste gelijk aan het verbruik van de motor gedurende 24 uur.
2. Bij aanwezigheid van een dagtank moet deze op het laagste il
punt van de bodem van een waterzak met zelfsluitende aftapkraan of .
afsluiter tot het aftappen van water zijn voorzien. Een kleine opening :i
aan de bovenzijde van de tank, welke met een schroefdop kan worden
i!
afgesloten, mag zijn aangebracht om de hoeveelheid olie te kunnen i:
peilen. Indien een peilglas is aangebracht, moet dit behoorlijk be- f
schermd en onderaan van een zelfsluitende kraan zijn voorzien. De
ontluchting van het peilglas moet geschieden in de dagtank of de
;
luchtpijp. De luchtpijp moet aan dek uitmonden, tenzij de dagtank ft
een inhoud heeft, welke minder is dan 100 liter. Indien de dagtank
door middel van een mechanisch bewogen pomp kan worden gevuld,
I
moet de doorlaat van de luchtpijp ten minste 1,25 maal de doorlaat f
van de vulleiding zijn.
•
Bijlage IX
Artikel 12
1. De brandstof leiding moet van uitgegloeid naadloos koperen Brandstof-
r
, n
j ,
. ,
.
.
.
.
f
t
.
l e i d i n g e n e n
ot getrokken naadloos stalen pijp zijn vervaardigd en van goede ex- -pompen
pansiebochten zijn voorzien. De verbindingen moeten conisch zijn,
metaal op metaal, terwijl de leiding goed bereikbaar en beschermd
moet zijn tegen uitwendige beschadiging.
De aansluiting van de leiding naar de motor op de tank moet door
middel van een flens geschieden en van een binnenpijpje van een
lengte van ten minste 25 millimeter zijn voorzien.
2. Elke leiding, waardoor brandstof uit een tank kan wegvloeien,
moet onmiddellijk aan die tank voorzien zijn van een deugdelijke
kraan of afsluiter, welke ook aan dek, door middel van een een
voudige overbrenging, moet kunnen worden gesloten. De v ijze,
waarop dit geschiedt, moet ter plaatse duidelijk zijn aangegeven.
3. Alle mechanisch bewogen pompen, welke gebruikt kunnen
worden voor het overpompen van brandstof, moeten ook aan dek
buiten werking zijn te stellen.
Artikel 13
Indien voor het aansteken van lampen voor de voorverwarming Spiritus
van een gloeikop spiritus moet worden gebezigd, mag deze vloeistof,
in afwijking van het bepaalde in artikel 99 van het Schepenbesluit
in een veiligheidskan van goedgekeurd type met een inhoud van ten
hoogste 10 liter in de motorkamer op een vaste, daartoe ingerichte
plaats zijn geborgen.
Artikel 14
Bij voortstuwingsmotoren (hoofdmotoren), welke voor geforceerde Hulpsmeerolie-
circulatiesmering zijn ingericht, moet ten minste één hulpsmeerolie- pomp
pomp aanwezig zijn, welke op doelmatige wijze op het smeerolie
systeem van de hoofdmotor(en) is aangesloten. Deze pomp moet
onafhankelijk van de hoofdsmeeroliepomp(en) worden aangedreven
en van voldoende capaciteit zijn om onmiddellijk ter vervanging van
elk der hoofdsmeeroliepompen in bedrijf gesteld te kunnen worden.
Bij een voortstuwend vermogen hetwelk per hoofdmotor 225 rem-
paardekrachten niet te boven gaat, mag deze hulpsmeeroliepomp een
handpompje zijn.
Artikel 15
Op schepen met een voortstuwend vermogen van meer dan 150 rem- Hulpmotor
paardekrachten moet in de motorkamer een hulpmotor voor het
drijven van de hulpcompressor, indien aanwezig, en van de reserve-
koelwaterpomp zijn opgesteld. Deze hulpmotor moet met de hand
kunnen worden aangezet.
Artikel 16
Voor nieuwe schepen of voor schepen, waarin een motor wordt Tekeningen
geplaatst, moeten van de volgende onderdelen en plannen tekeningen
in viervoud worden ingezonden:
Bijlage IX
(,a)
Asleiding. Deze tekening moet zijn voorzien van de volgende
opgaven: type, middellijn der cilinders, slag, aantal omwentelingen
per minuut, hoogste werkdruk, gemiddelde druk. middellijn en ge
wicht van het vliegwiel, middellijn van de schroef;
(ib) Schroefaskoker en bevestiging daarvan in de schroefsteven;
:
(c) Omkeerkoppeling;
(d) Motorfundatie;
(e) Inrichtingsplan voor de motorkamer;
(ƒ)
Lens- en ballastleiding, koelwaterleiding;
(g) Brandstofvoorraadtanks en dagtank;
(Ti)
Brandstof olieleiding;
(0
Luchtvaten, luchtleiding.
Artikel 17
Reser vedelen
De volgende reservedelen moeten voor voortstuwingsmotoren van
wingsmotoren" motorschepen, voor zover de delen bij de motor voorkomen, aan ,
anders dan voor boord aanwezig zijn:
zeilschepen.
g£n gloeikop voor elke twee cilinders;
Een compleet stel kleppen, kleppenhuizen, verstuivers, veren, enz.,
zich bevindend aan één cilinder. Bovendien nog een extra-verstuiver,
indien er meer dan drie cilinders zijn;
Een complete brandstofpomp, indien elke cilinder een eigen brand-
stofpomp heeft. Indien voor alle cilinders slechts één brandstot-
pomp aanwezig is, de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie jij
aan te wijzen delen van de brandstofpomp;
Een stel zuigerveren voor elke drie cilinders;
Een stel zuigerveren voor de compressor;
Een stel zuigerveren voor de spoelpomp;
Een ontlastklep;
Een stel kleppen voor de krukkast (carter);
Een half stel kleppen voor de spoelpomp;
Een stel compressorkleppen en -zittingen;
Een stel kleppen of stalen kogels voor de smeeroliepomp bij een
vermogen, dat 225 rempaardekrachten niet te boven gaat;
Een stel kleppen voor de koelwaterpomp;
Een stel kleppen voor de lenspomp;
(Indien beide pompen gelijk zijn, is één stel kleppen voldoende);
Een reservelamp voor elke twee cilinders;
Een perspijp van de brandstofpomp naar de verstuivers voor elke
3 cilinders;
Een stel krukpenmetalen;
Een stel krukpenmetalen voor de compressordrijfstang;
Een stel ringen met kogels voor het druklager;
Een stel krukpenmetalen voor de spoelpompdrijfstang;
Bijlage IX
Een zuigerpen met bus of metalen;
Een stel drijfstangbouten;
Een stel hoofdasmetaalbouten;
Een half stel koppelingbouten van elke soort;
Een stel afdichtingsringen van één cilinder;
Twee afdichtingsringen voor de krukkast;
Indien de spoelpomp een roterende pomp is, de nodige rotor-
onderdelen;
Een reserve-pomp, die de ingebouwde vloeistofdrukpomp kan ver
vangen, indien het omkeren van de draairichting van de schroef
geschiedt door middel van een vloeistofkeerkoppeling.
Artikel 18
De volgende reservedelen moeten voor motoren van zeilschepen voor motoren va
met hulpmotorvermogen, voor zover de delen bij de motor voor- z^schèpe^mS*
komen, aan boord aanwezig zijn:
huipmotorver-
c
i
-i
mogen
Een gloeikop;
Een stel zuigerveren;
Een brandstofklep compleet,
Een inlaatklep;
Een uitlaatklep;
Een ontlastklep;
Een half stel kleppen voor de krukkast;
Een stel kleppen of stalen kogels voor de brandstofpomp;
Een reservelamp;
Een stel kleppen voor de koelwaterpomp;
Een stel kleppen voor de lenspomp;
(Indien beide pompen gelijk zijn, is één stel kleppen voldoende);
Een half stel luchtaanzetkleppen;
Een volledig stel veren;
Een brandstofverstuiver voor elke twee cilinders;
Een stel drijfstangbouten;
Een perspijp van de brandstofpomp naar de verstuivers;
Een afdichtingsring voor elke twee cilinderdeksels;
Een afdichtingsring voor de krukkast.
Artikel 19
De volgende reservedelen moeten voor de hulpmotor van motor- Reservedelen
schepen, voor zover de delen bij de motor voorkomen, aan boord aan- motorvanmotör
Wezig Zijn:
schepen
Een gloeikop;
Een stel zuigerveren;
Een complete brandstofpomp, indien elke cilinder een eigen brand
stofpomp heeft. Indien voor alle cilinders slechts één brandstof
pomp aanwezig is, de door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
aan te wijzen delen van de brandstofpomp;
Bijlage IX
Een inlaatklep;
Een complete uitlaatklep met huis, enz.;
Een ontlastklep;
Een half stel kleppen voor de krukkast;
Een stel kleppen voor de koelwaterpomp;
Een volledig stel veren;
Een brandstofverstuiver;
Een reservelamp;
Een perspijp van de brandstofpomp naar de verstuivers;
Een stel drijfstangmetalen en -bouten.
Artikel 20
Gereedschappen
Op motorschepen moeten de volgende gereedschappen en voor-
voor motoren van raden voor de motoren aanwezig zijn:
motorschepen
stalen werkbank met bankschroef;
Sleutels voor alle moeren;
Een verstelbare sleutel;
Benodigde oogbouten;
Inrichting voor het beproeven van de branstofverstuiver;
Enig tap- en snijgereedschap;
Een Weston takel of soortgelijke takel met afmeting te bepalen
naar de grootte van de motor;
Een ratel met diverse boren en een boorbeugel met ketelklem;
Twee bankhamers en één voorhamer of vuist;
Drie platte, twee kant- en één olieloopbeitel;
Enige vijlen;
Een buigtang;
Een schroevendraaier;
Een soldeerbout met soldeer en soldeerwater;
Een goede electrische zaklantaarn;
Voldoende pakking;
Enig rood koperdraad;
Enige stukken plaatstaal en plaatkoper;
Diverse draadeinden;
Diverse bouten, moeren en sluitringen.
Artikel 21
Gereedschappen
Op zeilschepen met hulpmotorvermogen moeten de volgende ge-
voor°moatoren
reedschappen en voorraden voor de motoren aanwezig zijn:
van
zeilschepen
Sleutels voor alle moeren;
vermogen"110'01'
Een verstelbare sleutel;
Benodigde oogbouten;
Twee bankhamers en één voorhamer of vuist;
Een buigtang;
Bijlage IX
Twee platte beitels en één kantbeitel;
Twee vijlen;
Een schroevendraaier;
Een soldeerbout met soldeer en soldeerwater;
Diverse bouten, moeren en sluitringen;
Een goede electrische zaklantaarn;
Voldoende pakking.
BIJLAGE X
FILMCABINES EN -TOESTELLEN
Artikel 1
Soorten films
Voor de toepassing van de in de volgende artikelen gegeven voor
schriften worden de films verdeeld in „langzaam brandende films ,
welke voldoen aan de eisen voor brandveilige films, gegeven in het
Normaalblad N 1185 van de Hoofdcommissie voor de Normalisatie in
Nederland en „snel brandende films" welke daaraan niet voldoen.
Artikel 2
Wijze van ver-
1. Een filmtoestel, waarmede „snel brandende films" worden
tonen van films
vertoon(j, moet met toebehoren in een cabine zijn opgesteld.
2. „Langzaam brandende films" mogen met toestellen, niet op
gesteld in een cabine, worden vertoond.
Artikel 3
inrichting cabine
j _
Een cabine moet geheel van staalplaat zijn, zonodig geïsoleerd
door asbest of soortgelijk isolatiemateriaal.
2. De cabine moet voldoende groot zijn om het filmtoestel of de
filmtoestellen op te nemen, terwijl er voldoende ruimte voor het be
dienend personeel moet zijn, zodat de in lid 4 genoemde uitgang
gemakkelijk bereikt kan worden.
3. In de wand naar de ruimte voor de toeschouwers mogen ten
hoogste drie kleine openingen bij plaatsing van één filmtoestel en
vier bij plaatsing van twee filmtoestellen voor het doorlaten van de
stralen en voor uitzicht op die ruimte zijn aangebracht, welke door
dazen platen en door rookafsluitende stalen dekplaten moeten kun
nen worden afgesloten. Dit sluiten moet vlug kunnen geschieden,
zowel in de cabine als van de bovenbedoelde ruimte uit. De stalen
platen moeten verticaal sluitend zijn; in de ophanginrichting moet
een klein strookje filmband gemonteerd zijn, zodat bij doorbranden
de platen onmiddellijk worden gesloten.
4. De uitgang, afgesloten door een naar buiten openende stalen
deur moet zo mogelijk naar dek voeren. Kan dit niet direct geschie
den, 'dan moet een stalen sluis worden aangebracht. De deuren moe
ten automatisch sluiten.
5. De verlichting in de cabine moet electrisch zijn. Overigens
mogen slechts de noodzakelijke leidingen en electrische toestellen in
de cabine zijn aangebracht.
6. De cabine moet voldoende kunnen worden geventileerd.
Bijlage X
Artikel 4
1. In de cabine mogen uitsluitend voor het bedrijf noodzakelijke Toelating
toestellen, reservedelen, gereedschappen en films aanwezig zijn. Kle- wetoamhTden
ding mag daarin niet worden opgehangen.
in cabine
2. Personen, andere dan de filmoperateurs, mogen zich in de
cabine gedurende de voorstelling niet ophouden.
3. De terugwindtafel moet van onbrandbaar materiaal zijn ver
vaardigd. Filmplakmiddelen in een hoeveelheid van ten hoogste
0,1 liter, mogen aanwezig zijn, mits in een op de tafel bevestigde
goed gesloten fles of metalen bus.
Het terugwinden moet met de hand geschieden.
4. Bij gebruik van een filmtoestel mogen in de cabine of bij het
toestel slechts de voor de voorstelling nodige films worden geplaatst.
5. Elke film moet zijn verpakt in een doos of blik, gesloten blij
vend tot het ogenblik, waarop de film in het toestel moet worden
gebracht. Na gebruik moet de film dadelijk in de doos of in het blik
worden opgeborgen en de doos of het blik zijn gesloten, alvorens een
andere doos of een ander blik wordt geopend.
Artikel 5
Een projectietoestel voor „snel brandende films" met toebehoren Projectietoestel,
wordt slechts aan boord toegelaten, wanneer het voldoet aan de eisen, toebehoren
welke door het Brandweerwezen in Nederland voor gebruik in bios
copen zijn vastgesteld.
Artikel 6
1. De ruimte voor de toeschouwers moet ten minste twee uit- Toeschouwers-
gangen naar dek hebben, zo mogelijk gelegen aan tegenovergestelde ruimte
zijden daarvan. Deze uitgangen moeten een breedte hebben van 1.10
meter per 100 toeschouwers of gedeelten daarvan. Do deuren van
deze uitgangen moeten naar buiten opengaan.
2. Er mogen niet meer toeschouwers worden toegelaten, dan het
aantal zitplaatsen bedraagt.
Tussen de rijen zitplaatsen moet ten minste 75 centimeter ruimte
zijn van rugleuning tot rugleuning gemeten. De rijen mogen 15 zit
plaatsen hebben bij een gangpad ter weerszijden en 7 zitplaatsen, in
dien alleen een middengangpad aanwezig is. De breedte van de
gangpaden moet ten minste 75 centimeter bedragen. De rijen zit
plaatsen moeten vast op het dek worden bevestigd of aan elkander
zijn gekoppeld.
Wordt als toeschouwersruimte een ruimte gebruikt, die niet uit
sluitend voor het houden van filmvoorstellingen is ingericht, dan kan,
indien dit noodzakelijk is, van het vastzetten van de zitplaatsen in
rijen en het bevestigen daarvan aan dek, worden afgezien.
3. De verlichting van de ruimte moet als regel nabij het film
toestel worden ontstoken. Indien hieraan niet kan worden voldaan,
Bijlage X
moet gedurende de voorstelling een persoon bij de schakelaars post
vatten, om deze in geval van nood onmiddellijk te bedienen.
In de ruimte moet voldoende noodverlichting, onafhankelijk van
de gewone verlichting zijn aangebracht. De uitgangen moeten in het
bijzonder worden aangegeven. De noodkrachtbron of een accumula
torenbatterij moet tijdens de voorstelling bijstaan, zodat de nood
verlichting onmiddellijk kan worden ontstoken.
Artikel 7
Opstelling aan
gjj gebruik van een filmtoestel op het open dek moet gezorgd
worden voor een stevige afscheiding tussen toeschouwers en het toe
stel, zodat de toeschouwers op voldoende afstand van het toestel
blijven.
2. Bij het vertonen van „snelbrandende films" moet deze afschei
ding door een stalen scherm, voorzien van de nodige projectie- en
kijkvensters, worden gevormd, zodat de toeschouwers niet door
steekvlammen kunnen worden getroffen.
3. De opstelling moet zodanig zijn, dat een in brand geraakt toe
stel, en/of de voorraad films zonodig dadelijk over boord kunnen
worden gezet.
Artikel 8
Berging bij niet
Alle films moeten, behalve tijdens de voorstellingen, worden ge-
gebruik
borgen in een brandvrij af te sluiten stalen kast. Op deze kast moet
een stalen ventilatiekoker zijn aangebracht voor verbinding met de
open lucht, met een doorsnede van 10 vierkante centimeter voor elke
3.5 kilogram van de in de kast geborgen filmrollen. De koker moet
aan het buiteneinde door gaas zijn afgesloten, zodat geen stoffen van
buitenaf in de koker kunnen komen.
Artikel 9
Vertoning van
Wordt het projectietoestel voor vertoning van „langzaam
dlndeZfitos"ran' brandende films" in een toeschouwersruimte opgesteld dan moet
rondom behalve de gangpaden een ruimte van ten minste 1 meter
worden vrijgehouden.
2. Electrische leidingen naar het toestel moeten zodanig zijn aan
gebracht, dat de toeschouwers daarmede niet in aanraking kunnen
komen.
Artikel 10
Voorziening
1. Bij gebruik van filmtoestellen moet in de cabine, indien daarin
tegen brand
geen vaste watersproeiing is aangebracht, of in de onmiddellijke na
bijheid van een niet in een cabine opgesteld toestel, een emmer water
met natte dweil aanwezig zijn en bij een toestel met snelbrandende
films tevens een koolzuursneeuw- of methylbromideapparaat.
Bijlage X
Bovendien moet een brandslang met straalpijp voor onmiddellijk
gebruik in de nabijheid worden gereed gehouden.
2. In de cabine mag zich niets anders bevinden dan hetgeen voor
de bediening van het toestel nodig is.
Artikel 11
Filmtoestellen mogen slechts door personen, die met het gebruik pgrds'™™,d
en de te nemen voorzorgen volledig bekend zijn, worden bediend.
Gedurende het bedienen van de toestellen en het behandelen van de
films mag door hen niet worden gerookt.
BIJLAGE XI
REDDINGMIDDELEN
Artikel 1
Reddinggordels
Reddinggordels moeten van deugdelijke samenstelling, voor het
doel geschikt en goed onderhouden zijn.
2. Zij moeten zodanig vervaardigd zijn, dat zij het hoofd van de
gebruiker, wanneer deze buiten bewustzijn geraakt, boven water hou
den. Zij moeten binnenste buiten kunnen worden gedragen.
3. Reddinggordels, welke voorzien zijn van luchtkasten of welke
voor het gebruik moeten worden opgeblazen, mogen niet tot de uit
rusting van het schip behoren.
4. Reddinggordels moeten ten minste zoveel drijfvermogen heb
ben, dat zij in zoet water, zonder te zinken, gedurende 24 uur een
gewicht van 7,5 kilogram ijzer kunnen dragen.
5. Kinderreddinggordels (voor kinderen tot de leeftijd van 12
jaar) moeten aan binnen- en buitenzijde hetzij hel gekleurd, hetzij
voorzien zijn van een ongeveer 15 centimeter brede horizontale hel
gekleurde band, terwijl op de helle ondergrond in duidelijke zwarte
letters het woord „kind" moet zijn aangegeven.
6. De modellen moeten door het Hoofd van de Scheepvaart
inspectie zijn goedgekeurd.
Artikel 2
Reddingboeien
1. Reddingboeien moeten op deugdelijke wijze van massief kurk
of daarmede gelijkwaardig materiaal zijn vervaardigd; zij moeten
doelmatig en goed onderhouden zijn en zodanig zijn geverfd, dat zij
op het water duidelijk zijn te onderscheiden.
2. Reddingboeien, gevuld met biezen, kurkafval, kurkkorrels, of
enige andere korrelige stof zonder samenhang, zomede reddingboeien,
welke voor het gebruik moeten worden opgeblazen, mogen niet tot
de uitrusting van het schip behoren.
3. Reddingboeien mogen gesloten of hoefijzervormig zijn. Gesloten
reddingboeien moeten een inwendige middellijn van ten minste 45
centimeter hebben. Hoefijzervormige reddingboeien moeten zodanig
zijn verstijfd, dat bij de in lid 4 genoemde proef de wijdte van de
opening tussen 35 en 40 centimeter blijft.
4. Reddingboeien moeten voorzien zijn van een stevig aangebind-
selde, in bochten hangende grijplijn, terwijl elke reddingboei zoveel
drijfvermogen moet bezitten, dat zij, in zoetwater, zonder te zinken,
gedurende 24 uur een gewicht van 14,5 kilogram ijzer kan dragen.
Artikel 3
Klassen van
De boten worden verdeeld in reddingboten, zijnde open boten met
vaste boorden en uitsluitend in de boot aangebrachte luchtkasten en
Bijlage XI
gewone boten, zijnde open boten zonder middelen tot vergroting
van het drijfvermogen.
Artikel 4
1. Alle boten moeten behoorlijk van deugdelijk materiaal, volgens Eisen waaraan
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te geven aanwijzingen, J®ldb^a moelen
zijn gebouwd. Zij moeten van zodanige vorm en zodanige afmetin
gen zijn, dat zij bij zeegang een ruime mate van stabiliteit bezitten en
bij volle bezetting en volledige uitrusting, voldoende vrijboord hebben.
Gewone boten moeten met volle bezetting en volledige uitrusting een
minimum vrijboord van 30 centimeter hebben. Alle boten moeten zo
sterk zijn, dat zij zonder gevaar met volle bezetting en volledige uit
rusting te water kunnen worden gebracht. De ophangpunten in de
boten moeten zo zijn gelegen, dat de boten gemakkelijk vrij zwaaien
van de davits.
Alle boten moeten langs de buitenzijde voorzien zijn van een in
bochten hangende stevig aangebindselde grijplijn. De betimmering
in de boten moet zodanig zijn aangebracht, dat losse luehtkasten op
eenvoudige wijze kunnen worden weggenomen.
Alle boten moeten ter weerszijden tussen de glijspanten of de boots-
klampen over ongeveer 1,50 meter lengte zijn voorzien van kim-
kielen, die zodanig moeten zijn aangebracht, dat zij op generlei wijze
het te water brengen van de boten belemmeren. De kimkielen moeten
van enkele uitsparingen voor handgrepen zijn voorzien.
2. Alle boten moeten, tenzij de beschikbare ruimte aan boord niet
toelaat een boot van deze grootte te plaatsen, een inhoud van ten
minste 3,5 kubieke meter hebben.
Aan boord van passagiersschepen en schepen van 500 ton en meer,
geen passagiersschepen zijnde, moeten de reddingboten een lengte
van ten minste 7,30 meter hebben, tenzij het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie van oordeel is, dat het aan boord plaatsen van boten
van deze grootte onredelijk of onpraktisch is. De lengte mag nimmer
kleiner zijn dan 4,90 meter.
Boten, welke met volle bezetting en volledige uitrusting zwaarder
zijn dan 20 300 kilogram, zijn aan boord niet toegelaten.
Reddingboten moeten bij voorkeur voor en achter scherp zijn.
Reddingboten voor meer dan 60 personen moeten motorboten of met
de hand voortbewogen schroefboten zijn.
In de reddingboten moeten de onderblokken van de takels gemak
kelijk en vlug kunnen worden uitgehoekt, doch het uithoeken behoeft
niet gelijktijdig plaats te vinden.
3. Reddingboten moeten voldoen aan de volgende eisen:
het gemiddelde van de zeeg voor en achter moet ten minste gelijk
zijn aan 4 percent van de lengte;
de luehtkasten moeten zodanig zijn geplaatst, dat bij volle bezetting
en volledige uitrusting en onder ongunstige weersomstandigheden een
voldoende mate van stabiliteit verzekerd is; zij moeten van doelmatig
materiaal, bijvoorbeeld koper, doch niet van zink zijn vervaardigd en
waterdicht zijn; zij mogen van inschroefbare afsluitdoppen zijn voor
zien;
luchtkasten, ook indien zij vast zijn ingebouwd, mogen niet langer
zijn dan 1,25 meter;
bij houten boten moeten de luchtkasten een gezamenlijke inhoud
hebben van ten minste één tiende van de kubieke inhoud van de
boot; wanneer de boot bestemd is voor 100 personen of meer, kan
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een hoger percentage vast
stellen;
het drijfvermogen van een metalen boot moet ten minste gelijk
zijn aan dat, geëist voor een houten boot van dezelfde inhoud.
4. Alle doften en langsscheepse zitplaatsen moeten zo laag, als
practisch mogelijk is, zijn aangebracht; de buikdenningplanken moe
ten zo geplaatst zijn, dat de bovenkanten der doften er niet meer
dan 84 centimeter boven liggen.
Artikel 5
Motorredding-
1. Motorreddingboten worden verdeeld in twee klassen, A en B.
2. Motorreddingboten moeten voldoen aan de in artikel 4 voor
reddingboten gestelde eisen.
3. De gezamenlijke inhoud van de luchtkasten van een motor
reddingboot moet ten minste gelijk zijn aan die van een reddingboot
zonder motor, vermeerderd met een inhoud, waardoor het gewicht
van de motor met toebehoren, het zoeklicht en de radioinstallatie met
toebehoren wordt opgeheven en verminderd met 0,0283 kubieke meter
voor elke persoon, welke de boot meer zou mogen opnemen, indien
de genoemde uitrusting werd verwijderd.
4. De motor en zijn onderdelen moeten op doelmatige wijze
omkast zijn, zodat ook onder ongunstige weersomstandigheden de
goede werking is gewaarborgd. De schroef moet achteruit kunnen
werken.
5. Bij een boot van de klasse A moet de motor een goedgekeurd
type hogedrukmotor zijn, welke aan de boot met volle bezetting en
volledige uitrusting, in kalm water een snelheid van 6 zeemijlen per
uur kan geven. De brandstofvoorraad moet voldoende zijn om de
boot 24 uur onafgebroken te kunnen laten varen.
6. Bij een boot van klasse B moet de motor een goedgekeurd type
hogedrukmotor zijn, welke aan de boot met volle bezetting en vol
ledige uitrusting in kalm water een snelheid van 4 zeemijlen per uur
kan geven. De brandstofvoorraad moet voldoende zijn om de boot
12 uur onafgebroken te kunnen laten varen.
Bijlage XI |
Artikel 6
1. Een werktuiglijk voortbewogen schroefreddingboot, anders dan WerUuigHjk^
een motorreddingboot, moet voldoen aan de in artikel 4 voor red- Reddingboten"
dingboten gestelde eisen.
anders dan
motorboten
2. De gezamenlijke inhoud van de luchtkasten moet vermeerderd
worden, teneinde het gewicht van de voortbewegingsinrichting op te
heffen.
3. De voortbewegingsinrichting moet van een goedgekeurd type
zijn en moet voldoende kracht kunnen ontwikkelen om een boot met
volle bezetting en volledige uitrusting onmiddellijk na het tewater-
laten vrij van het schip te krijgen en in staat zijn de boot koers te
doen houden ook onder ongunstige weersomstandigheden. De in
richting moet aan de boot in kalm water een snelheid van ten minste
4 zeemijlen per uur kunnen geven en de boot ook achteruit kunnen
laten varen.
4. Als de boot met handkracht wordt voortbewogen, moet de in
richting door ongeoefende personen kunnen worden bediend en
kunnen werken, zodra de boot te water is, ook als zij volgelopen is.
Artikel 7
1. Onder „drijvende toestellen" wordt verstaan drijvend materiaal Drijvende toe-
niet bedoeld in de artikelen 1, 2 en 3, geschikt om personen die te stellen
water liggen drijvende te houden.
2. De afmetingen, sterkte en samenstelling van een drijvend toe
stel moeten zo zijn, dat het van de plaats waar het is geborgen,
zonder dat het beschadigd wordt, te water kan worden geworpen,
waarbij de vorm en andere eigenschappen behouden blijven. Het
moet voor het doel geschikt en stabiel zijn, op welke zijde het ook
drijft.
Luchtkasten of daarmede gelijkwaardige middelen voor het ver
krijgen van drijfvermogen moeten zo dicht mogelijk bij de zijden zijn
aangebracht; zij mogen niet voor het gebruik moeten worden op
geblazen.
Het toestel moet voorzien zijn van een rond de buitenzijde stevig
aangebindselde, in bochten hangende grijplijn en van een vanglijn
van ten minste 10 meter lengte.
3. Tenzij doeltreffende middelen zijn aangebracht om het toestel
zonder het met de hand te lichten te water te kunnen laten, mag
het niet zwaarder zijn dan 180 kilogram.
Artikel 8
1. De inhoud van een boot wordt bepaald met toepassing van de Berekening van
regel van Simpson.
boten10"11 Vaa
lijlage XI
Bijlage XI
De inhoud van een boot met platte spiegel wordt berekend alsof
de boot van achteren scherp toeloopt.
2. De inhoud in kubieke meters van een boot wordt uitgedrukt
door de formule:
1
Inhoud -
— x (4A + 2B + 4C),
12
waarbij 1 de lengte van de boot in meters is, gemeten van de
binnenzijde van de houten of metalen huid aan de voorsteven tot
het overeenkomstige punt aan de achtersteven. Bij een boot met platte
spiegel wordt de lengte gemeten tot de binnenkant van de spiegel.
A, B en C geven onderscheidenlijk de oppervlakten der dwarsdoor
sneden aan, op een vierde van de lengte 1 van voren, in het midden
van de lengte 1 en op een vierde van de lengte 1 van achteren
gerekend.
De oppervlakten A, B en C in vierkante meters, worden bepaald
door achtereenvolgens de volgende formule op elk der drie dwars
doorsneden toe te passen:
h
Oppervlakte = — (a + 4b + 2c + 4d + e),
12
waarbij h de holte in meters is, aan de binnenzijde van de houten
of metalen huid gemeten van de kiel tot de lijn van bovenkant dol-
boord, of in bepaalde gevallen tot een lagere hoogte als hierachter
aangegeven, a, b, c, d en e de horizontale wijdten der boot in meters
zijn, gemeten op de twee uiterste punten van de holte, alsmede op
de drie deelpunten, welke men verkrijgt bij deling van h in vier ge
lijke delen: a en e zijn de wijdten aan de uiteinden en c is die in het
midden van h.
3. Indien de zeeg van het dolboord, gemeten op twee punten,
gelegen op een vierde van de lengte van de uiteinden, meer bedraagt
dan een honderste van de lengte van de boot, moeten de holton,
welke gebruikt worden voor de berekening van de oppervlakte van
de dwarsdoorsneden A of C, gelijk worden gesteld aan de holte van
de boot in het midden, vermeerderd met een honderste van de lengte
van de boot.
4. Indien in het midden van de boot de holte meer bedraagt dan s
viif en veertig honderdsten van de grootste wijdte, moet de holte te
rrohmiWen vnnr de herekenine van de oppervlakte van de midscneepse |
Hr,r,r«nPH« R. on viif en veertig honderdsten van de wijdte worden ge
steld en de holte, te gebruiken voor de berekening van de oppervlakten
, j
j . a «*-«
«aUftpn r»rv
viprHft van de lenste van
van ae uuursncucn r\ tu
--
~
_ i_4
—Hr*r>r Hf» vnnr Hp doorsnede
voren en van acmeicn, VCIM^H WW.UVU,
B gebruikte holte te vermeerderen met een bedrag gelijk aan een hon
derdste van de lengte van de boot; de holten, welke voor de bereke-
Bijlage XI
ning van de oppervlakten A en C worden gebruikt, mogen de werke
lijke holten op die punten echter niet overschrijden.
5. Indien de holte van de boot meer bedraagt dan 122 centimeter
moet het aantal personen, dat krachtens artikel 9 volgt uit de naar
deze methode berekende inhoud, in evenredigheid met de verhouding
van 122 centimeter tot de werkelijke holte worden verminderd, tenzij
bij een proefneming met de boot te water met het genoemde aantal
inzittenden, allen voorzien van reddinggordels, een bevredigend resul
taat is verkregen.
6. Voor boten, welke voor en achter zeer scherp toelopen, of
welke een zeer volle vorm hebben, zal in elk bijzonder geval het toe
te laten aantal personen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
worden vastgesteld.
7. De inhoud van een motorboot wordt verkregen door de be
rekende inhoud te verminderen met de inhoud van de ruimte, inge
nomen door de motor met toebehoren en zo deze aan boord zijn, ook
met die, ingenomen door de radioinstallatie en het zoeklicht met toe
behoren.
8. De inhoud van een boot mag op 0,6 van het product van
lengte, breedte en holte worden bepaald, indien vaststaat, dat deze
niet groter is dan die welke op de in de vorige leden aangegeven
wijze zou zijn verkregen. De in dit lid bedoelde holte is dezelfde als
die, bedoeld in lid 2, doch de lengte wordt gemeten tussen de aan
snijding van de buitenzijde van de huid met de voorsteven en het
daarmede overeenkomende punt aan de achtersteven en de breedte
is de grootste breedte gemeten op buitenkant huid. Indien de holte
meer bedraagt dan 45 honderdsten van de breedte, mag slechts deze
waarde in rekening worden gebracht.
Artikel 9
1. Het aantal personen, dat een boot mag opnemen, wordt ver- Aantal personen
kregen door de inhoud in kubieke meters te delen door 0,283 met m redd'ngb0,en
verwaarlozing van breuken.
2. Indien blijkt, dat zonder het gebruik van de riemen of van de
werktuiglijke bewegingsinrichting te hinderen voor het gevonden
aantal personen geen behoorlijke zitplaatsen in de boot aanwezig
zijn, moet het in het vorige lid verkregen aantal worden verminderd.
3. Het verkregen aantal moet eveneens worden verminderd, in
dien bij geladen boot het vrijboord kleiner wordt dan in overeen
stemming is met hetgeen daaromtrent in artikel 4 is aangegeven.
Artikel 10
Het aantal personen, waarvoor een drijvend toestel ten hoogste Aantal personen
bestemd mag zijn, is het kleinste van de getallen, verkregen door het aan ^üvende
Bijlage XI
aantal kilogrammen ijzer, dat het toestel in zoet water kan dragen, te
delen door 14,5 en door de omtrek van het toestel in centimeters te
delen door 30,5.
Artikel 11
Nagaan van het
1. Bij de proef tot het nagaan van het minimum vrijboord, moeten
"oorcuTroefter de volledig uitgeruste boten bezwaard worden met een gewicht van
bepaling aantal ten minste 75 kilogram voor iedere persoon, welke zij geacht worden
boten.11™ m
te kunnen opnemen.
2. De proef tot het nagaan van het aantal personen, dat in een
boot kan plaats nemen, moet genomen worden met volwassen per
sonen, welke reddinggordels aan hebben.
Artikel 12
Merken van
j
afmetingen van ©en boot, alsmede het aantal personen,
reddingmiddelen waarv00r z|j bestemd is, moeten in duidelijk en blijvend schrift daar
op zijn aangegeven.
Alle boten moeten aan weerszijden op de boeg van de naam van
het schip zijn voorzien en zij moeten doorlopend zijn genummerd.
2. Het aantal personen, waarvoor een drijvend toestel bestemd is,
moet in duidelijk en blijvend schrift daarop zijn aangegeven.
3. Geen boot of drijvend toestel mag gemerkt zijn voor een
groter aantal personen, dan verkregen volgens de artikelen 9, 10
en 11.
Artikel 13
Uitrusting van
j
Reddingboten moeten zijn uitgerust met:
boten
(a) een riem per doft, twee waarloze riemen en één stuurriem,
anderhalf stel roeipennen of -dollen aan de boot bevestigd met ketting
of lijn, één bootshaak;
(/;) een roer met helmstok of stuurjuk met stuurrepen;
(c) één of meer masten met volledig zeiltuig, waarvan de zeilen
van voldoende grootte en oranje gekleurd zijn en het staand tuig
van gegalvaniseerd staaldraad is;
(d) een vanglijn en een achtereind, beide van voldoende sterkte en
lengte, eerstgenoemde met strop en knevel aan de boot vastgemaakt;
(e) twee doelmatige proppen voor elk propgat door lijn of ketting
aan de boot verbonden en, indien geen zelfwerkende kleppen aan
wezig zijn, een handpomp, een hoosvat en twee emmers,
(ƒ) twee bijlen;
(g) een voor gebruik gereed zijnde olielamp, olie voor 12 brand-
uren en twee waterdicht verpakte dozen stormlucifers;
Bijlage XI
( h ) een doelmatig drijfanker en een bus, inhoudende 4,5 liter
plantaardige of dierlijke olie, zodanig vervaardigd, dat de olie ge
makkelijk op het water kan worden gestort en zodanig ingericht, dat
zij aan het drijfanker kan worden vastgemaakt:
(/') een Nederlandse vlag, een misthoorn;
0') twee doeltreffende valscherm-signalen, die op grote hoogte
een helder rood licht geven, zes handstakellichten, die een helder
rood licht geven; twee drijvende rooksignalen, welke oranje gekleurde
rook verspreiden;
(k) een bruikbaar kompas met nachthuis en verlichting, dat op
stalen boten met de compensatiemiddelen op een vaste plaats moet
zijn opgesteld; een overzeiler van de oceaan, waarop het schip vaart
van tegen water bestand materiaal of waterdicht verpakt;
(0 een electrische zaklantaarn, geschikt voor het geven van morse
seinen met twee waarloze batterijen en twee waarloze gloeilampen,
een doelmatige spiegel tot het geven van seinen overdag;
(in) een zakmes met blikopener, met lijn aan de boot vastgemaakt;
(n) twee lichte werplijnen, welke op het water blijven drijven;
(o) een kistje, geschikt om de kleine uitrustingsartikelen op te
bergen, voorzien van het nodige gereedschap, reparatiemateriaal, zeil-
Plaat, naalden en garen en enige lijnen met vishaken;
(p) een luchtdichte kist, inhoudende één kilogram goedgekeurde
levensmiddelen voor ieder der personen, waarvoor de boot bestemd
is; zomede 0,5 kilogram gecondenseerde melk per persoon of daar
mede gelijkwaardige voedingsmiddelen;
(q) waterdichte vaten of tanken met akertjes met ketting van
roestvrij metaal, inhoudende drie liter zoetwater voor elk der per
sonen, waarvoor de boot bestemd is;
(r) een waterdicht verpakte verbandtrommel inhoudende:
10 gram mercurochroom 2 percent in flesje met penseel; 20 aspi-
rinetabletten a 0,5 gram; 50 pharmadrine tabletten; 50 atebrine- of
kimnetabletten; 50 gram sulfazalf in potje; 2 driekante doeken;
16 x 1,16 meter hydrophile gaas; 5 hydrophile windsels 6 centimeter;
5 hydrophile windsels 8 centimeter; 1 snelverband no. I; 2 snelver-
banden no. II; 1 meter Bismuth brandzwachtel; 5 x 10 gram ver
bandwatten; 1 rol kleefpleister, breed 2 centimeter, lang 1 meter; 1
pleister snelverband 4 centimeter; 1 pleister snelverband 6 centimeter
1 doosje veiligheidsspelden no. 1; 1 schaar, zomede buiten de trom
mel: 10 morphine comprimé's a 10 milligram (in handen van de
kapitein); bovendien in de sloep 2 spalkplanken van voldoende
lengte.
De losse inventaris, die niet in een kist of kast is geborgen, moet
op een geschikte plaats in de boot zeevast zijn gestuwd en deugdelijk
Bijlage XI
zijn gesjord. Zij mag noch het uithoeken van de blokken hinderen
noch het vlugge embarkeren bemoeilijken.
De bootshaak moet steeds voor gebruik gereed zijn.
2. Indien een reddingboot bestemd is voor meer dan 60 personen
moet zij voorzien zijn van een doelmatige inrichting om van uit het
water in de reddingboot te kunnen klimmen.
3. In aanvulling van het in lid 1 bepaalde moet een motorredding
boot twee bootshaken en enig motorgereedschap medevoeren. In af
wijking van het in lid 1 bepaalde behoeft in een motorreddingboot
slechts" een half stel riemen aanwezig te zijn. De hoeveelheid brand
stof, voorgeschreven in artikel 5, moet aan boord zijn.
4. Een motorreddingboot van de klasse A, indien vereist krachtens
artikel 58, lid 1 van het Schepenbesluit, moet voorzien zijn van een
radiotelegraaf-installatie en een zoeklicht.
De radio-installatie, welke moet voldoen aan de in bijlage XIII
gestelde eisen, moet zijn opgesteld in een ruimte, die groot genoeg is
om plaats te bieden voor de uitrusting en de persoon, die de instal
latie bedient.
.
De inrichting moet zodanig zijn, dat de goede werking van zender
en ontvanger niet wordt gestoord door het bijstaan van de motor,
ongeacht of deze al of met voor de landinrichting van de batterij
wordt gebruikt.
De radiobatterij mag geen stroom leveren aan een aanzetmotor
of ontstekingssysteem. De motor van de reddingboot moet voorzien
zijn van een dynamo voor het opladen van de radiobatterij en voor
eventuele andere doeleinden.
Het zoeklicht moet een lamp van ten minste 80 Watt hebben, een
doelmatige reflector en een krachtbron, welke in staat is om ge
durende een totale tijdsduur van 6 uur en gedurende ten minste 3 uur
onafgebroken te kunnen werken. Het zoeklicht moet een licht ge- i;
kleurd voorwerp met een breedte van 18 meter op een afstand van
180 meter duidelijk kunnen verlichten.
5
Op schepen, waarvan de reizen niet langer dan 24 uur duren,
kan de uitrusting genoemd in lid 1 onder (c), (m) en (p) worden
weggelaten, met dien verstande, dat 1 kilogram goedgekeurde levens
middelen per persoon aanwezig moet zijn.
6. In reddingboten aan boord van vissersvaartuigen, welke geene
reizen maken, die zich verder uitstrekken dan de Oostzee, dc Noord
zee tot de 61ste breedtegraad en tot de lijn Orkaden
Shetland-eilan-i
den in het Westen, het Kanaal, het Kanaal van Bristol, het St. George-
kanaal en de Ierse Zee tot de lijn Whitehead-Port Patnck in het
Noorden en in het Zuiden tot de lijn Carnsore Pt—Landsend—Kaap
St. Mathieu en op schepen, uitsluitend bestemd en gebruikt voor de
vaart over de Wadden, langs de mond van de Weser naar de Elbe en
door het Kaiser Wilhelmkanaal tot Kiel, behoeft het aangegevene m
lid 1, onder (c), 0') en (k) niet aanwezig te zijn.
.
Bijlage XI
7. Voor gewone boten kan de uitrusting beperkt blijven tot het
geen onder (a), (b), (d), (e), (ƒ), (g), (i), (p) en (q) van lid 1 van
dit artikel wordt genoemd, met dien verstande, dat één bijl voldoende
is.
Indien de reizen van de schepen zich uitstrekken buiten de vaart
langs de Oostkust van de Noordzee van Calais tot het Aggerkanaal,
zomede in de Oostzee tot de lijn Gothenburg—Frederikshaven, moet
bovendien de uitrusting onder (c) en (k) genoemd in lid 1, aan boord
zijn.
Artikel 14
1. Aan boord van passagiersschepen moet het aantal davits Wor- Davits en daar-
den geplaatst als aangegeven in kolom A van de tabel van artikel 16. bo°er.VaIn°boord
2. Het aantal stellen davits behoeft nimmer groter te zijn dan va,"
pasM8iers-
het aantal reddingboten, benodigd om ruimte te bieden voor alle SL eP<m
opvarenden.
3. Indien het noch praktisch uitvoerbaar, noch redelijk is het
aantal stellen davits, bedoeld in kolom A van de tabel van artikel 16,
te plaatsen, kan met een kleiner aantal stellen worden volstaan, met
dien verstande, dat dit aantal nimmer kleiner mag zijn dan het
minimum, vastgesteld in kolom B van de tabel van artikel 16.
4. Aan elk stel davits moet een reddingboot verbonden zijn. Indien
deze boten geen ruimte voor alle opvarenden bieden, moeten aanvul
lende stellen davits met daaraan verbonden reddingboten worden
geplaatst, voor zover dit praktisch uitvoerbaar is. Indien ook dan nog
geen voldoende ruimte om alle opvarenden in de boten op te nemen
is verkregen, moeten reddingboten onder de aan de davits verbonden
boten worden geplaatst.
5. In afwijking van het in de voorgaande leden bepaalde, kan aan
boord van passagiersschepen, die op korte internationale reizen wor
den gebezigd, indien de ruimte in de boten niet voldoende is om alle
opvarenden op te nemen en indien de schepen voldoen aan de in
artikel 6, lid 4, van bijlage II gestelde bijzondere eisen, worden toe
gestaan te volstaan met een bootruimte als aangegeven in kolom C
van de tabel van artikel 16. De ontbrekende ruimte moet vervangen
worden door plaats aan of op drijvende toestellen. De in lid 3 aan
gegeven vermindering van het aantal stellen davits mag toegepast
worden.
6. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan toestaan, dat voor
een schip de korte internationale reis wordt verlengd tot 1200 zee
mijlen, mits voor 75 percent van het aantal opvarenden plaats in de
reddingboten aanwezig is.
Artikel 15
1. Davits moeten van een goedgekeurd type en van een deugde- Middelen toi te
lijke uitvoering zijn. Zij moeten doeltreffend zijn geplaatst
water
brengen
der boten
Bijlage XI
2. Aan boord van passagiersschepen moeten de middelen voor het
te water brengen van boten, als davits, blokken en sloepstakels met
toebehoren, zo sterk zijn, dat de boten met volle bezetting en vol
ledige uitrusting, zelfs bij slagzij van ten hoogste 15 graden, veilig
te water kunnen worden gebracht.
3. De bewegingsinrichting van de davits moet zo sterk zijn, dat
de boten, uitsluitend bemand met de bedieningsmanschappen en ge
heel uitgerust, tegen de grootste slagzij in, waarbij de boten nog
kunnen worden gestreken, naar buiten kunnen worden gedraaid.
4. Aan boord van alle schepen met een lengte groter dan 46 meter,
moeten de davits voor reddingboten, welke volledig uitgerust een
gewicht van niet meer dan 4064 kilogram hebben, klapdavits of
zwaartekrachtdavits zijn en voor reddingboten met groter gewicht
zwaartekrachtdavits.
Radiaal- of spijkerdavits moeten zijn uitgerust met doelmatige
inrichtingen om het lichten uit de potten te voorkomen.
Aan boord van schepen van 500 ton en meer moeten laatstge
noemde davits voorzien zijn van een door het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie goedgekeurde bewegingsinrichting, welke werktuiglijk
óf met de hand moet kunnen worden behandeld.
5. Twee reddinglijnen van een lengte, welke bij de geringste
diepgang en een slagzij van 15 graden tot het water reiken, moeten
aan de middenleider zijn aangebracht.
6. De takels moeten van voldoende lengte zijn om de onder-
blokken tot op het water te kunnen overhalen, indien het schip bij
de geringste diepgang een slagzij van 15 graden heeft. Haken aan
onderblokken van takels zijn niet toegestaan.
7. Op schepen van 500 ton en meer, geen passagiersschepen zijnde
en aan boord van passagiersschepen moet bij elk stel davits één
doelmatige touwladder zijn aangebracht van zodanige lengte, dat
de geringste diepgang een slagzij van 15 graden heeft. Haken aan
15 graden tot het water reikt.
Artikel 16
Tabel aangevende
j
Het minimum aantal stellen davits en de minimum bootruimte
^Uenumdavks,ta' v00r passagiersschepen, als bedoeld in artikel 14, wordt gegeven in de
zomede de
ondervolgende tabel.
rui^"voor p'as-
2. Indien de lengte van het schip groter is dan 314 meter, wordt
sagiersschepen
j-,et minimum aantal stellen davits door het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie vastgesteld.
3. Indien de lengte van het schip kleiner dan 31 meter of groter
dan 168 meter is, wordt de minimum inhoud van de reddingboten,
bedoeld in kolom (C) door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
vastgesteld.
Bijlage XI
Lengte van het schip
Minimam aantal Kleiner aantal
Minimum inhoud gezamen-
volgens de meetbrief
stellen davits
stellen davits
lijke reddingboten in kubieke
in meters
(normaal)
bij uitzondering
meters voor passagiersschepen
toegestaan (zie
op korte internationale
artikel 14, lid 3)
reizen
(A)
(B)
(C)
31 en kleiner dan 37
2
2
11
37 „
„
„
43
2
2
18
43 „
„
„
49
2
2
26
49 „
„
„
53
3
3
33
5 3 „
„
„ 5 8
3
3
3 8
58 „
„
„
63
4
4
44
63
67
4
4
50
67 „
„
„
70
5
4
52
70 „
„
„
75
5
4
61
75
78
6
5
68
78
82
6
5
76
82
87
7
5
85
87 „
„
„
91
7
5
94
91
96
8
6
102
96 „
„
„ 101
8
6
110
101
107
9
7
122
107
113
9
7
135
113 „
„
„ 119
10
7
146
119
125
10
7
157
125
133
12
9
171
133 „
„
„ 140
12
9
185
140 „
„
„ 149
14
10
202
149 „
„
„
159
14
10
221
159
168
16
12
238
168
177
16
12
_
177 „
„
„ 186
18
13
186 „
„
„ 195
18
13
_
195 „
„
„ 204
20
14
_
204 „
„
„ 213
20
14
_
213
223
22
15
_
223 „
„
„ 232
22
15
_
232
241
24
17
_
241 „
„
„ 250
24
17
_
250
261
26
18
_
261 „
„
„ 271
26
18
_
271 „
„
„ 282
28
19
_
282
293
28
19
_
293 „
„
„ 303
30
20
_
303 „
„
„
314
30
20
—
BIJLAGE XII
REDDINGMIDDELEN AAN BOORD VAN PELGRIMS
SCHEPEN
EN
VAN
PASSAGIERSSCHEPEN,
WELKE
GROTE AANTALLEN PASSAGIERS, VOOR WIE GEEN
VASTE SLAAPPLAATSEN AANWEZIG ZIJN, IN
BEPAALDE GEBIEDEN VERVOEREN
HOOFDSTUK I
Artikel 1
Toepassing
Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen, gebezigd voor het
vervoer van pelgrims tussen havens aan de Rode Zee enerzijds en
Indonesië, India en Pakistan, Ceylon, Hongkong en de Straits Settle-
ments anderzijds, alsmede op schepen, welke bestemd zijn voor het
vervoer van meer dan 12 passagiers, terwijl voor grote aantallen
passagiers geen vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, op reizen tussen
Indonesië, India en Pakistan, Ceylon, Hongkong en de Straits bettle-
ments.
Artikel 2
Geldigheid van
Bijlage XI is op de in artikel 1 bedoelde schepen van toepassing
bijlage XI
met inachtneming van hetgeen in de volgende artikelen van dit
hoofdstuk nader is bepaald.
Artikel 3
Boten en davits
j. Schepen, niet gebezigd voor het pelgrimvervoer, moeten voor
anders6 dan ge-
zien zijn van 'het aantal stellen davits als aangegeven in kolom (A)
bezigd voor
van de tabel van artikel 6, met dien verstande, dat het aantal stellen
pelgrimvervoer
davits nje(. groter behoeft te zjjn dan het aantal reddingboten, nodig
om alle opvarenden te kunnen opnemen.
2. Aan elk stel davits moet een reddingboot zijn verbonden.
Indien de aan davits verbonden reddingboten geen voldoende ruimte
bieden voor alle opvarenden of de inhoud kleiner is dan die, aan
gegeven in kolom (D) van de tabel van artikel 6, moeten aan"
vullende reddingboten worden geplaatst. De gezamenlijke inhoud
daarvan moet zo groot zijn, dat hij met die van de onder davits
geplaatste boten groot genoeg is om alle opvarenden te kunnen
opnemen, zonder dat echter de inhoud, aangegeven in bovenge
noemde kolom (D), behoeft te worden overschreden. Indien alle
opvarenden niet in de boten kunnen worden opgenomen, moeten
voor de overblijvenden de nodige aanvullende reddingmiddelen
worden geplaatst.
3. Indien het noch praktisch uitvoerbaar, noch redelijk is het
schip uit te rusten met het aantal stellen davits, bedoeld in lid 1,
kan met een kleiner aantal stellen davits worden volstaan, met dien
Bijlage XII
verstande, dat dit aantal nimmer kleiner mag zijn dan het minimum
aantal volgens kolom (B) van de tabel van artikel 6 en dat de
gezamenlijke inhoud van de boten ten minste gelijk moet zijn aan de
minimum inhoud aangegeven in kolom (D) van die tabel.
Artikel 4
1. Op reizen tussen Hongkong en de Carolinen, Ladronen, de Bijzondere
Ellis en Gilbert eilanden, Guam, de Marshall en Pelim eilanden,relzen
behoeft in afwijking van het bepaalde in artikel 3, lid 2, de aan
vulling van de onder davits geplaatste reddingboten slechts te ge
schieden totdat de gezamenlijke inhoud van alle reddingboten ten
minste gelijk is aan die, aangegeven in kolom (F) van de tabel
van artikel 6.
2. Op reizen in de Golf van Bengalen en in de Andaman Zee
ten Noorden van de lijn Calimerepunt-Atjehhoofd-Penang behoeft,
in afwijking van het bepaalde in artikel 3, lid 2, de gezamenlijke
inhoud van de reddingboten slechts groot genoeg te zijn om 80
percent van alle opvarenden op te kunnen nemen zonder dat echter
de inhoud, aangegeven in kolom (F) van de tabel van artikel 6 be
hoeft te worden overschreden, terwijl slechts zoveel aanvullende
reddingmiddelen behoeven te zijn geplaatst als nodig is om voor 80
percent van het aantal opvarenden een plaats in een boot, of aan
een drijvend toestel te verzekeren.
3. Op reizen, waarop de schepen zich niet verder dan 200 zee
mijlen van het naastbijzijnde land verwijderen, gelden de bepalingen
van artikel 3 met dien verstande, dat voor kolom (D) de kolom (E)
van de tabel van artikel 6 in de plaats wordt gesteld en dat de in de
derde volzin van lid 2 van artikel 3 bedoelde inhoud slechts met
aanvullende reddingmiddelen behoeft te worden aangevuld, totdat
voor 80 percent van alle opvarenden een plaats in een boot of aan
een drijvend toestel is verzekerd.
4. Op reizen als bedoeld in het voorgaande lid binnen een ge
bied begrensd door een lijn lopende van een punt op de Westkust
van het Maleise Schiereiland op 10° Noorderbreedte langs de kust
van Azië tot een punt in Cochin China op 11° Noorderbreedte, dan
naar een punt op 8° Noorderbreedte en 110° Oosterlengte, verder
naar een punt op 8° Noorderbreedte en 125° Oosterlengte, ver
volgens naar een punt op de evenaar op 140° Oosterlengte, langs
de evenaar tot 160° Oosterlengte, vervolgens naar een punt op 11°
Zuiderbreedte en 170° Oosterlengte, verder naar een punt op 23°
30 Zuiderbreedte en 170° Oosterlengte, vandaar naar een punt op
23° 30' Zuiderbreedte en 160° Oosterlengte, vervolgens naar de
Oostkust van Kaap York op 11° Zuiderbreedte, van de Westkust
van Kaap York op 11° Zuiderbreedte naar Kaap Wessel en Wessel-
eüand, vervolgens langs de Australische kust naar Port Darwin
Bijlage XII
(Kaap Charles), vervolgens naar een punt op 10° Zuiderbreedte en
109" Oosterlengte, verder naar Christmaseiland, vervolgens naar
een punt op 2° Noorderbreedte en 94° Oosterlengte, vervolgens naar
een punt op 6° 30' Noorderbreedte en 94° Oosterlengte en ver
volgens naar het punt van uitgang, doch met uitsluiting van de
havens en plaatsen in het rechtsgebied van het Gemenebest van
Australië, behoeft de in de derde volzin van lid 2 van artikel 3
bedoelde inhoud slechts met aanvullende reddingmiddelen te zijn
aangevuld, totdat voor 60 percent van alle opvarenden een plaats
in een boot of aan een drijvend toestel is verzekerd.
Artikel 5
Vervoer van
l. Bij het vervoer van pelgrims op reizen naar en van havens
pelgrims
aan jg R0C|e zee gelden de voorschriften van artikel 3 met dien
verstande, dat in de leden 2 en 3 van dat artikel voor „kolom (D)
moet worden gelezen „kolom (F)".
2. Indien op de in lid 1 bedoelde reizen niet meer dan 12 passa
giers, voor wie vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, worden vervoerd,
moet bovendien in lid 1 van artikel 3 voor „kolom (A)
gelezen
worden „kolom (C)".
3. Indien op de in lid 1 en 2 bedoelde reizen de schepen zich
niet verder dan 200 zeemijlen van het naastbijzijnde land verwijde
ren, moet in de leden 2 en 3 van artikel 3 voor „kolom (D) gelezen
worden „kolom (E)".
Artikel 6
Tabel, aange-
1. Het minimum aantal stellen davits en de minimum bootruimte
lanfal
voor de in artikel 1 bedoelde schepen wordt gegeven in de onder-
daviis en boot- volgende tabel.
2. Het aantal stellen davits en de bootruimte van schepen, welke
kleiner of groter zijn dan in deze tabel aangegeven, worden door het
Hoofd van de Scheepvaartinspectie vastgesteld.
Bijlage XII
Lengte van het
schip in meters
volgens de meet
brief
Aantal stellen davits (normaal)
Minimum aantal stellen davits
(krachtens art. 3, lid 3)
Aantal stellen davits voor pel
grimsschepen, welke niet meer
dan
12 passagiers, voor wie
vaste slaapplaatsen aanwezig zijn,
vervoeren
Minimum inhoud van de gezamenlijke
reddingboten in kubieke meters
Voor andere reizen, dan
die waarop de schepen
zich niet verder dan 200
zeemijlen van het naast-
bijzijnde land verwijderen
Voor reizen, waarop de
schepen zich niet verder
dan 200 zeemijlen van het
naastbijzijnde land ver
wijderen
Voor schepen in bepaalde
gebieden en pelgrims
schepen
(A)
(B)
(C)
(D)
(E)
(F)
31 en beneden 37
2
2
2
22
9
11
37
43
2
2
2
28
12
15
43
49
2
2
2
35
17
22
49
53
3
2
2
42
22
28
53
58
3
2
2
54
26
33
58
63
4
4
4
62
31
38
63
67
4
4
4
75
37
46
67
70
5
4
4
88
42
52
70
75
5
4
4
103
46
58
75
78
6
4
4
116
52
65
78
82
6
4
4
127
57
72
82 „
„
87
7
4
4
140
69
86
87
91
7
6
6
157
80
101
91
96
8
6
6
171
93
117
96 ..
»
101
8
6
6
188
105
131
101 „
„
107
9
6
6
204
116
145
107
113
9
6
6
218
125
156
113 „
„
119
10
6
6
241
133
!66
119 »
••
125
10
8
8
265
144
181
125 „
„
133
12
8
8
296
156
195
133 „
„
140
12
10
8
327
170
212
140 „
„
149
14
10
8
361
185
231
149 „
„
159
14
10
10
392
201
251
159 „
„
168
16
10
10
424
217
271
168 „
„
177
16
12
12
461
—
—
177 „
„
186
18
12
12
496
—
—
186 „
„
195
18
12
12
537
—
—
195 „
„
204
20
14
14
574
—
—
204 „
„
213
20
14
14
613
—
—
Artikel 7
De hoeveelheid gecondenseerde melk, genoemd in artikel 13, lid 1 Uitrusting
onder (p) van bijlage XI, kan tot de helft worden teruggebracht met
dien verstande, dat het medevoeren geheel kan worden nagelaten
op reizen genoemd in artikel 4, lid 3.
HOOFDSTUK II
Artikel 8
Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen, gebezigd voor het ver- Toepassing
voer van grote aantallen passagiers, voor wie geen vaste slaapplaat
sen aanwezig zijn, tussen havens in de navolgende gebieden:
Bijlage XII
(a) de Caraïbische Zee, benevens een strook ter breedte van 30
zeemijlen aan de Noordzijde van de Grote Antillen en aan de Noord
en Oostzijde van de Kleine Antillen en voor reizen, waarop de schepen
zich niet verder dan 200 zeemijlen van het naastbijzijnde land ver
wijderen in een gebied, gelegen ten Westen van de lijn Ragged Point
(Barbados) naar de monding van de Surinamerivier;
(b) voor reizen, waarop de schepen zich niet verder dan 200 zee
mijlen van het naastbijzijnde land verwijderen langs de Westkust van
Midden- en Zuid-Amerika tussen havens, niet Noorderlijker gelegen
dan 13° Noorderbreedte en niet Zuidelijker dan Coquimbo;
(c) voor reizen, waarop de schepen zich niet verder dan 200 zee
mijlen van het naastbijzijnde land verwijderen langs de Westkust van
Afrika tussen havens niet Noordelijker gelegen dan Kaap Blanco en
niet Zuidelijker dan Mossamedes;
(d) de Rode Zee en de Golf van Aden bewesten de meridiaan
van 52° Oosterlengte, alsmede voor reizen, waarop de schepen zich
niet verder dan 200 zeemijlen van het naastbijzijnde land verwijderen
langs de Oostkust van Afrika niet Zuidelijker dan de haven van
Lourenzo Marqués.
Artikel 9
Geldigheid van
Bijlage XI is op de in artikel 8 bedoelde schepen van toepassing
bijlage XI
met jnachtneming van hetgeen in de volgende artikelen nader is be
paald.
Artikel 10
Boten en davits
schepen moeten voorzien zijn van het aantal stellen davits
doeid*ii^artikel 8_ als aangegeven in kolom (A) van de tabel in artikel 6, met dien ver
stande, dat het aantal stellen davits niet groter behoeft te zijn dan
het aantal reddingboten, nodig om alle opvarenden te kunnen op
nemen.
2. Aan elk stel davits moet een reddingboot zijn verbonden. In
dien de aan davits verbonden reddingboten geen voldoende ruimte
bieden voor alle opvarenden of de inhoud kleiner is dan die, aan
gegeven in kolom (D) van de tabel van artikel 6, moeten aanvullende
reddingboten worden geplaatst.
De gezamenlijke inhoud daarvan moet zo groot zijn, dat deze met
die van de onder davits geplaatste boten groot genoeg is om alle op
varenden te kunnen opnemen.
3. Indien op reizen, als bedoeld in artikel 8 onder (a), (c) en (d),
het noch praktisch uitvoerbaar, noch redelijk is de in het vorige lid
bedoelde aanvullende reddingboten te plaatsen, kan genoegen worden
genomen met een gezamenlijke inhoud van de reddingboten, welke
groot genoeg is om 80 percent van alle opvarenden te kunnen op
nemen, mits voor de overige opvarenden voldoende aanvullende
reddingmiddelen aanwezig zijn.
Bijlage XII
Indien de schepen zich op deze reizen niet verder dan 30 zeemijlen
van het naastbijzijnde land verwijderen, kan met een gezamenlijke
inhoud van de reddingboten, welke groot genoeg is om 60 percent van
alle opvarenden te kunnen opnemen, worden volstaan.
4. Indien het noch praktisch uitvoerbaar, noch redelijk is het
schip uit te rusten met het aantal stellen davits, als in lid 1 is voor
geschreven, kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een kleiner
aantal stellen davits toestaan, mits voldoende middelen aanwezig zijn
om de niet onder davits geplaatste boten veilig te water te brengen.
Artikel 11
Het medevoeren van de gecondenseerde melk, genoemd in arti- Uitrusting
kei 13, lid 1 onder (p) van bijlage XI, wordt niet geëist.
BIJLAGE XIII
RADIO-INSTALLATIES
Artikel 1
Omschrijvingen
Voor zover in deze bijlage of in enig uit het Schepenbesluit voort
vloeiend bijzonder voorschrift betreffende de radio sprake is van
bestaande of nieuwe (radio-) installaties — ongeacht of deze vast aan
boord zijn opgesteld dan wel (zoals draagbare radio-installaties) tot
de uitrusting van schip of sloepen behoren — zijn de volgende defini
ties van toepassing:
(a) een bestaande installatie is een installatie, welke zich reeds
aan boord van een schip bevindt op het tijdstip waarop het Schepen
besluit in werking treedt;
(b) een nieuwe installatie is een installatie, welke een bestaande
installatie vervangt of een welke na het in werking treden van het
Schepenbesluit wordt geïnstalleerd.
Artikel 2
radiostation^30
'' Het radiotelegraafstation moet, behalve aan de daaraan in
moéten1 voldoen artikel 82 van het Schepenbesluit gestelde eisen, aan de volgende
bepalingen voldoen:
(a) een betrouwbaar uurwerk, waarvan de wijzerplaat een middel
lijn moet hebben van ten minste 12,5 centimeter en voorzien van
een concentrische secondewijzer, moet op deugdelijke wijze in de
radiohut zijn aangebracht. De plaats van opstelling moet zodanig
zijn, dat de gehele wijzerplaat gemakkelijk en nauwkeurig door de
radiotelegrafist vanaf zijn zitplaats aan de toestellen en vanaf de
plaats waar het auto-alarmtoestel wordt beproefd, kan worden waar
genomen;
(b) in de radiohut moet permanent een betrouwbare noodver
lichting zijn aangebracht, welke voldoende verlichting waarborgt bij
de bediening en de controle van de hoofd- en noodinstallaties en van
het uurwerk genoemd onder (a);
(c) indien een afzonderlijke nood-radiohut aan boord aanwezig
is, moet voor deze radiohut voldaan worden aan het voorgeschrevene
in lid 4 van artikel 82 van het Schepenbesluit, benevens aan de voor
schriften onder (a) en (b) genoemd;
(d) tot de uitrusting moet behoren een draagbare extincteur met
een inhoud van ten minste 9 liter, gevuld met een de electrische stroom
niet geleidend brandblusmiddel, welk toestel in de onmiddellijke na
bijheid van de radiohut moet zijn opgehangen, zomede een dergelijke
extincteur met een inhoud van ongeveer één liter, welke in de radio
hut moet zijn opgehangen;
Bijlage XIII
(e) het moet zijn uitgerust met die reserve-onderdelen, gereed
schappen en controle-instrumenten, welke naar het oordeel van het
Hoofd van de Scheepvaartinspectie nodig zijn om buitengaats de
goede werking van de radiotelegraaf-installatie te onderhouden.
Bij de controle-instrumenten moet ten minste aanwezig zijn een
draaispoel-instrument dat is ingericht voor het meten van weer
standen, gelijk- en wisselspanningen en gelijkstromen.
2. Het radiotelefoonstation moet, behalve aan de daaraan in
artikel 82 van het Schepenbesluit gestelde eisen, tevens voldoen aan
de eis, dat het moet zijn uitgerust met een extincteur met een inhoud
van ongeveer één liter, gevuld met een de electrische stroom niet
geleidend brandblusmiddel, opgehangen nabij de radiotelefooninstal-
latie, tenzij deze in de radiohut is opgesteld, zomede met naar het
oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voldoende reserve
onderdelen en gereedschappen.
Artikel 3
1. Tenzij hierna uitdrukkelijk anders is bepaald,
Eisen, waaraan
de radiotelegraaf-
(а) moet de radiotelegraaf-installatie een hoofdinstallatie en een
nood-(reserve-)installatie omvatten, welke electrisch gescheiden en moe c
v
electrisch onafhankelijk van elkaar zijn;
(б) moeten een hoofd- en een noodantenne verstrekt en gehesen
zijn, met dien verstande, dat het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
een schip van de eis betreffende de nood-antenne kan vrijstellen, indien
hij van oordeel is, dat het aanbrengen van zulk een antenne onuit
voerbaar of onredelijk is; in een dergelijk geval echter moet een
reserve-antenne, volledig gereed om onmiddellijk ter vervanging
gebruikt te kunnen worden, aan boord medegevoerd worden. De
hoofdantenne moet op doeltreffende wijze zijn beschermd tegen
breuk, veroorzaakt door het zwiepen van de mast of van de masten;
(c) moet de hoofdinstallatie een hoofdzender, een hoofdontvanger
en een hoofdkrachtbron omvatten;
(d) moet de nood-(reserve-)installatie een noodzender, een nood-
ontvanger en een noodkrachtbron omvatten.
2. In bestaande installaties op vrachtschepen en nieuwe instal
laties op vrachtschepen van 500 ton en meer, doch minder dan 1600
ton, zijn, indien de hoofdzender en de hoofdkrachtbron voldoen aan
alle eisen voor de noodzender en de noodkrachtbron, deze laatsten
niet verplicht.
3. De hoofd- en de nood-(reserve-)installaties moeten snel kunnen
worden verbonden met hetzij de hoofdantenne, hetzij de noodantenne,
indien deze laatste aanwezig is.
4. De hoofd- en de nood-(reserve-)zenders moeten kunnen zenden
op de radiotelegraaf-frequentie en gebruik maken van een klasse van
uitzending, als in het Radio-Reglement in de middenfrequentieband
voor noodgevallen is voorgeschreven; zij moeten een modulatiediepte
Bijlage XIII
hebben van ten minste 70 percent. Bovendien moet de hoofdzender
ingericht zijn voor het zenden op de frequenties en met een klasse
van uitzending als in het Radio-Reglement in de middenfrequentie-
band ten behoeve van de veiligheid van de navigatie is voorge
schreven.
5. De hoofd- en nood-(reserve-)zenders moeten een toonfrequentie
hebben van meer dan 450 en van minder dan 1350 perioden per
seconde.
6. De hoofd- en nood-(reserve-)zenders moeten een minimum
normale reikwijdte bezitten als hieronder aangegeven; dat wil zeggen,
dat zij in staat moeten zijn over de aangegeven afstanden duidelijk
waarneembare seintekens van schip tot schip, bij dag en onder nor
male voorwaarden en omstandigheden, over te seinen.
Onder normale omstandigheden moeten seintekens duidelijk waar
neembaar kunnen worden ontvangen, als de effectieve waarde van
de veldsterkte bij de ontvang-inrichting ten minste 50 microvolt per
meter bedraagt.
Bij het ontbreken van een directe veldsterkte-meting kunnen de
volgende waarden als leidraad worden gebezigd om de normale reik
wijdte bij benadering te bepalen:
Normale reikwijdte
Meters-ampère
in zeemijlen
vermogen (watt)
200
128
200
175
102
125
150
76
71
125
58
41
100
45
25
75
34
14
50
25
8
Het getal onder het hoofd „Meters-ampère" geeft het product
weer van de maximumhoogte van de antenne boven de diepst af
geladen lastlijn in meters en de stroomsterkte in de antenne in
ampères (effectieve waarde).
Minimum normale reik
wijdte in zeemijlen
Hoofdzender Noodzender
Alle passagiersschepen, zomede vrachtsche
pen van 1600 ton en meer
150
100
Vrachtschepen van 500 ton en meer, doch
kleiner dan 1600 ton
100
75
Vrachtschepen kleiner dan 500 ton ....
50
—
Vissersvaartuigen
—
—
Bijlage XIII
7. (a) de hoofd- en noodontvangers moeten kunnen ontvangen
op de radiotelegraaf-frequentie en in de klassen van uitzending, zoals
deze in het Radio-Reglement in de middenfrequentieband voor nood
gevallen zijn voorgeschreven;
(b) bovendien moeten met de hoofdontvanger van de frequenties
en klassen van uitzending, waarmede tijdseinen, weerberichten en an
dere berichten betreffende de veiligheid van de navigatie worden uit-
geseind, die kunnen worden ontvangen, welke door het Hoofd van
de Scheepvaartinspectie noodzakelijk worden geacht;
(c) de ontvanger van het auto-alarmtoestel mag als noodont-
vanger worden gebezigd.
8. De hoofdontvanger moet voldoende gevoelig zijn om seinen
hoorbaar te maken in de hoofdtelefoons of door middel van een
luidspreker, zelfs indien de ingangsspanning van de ontvanger slechts
100 microvolt bedraagt. De noodontvanger moet dezelfde gevoelig
heid hebben, behalve in de gevallen, waarin een goedgekeurd auto
alarmtoestel als noodontvanger wordt gebruikt.
9. Gedurende de tijd, dat het schip buitengaats is, moet steeds
voldoende electrische energie beschikbaar zijn om de hoofdinstallatie
in staat te stellen de normale in lid 6 geëiste afstand te overbruggen,
alsmede om alle batterijen, deel uitmakend van de radiotelegraaf-
installatie, te laden. De spanning, waarop de hoofdinstallatie wordt
aangesloten, moet zo goed mogelijk gelijk worden gehouden aan de
nominale spanning en daarvan, voor zover praktisch uitvoerbaar, niet
meer dan 10 percent verschillen.
10. De nood-(reserve-)installatie moet voorzien zijn van een
krachtbron, die onafhankelijk is zowel van de voortstuwing van het
schip als van het scheepsnet.
Die krachtbron moet bij voorkeur bestaan uit accumulatorenbatte
rijen; zij moet onder alle omstandigheden snel in werking kunnen
worden gesteld en in staat zijn om de nood-(reserve-) zender en -ont
vanger onder normale omstandigheden gedurende ten minste zes
achtereenvolgende uren te doen werken, zulks naast het leveren van
energie ten behoeve van een of meer van de in de leden 11 en 12
genoemde extra belastingen.
11. De noodkrachtbron mag alleen worden gebezigd voor de
voeding van:
(a) de nood-(reserve-)installatie en de inrichting voor het auto
matisch uitzenden van het alarmsein, als aangegeven in lid 17;
( b ) de noodverlichting, als aangegeven in lid 1 van artikel 2;
(c) het auto-alarmtoestel;
(d) de richtingzoeker.
12. In afwijking van het bepaalde in lid 11 kan worden toege
staan, dat aan boord van vrachtschepen de noodkrachtbron wordt
Bijlage XIII
gebruikt tot het voeden van een klein aantal noodnetten voor zwak
vermogen, die geheel in het bovendeel van het schip liggen — bij
voorbeeld een noodverlichting op het sloependek — zulks op voor
waarde dat deze netten snel kunnen worden uitgeschakeld.
13. De noodkrachtbron en het daarbij behorende schakelbord
moeten gemakkelijk toegankelijk zijn en moeten, waar mogelijk, in
de onmiddellijke nabijheid van de radiohut zijn opgesteld.
14.
Buitengaats moeten de accumulatoren-batterijen, die deel uit
maken van de hoofdinstallatie, dan wel van de nood-(reserve-) instal
latie, dagelijks ten volle worden geladen.
15. De radiotelegraaf-installatie moet voorzien zijn van een in
richting, die, zonder omschakeling met de hand, de overgang van
zenden op ontvangen en omgekeerd mogelijk maakt.
16. Naast de middelen om het alarmsein met de hand uit te
zenden moet een seingever zijn aangebracht, welke geschikt is om
zowel met de hoofd- als met de nood-(reserve-)installatie het alarm
sein automatisch uit te zenden. Indien bedoelde seingever electrisch
is, zal deze moeten kunnen werken op de noodkrachtbron.
17. Buitengaats moet de noodzender, indien deze niet voor het
verkeer wordt gebruikt, dagelijks worden beproefd op een daarvoor
geschikte kunstantenne en ten minste éénmaal gedurende elke reis
op de noodantenne, als deze gehesen is.
Ook de noodkrachtbron moet dagelijks beproefd worden.
Artikel 4
Eisen waaraan de
j. De radiotelefonie-installatie moet, rekening houdend met het
st^iat^s'*<moeteiï hieromtrent in artikel 82 van het Schepenbesluit bepaalde, op radio-
voidoen
telefonie kunnen zenden en ontvangen op de daarvoor voorgeschreven
noodfrequentie en op ten minste nog één andere frequentie, volgens
het Radio-Reglement voor maritieme radiotelefoonstations beschik
baar in de midden-frequentieband. In normaal bedrijf moet de modu
latiediepte bij piekintensiteit ten minste 70 percent bedragen.
2. (a) de zender moet een minimum normale reikwijdte heb
ben van 150 zeemijlen, dat wil zeggen in staat zijn om over die af
stand van schip tot schip, bij dag en onder normale voorwaarden en
omstandigheden, duidelijk waarneembare signalen over te brengen.
Duidelijk waarneembare signalen moeten onder normale voorwaarden
en omstandigheden kunnen worden ontvangen, indien de effectieve
veldsterkte van de ongemoduleerde draaggolf ter plaatse van het
ontvangtoestel ten minste 25 microvolt per meter bedraagt.
Bij het ontbreken van veldsterktemetingen mag worden aange
nomen, dat deze reikwijdte wordt verkregen bij een antennevermogen
van 15 watt (ongemoduleerde draaggolf) en een antenne-rendement
van 27 percent.
Bijlage XIII
(b) Op niet-verplicht gestelde radiotelefonie-installaties is de
sub (a) gestelde eis betreffende de minimum normale reikwijdte,
niet van toepassing.
3. De ontvanger moet een gevoeligheid hebben, die voldoende is
om een inkomend signaal met een sterkte van slechts 50 microvolt
door middel van een luidspreker te ontvangen.
4.
Buitengaats moet op elk moment een krachtbron beschikbaar
zijn van voldoende vermogen om de installatie over de in lid 2 ge-
eiste normale reikwijdte te doen werken. Indien batterijen aanwezig
zijn, moeten deze voldoende capaciteit hebben om de zender en de
ontvanger onder normale bedrijfsomstandigheden gedurende ten
minste zes uren onafgebroken te voeden. Een noodkrachtbron moet
in het bovendeel van het schip zijn opgesteld, tenzij de hoofdkracht
bron reeds aldaar geplaatst is.
5. Buitengaats moeten de batterijen in geladen toestand worden
gehouden, teneinde te voldoen aan de in lid 4 gestelde eisen.
Artikel 5
De richtingzoeker moet, rekening houdend met het in artikel 76, Eisci?waaraan de
lid 5, van het Schepenbesluit bepaalde, aan de volgende eisen voldoen: moetTvowSn
( a ) het toestel moet doeltreffend zijn en geschikt om seinen te
ontvangen met een minimum ontvanger-ruis, zomede om peilingen te
nemen, waaruit de ware peilingen en juiste richting kunnen worden
afgeleid;
(b) de richtingzoeker moet vrij zijn van mechanische en/of elec-
trische storingen, welke de goede werking beïnvloeden;
(c) het toestel moet seinen kunnen ontvangen op de frequenties,
welke in het Radio-reglement in de middenfrequentieband zijn toe
gekend voor noodgevallen, voor het nemen van peilingen en voor
de maritieme radiobakens;
(d) bij afwezigheid van storingen moet het toestel een gevoelig
heid hebben voldoende om nauwkeurige peilingen te nemen, zelfs
indien de veldsterkte der ontvangen tekens slechts 50 microvolt per
meter bedraagt.
Artikel 6
Elk nieuw type auto-alarmtoestel, dat na de datum van inwer- Eisen waaraan de
kingtreding van dit besluit toegelaten wordt, moet aan de volgende au<?-a,armtof
ninimum-voor waarden voldoen:
volden m
™
( a ) bij afwezigheid van storing van welke aard ook moet het
toestel, zonder bijregeling met de hand, in werking worden gesteld
door elk alarmsein, uitgezonden op de radiotelegrafische nood-
frequentie met de klasse van uitzending als voor de middenfrequen-
:ieband in het Radio-Reglement voor het alarmsein is vastgesteld
ap voorwaarde, dat de frequentie niet meer dan 8 kp/s afwijkt van
Bijlage XIII
de nominale frequentie en de sterkte van het sein bij de ingang van
de ontvanger groter is dan 100 microvolt en kleiner dan 1 volt;
( b ) bij afwezigheid van storing van welke aard ook moet het
toestel in werking worden gesteld door 3 of 4 opeenvolgende
strepen, indien de duur daarvan ligt tussen 3,5 seconde en een
waarde zo dicht mogelijk bij 6 seconden en de duur van de tussen
ruimte tussen de strepen ligt tussen 1,5 seconde en de laagst be-
reikbare waarde, die bij voorkeur niet kleiner moet zijn dan 10
milliseconden;
(c) het toestel mag niet in werking worden gesteld door lucht-
storingen of door enig signaal anders dan het alarmsein, mits de
ontvangen seintekens in feite niet een signaal vormen, dat binnen
de in (b) aangegeven tolerantiegrenzen valt;
( d ) de selectiviteit van het toestel moet zodanig zijn, dat binnen
de band van 8 kp/s aan weerszijden van de noodfrequentie de ge
voeligheid nagenoeg eenzelfde waarde heeft en buiten deze band i
een gevoeligheid, welke zo snel mogelijk afneemt, een en ander
overeenkomstig de stand van de techniek;
(e) zo mogelijk moet het toestel bij aanwezigheid van lucht-
storingen of van storende signalen zichzelf automatisch regelen,
opdat het binnen een redelijk korte tijd weder nabij de instelling i
komt, waarbij het toestel het alarmsein het gemakkelijkst kan onder- ij
scheiden;
(f) wanneer het toestel in werking wordt gesteld door een alarm-i
sein of als gevolg van een defect in het toestel, moet het een onaf
gebroken hoorbare waarschuwing geven in de radiohut, in de hut
van de chef-radiotelegrafist en op de brug. Indien mogelijk moet
die waarschuwing ook worden gegeven, ingeval een willekeurig
onderdeel van het gehele auto-alarmontvangsysteem defect is. Slechts
één schakelaar mag aanwezig zijn om het waarschuwingssem te
doen ophouden en deze moet zijn aangebracht in de radio u ,
(g) teneinde het auto-alarmtoestel regelmatig te kunnen be
proeven, moet het toestel voorzien zijn van een op de noodfrequentie
afgestemde generator en een sleutelinrichting, met behulp waarvan
een alarmsein van de minimale sterkte, als aangeduid onder (a), kan
worden gegeven;
(h) het toestel moet bestand zijn tegen trillingen, vochtigheid en
temperatuursverschillen, overeenkomende met die welke onder on
gunstige omstandigheden aan boord van een schip op zee worden
aangetroffen en het moet onder dergelijke omstandigheden blijven,
werken.
Artikel 7
.
1
De radiotelegraaf-installatie, vereist in artikel 13, lid 4, van
radlo-uitrusüng" bijlage XI, moet kunnen zenden en ontvangen op de radiotelegraaf-
dfngboten'moêt frequentie als in het Radio-Reglement in de middenfrequentiebanc.
voldoen
i
Bijlage XIII
voor noodgevallen is voorgeschreven. De zender moet in een klasse
van uitzending kunnen werken als in het Radio-Reglement in de
middenfrequentieband voor noodgevallen is voorgeschreven en moet
gemoduleerd worden tot een diepte van ten minste 70 percent. De
ontvanger moet de in het Radio-Reglement in de middenfrequentie-
band voor noodgevallen voorgeschreven klassen van uitzending
kunnen ontvangen. De zender moet eveneens kunnen seinen op de
hoge frequentie en in de klasse van uitzending als in het Radio-
Reglement voor reddingmiddelen is voorgeschreven.
2. De toestellen moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat zij in geval
van nood door een ongeoefende kunnen worden bediend.
De zender moet voorzien zijn van een automatische seingever
voor het uitzenden van het alarmsein en van het noodsein en van
een seinsleutel voor het zenden met de hand.
3. Een vaste antenne met de middelen om deze op de grootst
bereikbare hoogte op te hangen moet zich aan boord bevinden.
Bovendien moet, indien zulks praktisch uitvoerbaar is, een antenne,
gedragen door een vlieger of een ballon, aan boord aanwezig zijn.
4. De zender moet op de noodfrequentie een minimum normale
reikwijdte, als omschreven in lid 6 van artikel 3, hebben van 25 zee
mijlen, bij gebruikmaking van de vaste antenne.
Bij het ontbreken van een veldsterktemeting mag worden aange
nomen, dat deze reikwijdte wordt behaald, indien het product van
de hoogte van de antenne boven de waterlijn en de stroomsterkte
in de antenne tenminste 10 meters-ampère bedraagt.
5. De toonfrequentie moet liggen tussen 450 en 1350 perioden
per seconde.
6. De radiotoestellen moeten worden gevoed door middel van
een accumulatorenbatterij van voldoende capaciteit om de zender
onder normale bedrijfsomstandigheden onafgebroken gedurende vier
uren te doen werken. Indien de batterij van een type is, dat moet
worden geladen, dienen de middelen aanwezig te zijn om zulks
vanuit het scheepsnet te doen geschieden. Bovendien moeten de
nodige middelen aanwezig zijn om de batterij te laden, nadat de
reddingboot te water is gelaten.
7. Wanneer de radiotoestellen en het zoeklicht worden gevoed
vanuit dezelfde batterij, moet deze van voldoende capaciteit zijn om
ook in de extra belasting door het zoeklicht te kunnen voorzien.
8.
Buitengaats moet een bevoegd radiotelegrafist wekelijks de
batterij ten volle laden en moet hij in ieder geval de zender be
proeven onder gebruikmaking van een passende kunstantenne.
Artikel 8
1. De in artikel 66 van het Schepenbesluit voorgeschreven draag- Eisen waaraan de
bare radiotoestellen moeten kunnen zenden en ontvangen op de
vad'°"
frequentie voor radiotelegrafie en in een klasse van uitzending als reddingboten
Bijlage XIII
in het Radio-Reglement in de middenfrequentieband voor noodge
vallen is voorgeschreven. De modulatiediepte moet ten minste 70
percent bedragen. Het toestel moet tevens kunnen zenden op de
hoge frequentie en in de klasse van uitzending als voor redding
middelen in het Radio-Reglement is voorgeschreven.
2. De toestellen moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat zij ingeval
van nood door een ongeoefende kunnen worden bediend. De zender
moet voorzien zijn van een automatische seingever voor het uit
zenden van het alarmsein en van het noodsein, alsmede van een sein-
sleutel voor het seinen met de hand.
3. De toonfrequentie moet liggen tussen 450 en 1350 perioden
per seconde.
4. De toestellen moeten gemakkelijk draagbaar en waterdicht
zijn en in zeewater kunnen drijven; zij moeten zonder onklaar te
raken van het dek af in zee kunnen worden geworpen.
5. De zender moet ten minste 10 watt leveren aan de anode van
de eindtrap en bij voorkeur worden gevoed door middel van een
handdynamo. Indien batterij-voeding wordt toegepast, moeten de
batterijen van een duurzaam type en van voldoende capaciteit zijn.
6. Tot de uitrusting behoort een antenne, hetzij zelfdragend, hetzij
geschikt om zo hoog mogelijk aan de mast van de reddingboot te
worden opgehangen.
7. Buitengaats moet een bevoegd radiotelegrafist wekelijks de
batterij (indien deze van een type is, dat lading vereist) ten volle laden
en moet hij in ieder geval de zender beproeven onder gebruikmaking
van een passende kunstantenne.
Artikel 9
Eisen navigatie-
Navigatie-radar-installaties moeten voldoen aan de volgende eisen»
radar-instaiiaties
^
toestel moet werken met een panoramascherm.
2. Frequentie. De installatie moet werken in een der frequentie
banden, daartoe aangewezen in het Radio-Reglement.
3
Bereik. Indien opgesteld op een schip van 1600 ton en grote|i
moeten de installatie en hare opstelling zodanig zijn dat onder gun
stige omstandigheden een duidelijke aanwijzing wordt verkregen van -
( a ) kustlijnen op een afstand van 20 zeemijlen bij een hoogte vai r
de grond van ten minste 60 meter en van 7 zeemijlen bij een hoogt;
van ten minste 6 meter;
( b ) een vrachtschip van 5000 ton op 7 zeemijlen, een stalen zee
vissersvaartuig met een lengte van 10 meter op 3 zeemijlen en eei
ijzeren lichtboei van 10 kubieke meter inhoud op 2 zeemijlen.
Indien opgesteld op een schip van minder dan 1600 ton zal zovee|
mogelijk aan bovenstaande eisen moeten worden voldaan.
Bijlage XIII
4.
Minimum bereik. Het minimum bereik van de installatie moet
zodanig zijn, dat onder gunstige omstandigheden kleine doelen (bij
voorbeeld boeien) op een afstand van 100 meter van de installatie
zichtbaar blijven.
5. Afstandsnauwkeurigheid en Afstandsonderscheiding.
(a) Inrichtingen moeten aanwezig zijn, waarmede de afstand tot
enig doel met een fout, niet groter dan 5 percent van het gebezigde
schaalbereik, kan worden gemeten. Deze nauwkeurigheid moet tot
een minimum van 300 meter verzekerd zijn.
(b) De installatie moet, ingesteld op het kleinste schaalbereik,
over de gehele schaal twee kleine doelen, die vanaf de installatie in
dezelfde peiling liggen en 100 meter van elkander verwijderd zijn,
duidelijk als twee afzonderlijke doelen weergeven.
6. Peilingsnauwkeurigheid en peilingsonderscheiding.
Co)
De installatie moet zodanig zijn ingericht, dat de peiling van
elk doel gemakkelijk en snel bepaald kan worden. Indien het doel
zich aan de rand van het ingestelde bereik bevindt, mag de peilings-
fout niet groter dan 2° zijn.
(h) Bij gebruik van „3 centimeter radar" moet de installatie op
gelijke afstand daarvan gelegen doelen duidelijk als twee afzonderlijke
doelen aangeven, indien hun azimuthverschil 3° en hun onderlinge
afstand ten minste 60 meter bedragen.
Bij gebruik van „10 centimeter radar" worden die hoek en die af
stand onderscheidenlijk 4° en 80 meter.
7. Vertikale bundelbreedte. De vertikale bundelbreedte moet mini
maal 12
bedraeen. De hoek wordt gemeten in een vertikaal vlak
tussen twee stralingsrichtingen, waarin het maximum vermogen tot
de helft is afgenomen.
8. Aantal omwentelingen. Het aantal omwentelingen van het an
tennesysteem mag per minuut niet minder dan 6 bedragen.
9.
Zeilstreepaanduiding. De installatie moet zodanig zijn inge
richt. dat desgewenst de richting van de kiellijn, gerekend in voor
waartse zin met een fout van ten hoogste 1,5° op het beeld wordt
aangegeven.
10. Beeldgrootte. Het bruikbare deel van het reële of virtuele
beeld op het panoramascherm moet, hetzij met, hetzij zonder toe
passing van optische vergrotingsmiddelen, een diameter van ten
minste 12 centimeter hebben.
11. Schaalbereik. De installatie moet ten minste 3 schaalbereiken
hebben, waarvan de maxima gelegen zijn onderscheidenlijk tussen
*
3.' 5—15 en 20—60 zeemijlen. Wanneer de installatie 4 schaal
bereiken heeft, moeten de maxima tussen 1—2, 3—5, 8—15 en 20—60
zeemijlen gelegen zijn. De maxima worden geacht ook de grens-
»etallen in te sluiten.
Bijlage XIII
12. Inbedrijfstelling en bediening.
(.a) De installatie moet vanaf de plaats waar de hoofdindicator
zich bevindt ingeschakeld en bediend kunnen worden.
(b) De installatie moet zodanig ingericht zijn, dat bij normale
bediening geen gevaar voor de installatie of voor het bedienend
personeel bestaat.
(c) Indien de voorwarmingstijd voor de gehele installatie meer
dan 5 minuten bedraagt, moet een afzonderlijke schakelaar zijn aan
gebracht, waarmede de installatie na ten minste gedurende 5 minuten
te zijn voorgewarmd, binnen 45 seconden tot volledige werking kan
worden gebracht.
13. Stroomvoorziening.
(a) De installatie moet bevredigend werken bij spanningswijzi
gingen van ten hoogste 10 percent van de nominale spanning.
(b) Indien de installatie rechtstreeks door het wisselstroomnet
wordt gevoed, moet zij bevredigend werken, bij al of niet gelijk
tijdige spanningswijzigingen van ten hoogste 10 percent en frequentie
wijzigingen van ten hoogste 5 percent van de normale frequentie van
het scheepsnet.
( c ) De installatie moet met behulp van veiligheden, relais eni
dergelijke, afdoende beveiligd zijn tegen het optreden van te hoge
spanningen of stromen.
14. Electrische en magnetische storing.
(a) De installatie moet zodanig geconstrueerd en opgesteld zijn,
dat het gebruik van de radio en van de navigatiemiddelen daarvan
geen storing ondervindt en dat de installatie zelf niet door de aan
boord aanwezige radio-installaties wordt gestoord.
(.b) De installatie mag onder geen omstandigheden een schadelijke
invloed op de werking van de kompassen uitoefenen.
15. Hinderlijke geluidsstoringen. De geluidsstoringen afkomstig
van enig deel van de installatie moeten beperkt blijven tot een waarde
die de uitoefening van de dienst aan boord geen hinder veroorzaakt
16
Toegankelijkheid. Alle delen van de installatie moeten vooi
inspectie en voor het verrichten van reparatiewerkzaamheden gemak
kei ijk toegankelijk zijn. De delen, die een normale levensduur vai
minder dan 1500 uur hebben, moeten gemakkelijk vervangen kunneiji
worden.
17. Reserve-onderdelen en gereedschappen.
(a) Van alle onderdelen met een normale levensduur van minde
dan 1500 uur moet ten minste 25 percent van de in de installatu
aanwezige onderdelen, met een minimum van één, als reserve aai
boord aanwezig zijn.
Bijlage XIII
(b) Van bijzondere gereedschappen, nodig voor het uitvoeren van
normale werkzaamheden aan de installatie, moet van elk ten minste
één exemplaar aanwezig zijn.
(c) Bij elke installatie moet een volledige beschrijving (werking
en schema's) en een bedieningsvoorschrift aanwezig zijn.
Artikel 10
1. Voor zover in de voorafgaande artikelen van deze bijlage Reservé-
radiotoestellen zijn genoemd, welke niet behoren tot de eigenlijke onderdelen
radiotelegraaf- of -telefooninstallatie en waarbij niet in het bijzonder
is aangegeven, dat daarvoor reserve-onderdelen en gereedschappen
aan boord dienen te worden medegevoerd, moeten de in artikel 2,
lid 1 (e) en lid 2 van deze bijlage respectievelijk voor radiotelegraaf-
en -telefoonstations voorgeschreven reserve-onderdelen en gereed
schappen tevens die omvatten, welke naar het oordeel van het Hoofd
van de Scheepvaartinspectie voor het buitengaats onderhouden van
de goede werking van bedoelde radiotoestellen nodig zijn.
2. Deze bepaling geldt mede ten aanzien van niet in deze bijlage
genoemde radiotoestellen, welke als niet-voorgeschreven uitrusting aan
boord van een schip zijn geplaatst.
BIJLAGE XIV
GENEES-, HEEL-, ONTSMETTINGS- EN VERBAND
MIDDELEN
Artikel 1
Toepassing
Aan boord van schepen, waarop geen geneeskundige gemonsterd
is, moeten de in de in artikel 8 opgenomen lijst genoemde:
I. middelen voor inwendig gebruik;
II. middelen voor uitwendig gebruik;
III. ontsmettingsmiddelen;
IV. verbandmiddelen;
V. verplegingsartikelen,
ten minste in hoeveelheden, als daarin vermeld, met de daarbij be
horende aanwijzingen, aanwezig zijn.
Artikel 2
Berging
1. De in artikel 1 bedoelde middelen moeten, hetzij in kisten, ver
vaardigd van goed droog hout van ten minste 1 centimeter dikte,
met koperen houtschroeven, hetzij in daarvoor ingerichte kasten of
ruimten (scheeps- of stuurmansapotheken) zijn geborgen.
2. Deze kisten, kasten of ruimten moeten aan de buitenzijde dui
delijk met een groen kruis zijn gemerkt.
Artikel 3
Scheiding der
De in artikel 1 onder I en II genoemde middelen moeten geschei-
verschiiiende
den worcjen bewaard van die, onder III en IV aangegeven. Aan
boord van vissersvaartuigen en kleine schepen mogen de middelen
gezamenlijk in één kist worden bewaard, mits zij door een houten
tussenschot zijn gescheiden.
Artikel 4
Nummering der
i. Op de verpakking van de in artikel 1 onder I, II en III ge-
noemde middelen moet het nummer volgens de in artikel » opge-
Lattn/cbcna-
nomen lijst zijn aangebracht. Een afschrift van deze lijst moet goed
ming
bevestigd in de kisten, kasten of ruimten aanwezig zijn.
2
Op de etiketten, aanwezig op de verpakking der middelen,
moeten ten behoeve van in het buitenland te raadplegen geneeskun
digen, zoveel mogelijk naast de Nederlandse, de Latijnse benamingen
zijn vermeld.
Artikel 5
Opium- en mor-
Opium- en morphinepreparaten moeten door een apotheker zijl
phinepreparaten
aeleverd hetgeen uit een merk op de verpakking duidelijk moet blij
ken. Deze preparaten zijn in de lijst der voorgeschreven middeler
Bijlage XIV
met een kruisje aangegeven. Zij moeten steeds in een gesloten ruimte
worden geborgen, waarvan de sleutel onder bewaring moet zijn van
de persoon, die door de kapitein met de zorg voor de apotheek is
belast.
Artikel 6
1. Behalve de in artikel 1 vermelde middelen, die steeds aan boord Aanvullende
moeten zijn, mogen in verband met de aanwezigheid van verplegend middelen
personeel of met de aard der reis andere genees-, heel-, ontsmettings-
en verbandmiddelen en verplegingsartikelen worden medegenomen,
indien de aanwijzing daarvan op verzoek van of na overleg met de
eigenaar van het schip door een bevoegd geneeskundige is geschied.
2.
De in lid 1 bedoelde middelen en artikelen moeten voorkomen
op een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie vast te stellen
lijst, welke op verzoek van de eigenaar kan worden aangevuld.
3. Ten aanzien van deze middelen en artikelen zijn alle hierboven
genoemde voorschriften omtrent berging, verpakking en aanschaffing
van toepassing.
Artikel 7
Voor alle aan boord aanwezige genees-, heel-, ontsmettings- en Handleiding
verbandmiddelen en verplegingsartikelen, zowel de in artikel 1 voor-
geschrevene als de facultatieve, bedoeld in artikel 6, moet steeds een
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie aangewezen handleiding
voor het gebruik van deze middelen en artikelen aan boord zijn.
Artikel 8
1. De als bijlage hierachter opgenomen lijst geeft afzonderlijk de Lijst van midde-
middelen en artikelen aan, welke aan boord van vissersvaartuigen ^en
(A), aan boord van schepen van 500 ton en minder (B), aan boord
van schepen van elke grootte op reizen met een kortere duur dan
twee etmalen (C) en van schepen van meer dan 500 ton, waarvan de
reis langer duurt (D), moeten worden medegenomen.
2. Onder verblijfdagen in deze lijst wordt verstaan het product
van het aantal dagen van de vermoedelijke duur van de reis en het
aantal opvarenden met een maximum van 2000.
Soort
Nummers
Benaming
Samenstelling
Verpakking
Hoeveelheden voor
o Zeevissers-
w
vaartuigen
q Schépen van 500
3 ton en minder
^ Schepen waarvan
O
de reis korter dan
w
twee etmalen duurt
Schepen van meer dan
500 ton met reizen van
langere duur dan twee
etmalen. Voor iedere 50
verblijfsdagen en
gedeelten daarvan
(D)
I. Middelen voor inwendig gebruik
Purgeermiddelen
1
Wonderolie
Oleum Ricini fles
250 g
100 g
—
15 g met kleinste hoeveel-
heid van 100 g
2
Engels zout
Sulfas Magnesicus fles
500 g
100 g
100 g
5 g met kleinste hoeveel
heid van 100 g
3
Cascara tabletten
Tab. Extracti Cascarae
buisje
30 st.
—
—
2 st. met kleinste hoeveel-
sagradae sicci C.M.N. 0,130 g van
heid van 50 st
10 st.
Stopmiddelen
4
Bismuth tabletten
Tab. Nitratis Bismuthici fles
30 st.
20 st.
20 st.
1 st met kleinste hoeveel-
basici 0,500 g
heid van 20 st.
5 X
Laudanum
Tinct. Opii crocata fles
20 g
10 g
—
y2 g met kleinste hoeveel-
met
heid van 10 g
druppe
laar
Malariamiddelen
6
Kinine tabletten
Tab. Hydrochloratis
Chinini fles
—
—
5 st. met kleinste hoeveel-
°.250 S
heid van 50 st.
7
Paludrine tabletten
Tab. Paludrini 0,100 g fles
—
—
_
1 st. met kleinste hoeveel
heid van 20 st.
Koortsmiddel
8
Acetylsalicylzuurtabletten Tab. Aeidi Acetylosalicylicil fles
30 st.
20 st.
20 st.
1 st. met kleinste hoeveel-
\
Uf Aspirine tabYeueiv
\ 0,500 g
V
V
V
V
Weid \ian 20 st.
7^
/ 12 / Anifssp/ritus
/ Solutlo j\mmon/ao sp/rltuostt/ Hes
/ SO g
/ JO g
/
—
/ / g met k/e/nste hocvccl-
j
/
/ anisata
/
/
/
/
/bei<* van ^0 g
Maagmiddelen
/ 13 / Maagzout
/ Bicarbonas Natricus
/ fles
J 50 g
25 g
/
—
/ 5 g met kleinste hoeveel-
/
/
/
heid van 50 g
14
Maagpoeder
Pulvis Oxydi Magnesici 80 % fles
—
—
—
5 g met kleinste hoeveel-
Bicarb. Natrici
heid van 50 g
15
Zoutzuur druppels
Acidum Hydrochloricum fles
—
—
—
5 g met kleinste hoeveel-
dilutum
met
heid van 50 g
druppe
laar
Maag- en ingewands- 16
Kooltabletten
Tab. Carbonis adsorbentis
buisje
20 st.
20 st.
20 st.
5 st. met kleinste hoeveel-
middel
0,500 g
van
heid van 20 st.
20 st.
Bacillaire Dysenterie- 17
Sulfaguanidine tabletten
Tab. Sulfaguanidini 0,500 g fles
—
—
—
2 st. met kleinste hoeveel-
middel
heid van 40 st.
Amoeben Dysenterie- 18
Yatrenpillen (Chiniofon)
Pil. Meditreni 0,250 g fles
—
—
—
2 st. met kleinste hoeveel-
middelen
van
heid van 50 st.
50 st.
19
Enterovioformtabletten
Tab. Iodochloro-oxychinolini buisje
—
—
—
2 st. met kleinste hoeveel-
0,250 g et Sapamini 0,025 g
van
heid van 40 st.
20 st.
Gonorrhoemiddel en
20
a. Sulfa tabletten op
Tab. Sulfapyrimidini 0,500 g fles
20 st.
20 st.
20 st.
2 st. met kleinste hoeveel-
middel tegen long-
basis van Sulfapyrimidine
heid van 40 st.
ontsteking, belroos
e.a.
b. Dubbelkoolzure soda- Tab. Bicarb. Natrici 0,500 g fles
20 st.
20 st.
20 st.
2 st. met kleinste hoeveel-
tabletten
heid van 40 st.
Penicilline preparaten 21
Penicilline
Penicilline 300 000 I. E. fles
5 st.
10 st.
10 st.
1 st. met kleinste
in koelruimte bij ±
f
hoeveelheid van 20 st.
4° C te bewaren
Depocilline
Penicilline a Novocaini fles
5 st.
10 st.
10 st.
1 st. met kleinste
300 000 I. E.
hoeveelheid van 20 st.
Bicilline
Penicilline G natr fles
5 st.
10 st.
10 st.
1 st. met kleinste
100 000 I. E.
hoeveelheid van 20 st.
*
I
I
tü
P*
OQ
O
X <
5?
OQ
CO
X <
Soort
Nummers
Benaming
Samenstelling
Verpakking
Hoeveelheden voor
o Zeevissers-
w
vaartuigen
q Schepen van 500
3 ton en minder
^ Schepen waarvan
O
de reis korter dan
twee etmalen duurt
Schepen van meer dan
500 ton met reizen van
langere duur dan twee
etmalen. Voor iedere 50
verblijfsdagen en
gedeelten daarvan
(D)
Braakmiddel
22
Ipecacuanha tabletten
Tab. Pulver. Radicis Ipeca-
buisje
10 st.
—
—
1 st. met kleinste hoeveel-
cuanhae 0,500 g
van
heid van 20 st.
10 st.
Zenuw- en slaap-
23
Valeriaandruppels
Tinct. Valerianae fles
met 10 g
—
—
1 g met kleinste hoeveel-
middelen
druppe-
heid van 10 g
laar
24
Broomtabletten „Erlen-
Tab. Brometorum 0,500 g
buisje
—
—
—
1 st. met kleinste hoeveel-
meyer"
van
heid van 30 st.
30 st.
Middel tegen
25
Multivitamine tabletten
Tab. Multivitamini fles
—
—
5 st. met kleinste hoeveel-
Vitaminegebrek
heid van 50 st.
Oogmiddelen
II. Middelen voor uitwendig gebruik
Zalf
26
Sulfaoogzalf
Oculentum c.
Tube
10 g
10 g
10 g
1 g met kleinste hoeveel-
Sulfamethylpyrimidino 1 g
van
heid van 10 g
Adip Lanae 1 g
10 g
Paraff. liq. 2 g
Vas. alb. 6 g
Oogwassing
27
Boorwater
Collyrium Acidi Borici 3 % fles
500 g
500 g
500 g
50 g met kleinste hoeveel-
F.M.N.
heid van 500 g
Oogdruppels
28
Zinksulfaat oogdruppels
Solutio Sulfat. Zincici y4 % druppel-
—
—
—
2% g met kleinste hoeveel-
\
\
\ in Aqua destiüata
\ flesje
\
\
\
\ heid van 20 g
W otv&poe&er
\ 29 \ DettnaXoVpoedet
\ GaUas "BvsmuOaicus basvcus \ fles
\ 30 g \ 30 % \ 30 g,
\
g, met kVe'msXe Yvoevee\-
\
\
\
\
\
\
\
\
vaxv 50 &
~y — 7"~7
——-—
\ \
^ *
Wondmiddelen
/ 33 / Jodium tinctuur 2 % of
/ Solutio Jodil Spirituosa 2 % /druppel-/20 g
/ lO &
f iO g
/ ,'{• u met kleinste hoe vee I-
j
/ Desogen 2 %
J of Solutio Desogen 2 %
j Hesje
/
/
/
/ heid van 10 g
/
/
/
'n
34
Boorzalf
/ Ungt. c. Acid Boric 10 g tube
50 g
50 g
50 g
I 5 g met kleinste hoeveel-
/
/ Vaselin. alb. et Lanolino aa van
/
heid van 50 g
ad 100 g
50 g
35
Boorzuurtabletten
Tab. Acidi Borici 1 g fles
—
—
—
5 st. met kleinste hoeveel
heid van 50 st.
36
Zinkzalf
Ungt. Oxydi Zincici 10 %
tube
—
—
—
5 g met kleinste hoeveel-
van
heid van 50 g
50 g
Middel tegen steen-
37
Ichthyolzalf
Ungt. Ichthyoli
tube
50 g
50 g
50 g
5 g met kleinste hoeveel-
puisten
van
heid van 50 g
50 g
Middel tegen Rode
38
Rodehondwassing
Liq. Faberi c. Mentholo fles
—
—
_
25 g met kleinste hoeveel-
Hond
C.M.N.
heid van 500 g
Middel tegen oorpijn 39
Oordruppels
Guttae auriculares c. Anti- druppel- 10 g
10 g
10 g
3/2 g met kleinste hoeveel-
pyrino C.M.N. II flesje
heid van 10 g
Middel tegen neus-
40
Neusdruppels
Guttae nasales c. Ephedrino druppel-
—
—
—
y2 g met kleinste hoeveel-
verkoudheid flesje
heid van 10 g
Middel tegen schurft 41
Neo-Scabicidol
Emulsum c. Hexachlor- fles
—
—
—
10 g met kleinste hoeveel-
cyclohexano % %
heid van 100 g
Huidreinigingsmiddel 42
Brandspiritus
Spiritus methylatus 85 % fles
—
—
—
25 g met kleinste hoeveel
heid van 200 g
Middel tegen kiespijn 43
Kruidnagelolie
Oleum Caryophyllorum
druppel- 5 g
5 g
5 g
y2 g met kleinste hoeveel-
flesje
heid van 10 g
Middel tegen door-
44
Kamferspiritus
Solutio Camphorae Spirituosa fles
100 g
100 g
—
25 g met kleinste hoeveel-
liggen en bij bevriezen
heid van 500 g
Middel tegen winter- 45
Glycerine
Glycerinum fles
250 g
250 g
—
50 g met kleinste hoeveel-
handen enz.
heid van 500 g
Huidmiddel
46
Talk Speksteenpoeder
Talcum fles
of
—
—
—
50 g met kleinste hoeveel-
strooi-
heid van 500 g
bus
S
ST
CTQ O
X
<
tt
HT
CTQ
O
X
HH <
Soort
Nummer
Benaming
Samenstelling
Verpakking
Hoeveelheden voor
o Zeevissers-
w
vaartuigen
g Schepen van 500
S ton en minder
^ Schepen waarvan
O de reis korter dan
twee etmalen duurt
Schepen van meer dan
500 ton met reizen van
langere duur dan twee
etmalen. Voor iedere 50
verblijfsdagen en
gedeelten daarvan
(D)
Middel bij insecten-
47
Ammonia
Ammonia liquida fles
100 e
?0 v
9n<»
i „
11 • • u
beten en steken van
lwg
g
20 g
1 g met kleinste hoeveel-
zeekwallen en riek-
heid van 20 g
middel
III. Ontsmettingsmiddelen
Ontsmettings-
48
Kresolzeepoplossing
Liquor Kresoli saponatus fles
9c„ __t
. . .
,
middelen
—
—
25 g met kleinste hoeveel
heid van 200 g
49
Creoline
Creolinum C.M.N. fles
0,
....
,
"C!>
—
—
25 g met kleinste hoeveel
heid van 200 g
Middel tegen
50
D.D.T. poeder 10 %
Pulvis c. Dichloor-Diphenyl- fles
50 g
50 e
50 q
W m^t n • • u
i
ongedierte
Trichlooraethano 10 %
g
g
? Smet kleinste hoeveel-
/0
heid van 50 g
5
OQ
O
X <
/
/
/
/ Schepen
Benaming
/
Eenheid
/
/
Schepen
/ waarvan de /
Schepen van meer dan 500 ton met reizen
/
Zeevissers-
van 500
reis korter /
van langere duur dan twee etmalen.
/
vaartuigen
ton en
dan twee
/
Voor iedere 50 verblijfsdagen en gedeelten
/
minder
etmalen
I
daarvan
duurt
j
(A>
(B)
(C)
I
(D)
IV. Verbandmiddelen
Verbandwatten
carton van
300 g
200 g
200 g
50 g met kleinste hoeveelheid van 200 g
100 g
Hydrophilegaas
pakje van
'Am'
—
—
1/8 ms met kleinste hoeveelheid van W m!
y4 ma
Hydrophilegaas
pakje van
2 m'
lm»
lm2
1/16 ma met kleinste hoeveelheid van 1 m'
16xl/16m'
Hydrophilegaas-windsel, 5 m lang, 6 cm breed
rol
5 st.
5 st.
2 st.
1/20 st. met kleinste hoeveelheid van 5 st.
Idem, 5 m lang, 10 cm breed
rol
5 st.
5 st.
2 st.
1/20 st. met kleinste hoeveelheid van 5 st.
Cambric-windsel, 5 m lang, 5 cm breed
rol
5 st.
5 st.
2 st.
1/20 st. met kleinste hoeveelheid van 5 st.
Idem, 5 m lang, 10 cm breed
rol
5 st.
5 st.
2 st.
1/20 st. met kleinste hoeveelheid van 5 st.
Vingersnelverband
pakje
4 st.
4 st.
4 st.
1/20 st. met kleinste hoeveelheid van 4 st.
Snelverband no. 1 (klein)
pakje
3 st.
3 st.
1 st.
1/3 st. met kleinste hoeveelheid van 1 st.
Snelverband no. 2 (middelsoort)
pakje
2 st.
2 st.
1 st.
1/3 st. met kleinste hoeveelheid van 1 st.
Snelverband no. 3 (groot)
pakje
1 st.
1 st.
1 st.
1/3 st. met kleinste hoeveelheid van 1 st.
Driekantige doek met en zonder figuren
en
pak
6 st.
6 st.
1 st.
1/4 st. met kleinste hoeveelheid van 6 st.
Nederlands bijschrift
(1 met fig.) (1 met fig.)
(met fig.)
(1 met fig.)
Vingerling met bandjes
stuk
1 st.
1 st.
1 st.
1/3 st. met kleinste hoeveelheid van 3 st.
Pleister wondverband (Hansaplast, Brocaplast
rol
1 st.
1 st.
1 st.
1/10 st. met kleinste hoeveelheid van 1 st
etc.) 1 m lang, 4 cm breed
Idem, 1 m lang, 6 cm breed
rol
I
—
—
—
1/10 st. met kleinste hoeveelheid van 1 st.
a
CTQ
CD
X
HH <
Hoeveelheden voor
Schepen
Benaming
Eenheid
Schepen
waarvan de
Schepen van meer dan 500 ton met reizen
Zeevissers-
van 500
reis korter
van langere duur dan tv/ee etmalen,
vaartuigen
ton en
dan twee
Voor iedere 50 verblijfsdagen en gedeelten
minder
etmalen
daarvan
duurt
(A)
(B)
(C)
(D)
Oogverband (gebreid)
stuk
—
—
—
1/10 st. met kleinste hoeveelheid van 1 st.
Caoutchouc hechtpleister, lang 5 m, breed
rol
1 st.
1 st.
1 st.
1 st. in totaal
114 cm
Veiligheidsspeld van roestvrij metaal, in ver-
pakje
12 st.
12 st.
12 st.
1 st. met kleinste hoeveelheid van 12 si.
schillende grootten
Spalk (houten), in verschillende lengten tot
stel
—
—
—
1 stel in totaal
40 cm
Gegalv. draadspalk (Cramer), 80 cm lang
2 st. in ar-
—
—
—
2 st. in totaal
tonnen doos
Vette watten in rol 2 m lang, 10 cm breed
rol
4 st.
2 st.
2 st.
1/4 st. met kleinste hoeveelheid van 2 st.
Engels pluksel van % m
opgerold
1 st.
1 st.
1 st.
1/10 st. met kleinste hoeveelheid van 1 st.
in pakje
Billroth-batist 1 m lang, 25 cm breed
opgerold
1 st.
—
—
1/10 st. met kleinste hoeveelheid van 1 st.
in pakje
V. Verplegingsartikelen
Verbandschaar
I stuk
I 1 st.
I 1 st.
II st.
I 1 st. in totaal
Koortsthermometer
1 stuk
I 1 st.
I 1 st.
I 1 st.
I 3 st. in totaal
Anatomisch pincet
\
( 1 In
\
—
1
—
1
—
1 \
Sp\mtevpmcet
1
\\ bouten
\
—
\
—
\
—
\f
\ ToestvtAi me\aa\ '. \
\
\
\
\ ( ^
m totaa\
OYv\T\xt%^s>dc\& «Scvasec
Sjpf/atcr'pi'aiJee
/" j'üa
jfs xr.
1
1
11 - •
Mnnncrt urinaal
I stuk
/
—
/
—
/
—
/1 st. in totaal
Ondersteek
/ stuk
/
—
/
—
/
—
1 st. in totaal
Glycerine-spuitje
doosje
—
—
—
2 st. in totaal
Wondagraves met pincet, roestvrij metaal
etui
—
—
—
1 st. in totaal
Gummi handschoenen
in metalen
—
—
—
3 paar in totaal
of houten
doosje met
talkpoeder
Houten keelspatels
doosje met
10 st.
10 st.
—
100 st. in totaal
of pakje
van 10 st.
VI. Diverse benodigdheden
Medicijnflessen 100—500 cc met bijbehorende
stuk
—
5 st.
—
25 st. in totaal
kurken
Witte en blauwe etiketten
stuk
—
10 st. van
—
25 st. van elke kleur in totaa.
elke kleur
Geneeskundige Gids aan boord (Boonacker)
handleiding
—
—
—
1 st. in totaal
Geneeskundige Hulp aan boord (Boonacker)
handleiding 1 st.
1 st.
1 st.
5
p*
OQ
O
X <
HT
(ÏQ
CD
X
HH
C
BIJLAGE XV
HULPMIDDELEN TER VOORKOMING VAN AANVARINGEN
Artikel 1
Toepassing
De hulpmiddelen nodig om te kunnen voldoen aan de bepalingen
ter voorkoming van aanvaringen op zee moeten voldoen aan de vol
gende eisen.
Artikel 2
Constructie van
]
Voor de constructie van de lantaarns gelden de navolgende
lantaarns
eisen:
(a) de lantaarn moet voldoende sterk zijn en van roestvrij metaal
zijn vervaardigd. De naden moeten goed gesoldeerd zijn, zodat geen
water in de lantaarn kan komen;
(b) de afmetingen van de lantaarn moeten zodanig zijn, dat door
de warmteontwikkeling van de lichtbron geen kans bestaat op sprin
gen van glazen of lenzen. De hoogte van de opstaande zijden van
top- en boordlantaarns moet ten minste 25 centimeter bedragen, van
hek- en ankerlantaarns ten minste 20 centimeter;
(c) lantaarns, behalve de bollantaarns, moeten voorzien zijn van
een lens;
(id) de lenzen moeten helder zijn en van goede kwaliteit, zonder
luchtblaasjes of bobbels;
2
( a ) Bij petroleumlantaarns moet de luchttoe- en -afvoer zo
danig zijn, dat de lichtbron niet slechter gaat branden, gedoofd wordt
of walmt.
(b) De oliebak mag niet lekken; hij moet voldoende groot zijn
om de lantaarn zonder bijvullen, gedurende ten minste 16 uren op
volle vlamhoogte te doen branden.
(c) De oliebak moet, wanneer hij in goede stand staat ten op
zichte van de hoek, waarover de lantaarn moet schijnen, opgesloten
worden door de deur, zodat het niet mogelijk is, dat hij met gesloten
deur verschuifbaar is.
(d) De petroleumlantaarns, behalve de rondschijnende, moeten
voorzien zijn van een reflector.
(e) De petroleumbranders behoren rondbranders te zijn.
3. (a)
Bij eleetrische verlichting mogen slechts lamphouders
voor lampen met bajonet-voet gebruikt worden.
(b) De fittinghouder moet, wanneer hij in goede stand staat ten
opzichte van de hoek, waarover de lantaarn moet schijnen, opge
sloten worden door de deur, zodat het niet mogelijk is, dat hij met
gesloten deur verschuifbaar is.
Él
Bijlage XV
(c) Gloeilampen moeten zijn voorzien van een staand filament
van ten minste 2,5 centimeter hoogte, hetwelk zich in de brandlijn
van de lens van de lantaarn moet bevinden. Het middelpunt van de
lichtbron moet in het midden van de lens zijn geplaatst. Bij gloei
lampen met matglazen peer kan een staand filament kleiner dan 2,5
centimeter worden toegelaten.
Van het gebruik van gloeilampen met dubbel filament, waarbij
één filament dient als de normale lichtbron en de andere voor nood
geval als de eerstgenoemde uitvalt, wordt aantekening gemaakt op
het certificaat.
4. In de boog van de horizon waarover het licht van een lantaarn
moet schijnen, mag geen grotere speling zijn dan 3°, voor top- en
heklantaarns niet groter dan 3° aan elke zijde.
Artikel 3
Teneinde te voldoen aan do voorgeschreven eisen van zichtbaar- zichtbaarheid
heid moet:
lichten
1. de toplantaarn voorzien zijn van een lens met een hoogte van
ten minste 15 centimeter en van een petroleumbrander van 14"' of
bij electrische verlichting van een gloeilamp van ten minste 25 watt;
2. de boordlantaarn voorzien zijn van een lens van ten minste
15 centimeter hoogte en esn petroleumbrander van 14"' of bij elec
trische verlichting van een gloeilamp van ten minste 25 watt;
3. de heklantaarn van een lens met een hoogte van ten minste
10 centimeter zijn voorzien en van een petroleumbrander van 10'"
of bij electrische verlichting een gloeilamp van ten minste 15 watt;
4. de ankerlantaarn
(a) voor schepen met een lengte van 45.75 meter of meer
(aa)
bij olieverlichting voorzien zijn van een lens met een
hoogte van ten minste 14 centimeter en een petroleum
brander van 14'";
(bb)
bij electrische verlichting voorzien zijn van een gloei
lamp van ten minste 25 watt. Indien een lens wordt
gebezigd moet de hoogte van de lens ten minste 14 cen
timeter bedragen; indien een bollantaarn wordt ge
bezigd moet de hoogte van het glas ten minste 15 centi
meter bedragen;
(b) voor schepen met een lengte van minder dan 45.75 meter
(aa)
bij olieverlichting voorzien zijn
(aaa) van een brander van 10'" indien een lantaarn
met lens wordt gebezigd; de hoogte van de lens
moet alsdan ten minste 10 centimeter bedragen;
M
Bijlage XV
(bbb) van een brander van 14"' indien een bollantaarn
wordt gebezigd; de hoogte van het glas van de
bollantaarn moet alsdan ten minste 15 centi
meter bedragen;
(bb)
bij electrische verlichting voorzien zijn van een gloeilamp
van ten minste 15 watt. Indien een lens wordt gebezigd
moet de hoogte van de lens ten minste 10 centimeter
bedragen; indien een bollantaarn wordt gebezigd moet
de hoogte van het glas ten minste 15 centimeter be
dragen;
5. (a) de rode rondschijnende lantaarn voorzien zijn van een lens
met een hoogte van ten minste 14 centimeter en een petroleumbran-
der van 14"' of bij electrische verlichting, van een gloeilamp van
ten minste 25 watt;
(b) de rode rondschijnende bollantaarn voorzien zijn van een bol
van ten minste 15 centimeter hoogte en een petroleumbrander van
14'" of bij electrische verlichting van een gloeilamp van ten minste
25 watt;
6. (a) voor vissersvaartuigen de witte rondschijnende lantaarn
voorzien zijn van een lens van ten minste 10 centimeter hoogte en
een petroleumbrander van 10'" of bij electrische verlichting van een
gloeilamp van ten minste 15 watt;
(b) de driekleurige toplantaarn voorzien zijn van een lens van
ten minste 15 centimeter hoogte en van een petroleumbrander van
14'" of bij electrische verlichting van een gloeilamp van ten minste
25 watt;
7. voor schepen kleiner dan 40 ton:
(a) de toplantaarn voorzien zijn van een lens van ten^ minste
14 centimeter hoogte en van een petroleumbrander van 14"' of bij
electrische verlichting van een gloeilamp van ten minste 25 watt,
(b) de boordlantaarn voorzien zijn van een lens van ten^ minste
10 centimeter hoogte en van een petroleumbrander van 10" of bij
electrische verlichting van een gloeilamp van ten minste 15 watt;
8. voor vaartuigen kleiner dan 20 ton de lantaarn met rood en
groen glas voorzien zijn van ruiten met een hoogte van ten minste
10 centimeter en van een petroleumbrander van 10"', of bij elec-
trische verlichting van een gloeilamp van ten minste 15 watt.
9. De gloeilampen in dit artikel genoemd mogen geen groter ver
mogen dan 40 watt bezitten.
10. De lenzen in dit artikel genoemd moeten een zodanige sprei
ding van het licht geven, dat bij een helling van 5° van de lantaarn
de wettelijk voorgeschreven lichtsterkte nog aanwezig is en bij een
helling van 7|° de lichsterkte nog 75 % van de voorgeschreven licht
sterkte bedraagt.
Bijlage XV
Artikel 4
1. De kleur van de groene en rode glazen moet vallen binnen Gekleurde
de door de standaardglazen vastgestelde grenzen; voor het onder- 6azen
zoek wordt zonodig van de spectroscoop gebruik gemaakt.
2. Gekleurde glazen moeten egaal van kleur zijn zonder donkere
of lichte plekken.
Artikel 5
1. De klok voor het geven van mistsignalen moet een middellijn Klok, gong
hebben van ten minste 30 centimeter.
2. De oppervlakte van de gong moet ten minste 400 vierkante
centimeter zijn; de laagste eigen frequentie van de gong mag niet
lager dan 200 Herz liggen.
BIJLAGE XVI
REGLEMENT BETREFFENDE DE VERKRIJGING VAN HET
DIPLOMA ALS VOLMATROOS
Artikel 1
wyze afgeven
Diploma's als volmatroos worden door het Hoofd van de Scheep-
dipioma's
vaartinspectie volgens een door hem vastgesteld model afgegeven aan
hen, die met voldoende uitslag hebben deelgenomen aan het hierna
aangegeven examen. Een diploma als volmatroos is tevens een diplo
ma als gediplomeerd sloepsgast, als bedoeld in artikel 89 van het
Schepenbesluit.
Artikel 2
Examen-
Voor het afnemen van de in artikel 1 bedoelde examens worden
commissies
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie commissies benoemd, in
elk waarvan een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie als voor
zitter optreedt.
Artikel 3
Vereiste kennis
De kennis, die voor het verkrijgen van het diploma als volmatroos
wordt gevorderd, omvat:
1.
bedrevenheid in het leggen van de meest voorkomende steken en
knopen; splitsen van touwwerk en staaldraad;
2. enige bedrevenheid in het zeilnaaien;
3. bedrevenheid in het roeien, wrikken en pagaaien;
4.
bedrevenheid in het sturen; kennis van het kompas in graden
en streken; bekendheid met gebruikelijke roercommando s,
5.
bedrevenheid in het loden met het handlood en enige bekend
heid met het loden met het zware lood;
6. het omgaan met trossen en staaldraden bij het meren en ont-
meren en het uitbrengen van trossen; begrip van stoottalies en het ïn-
scheren daarvan;
7. enige bekendheid met het ankergerei;
8. enige bekendheid met het optuigen van statietrappen en stel
lingen, het uithalen van tenten, windkleden en koelzeilen;
9. enige bekendheid met het onderhoud van sloepen en sloepdavits
en van los- en laadgerei, rekening houdend met de schepen, waarop
is gevaren;
, . .
,
10
enige bekendheid met het scheepsonderhoud in het algemeen,
waaronder het schilderen, het aanmaken van verf, het roestvrijhouden,
alsmede met het onderhoud van het staand en lopend tuig en het ge
bruik van lijfseizings, bootsmansstoeltjes, enzovoort;
11. bekendheid met het onderhoud van lampen;
12.
bekendheid met het peilen van tanks en vullingen en enige al
gemene kennis van de daarmede verband houdende inrichting en in
deling van een schip;
Bijlage XVI
13. enige bekendheid met brandslangen, koppelingen, straaipijpen,
brandblusapparaten en gasmaskers en het praktisch gebruik daarvan;
14.
bekendheid met het zeeklaar maken van het schip, waaronder
het sjorren van deklasten, het schalmen van luiken, het werken met
presennings;
15. enige bekendheid met het laadklaar maken van het schip, waar
onder het schoonmaken van ruimen, vullingen en pompflessen en het
zetten van graanschotten;
16. enige bekendheid met het los- en laadgerei, het optuigen en
aftuigen daarvan, het scheren van blokken en het borgen van slui
tingen;
17. het wachtlopen op een rede of in een haven en het doen van
dienst als uitkijk op zee.
Artikel 4
1. Hij, die zich aan het examen voor het diploma als volmatroos Aanmelden voor
wenst te onderwerpen, moet zich, zo mogelijk door tussenkomst van examcn
de rederij, waarbij hij in dienst is, wenden tot de voorzitter van
een van de in artikel 2 bedoelde commissies, onder overlegging van:
(a) het bewijs, dat hij de leeftijd van 20 jaar heeft bereikt;
(b) het bewijs of de bewijzen, dat hij ten minste drie jaar dek-
dienst heeft gedaan aan boord van Nederlandse zeeschepen, waarvan
ten minste 6 maanden aan boord van schepen van meer dan 400 ton
en niet meer dan één jaar aan boord van zeevissersvaartuigen;
(c) het bewijs van gezondheid voor de functie van matroos, be
doeld in artikel 30 van het Schepelingenbesluit;
(d) de nog geldige geneeskundige verklaringen voor het gehoor-
en gezichtsorgaan, als bedoeld in artikel 92 van het Schepenbesluit;
(e) een goedgelijkend portret (paspoortmodel) in tweevoud;
(ƒ) een stortingsbewijs dan wel een bewijs van overschrijving tot
een bedrag van f 5,— op de postrekening ten name van het Hoofd
van de Scheepvaartinspectie;
( g ) de rapporten van de kapiteins van de schepen, waarop hij dek-
dienst heeft gedaan, omvattende de algemene geschiktheid voor ma
troos en bijzonderheden in verband met de in artikel 3, onder 3, 4
(sturen), 5, 6, 9, 10, 13, 16 en 17 aangegeven eisen.
2. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan diensttijd op door
hem goedgekeurde schoolschepen en bij opleidingen tot matroos met
dekdienst gelijkstellen, doch voor niet meer dan 12 maanden.
Artikel 5
Indien een candidaat bij het examen voldoende bewijzen van be- uitreiken van
kwaamheid heeft afgelegd, ter beoordeling waarvan mede de in arti- lponna
kei 4, onder (g), bedoelde rapporten in aanmerking worden genomen,
zendt de voorzitter van de commissie een rapport daarover, vergezeld
van de door de candidaat overgelegde stukken en de eventueel ont-
Bijlage XVI
vangen examengelden aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, die
het diploma kosteloos uitreikt.
Artikel 6
Herhaalde
Een candidaat, die bij het examen niet voldoet, kan eerst na verloop
aanmelding
van drie maanden wederom tot het afleggen van het examen worden
toegelaten.
Artikel 7
Dienstdipioma's
l. Zonder het afleggen van examen kunnen diploma's als vol
matroos worden afgegeven aan hen, die vóór 1 Januari 1951 ten
minste een jaar werkzaam waren als bootsman, bootsmansmaat, kwar
tiermeester of matroos aan boord van Nederlandse koopvaardijsche
pen van 400 ton of meer en ten minste 3 jaar dekdienst aan boord van
Nederlandse zeeschepen hebben verricht, in het bezit zijn van een
diploma als sloepsgast en voldoen aan de eisen van lichamelijke ge
steldheid en leeftijd, vastgesteld voor hen, die het examen ter ver
krijging van het diploma als volmatroos wensen af te leggen. Van de
voorgeschreven diensttijd mag ten hoogste één jaar aan boord van
zeevissersvaartuigen zijn doorgebracht.
2. Hij, die overeenkomstig het eerste lid zonder het afleggen van
het examen in aanmerking wenst te komen voor een diploma als
volmatroos, zendt de stukken, bedoeld in artikel 4, onder (a), (c),
(d) en (e), zomede het diploma als sloepsgast en de bewijzen voor de
vaststelling van de in het eerste lid bedoelde diensttijden, aan het
Hoofd van de Scheepvaartinspectie, die het diploma daarop kosteloos
uitreikt.
Artikel 8
Vervanging
gen duplicaat van een diploma als volmatroos wordt, indien ver-
dip!oma,sEeraakte loren gaan van het diploma aannemelijk wordt gemaakt, op verzoek
van de belanghebbende door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie
afgegeven, nadat een pasfoto, als bedoeld in artikel 4, onder (e), is
overgelegd, alsmede een bedrag van f 2,50 of een stortingsbewijs of
bewijs van overschrijving tot dit bedrag op de postrekening ten name
van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Artikel 9
Gelijkstelling
jjet Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan de door bevoegde bui-
diij!oma°dse
tenlandse autoriteiten afgegeven diploma's als volmatroos met de in
artikel 1 bedoelde diploma's gelijkstellen. Zodanige gelijkstelling
wordt bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant.
BIJLAGE XVII
REGLEMENT BETREFFENDE DE VERKRIJGING VAN HET
DIPLOMA ALS SLOEPSGAST
Artikel 1
De diploma's als sloepsgast worden door het Hoofd van de Scheep- Model diploma
vaartinspectie, volgens een door hem vastgesteld model, afgegeven.
Artikel 2
Diploma's als sloepsgast worden uitgereikt na het afleggen van be- Commissies
wijzen van voldoende bekwaamheid ten overstaan van een der door
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie benoemde commissies, in
elke waarvan een ambtenaar van de Scheepvaartinspectie als voor
zitter optreedt.
Artikel 3
1. Zij, die de in het vorige artikel bedoelde bewijzen van be- Aanmelden
kwaamheid wensen af te leggen, moeten zich wenden tot de voor
zitter van een der in artikel 2 bedoelde commissies.
2. Om tot het afleggen van de in artikel 2 bedoelde bewijzen te
worden toegelaten moet de candidaat de leeftijd van 18 jaren heb
ben bereikt en ten minste zes maanden aan boord van schepen van
400 ton of groter hebben dienst gedaan.
3. De voorzitter van de commissie stelt tijd en plaats van het
onderzoek vast.
Artikel 4
De kennis, die voor het verkrijgen van het diploma wordt gevor- Vereiste kennis
derd, omvat:
(a) voldoende bedrevenheid in alle handelingen, verband houden
de met het uitrusten, het gereed maken en het te water laten van
boten en redding vlotten;
(è) voldoende bedrevenheid in het gebruik van de riemen;
(c) bekendheid met de praktische behandeling van de boten en
drijvende toestellen;
(d) bekendheid met de bevelen, betrekking hebbend op het ge
reed maken en de behandeling van de reddingmiddelen;
(<?)
bedrevenheid in de uitvoering van die bevelen.
Artikel 5
Indien een candidaat voldoende bewijzen van bekwaamheid heeft uitreiken
afgelegd, zendt de voorzitter van de commissie een rapport daarover, van het d|Ploina
vergezeld van door de candidaat te verstrekken identiteitsgegevens
betreffende zijn persoon en een goed gelijkend portret (paspoort-
Bijlage XVII
model), aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, die het diploma
kosteloos uitreikt.
Artikel 6
Herhaalde
gen candidaat, die bij het onderzoek niet voldoet, kan eerst na ver-
aanmelding
loQp van drie maanden weder tot het afleggen van de bewijzen van
voldoende bekwaamheid worden toegelaten.
Artikel 7
Dienstdipioma's
j
Zonder het afleggen van de in artikel 2 bedoelde bewijzen van
voldoende bekwaamheid kunnen door het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie diploma's als sloepsgast worden uitgereikt aan:
(a) allen, die vóór 1 Juli 1932 aan boord van Nederlandse schepen
van 500 ton of groter als bootsman, bootsmansmaat of kwartier
meester of die in andere kwaliteit gedurende ten minste 4 jaren aan
dek dienst hebben gedaan;
( b ) allen, die in het bezit zijn van een diploma als stuurman in
de grote handelsvaart;
(c) allen, die na het behalen van het eindgetuigschrift A of B van
de zeevaartscholen, op schepen van 500 ton of groter, ten minste
één jaar aan dek dienst hebben gedaan;
( d ) oud-zeeofficieren;
(e) gewezen opperschippers, schippers, bootslieden, kwartiermees
ters en matrozen der 1ste klasse van de Koninklijke Marine.
Personen, voorzien van een diploma als 3e stuurman of een eind-
getuigschrift A of B, moeten een verklaring van de kapitein over
leggen, waaruit blijkt, dat zij in voldoende mate aan de oefeningen
met de sloepen en aan de roeioefeningen hebben deelgenomen.
2. Dekdienst op vreemde schepen kan ook in aanmerking worden
genomen.
3. Zij, die menen, zonder het afleggen van de in artikel 2 be
doelde bewijzen van voldoende bekwaamheid, voor een diploma in
aanmerking te komen, kunnen zich onder inzending van de gegevens
en het portret, bedoeld in artikel 5, tot het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie wenden.
Artikel 8
Duplicaten
Een duplicaat van een diploma als sloepsgast wordt, indien het
van diploma's
verloren gaan van het diploma aannemelijk wordt gemaakt, op ver
zoek van belanghebbende door het Hoofd van de Scheepvaartinspec
tie afgegeven, nadat ten behoeve van 's-Rijks schatkist f 2.50 als
administratiekosten is voldaan.
BIJLAGE XVIII
REGLEMENT OP DE GENEESKUNDIGE KEURINGEN VAN
KAPITEINS, STUURLIEDEN, MACHINISTEN, MACHINIST
STOKERS EN PERSONEN, AAN WIE AAN BOORD
DE WACHT OF HET HOUDEN VAN UITKIJK
IN ZEE KAN WORDEN OPGEDRAGEN
HOOFDSTUK I
Algemeen
Artikel 1
Kapiteins, stuurlieden, machinisten, machinist-stokers en personen, Eerste keuring
aan wie de wacht aan dek of het houden van uitkijk dan wel de
wacht in de machinekamer kan worden opgedragen, moeten vóór de
eerste indiensttreding aan een keuring van hun gezichts- en gehoor
organen worden onderworpen.
Artikel 2
De in artikel 1 genoemde personen moeten opnieuw aan een keu- Hernieuwde
ring van hun gezichts- en/of gehoororganen worden onderworpen: eurmg
(а) in opdracht van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, in
dien zij handelingen hebben verricht of nagelaten, welke onvoldoen
de gezichts- of gehoorscherpte of onvoldoend kleurenonderschei-
dingsvermogen doen veronderstellen, of indien uit anderen hoofde
gegronde aanleiding tot die veronderstelling bestaat;
(б) telkens na verloop van zes jaren na de vorige keuring.
Artikel 3
Belanghebbenden moeten bij de keuringen aan de in de artikelen ^goedkeuring
14, 15, 17 en 18 omschreven eisen voldoen.
Artikel 4
1. De keuringen van het gezichts- en van het gehoororgaan, met Deskundigen
uitzondering van die, bedoeld in artikel 2, onder (a), welke door de
in artikel 10 bedoelde scheidsrechters worden verricht, geschieden
door geneeskundigen, door Onze Minister als deskundigen aange
wezen. Deze deskundigen moeten specialisten op het gebied der oog
heelkunde en der oorheelkunde zijn.
2. De deskundigen moeten, voor zover het de keuring van het ge
zichtsorgaan betreft, de in artikel 16 omschreven leidraad en, voor
zover het de keuringen van het gehoororgaan betreft, de in artikel 19
aangegeven leidraad volgen.
Bijlage XVIII
Artikel 5
Aantekening van
De uitkomsten van de keuringen met de daaruit getrokken
vande°keuringen conclusies moeten door de deskundigen worden opgetekend in twee
door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie te verstrekken registers
van de bij dit reglement gevoegde modellen A, waarvan één exem
plaar telkens na het verstrijken van een kalenderkwartaal aan het
Hoofd van de Scheepvaartinspectie moet worden ingezonden.
2. Indien een belanghebbende niet aan de gestelde eisen blijkt te
voldoen, en dus niet kan worden goedgekeurd, geeft de deskundige
hiervan per briefkaart, volgens het bij dit reglement gevoegde mo
del D, onmiddellijk kennis aan het Hoofd van de Scheepvaartinspec
tie. Daarbij moet worden vermeld, voor welke kwaliteit de keuring
geschiedde.
Artikel 6
Kosten der
1. De aan de keuringen verbonden kosten worden door de be-
geneeskundigen langhebbende gedragen en rechtstreeks aan de deskundige betaald.
Laatstgenoemde heeft het recht te eisen, dat de kosten vóór de aan
vang van de keuring worden afgedragen.
2. De kosten bedragen ten hoogste vijf gulden voor elke keuring
van het gezichtsorgaan of van het gehoororgaan.
Indien buiten Nederland geneeskundigen als deskundigen worden
aangewezen, mogen zij een tarief in rekening brengen, dat is aange
past aan de ter plaatse geldende maatstaf en munteenheid.
Artikel 7
Afgifte
1. De deskundige, die een keuring krachtens dit reglement heeft
verkiaSgen88
verricht, waarvan de uitslag gunstig is, geeft een geneeskundige ver
klaring af volgens één der bij dit reglement gevoegde modellen B.
2. De deskundige gaat eerst over tot de keuring, nadat het mon
sterboekje van de betrokkene aan hem is overgelegd. Dit voorschrift
geldt niet voor de keuringen van kapiteins, die niet in bezit van een
monsterboekje zijn. Deze behoren een paspoort of een ander van
een foto voorzien legitimatiepapier over te leggen.
3. Tot een door een ongediplomeerde aangevraagde keuring ter
verkrijging van een geneeskundige verklaring, welke moet worden
overgelegd bij de stukken voor een examen ter verkrijging van een
diploma als stuurman, machinist of motordrijver, gaat de deskun
dige slechts over, indien de belanghebbende de leeftijd van 18 jaar
heeft bereikt, terwijl hij, ingeval belanghebbende dadelijk na het be
reiken van die leeftijd examen moet afleggen, de keuring ten hoogste
een maand te voren mag verrichten.
4. De deskundige bekrachtigt de verklaringen met zijn handteke
ning en doet in zijn tegenwoordigheid de verklaring tevens door de
belanghebbende tekenen. Bovendien vermeldt hij het ontvangen be
drag in de door hem bij te houden, in artikel 5 bedoelde, registers.
Bijlage XVIII
5. Indien bij de keuring van het gezichtsorgaan gebruik is ge
maakt van corrigerende glazen, zoals toegelaten is ingevolge arti
kel 14, onder III, en artikel 15, onder I en II, mag de deskundige de
geneeskundige verklaring eerst uitreiken, nadat hem de voor de be
trokkene passende bril is getoond.
6. De formulieren van geneeskundige verklaringen worden op
aanvraag door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie verstrekt.
7. De deskundige, die na grondig onderzoek in twijfel verkeert
omtrent de uitslag der keuring, verwijst de gekeurde naar een scheids
rechter.
8. Indien een belanghebbende een duplicaat van een verloren
geraakte geneeskundige verklaring verlangt, kan de deskundige tot
uitreiking daarvan overgaan, onder inachtneming van het voorschrift
in lid 4 van dit artikel met betrekking tot het zetten der handteke
ningen. Hij mag daarvoor een bedrag gelijk aan de helft der keu
ringskosten in rekening brengen.
Artikel 8
1. De keuringen, in artikel 4 bedoeld, moeten geschieden in de keuringen
plaatsen, waar de in dat artikel genoemde deskundigen woonachtig
zijn of hun praktijk uitoefenen.
2. De belanghebbenden zijn vrij in de keuze, bij welke van de vol
gens artikel 4 aangewezen deskundigen zij zich ter keuring wensen
aan te melden.
Artikel 9
1. De belanghebbende, die door een deskundige wordt afgekeurd, Handeling
heeft het recht zich, wat betreft het (de) orgaan (organen), waarvoor 'J
eunng
hij is afgekeurd, door een scheidsrechter te doen herkeuren.
2. De deskundige, die een belanghebbende afkeurt, geeft hem een
verwijzingsbiljet volgens het bij dit reglement gevoegde model C,
dat deze kan verzenden aan een der scheidsrechters.
3. De deskundige, die iemand heeft afgekeurd, maakt deze erop
opmerkzaam, dat het zich aanmelden bij een andere aangewezen des
kundige voor hem geen nut kan hebben.
4. De deskundigen ontvangen van het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie bericht van iedere afkeuring, waardoor zij een her
nieuwde keuring kunnen voorkomen.
5. Een door een deskundige afgegeven geneeskundige verklaring,
nadat de belanghebbende door een ander deskundige is afgekeurd,
is ongeldig.
Artikel 10
1. Door Onze Minister worden voor de herkeuring van het ge- Scheidsrechters
zichtsorgaan en van het gehoororgaan, als bedoeld in artikel 9, lid 1,
scheidsrechters benoemd. Deze scheidsrechters moeten geneeskundige
Bijlage XVIII
specialisten zijn, die uitsluitend oog- of oorheelkundige praktijk uit
oefenen. Zij zijn gehouden de in dit reglement gegeven aanwijzingen
zoveel doenlijk te volgen en volgens de daarin gestelde eisen te
keuren.
2. De uitspraak van een scheidsrechter is beslissend. Hij kan zijn
uitspraak echter opschorten tot na een tweede onderzoek, waarvoor
echter geen kosten in rekening mogen worden gebracht.
Artikel 11
Kosten
1. De kosten voor de in artikel 9 bedoelde herkeuring bedragen
scte?to<xhters
tien gulden. Zij worden door de belanghebbende rechtstreeks aan de
scheidsrechter betaald, die het recht heeft te eisen, dat hei bedrag
vóór de aanvang van de herkeuring wordt afgedragen.
2. De kosten worden door het Rijk gedragen, indien het een
keuring betreft, krachtens artikel 2, onder (a), dan wel een keuring
op verzoek van een deskundige krachtens artikel 7, lid 7.
3. De scheidsrechters zenden de declaraties voor de keuringskos
ten ten laste van het Rijk aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Artikel 12
schekisrechters
keuringen door scheidsrechters worden gehouden op de
ciei srcc ers
cjQor jjen aan te wjjzen plaatsen. Zij roepen na ontvangst van het
verwijzingsbiljet de betrokkene voor de keuring op.
2. Van de uitslag ener herkeuring geven de scheidsrechters on
middellijk kennis aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, die,
ingeval de belanghebbende is goedgekeurd, hiervan aan alle deskun
digen mededeling doet, waarvan deze aantekening houden.
De scheidsrechter geeft aan de belanghebbende, die is goedgekeurd,
een geneeskundige verklaring af volgens een der in artikel 7 be
doelde modellen. Hij handelt overigens als in artikel 7, lid 4 voor een
deskundige is voorgeschreven.
3. De formulieren van geneeskundige verklaringen worden op
aanvraag door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie verstrekt.
Artikel 13
Aantekenen van
De scheidsrechters zijn gehouden registers, zoals die zijn voorge-
keuringendoor" schreven in artikel 5, lid 1, bij te houden en daarmede te handelen,
scheidsrechters
als in dat artikel is bepaald.
Bijlage XVIII
HOOFDSTUK II
Keuringen van het gezichtsorgaan
Artikel 14
Bij de keuringen van het gezichtsorgaan, bedoeld in de artikelen 1 ^cnh^0^,
en 2 gelden, indien de belanghebbenden de leeftijd van één en veer- personen vóór
tig jaar nog niet hebben voltooid en voor alle eerste keuringen de ™;i°^|van
navolgende eisen:
veertigste jaar
I. Kapiteins en stuurlieden.
( a ) De belanghebbende moet uitwendig gezonde ogen, oogomge
ving en hulporganen hebben;
( b ) hij moet een onbeperkt gezichtsveld hebben op beide ogen;
(c) hij moet bij het zien met beide ogen gelijktijdig, zonder cor
rigerende glazen, een gezichtsscherpte hebben van ten minste 5/6,
en bij het zien met elk oog afzonderlijk van ten minste 5/10;
(d) hij mag een manifeste hypermetropie van ten hoogste 1|
dioptrieën hebben aan elk der beide ogen. Intussen kan aan één oog
een manifeste hypermetropie van ten hoogste 2 dioptrieën worden
toegestaan, indien aan het andere oog een visus van 5/6 en niet meer
dan 1£ dioptrieën manifeste hypermetropie bestaat;
(e) hij moet vrij zijn van progressieve ooggebreken en moet nor
male pupilreacties hebben;
(ƒ)
hij moet bij het zien met beide ogen gelijktijdig een normaal
kleurenonderscheidingsvermogen hebben voor rood en groen en ook
bij sluiten van één oog vrij zijn van centrale scotomen voor rood en
groen;
( g ) hij moet vrij zijn van verschijnselen, die het bestaan van dag-
of nachtblindheid of lichtzinstoornissen doen vermoeden.
Bij voldoen aan deze eisen wordt de geneeskundige verklaring BI
afgegeven.
II. Niet-gediplomeerden, aan wie de wacht aan dek of het houden
van uitkijk kan worden opgedragen.
f a ) De belanghebbende moet uitwendig gezonde ogen, oogom
geving en hulporganen hebben;
*
( b ) hij moet een onbeperkt gezichtsveld hebben op beide ogen;
fc) hij moet bij het zien met beide ogen gelijktijdig, zonder cor
rigerende glazen, een gezichtsscherpte hebben van ten minste 5/7,5 en
bij het zien met elk oog afzonderlijk een gezichtsscherpte van ten
minste 5/15; is de gezichtsscherpte met beide ogen tezamen 5/6,6, dan
moet hij met één oog afzonderlijk nog ten minste 5/20 bedragen:
( d ) hij mag een manifeste hypermetropie van ten hoogste 2£ diop
trieën hebben aan elk der beide ogen. Intussen kan aan één oog een
manifeste hypermetropie van ten hoogste 3 dioptrieën worden toege
staan, indien aan het andere oog een visus van 5/7,5 en niet meer dan
2£ dioptrieën manifeste hypermetropie bestaat;
Bijlage XVIII
(e) hij moet vrij zijn van progressieve ooggebreken en moet nor
male pupilreacties hebben;
(ƒ) hij moet bij het zien met beide ogen gelijktijdig een normaal
kleurenonderscheidingsvermogen hebben voor rood en groen en ook
bij sluiten van één oog vrij zijn van centrale scotomen voor rood en
groen;
(g) hij moet vrij zijn van verschijnselen, die het bestaan van dag-
of nachtblindheid of lichtzinstoornissen doen vermoeden.
Bij voldoen aan deze eisen wordt de geneeskundige verklaring B2
afgegeven.
III. Machinisten, machinist-stokers en niet-gediplomeerden aan
wie de wacht in de machinekamer kan worden opgedragen.
(a) De belanghebbende moet uitwendig gezonde ogen, oogomge
ving en hulporganen hebben;
(b) hij moet een onbeperkt gezichtsveld hebben op beide ogen;
( c ) hij moet bij het zien met beide ogen gelijktijdig zonder corri
gerende glazen, een gezichtsscherpte hebben van ten minste 5/7,5 en
bij het zien met elk oog afzonderlijk van ten minste 5/15, dan wel van
ten minste 5/6,6 met een der ogen en ten minste 5/20 met het andere
oog; indien het niet een eerste keuring betreft, mag de gezichtsscherpte
ook met corrigerende glazen worden behaald, mits niet meer dan 3
dioptrieën manifeste hypermetropie aanwezig is;
(d) hij moet vrij zijn van progressieve ooggebreken en moet nor
male pupilreacties hebben.
Bij voldoen aan deze eisen wordt bij eerste keuring een genees
kundige verklaring B3 afgegeven; bij volgende keuringen hetzij een
verklaring B3 hetzij een verklaring B3a.
Artikel 15
Eisen keuring
Bij de keuringen, met uitzondering van een eerste keuring, van het
personen "midn
gezichtsorgaan, bedoeld in de artikelen 1 en 2, gelden, indien de be-
het'één en Van
langhebbenden de leeftijd van één en veertig jaar hebben voltooid, de
veertigste jaar
navolgende eisen.
I. Kapiteins, stuurlieden en niet-gediplomeerden, aan wie de wacht
aan dek of het houden van uitkijk kan worden opgedragen.
( a ) De belanghebbende moet uitwendig gezonde ogen, oogomge
ving en hulporganen hebben;
(b) hij moet op een der ogen een onbeperkt gezichtsveld hebben;
(c) hij moet bij het zien met beide ogen gelijktijdig, zonder corri
gerende glazen, een gezichtsscherpte hebben van ten minste 5/10 en
bij het zien met een der ogen op elk oog van ten minste 5/30, dan wel
bij het zien met beide ogen gelijktijdig van ten minste 5/15, mits met
glazen 5/7,5 wordt bereikt. Wordt 5/30 met één der ogen niet bereikt,
dan moet het andere oog zonder een corrigerend glas een gezichts
scherpte hebben van ten minste 5/7,5; aan dezelfde eis moet ook het
oog van een éénogige voldoen;
(d) hij moet vrij zijn van progressieve ooggebreken, voor zover zij
Bijlage XVIII
de vrees voor aan beide zijden optreden daarvan of voor zodanige
functievermindering, dat niet meer kan worden voldaan aan het be
paalde onder I van dit artikel, onder (b), (c) en (e), wettigen;
(e) hij moet bij het zien met beide ogen een normaal kleurenonder-
scheidingsvermogen hebben voor rood en groen en ook bij sluiten van
één oog vrij zijn van centrale scotomen voor rood en groen;
(ƒ) hij moet vrij zijn van verschijnselen, die het bestaan van dag-
of nachtblindheid of lichtzinstoornissen doen vermoeden.
Bij voldoen aan deze eisen wordt hetzij een geneeskundige ver
klaring B4 hetzij een geneeskundige verklaring B4a afgegeven.
II. Machinisten, machinist-stokers en niet-gediplomeerden aan wie
de wacht in de machinekamer kan worden opgedragen.
(a) De belanghebbende moet uitwendig gezonde ogen, oogomge
ving en hulporganen hebben;
(b) hij moet op een der ogen een onbeperkt gezichtsveld hebben;
(c) hij moet bij het zien met beide ogen gelijktijdig een gezichts
scherpte hebben van ten minste 5/15 en bij het zien met elk oog af
zonderlijk, van ten minste 5/30. Wordt 5/30 voor een der ogen niet
bereikt, dan moet het andere oog een gezichtsscherpte hebben van
ten minste 5/10. Deze gezichtsscherpte mag ook met corrigerende
glazen worden bereikt. Is de betrokkene een éénogige, dan moet
zonder corrigerend glas, een gezichtsscherpte van ten minste 5/10
worden bereikt;
(d) hij moet vrij zijn van progressieve ooggebreken, voor zover zij
de vrees voor aan beide zijden optreden daarvan, of voor zodanige
functievermindering, dat niet meer kan worden voldaan aan het be
paalde onder II, (b) en (c) van dit artikel, wettigen.
Bij voldoen aan deze eisen wordt hetzij een geneeskundige verklaring
B5 hetzij een geneeskundige verklaring B5a afgegeven.
Artikel 16
§ 1. Onderzoek van kapiteins en stuurlieden;
Leidraad voor
ia) bij eerste keuring;
gISIorgaan,
(b) bij volgende keuringen vóór voltooiing van het één en veer- ^ocid in
tigste jaar.
1. Men plaatst de belanghebbende met het gelaat naar het raam,
beschouwt de gesteldheid van de ogen en de oogleden, welke laatste
zowel op de binnenzijde als op de buitenzijde worden bezien, terwijl
ook op de bewegingen en op het samenwerken van beide ogen wordt
acht geslagen.
Bij acute ontstekingen moet de beslissing worden uitgesteld; bij
chronische, die het vermoeden wettigen, dat op de duur het gezichts
vermogen zal achteruitgaan, moet de belanghebbende worden afge
keurd.
Het resultaat wordt in kolom 8 van het register ingevuld met
N = Normaal of met A = Abnormaal. Afwijkingen worden in
kolom 15 „Aanmerkingen" aangetekend.
Bijlage XVIII
2. Vervolgens plaatst men de belanghebbende met de rug naar
het raam en verzoekt hem eerst met het rechter-, dan met het linker
oog, onder behoorlijke afsluiting van het andere oog, het tegen
overgestelde oog van de deskundige te fixeren. In een vlak, dat om
streeks het midden houdt tussen het oog van de te onderzoeken
persoon en dat van de deskundige steekt de laatste op de grens van
zijn eigen normaal gezichtsveld, één, twee of meer vingers uit, welk
aantal door de belanghebbende moet worden opgegeven. Is deze op
gave onjuist of twijfelachtig, dan moet het gezichtsveld volgens een
meer nauwkeurige methode, d.i. met een gezichtsveldmeter worden
onderzocht. Het resultaat wordt in kolom 9 met N = Normaal of
A = Abnormaal ingevuld. Bij beperking van het gezichtsveld wordt
de belanghebbende afgekeurd en de afwijking in kolom 15 aange
tekend.
3.
Bij de bepaling van de gezichtsscherpte plaatst men de belang
hebbende met de rug naar het raam en hangt men de letterproeven
volgens Snellen—Straub of andere, welk geacht mogen worden van
gelijke moeilijkheid te zijn, op manshoogte en op een afstand van vijf
meter in helder daglicht op, of men zorgt dat zij met kunstlicht wor
den belicht.
De deskundige vergewist zich, dat een normaal oog in het gegeven
geval 5/5 gezichtsscherpte heeft. De gezichtsscherpte wordt nu zon
der gebruik van glazen eerst oog voor oog en daarna met beide ogen
gelijktijdig onderzocht.
Het resultaat wordt in kolom 10 ingevuld onder opgave van de
gebruikte optotypen (O.O. (beide ogen), O.R. (rechteroog), O.L.
(linkeroog)).
,
Bereikt de gezichtsscherpte niet de in artikel 14 onder I genoemde
grenzen, dan wordt de belanghebbende afgekeurd.
4. Indien de voorgeschreven gezichtsscherpte aanwezig is, wordt
van ieder oog afzonderlijk de refractie bepaald en bij gelijktijdig zien
met beide ogen onderzocht, of nog grotere latente hypermetropie
aantoonbaar is; aan de hand van deze gegevens wordt beoordeeld,
of de onderzochte voldoet aan de in artikel 14, onder I (d), gestelde
eisen.
5
De ogen van iedere belanghebbende worden nauwkeurig ook
met de oogspiegel onderzocht, teneinde na te gaan of progressieve
gebreken aanwezig zijn. Het resultaat wordt in kolom 13 met
N = Normaal of met A = Abnormaal ingevuld. Afwijkingen wor
den in kolom 15 aangetekend.
Is de deskundige in twijfel omtrent de resultaten van zijn onder
zoek, dan verwijst hij de belanghebbende naar een scheidsrechter-
oogheelkundige.
6
Het onderzoek naar het kleurenonderscheidingsvermogen moet
met beide ogen gelijktijdig zonder gebruik van glazen in een goed
verlichte kamer (kunstlicht is uitgesloten) plaats hebben. Het onder-
Bijlage XVIII
zoek moet gedaan worden volgens de methode der pseudo-isochro-
matische platen volgens Stilling of volgens Ishihara (nieuwste uit
gaven).
Wordt de proef goed doorstaan, dan keurt men de belang
hebbende goed. Twijfelt de deskundige, dan zal hij een onderzoek in
stellen met de anomaloscoop van Nagel of een gelijkwaardig toestel.
Heeft hij een dergelijk instrument niet ter beschikking, dan beslist
hij niet en verwijst de belanghebbende naar een scheidsrechter-oog-
heelkundige. Het onderzoek met de anomaloscoop moet geschieden
als in de daarbij gevoegde gebruiksaanwijzing is aangegeven.
De resultaten van het onderzoek worden met N = Normaal of
met A = Abnormaal in kolom 14 ingevuld en de afwijkingen wor
den in bijzonderheden in kolom 15 aangetekend.
7. Voor het onderzoek naar afwezigheid van centrale scotomen
voor rood en groen gebruikt men kleurenschijfjes van één, ander
half, drie en vijf millimeter in het vierkant. De afstand, waarop die
schijfjes aan het te onderzoeken oog worden getoond, moet in over
eenstemming zijn met de gevonden gezichtsscherpte, dat wil zeggen
vindt men een gezichtsscherpte van:
5'30 tot beneden 5/15, dan gebruikt men het vlakje van 3x3
millimeter op afstand van 33 centimeter;
5/15 tot beneden 5/10, dan gebruikt men het vlakje van l£ x li
millimeter op afstand van 33 centimeter;
5/10 tot beneden 5/7,5, dan gebruikt men het vlakje van 1 x 1
millimeter op afstand van 33 centimeter;
5/7,5 tot beneden 5/5, dan gebruikt men het vlakje van H x li
millimeter op afstand van 66 centimeter;
5/5, dan gebruikt men het vlakje van lxl millimeter op afstand
van 66 centimeter.
Het onderzoek moet geschieden in een goed verlichte kamer,
waarin belanghebbende gedurende verscheidene minuten moet heb
ben vertoefd, opdat hij aan de verlichting gewend is. Men plaatst de
belanghebbende met de rug naar het raam tegenover een dof zwart
veld ter hoogte van diens ogen en houdt de vlakjes in het midden
van dit veld, verticaal op de juiste afstand, opdat zij recht van voren
en goed zijn verlicht. Nu verzoekt men hem met één oog, terwijl
men het andere behoorlijk afgesloten houdt, het midden van het
veld te fixeren, waarop men de verschillende vlakjes in het fixeer-
punt brengt en verzoekt deze te noemen.
8. Om zich een oordeel te vormen omtrent een mogelijk bestaan
van dag- of nachtblindheid of van lichtzinstoornissen stelt men enige
vragen in deze richting, observeert men de belanghebbende tijdens
zijn gedragingen in de donkere kamer en onderzoekt men in hoe
verre zijn gezichtsscherpte bij geringere verlichting op optotypen
van geringer contrast belangrijk daalt. In geval van twijfel stelt men
een nauwkeurig onderzoek in, of verwijst hem naar een scheids-
rechter-oogheelkundige.
Bijlage XVIII
§ 2. Onderzoek van niet-gediplomeerden, aan wie de wacht aan
dek of het houden van uitkijk kan worden opgedragen:
(a) bij eerste keuring;
( b ) bij volgende keuringen vóór voltooiing van het één en veer
tigste jaar.
Het onderzoek wordt verricht volgens de methoden, welke in § 1
voor de keuring van kapiteins en stuurlieden zijn voorgeschreven en,
voor zover niet nader omschreven, volgens methoden, als naar de
stand der wetenschap vereist.
De resultaten van het onderzoek worden aangetekend in de daar
voor aangewezen kolommen.
Aan de hand van de aldus verzamelde feiten wordt beoordeeld, of de
belanghebbende voldoet aan de in artikel 14 onder II gestelde eisen.
Is dit niet het geval, dan wordt hij afgekeurd. Bestaat twijfel ten
aanzien van de verschijnselen, van hun betekenis, of van de beoor
deling van de feiten, dan verwijst men hem naar een scheidsrechter-
oogheelkundige.
§ 3. Onderzoek van machinisten, machinist-stokers en niet-gedi
plomeerden, aan wie de wacht in de machinekamer kan worden op
gedragen:
(a) bij eerste keuring;
( b ) bij volgende keuringen vóór voltooiing van het één en veer
tigste jaar.
Het onderzoek wordt verricht volgens de methoden, welke in § 1
voor de keuring van kapiteins en stuurlieden zijn voorgeschreven en,
voor zover niet nader omschreven, volgens methoden, als naar de
stand der wetenschap vereist.
De resultaten van het onderzoek worden aangetekend in de daar
voor aangewezen kolommen.
Aan de hand van de aldus verzamelde feiten wordt beoordeeld, of
belanghebbende voldoet aan de in artikel 14, onder III gestelde eisen.
Is dit niet het geval, dan wordt hij afgekeurd. Bestaat twijfel ten
aanzien van de verschijnselen, van hun betekenis, of van de beoor
deling van de feiten, dan verwijst men hem naar een scheidsrechter-
oogheelkundige.
§ 4. Onderzoek van kapiteins, stuurlieden en niet-gediplomeer
den, aan wie de wacht aan dek of het houden van uitkijk kan wor
den opgedragen, bij volgende keuringen na voltooiing van het één
en veertigste jaar.
Het onderzoek wordt verricht volgens de methoden, welke in § 1
voor de keuring van kapiteins en stuurlieden zijn voorgeschreven en,
voor zover niet nader omschreven, volgens methoden, als naar de
stand der wetenschap vereist.
De resultaten van het onderzoek worden aangetekend in de daar
voor aangewezen kolommen.
Aan de hand van de aldus verzamelde feiten wordt beoordeeld, of
belanghebbende voldoet aan de in artikel 15 onder 1, gestelde eisen. Is
dit niet het geval, dan wordt hij afgekeurd. Bestaat twijfel ten aan
zien van de verschijnselen, van hun betekenis, of van de beoordeling
van de feiten, dan verwijst men hem naar een scheidsrechter-oogheel-
kundige.
§ 5. Onderzoek van machinisten, machinist-stokers en niet-gedi-
plomeerden, aan wie de wacht in de machinekamer kan worden op
gedragen, bij volgende keuringen na voltooiing van het één en veer
tigste jaar.
Het onderzoek wordt verricht volgens de methoden, welke in § 1
voor de keuring van kapiteins en stuurlieden zijn voorgeschreven en
voor zover niet nader omschreven, volgens methoden, als naar de
stand van de wetenschap vereist.
De resultaten van het onderzoek worden aangetekend in de daar
voor aangewezen kolommen.
Aan de hand van de aldus verzamelde feiten wordt beoordeeld, of
belanghebbende voldoet aan de in artikel 15, onder II gestelde eisen.
Is dit niet het geval, dan wordt hij afgekeurd. Bestaat twijfel ten aan
zien van de verschijnselen, van hun betekenis, of van de beoordeling
van de feiten, dan verwijst men hem naar een scheidsrechter-oogheel-
kundige.
HOOFDSTUK III
Keuringen van het gehoororgaan
Artikel 17
Bij de keuringen van het gehoororgaan, bedoeld in de artikelen 1
en 2, gelden, zolang de belanghebbenden de leeftijd van één en veer- pers0on™n8vóór
tig jaar nog niet hebben voltooid voor kapiteins, stuurlieden, machi- ^'éénen™"
nisten, machinist-stokers en niet-gediplomeerden, aan wie de wacht veertigsttfjaar
aan dek of het houden van uitkijk dan wel de wacht in de machine
kamer kan worden opgedragen, de volgende eisen:
(a) De gehoorscherpte moet zodanig zijn, dat fluisterend en van
ter zijde gesproken woorden met elk oor afzonderlijk bij afsluiting
van het andere oor, op een afstand van vier meter goed kunnen
worden verstaan en nagezegd, dan wel, dat voor zover het machinisten,
machinist-stokers en niet-gediplomeerden, aan wie de wacht in de
machinekamer kan worden opgedragen, betreft, fluisterend en van
ter zijde gesproken woorden met het ene oor, bij afsluiting van het
andere oor, op een afstand van ten minste twee meter en met het
andere oor op een afstand van ten minste zes meter goed kunnen
worden verstaan en nagezegd.
(b) Geen belangrijke afwijking mag aanwezig zijn in de toestand
van de uitwendige gehoorgang, van het middenoor of van het in
wendige oor, noch een etterige afscheiding uit het oor.
Bijlage XVIII
Bijlage XVIII
Bij voldoen aan de eisen wordt voor kapiteins en stuurlieden en aan
niet-gediplomeerden aan wie de wacht aan dek of het houden van
uitkijk kan worden opgedragen, een geneeskundige verklaring B6a
afgegeven en aan machinisten, machinist-stokers en niet-gediplo
meerden, aan wie de wacht in de machinekamer kan worden opge
dragen een geneeskundige verklaring B6b.
Artikel 18
Eisen keuring
Bij de keuringen van het gehoororgaan, bedoeld in de artikelen 1
ge^°nre°nr8na^n
en 2, gelden voor de categorieën van personen, genoemd in artikel 17,
voltooiing van
indien de belanghebbenden de leeftijd van één en veertig jaar heb-
veeiifgste^aar
ben voltooid, de navolgende eisen:
(a) De gehoorscherpte moet zodanig zijn, dat fluisterend en van
ter zijde gesproken woorden met elk oor afzonderlijk bij afslui
ting van het andere oor, op een afstand van drie meter goed kunnen
worden verstaan en nagezegd, dan wel, dat voor zover het machinisten,
machinist-stokers en niet-gediplomeerden, aan wie de wacht in de
machinekamer kan worden opgedragen, betreft, fluisterend en van ter
zijde gesproken woorden met het ene oor, bij afsluiting van het
andere oor, op een afstand van ten minste één metsr en met het
andere oor op een afstand van ten minste vijf meter goed kunnen
worden verstaan en nagezegd.
(/j) Geen belangrijke afwijking mag aanwezig zijn in de toestand
van de uitwendige gehoorgang, van het middenoor of van het inwen
dige oor, noch een etterige afscheiding uit het oor.
Bij voldoen aan de eisen wordt voor kapiteins, stuurlieden en niet-
gediplomeerden aan wie de wacht aan dek of het houden van uitkijk
kan worden opgedragen een geneeskundige verklaring B7a afgegeven.
Voor machinisten, machinist-stokers en niet-gediplomeerden aan wie
de wacht in de machinekamer kan worden opgedragen wordt een
geneeskundige verklaring Bib afgegeven.
Artikel 19
Leidraad voor
1. Het onderzoek naar de gehoorscherpte met de fluisterspraak
kehri"rgor" aan
moet geschieden in een vertrek, zonder geruis, waarvan het wenselijk
bedoeld in3ai1
is, dat een afmeting ten minste 8 meter bedraagt.
artikel 4
j-)e onderzoeker plaatst zich terzijde van het te onderzoeken oor,
terwijl een helper(ster) met de wijsvinger van de ene hand het van de
onderzoeker afgekeerde oor van de onderzochte afsluit door de tra-
gus tegen de opening van de gehoorgang aan te drukken, terwijl hij
(zij) de andere hand zo tegen de schedel van de onderzochte plaatst,
dat deze wordt belet de onderzoeker te zien.
2. De fluisterwoorden moeten krachtig, echter niet overmatig,
worden uitgesproken, na een gewone uitademing (met de zogenaam
de reservelucht).
De onderzoeker moet als testwoorden isozonale en aeqauntense
Bijlage XVIII
éénlettergrepige woorden kiezen en wel in twee groepen, namelijk
woorden van laag en van hoog toonkarakter. De onderzochte is ver
plicht de woorden te herhalen, ten bewijze dat hij deze heeft ver
staan.
De testwoorden van laag toonkarakter zijn samengesteld uit de
vocalen oo en oe en de medeklinkers m, n, r en w, als: oom, oor.
moor, noor, room, worm, oer, moe, roem, roer. Deze woorden liggen
in het lage gedeelte der spraakzóne van de toonladder.
Door normale oren worden deze woorden in een geruisloos ver
trek, op de bovengenoemde wijze gefluisterd, verstaan op een af
stand van gemiddeld 6 meter.
De testwoorden van hoog toonkarakter zijn samengesteld uit de
vocalen a en e en de medeklinkers s, sch en z als: aas, sas, esch.
zes, zee.
Deze woorden, in het hoge gedeelte van de spraakzóne gelegen,
worden door normale oren verstaan op een afstand van 30 meter.
3. Beide groepen testwoorden worden, om het raden zoveel mo
gelijk te voorkomen, afgewisseld met willekeurig gekozen woorden,
als telwoorden enzovoort; de gehoorafstand wordt echter uitsluitend
vastgesteld voor de testwoorden.
Als maat van gehoorscherpte wordt het gemiddelde genomen van
de afstand in meters voor beide groepen. Wordt bijvoorbeeld als
grootste afstand, waarop de lage woorden nog juist worden verstaan,
2 meter gevonden en voor de hoge woorden 8 meter, dan bedraagt
2 + 8
de gehoorscherpte —-— = 5 meter.
4. In de gevallen, waarbij de grootste afmeting van het vertrek,
waarin het onderzoek plaats heeft, kleiner is dan de afstand, waarop
de hoge woorden door de onderzochte nog werden verstaan en dezs
afstand moet worden bepaald ter verkrijging van een gemiddelde,
kan men testwoorden van een gemengd toonkarakter, welke minder
vérdragend zijn, kiezen.
Dergelijke woorden zijn samengesteld uit de vocalen i, u, ei (ij), ou
en de medeklinkers t, k en f, als tik, kik, fut, kijf, kei, tuk, tuf, fout,
kout.
Deze woorden worden door normale oren verstaan op een afstand
van gemiddeld 14 meter. Reeds bij matige hardhorendheid worden
deze woorden niet verder dan 6 meter verstaan. De gevonden ge
hoorafstand voor deze testwoorden geldt in deze gevallen als maat
van de gehoorscherpte.
5. Zo enigszins mogelijk moet men echter de gehoorscherpte be
palen als gemiddelde van die voor de woorden met laag en die met
hoog toonkarakter, omdat deze het gehele spraakgebied omvatten
en daardoor een volledig en tevens differentieel diagnotisch beeld
van de gehoorfunctie geven.
fA\R 19
Keuring van het gezicht^RJ |Volge de Schepenwet
DESKUNDIGE:
Bij eerste keuring en bij alle
'Hg yan
veertigste jaar
I Volgnummer
D!>g"m
Naam en voornamen
Geboorteplaats en
waarvoor &
keu,-in»
van de gekeurde
geboortedatum van
werd
Keuring
de gekeurde
gekeUrd
i
j Gezichtsveld
ƒ
|
Gezichtsscherpte
[zonder glas
Refractie
Gezichtsscherpte
met glas
Kleuren-
onderscheidings-
vermogen volgens
de methode van
Stilling | Ishihara
Aanmerkingen
zoals progress.
gebreken
Conclusie
Ontvangen
bedrag
!
u $
|
&
I
cfi
!
t\
,
\
JAIR 19
Keuring van het gehooro#Volge de Schepenwet
DESKUNDIGE:
Bij eerste keuring en bij alle keurig/Vig van het één en yeertigste jaar
I
l
"
~i
:
t ^
Volgnummer
Datum
Naam en voornamen
Geboorteplaats en
Kwa'1'^- V
keuring
van de gekeurde
^rÏÏeHe™
^e'
AANMERKINGEN
Conclusie
°™;en
i
r
i
i
Bijlage XVI#
Bijlage XVIII
A 3
Keuring van het gezichtso^ Vo'§e
Schepenwet
DESKUNDIGE.
JAAR 19
Voor alle keuringen na voltooiing ' ^«gste jaar, uitgezonderd bij eerste keuring
Volgnummer
i
D^"m
Naam en voornamen
Geboorteplaatsen
k
, d,er n(T
van de gekeurde
geboortedatum van
d
keuring
6
de gekeurde
gekeurd |
yfï
/ Gezichtsveld
Gezichtsscherpti
zonder glas
Refractie
Gezichtsscherpts
met glas
Kleuren-
onderscheidings-
vermogen
Aanmerkingen
Conclusie
Ontvangen
bedrag
«
l
0
!
I
A 4
Keuring van het gehooro^ °'^e
Schepenwet
DESKUNDIGE.
JAAR 19
j
dertigste jaar, uitgezonderd bij eerste keuring
Voor alle keuringen na voltooiing
...
.
...
i
:
i
Volgnummer
Datum
Naam en voornam
Geboorteplaats en
Kwali^^or-
AANMERKINGEN
Conclusie
°?,ty.a"gen
, der
van de gekeurde
geboortedatum van
waarvoo ,
rPte
bedrag
keuring
s
de gekeurde
gekei1'
,
.
^
^
Bijlage XVIII
Bijkge XVIH
Bijlage XVIII
B i
GEZICHTSORGAAN
Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 3)
Bij eerste keuring en bij alle keuringen vóór voltooiing van het
één en veertigste jaar.
>
GENEESKUNDIGE VERKLARING
betreffende het gezichtsorgaan van kapiteins en stuurlieden.
"•3
De ondergetekende
verklaart heden
g
de heer
geboren
|
te
te hebben onderzocht en te hebben bevonden:
0)
J?
1°. dat de belanghebbende uitwendig gezonde ogen, oogomgeving
a ~ en hulporganen heeft;
O
2°. dat hij een onbeperkt gezichtsveld heeft op beide ogen;
c'S
3°. dat hij bij het zien met beide ogen gelijktijdig, zonder corri-
> gerende glazen, een gezichtsscherpte heeft van ten minste B/e en met
tl £* elk oog afzonderlijk van ten minste / loï
•o ja ') 4°. dat hij vrij is van meer dan 1V2 dioptrie manifeste hyper-
o oo metropie aan beide ogen, dan wel aan één der ogen met een gezichts-
g
scherpte van ten minste 5/e en van meer dan 2 dioptrieën aan het
•a = andere oog;
o
5°. dat hij vrij is van progressieve ooggebreken en normale pupil-
T3 reacties heeft;
"g «
6°. dat hij bij het zien met beide ogen gelijktijdig een normaal
g
kleurenonderscheidingsvermogen heeft voor rood en groen en bij
-g & sluiten van een der ogen vrij is van centrale scotomen voor rood en
groen;
.g 3
7°. dat hij vrij is van verschijnselen, die het bestaan van dag- of
g v nachtblindheid of lichtzinstoornissen doen vermoeden.
73 .g
(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van
1952
u
Staatsblad No.
.)
0
Handtekening van
De door de Minister van Verkeer
a
de gekeurde:
en Waterstaat aangewezen deskundige:
cd 1
Z
19
QJ
)
-
u
Ontvangen van de gekeurde:
Q
als kapitein en als stuurman
ƒ 5,—
l°) Dit formulier is slechts geldig, indien is doorgehaald, hetgeen niet op de
gekeurde van toepassing is.
a) Datum en jaartal voluit geschreven in te vullen.
') z.o.z.
Bijlage XVIII
GEZICHTSORGAAN
Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 3)
Bij eerste keuring en bij alle keuringen vóór voltooiing van het
één en veertigste jaar.
GENEESKUNDIGE VERKLARING
betreffende het gezichtsorgaan van niet-gediplomeerden aan wie de
wacht aan dek of het houden van uitkijk kan worden opgedragen.
De ondergetekende
verklaart heden
de heer
, geboren
te
te hebben onderzocht en te hebben bevonden:
1°. dat de belanghebbende uitwendig gezonde ogen, oogomgeving
en hulporganen heeft;
2°. dat hij een onbeperkt gezichtsveld heeft op beide ogen;
3°. dat hij bij het zien met beide ogen gelijktijdig, zonder corri
gerende glazen, een gezichtsscherpte heeft van ten minste %,s en met
elk oog afzonderlijk van ten minste S/1S of wel van ten minste 5/„,8 met
beide ogen en ten minste %o met elk der ogen afzonderlijk;
l) 4°. dat hij vrij is van meer dan 2'/2 dioptrie manifeste hyper-
metropie aan beide ogen dan wel aan één der ogen met een gezichts
scherpte van ten minste 5/„5 en van meer dan 3 dioptrieën aan het
andere oog;
5°. dat hij vrij is van progressieve ooggebreken en normale pupil
reacties heeft;
6°. dat hij bij het zien met beide ogen gelijktijdig een normaal
kleurenonderscheidingsvermogen heeft voor rood en groen en bij
sluiten van een der ogen vrij is van centrale scotomen voor rood en
groen;
7°. dat hij vrij is van verschijnselen, die het bestaan van dag- of
nachtblindheid of lichtzinstoornissen doen vermoeden.
(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van
1952
Staatsblad No.
.)
Handtekening van
De door de Minister van Verkeer
de gekeurde:
en Waterstaat aangewezen deskundige:
•)
19
Ontvangen van de gekeurde:
als niet-gediplomeerde
ƒ 4,—
') Dit formulier is slechts geldig, indien is doorgehaald, hetgeen niet op de
gekeurde van toepassing is.
a) Datum en jaartal voluit geschreven in te vullen.
•) Z.O.Z.
Bijlage XVIII
B 3
GEZICHTSORGAAN
Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 3)
Bij eerste keuring en bij alle keuringen vóór voltooiing van het
één en veertigste jaar.
a
CS
>
GENEESKUNDIGE VERKLARING
T3
i:
betreffende het gezichtsorgaan van machinisten, machinist-stokers en
•g1
niet-gediplomeerden, aan wie de wacht in de machinekamer kan
o
worden opgedragen.
o |
De ondergetekende
verklaart heden
0>
ju
de heer
geboren
.£ £ te
te hebben onderzocht en te hebben bevonden:
O
g 55
1°. dat de belanghebbende uitwendig gezonde ogen, oogomgeving
en hulporganen heeft;
£ •§
2°. dat hij een onbeperkt gezichtsveld heeft op beide ogen;
"g Jc *) 3°. dat hij bij het zien met beide ogen gelijktijdig, zonder corri-
o m gerende glazen, een gezichtsscherpte heeft van ten minste 5/7)5 en met
g "C elk oog afzonderlijk van ten minste Vw of wel van ten minste Ve,«
"H S met één der ogen en ten minste 5/20 met het andere oog;
|
4°. dat hij vrij is van progressieve ooggebreken en normale pupil-
reacties heeft.
•o .a
(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van
1952
-i cs Staatsblad No.
.)
00*3
<u §
Handtekening van
De door de Minister van Verkeer
73
de gekeurde:
en Waterstaat aangewezen deskundige:
o .a
O ^
TD O
|'
19—-
c
Ontvangen van de gekeurde:
2
als machinist en machinist-stoker
ƒ 5,— )
D
. .
i
/
>
als niet-gediplomeerde —
—
— ƒ 4,— )
O
N
Q
') Dit formulier is slechts geldig, indien is doorgehaald, hetgeen niet op de
gekeurde van toepassing is.
2) Datum en jaartal voluit geschreven in te vullen.
') Doorhalen hetgeen niet op de gekeurde van toepassing is en hetgeen niet
in rekening wordt gebracht.
') Z.O.Z.
Bijlage XVIII
3a
GEZICHTSORGAAN
Moet in het bezit zijn van een bril met glazen,
rechts
links
Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 4)
Bij alle keuringen vóór voltooiing van het één en veertigste jaar,
uitgezonderd bij eerste keuring.
GENEESKUNDIGE VERKLARING
betreffende het gezichtsorgaan van machinisten, machinist-stokers en
niet-gediplomeerden, aan wie de wacht in de machinekamer kan
worden opgedragen.
De ondergetekende
verklaart heden
£ de heer
geboren
U
'£ te
te hebben onderzocht en te hebben bevonden:
O
w
1°. dat de belanghebbende uitwendig gezonde ogen, oogomgeving
J3 en hulporganen heeft;
-0
2°. dat hij een onbeperkt gezichtsveld heeft op beide ogen;
B ') 3°. dat hij bij het zien met beide ogen gelijktijdig, met corri-
§ gerende glazen, een gezichtsscherpte heeft van ten minste E/7,6 en met
elk oog afzonderlijk van ten minste Vu of wel van ten minste 5/a,o
<u
met één der ogen en ten minste s/2o met het andere oog en dat hij
u vrij is van meer dan 3 dioptrieën manifeste hypermetropie;
•o
4°. dat hij vrij is van progressieve ooggebreken en normale pupil-
<u
reacties heeft.
.£?
(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van
1952
Staatsblad No.
.)
Handtekening van
De door de Minister van Verkeer
<u
de gekeurde:
en Waterstaat aangewezen deskundige:
,
«)
19..
Ontvangen van de gekeurde:
als machinist en machinist-stoker
ƒ 5,— )
®)
als niet-gediplomeerde
ƒ 4,— \
') Dit formulier is slechts geldig, indien is doorgehaald, hetgeen niet op de
gekeurde van toepassing is.
') Datum en jaartal voluit geschreven in te vullen.
') Doorhalen hetgeen niet op de gekeurde van toepassing is en hetgeen niet
in rekening wordt gebracht.
4) z.oz.
Bijlage XVIII
B 4
GEZICHTSORGAAN
Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 5)
Voor alle keuringen na voltooiing van het één en veertigste jaar,
uitgezonderd bij eerste keuring.
c
GENEESKUNDIGE VERKLARING
>
betreffende het gezichtsorgaan van kapiteins, stuurlieden en niet-
•53
gediplomeerden, aan wie de wacht aan dek of het houden van uitkijk
•g,
kan worden opgedragen.
"H
De ondergetekende
verklaart heden
0
de heer
-
, geboren
c
te
te hebben onderzocht en te hebben bevonden:
O
7
2?
4) 1°. dat de belanghebbende uitwendig gezonde ogen, oogomgeving
~
en hulporganen heeft;
—' -§
2°. dat hij op één der ogen een onbeperkt gezichtsveld heeft;
"e '£
*) 3°. dat hij bij het zien met beide ogen gelijktijdig, zonder corri-
m > gerende glazen, een gezichtsscherpte heeft van ten minste 6/w en bij
•g ü het zien met één der ogen van ten minste 5/3(>, dan wel dat hij, een
•o S gezichtsscherpte van 6/a„ met één der ogen niet bereikende, of een
§
oog missende,' met het andere oog zonder een corrigerend glas ten
a .3 minste een gezichtsscherpte van */T)5 heeft;
•o 3 ') 4°. dat hij vrij is van progressieve ooggebreken, die de vrees wet-
o
tigen voor het aan beide zijden optreden daarvan of voor zodanige
^
functievermindering, dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaar-
•o.u den onder 2°, 3° en 5°;
3
4) 5 ° .
hij bij het zien met beide ogen een normaal kleurenonder-
.ïï 'ia scheidingsvermogen heeft voor rood en groen en bij sluiten van één
der ogen vrij is van centrale scotomen voor rood en groen;
.g §
6°. dat hij vrij is van verschijnselen, die het bestaan van dag- of
i» nachtblindheid of lichtzinstoornissen doen vermoeden.
o
o ( E i s e n , v a s t g e s t e l d b i j K o n i n k l i j k B e s l u i t v a n
1 9 5 2
^ "3 Staatsblad No.
.)
o
Handtekening van
De door de Minister van Verkeer
^
de gekeurde:
en Waterstaat aangewezen deskundige:
60 c |
0
19
£
Ontvangen van de gekeurde:
als kapitein en als stuurman
ƒ 5,— )
n
als niet-gediplomeerde
ƒ 4,— J
>
*)
Dit formulier is slechts geldig, indien is doorgehaald, hetgeen niet op de
gekeurde van toepassing is.
a) Datum en jaartal voluit geschreven in te vullen.
') Doorhalen hetgeen niet op de gekeurde van toepassing is en hetgeen niet
in rekening wordt gebracht.
*)
Voor een éénogige slaat het voorschrift op het overgebleven oog.
") Z.O.Z.
^i
LA
GEZICHTSORGAAN
Moet in het bezit zijn van een bril met glazen
rechts:
, links:
Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 3)
Bij alle keuringen na voltooiing van het één en veertigste iaar
uitgezonderd bij eerste keuring.
GENEESKUNDIGE VERKLARING
betreffende het gezichtsorgaan van kapiteins, stuurlieden en niet-
geaiplomeerden, aan wie de wacht aan dek of het houden van uitkijk
kan worden opgedragen.
De ondergetekende
verklaart heden
de heer
geboren
te
hebben onderzocht en te hebben bevonden:
1 . dat de belanghebbende uitwendig gezonde ogen, ooeomsevine
en hulporganen heeft;
6
2°. dat hij op écn der ogen een onbeperkt gezichtsveld heeft;
,
•
,
h'J
bl-> het Zlen met beide ogen gelijktijdig een gezichts
scherpte heeft van ten minste °/u, waarbij hij met glazen een gezichts
scherpte van ten minste 5/„5 heeft;
4°. dat hij vrij is van progressieve ooggebreken, die de vrees wet
tigen voor het aan beide zijden optreden daarvan of voor zodanige
runctievermindering, dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaar
den onder 2°, 3° en 5°.
5°
dat hij bij het zien met beide ogen een normaal kleurenonder-
scheidingsvermogen heeft voor rood en groen en bij sluiten van één
der ogen vrij is van centrale scotomen voor rood en groen;
6°' ,da' h|j vr'j.is yan verschijnselen, die het bestaan'van dag- of
nachtblindheid of lichtzinstoornissen doen vermoeden.
(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van
1952
Staatsblad No.
.)
Handtekening van
De door de Minister van Verkeer
de gekeurde:
en Waterstaat aangewezen deskundige:
-
19
Ontvangen van de gekeurde:
als kapitein en als stuurman
ƒ 5,
)
als niet-gediplomeerde
ƒ 4^
1
2)
) Datum en jaartal voluit geschreven in te vullen,
in reke^ng^wLTdtbgShr' °P
gCkeUrde ™ toePassinS is en h«8«=n niet
*) Z.Ü.Z.
Bijlage XVIII
GEZICHTSORGAAN
B 5
Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 5)
Voor alle keuringen na voltooiing van het één en veertigste jaar,
uitgezonderd bij eerste keuring.
«
GENEESKUNDIGE VERKLARING
op
worden opgedragen.
fe
,
.
verklaart heden
o
De ondergetekende
|
de heer
§eboren
'
§>
te
te hebben onderzocht en te hebben bevonden. ^
e S *) 1°
dat de belanghebbende uitwendig gezonde ogen, oogomgeving j
II
M
si
§ » met één der ogen V. niet bereikende, ot één der ogen m.ssende, met
SI het andere oog een
™
we,
11
« tt'1
VeWe'zMTÓp «denS6d1
voor zodanig,!
l*
voidaan aan de voorwaar-
*2 '-3 den onder 2° en 3°.
«
M
(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van
°°'"g
Staatsblad No.
•)
S i
.
.
.
_
n p H n n r d e M i n i s t e r v a n V e r k e e r
§ |
Hade oekeürdel3
en Waterstaat aangewezen deskundige:
-o a>
u
1 9
1
7"
Ontvangen van de gekeurde.
-2
als machinist en machinist-stoker
f5,
\
^
g
als niet-gediplomeerde
f 4>— '
g
>) Dit formulier is slechts geldig, indien is doorgehaald, hetgeen niet op .
is en hetgeen n«
in .fvtor eWen"énoeg%e slaat het voorschrift op het overgebleven oog.
») Z.O.Z.
Bijlage XVIII
Bijlage XVIII
A
GEZICHTSORGAAN
Moet in het bezit zijn van een bril met glazen,
rechts:
links:
Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 4)
Voor alle keuringen na voltooiing van het één en veertigste jaar,
uitgezonderd bij eerste keuring.
GENEESKUNDIGE VERKLARING
betreffende het gezichtsorgaan van machinisten, machinist-stokers en
met-gediplomeerden, aan wie de wacht in de machinekamer kan
worden opgedragen.
De ondergetekende
verklaart heden
de heer
, geboren
»
hebben onderzocht en te hebben bevonden:
enhuIP?rgatnteft;ebbende
geZ°nde °gen' 00S0mSevi"g
n
d,at huIJ'.°P.één der ogen een onbeperkt gezichtsveld heeft;
. dat hij bij het zien met beide ogen gelijktijdig, met corri
gerende glazen een gezichtsscherpte heeft van ten minste 7lt en bij
et zien met elk oog afzonderlijk van ten minste 7»,, dan wel dat hij
met een der ogen /3„ niet bereikende, met het andere oog een eezichts-
scherpte heeft van ten minste 7l0;
06
4°. dat hij vrij is van progressieve ooggebreken, die de vrees wet
tigen voor het aan beide zijden optreden daarvan of voor zodanige
functievermindering, dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaar-
den onder 2 . en 3°.
(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van
195?
Staatsblad No.
.)
Handtekening van
De door de Minister van Verkeer
de gekeurde:
en Waterstaat aangewezen deskundige:
**
—
>
19
Ontvangen van de gekeurde:
als machinist en machinist-stoker
ƒ 5,
\
als niet-gediplomeerde
ƒ 4i
i ^
4eurd^a0nTiparsingSlfsChtS 8e'dig'
* doorSehaaId. het8een ™t op de
*)
Da:um en jaartal voluit geschreven in te vullen
in JekeDn°nghwo?dt'Schf °P ^ gekeUrde ^ t06paSSing is en het^n
') /..O-Z.
Bijlage XVIII
GEHOORORGAAN
B 6a
Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 3)
Bij eerste keuring en bij alle keuringen vóór voltooiing van het
c
één en veertigste jaar.
03
SI
GENEESKUNDIGE VERKLARING
M
betreffende het gehoororgaan van kapiteins, stuurlieden en niet-
'"H
gediplomeerden, aan wie de wacht aan dek of het houden van
g
uitkijk kan worden opgedragen.
£ |
De ondergetekende
verklaart heden
.SS de heer
.geboren
"g g
te
te hebben onderzocht en te hebben bevonden:
£ ~
1° dat de belanghebbende een zodanige gehoorscherpte heeft, dat
Ö o
hij fluisterend en van ter zijde gesproken woorden met elk oor
B
afzonderlijk, bij afsluiting van het andere oor, op een afstand van
° c 4 meter goed kan verstaan en nazeggen,
. .
,
S '9
2°
dat bij hem geen belangrijke afwijking aanwezig is in
II toestand van de uitwind,ge gehoorgang van het middenoor of van
£ _u bet inwendige oor, noch een etterige afscheiding uit het o .
(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van
1952
2 u- Staatsblad No.
•)
Te
Handtekening van
De door de Minister van Verkeer
— .3
'de oekeurde-
en Waterstaat aangewezen deskundige:
§1
'
T3 <U
^ ^
19
g
*)
Ë
en
Ontvangen van de gekeurde:
G
jij
als kapitein en stuurman
f
5>
I
^
|
als niet-gediplomeerde
/ 4~ ^
O
N
P
in rekening wordt gebracht.
3) z.o.z
1
GEHOORORGAAN
Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 4)
Bij eerste keuring en bij alle keuringen vóór voltooiing van het
een en veertigste jaar.
GENEESKUNDIGE VERKLARING
betreffende het gehoororgaan van machinisten, machinist-stokers
en met-gediplomeerden, aan wie de wacht in de machinekamer
kan worden opgedragen.
De ondergetekende
verklaart heden
de heer
geboren
te
> te hebben onderzocht en te hebben bevonden:
) } "
belanghebbende een zodanige gehoorscherpte heeft,
aat hij fluisterend en van terzijde gesproken woorden met elk oor
afzonderlijk, bij afsluiting van het andere oor, op een afstand van
4 meter goed kan verstaan en nazeggen, of
, .
c'at
belanghebbende een zodanige gehoorscherpte heeft, dat
hij fluisterend en van terzijde gesproken woorden met het ene oor,
bij afsluiting van het andere oor, op een afstand van ten minste
2 meter en met het andere oor op een afstand van ten minste 6 meter
goed kan verstaan en nazeggen;
2°. dat bij hem geen belangrijke afwijking aanwezig is in de
toestand van de uitwendige gehoorgang, van het middenoor of van
het inwendige oor, noch een etterige afscheiding uit het oor.
(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van
1952
Staatsblad No.
.)
Handtekening van
De door de Minister van Verkeer
de gekeurde:
en Waterstaat aangewezen deskundige:
•)
19
Ontvangen van de gekeurde:
als machinist en machinist-stoker
ƒ 5,
\
als niet-gediplomeerde
ƒ 4)
\
)
,')
formulier is slechts geldig, indien is doorgehaald, hetgeen niet OD de
gekeurde van toepassing is.
p
') Datum en jaartal voluit geschreven in te vullen
n rekening"wordt^gebracht6' °P
™ t0epaSSing * Cn hetgeen niet
') Z.O.Z.
Bijlage XVIII
Bijlage XVIII
GEHOORORGAAN
B 7a
Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte.s)
Voor alle keuringen na voltooiing van het één en veertigste jaar,
Q
uitgezonderd bij eerste keuring.
CS
2
GENEESKUNDIGE VERKLARING
m
betreffende het gehoororgaan van kapiteins stuurlieden eni niet-
"H
gediplomeerden, aan wie de wacht aan dek of het houden van
g
uitkijk kan worden opgedragen.
&
S
r,
,
. i
,
verklaart heden
g>
De ondergetekende
o 2 de heer —
8eboren
~~
"g H
te
te hebben onderzocht en te hebben bevonden:
^ E
1° dat de belanghebbende een zodanige gehoorscherpte heeft, dat
Sg hij fluisterend en van ter zijde gesproken woorden met elk oor
O-® afzonderlijk, bij afsluiting van het andere oor, op een afstand van
° c? 3 meter goed kan verstaan en nazeggen,
^
. . .
S'g
2°. dat bij hem geen belangrijke afwijking aanwezig is in de
S
toestand van de uitwendige gehoorgang, van het middenoor
£ « het inwendige oor, noch een etterige afscheiding uit het oor.
•g
(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van
1952
3 u- Staatsblad No.
•)
Qf)
Handtekening van
De door de Minister van Verkeer
de gekeurde-
en Waterstaat aangewezen deskundige.
S - 8
•O U
19
g
')
-
0
Ontvangen van de gekeurde:
Jj
als kapitein en stuurman
/ 5>
) ^
jï
als niet-gediplomeerde
- / 4>
^
O
N
tt Q
in rekening wordt gebracht.
s) z.o.z.
Bijlage XVIII
>
GEHOORORGAAN
Deze verklaring is geldig tot 2 jaar na de datum van afgifte. 4)
Voor alle keuringen na voltooiing van het één en veertigste jaar,
uitgezonderd bij eerste keuring.
GENEESKUNDIGE VERKLARING
betreffende het gehoororgaan van machinisten, machinist-stokers
en niet-gediplomeerden, aan wie de wacht in de machinekamer
kan worden opgedragen.
De ondergetekende
verklaart heden
de heer
geboren
te
, te hebben onderzocht en te hebben bevonden:
*) 1 °. a. dat de belanghebbende een zodanige gehoorscherpte heeft,
dat hij fluisterend en van terzijde gesproken woorden met elk oor
afzonderlijk, bij afsluiting van het andere oor, op een afstand van
3 meter, goed kan verstaan en nazeggen, of
b. dat de belanghebbende een zodanige gehoorscherpte heeft, dat
hij fluisterend en van terzijde gesproken woorden met het ene oor,
bij afsluiting van het andere oor, op een afstand van ten minste
1 meter en met het andere oor op een afstand van ten minste 5 meter
goed kan verstaan en nazeggen;
2°. dat bij hem geen belangrijke afwijking aanwezig is in de
toestand van de uitwendige gehoorgang, van het middenoor of van
het inwendige oor, noch een etterige afscheiding uit het oor.
(Eisen, vastgesteld bij Koninklijk Besluit van
1952
Staatsblad No.
.)
Handtekening van
De door de Minister van Verkeer
de gekeurde:
en Waterstaat aangewezen deskundige:
•>
19.
Ontvangen van de gekeurde:
als machinist en machinist-stoker
ƒ 5,— )
8\
als niet-gediplomeerde
ƒ 4,— j
') Dit formulier is slechts geldig, indien is doorgehaald, hetgeen niet op de
gekeurde van toepassing is.
') Datum en jaartal voluit geschreven in te vullen.
') Doorhalen hetgeen niet op de gekeurde van toepassing is en hetgeen niet
in rekening wordt gebracht.
') z.o.z.
Bijlage XVIII
De voorgaande modellen B zijn alle aan de achterkant voorzien
van de hiernavolgende verklaringen:
Verlengd tot 4 jaar na de datum van afgifte.
De geneeskundige, bedoeld in
artikel 31 van het Schepelingen-
besluit:
^
,
19.....
Verlengd tot 6 jaar na de datum van afgifte.
De geneeskundige, bedoeld in
artikel 31 van het Schepelingen-
besluit:
l)
,
19....
') Datum en jaartal voluit geschreven in te vullen.
Bijlage XVIII
C.
VERWIJZINGSBILJET
betreffende de herkeuring van het gezichtsorgaan/gehoororgaan
(Artikel 9, Bijlage XVIII van het Schepenbesluit)
De ondergetekende
verklaart, dat de heer
geboren
te
kapitein, stuurman x)
door hem voor het gezichts-/gehoororgaan x) als
ultkjjk
b
'
machinist, enz.
')
voor alle rangen *)
is afgekeurd en op heden wat dat orgaan betreft herkeuring door
een scheidsrechter heeft verzocht.
Ondergetekende heeft de belanghebbende medegedeeld, dat hij
herkeuring kan aanvragen, door dit biljet te zenden aan een der aan
gewezen scheidsrechters, die hem dan ter herkeuring zal oproepen.
De aangewezen deskundige,
—
-
19
*) Doorhalen wat niet van toepassing is.
Bijlage XVIII
D
Keuringen-Schepenwet
19......
BERICHT VAN AFKEURING
De ondergetekende
verklaart, dat de heer
geboren
te
door hem voor het gezichts-gehoororgaan ') is afgekeurd
als kapitein, stuurman.1)
als uitkijk.1)
als machinist, enz.1)
voor alle rangen.*)
(Handtekening)
DIENST
Ministerie van
Verkeer en Waterstaat
B R I E F K A A R T
Aan de Heer
INSPECTEUR-GENERAAL
VOOR DE SCHEEPVAART
BANKASTRAAT 129
te
'S-G RAVENHAGE
No. 826
Inspecteur-Generaal
voor de Scheepvaart
') Doorhalen wat niet van toepassing is.
BIJLAGE XIX
VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE HET VERVOER
VAN DIEREN
Algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder
Omschrijvingen
dieren: paarden, rundvee, varkens, schapen en geiten.
Inspecteur van de Veeartsenijkundige
Dienst: de Inspecteur,
districtshoofd van de Veeartsenijkundige Dienst, in wiens district de
haven, waar het vervoer van dieren aanvangt, is gelegen.
stallen, hokken, boxen, stallen e.d., waarin de dieren worden ver
voerd.
Vervoer anders dan als deklading
Artikel 2
1. Het vervoer van dieren, anders dan als deklading, van een Dierenvervo«r-
Nederlandse haven of van een haven van de Nederlandse Antillen uit
mag niet geschieden, tenzij voor het schip een dierenvervoercertificaat
voor de te ondernemen reis is afgegeven.
Het dierenvervoercertificaat wordt slechts afgegeven, nadat is
gebleken, dat wordt voldaan aan de in deze bijlage gegeven voor
schriften.
3. Op het dierenvervoercertificaat wordt vermeld het maximum
aantal paarden, runderen, varkens, schapen of geiten, dat op de te
ondernemen reis mag worden vervoerd, zomede het aantal plaatsen
dat ingevolge het bepaalde in artikel 5, lid 2, beschikbaar moet wor
den gehouden.
4.
De aanvraag tot het verkrijgen van een dierenvervoercertifi
caat moet schriftelijk door de eigenaar tot het Hoofd van de Scheep
vaartinspectie worden gericht.
eefste aanvraag tot het verkrijgen van een dierenvervoer
certificaat moet vergezeld gaan van de blijkens deze voorschriften
voor de controle nodige tekeningen en gegevens betreffende de in
richting en uitrusting van het schip, alsmede die der te ondernemen
reis.
6. Elke verdere aanvraag tot het verkrijgen van een dierenver
voercertificaat moet melding maken van de eventuele wijziging in de
gegevens betreffende het schip sedert de eerste aanvraag en van de
dan te ondernemen reis.
7' J H®t,dlerenvervoercertificaat wordt afgegeven door het Hoofd
van de Scheepvaartinspectie, nadat aan de daartoe aangewezen amb
tenaren is gebleken, dat voldaan is aan de voorschriften van deze
bijlage.
Bijlage XIX
Verzorging,
plaatsing en
onderbrenging
van dieren
Ruimte voor
dieren
Artikel 3
1
Elk dier moet voldoende ruimte hebben om het in staat te
stellen te drinken, te eten en te rusten gedurende de reis.
2. Paarden en rundvee moeten steeds dwarsscheeps worden g
t*% 1 q O fct
3
Dieren mogen niet worden vervoerd in stallen, welke op
luiken zijn geplaatst, tenzij afdoende voorzieningen zijn getroffen om
te be?etten,dat water, urine en andere afvalstoffen, door deze luiken
in onderligggende ruimten zouden komen.
4. De constructie, inrichting en afwerking van de stallen, al -
mede de materialen, waarvan deze zijn vervaardigd, moeten door e
Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn goedgekeurd.
Artikel 4
1. De dieren moeten worden geplaatst in stallen van de volgende
afmetingen:
Voor paarden:
.
Breed ten hoogste 0,85 m en ten minste 0,70 m.
Diep ten hoogste 2,45 m en ten minste 2,15 m.
Hoog ten minste 2,10 m, doch althans 0,50 m boven schofthoogte.
Voor koudbloedpaarden en volwassen rundvee:
Breed ten hoogste 3,35 m en ten minste 0,90 m.
D'ieo ten hooeste 2,75 m en ten minste 2,45 m.
Hoog voor koudbloedpaarden ten minste 2,10 m, doch althans
0,50 m boven schofthoogte; voor volwassen rundvee ten minste
1,80 m.
Voor niet volwassen rundvee:
Breed ten hoogste 3,35 m en ten minste 0,70 m.
Diep ten hoogste 2,75 m en ten minste 1,80 m.
Hoog ten minste 1,60 m.
,
,
••
tör.
De in dit lid genoemde breedten worden langsscheeps en de diepten
dwarsscheeps gemeten.
Voor varkens: een vloeroppervlakte van ten hoogste 6 ms.
Voor schapen en geiten: een vloeroppervlakte van ten hoogste
15 m2.
2
Met inachtneming van de hieronder als ten hoogste genoemde
aantallen wordt voor elke reis bepaald, hoeveel dieren in een stal
mogen worden geplaatst.
Warmbloedpaarden: 1.
Koudbloedpaarden: 4.
.
Rundvee van 400 kg levend gewicht en daarboven: 4.
Rundvee van minder dan 400 kg levend gewicht: 5.
Varkens: 4.
Schapen en geiten: 15.
Bijlage XIX
Bij de bepaling van deze aantallen wordt er mede rekening ge
houden, dat per dier ten minste de volgende breedte beschikbaar
moet zijn:
Koudbloedpaarden en rundvee van 400 kg levend gewicht en daar
boven: 0,75 m.
Koudbloedpaarden en rundvee van minder dan 400 kg levend ge
wicht: 0,60 m.
Wanneer één volwassen rund in één stal wordt vervoerd, moet de
beschikbare breedte ten minste 0,90 m zijn; voor een niet volwassen
rund kan in dat geval met ten minste 0,70 m worden volstaan.
Elke stier moet steeds in een afzonderlijke stal worden geplaatst.
De stallen voor stieren mogen, in afwijking van bovenstaande alge
meen gestelde maten voor volwassen rundvee, zonodig een diepte van
ten hoogste 3.00 m hebben.
Bij de bepaling van de aantallen rundvee moet verder in acht
worden genomen, dat voor zwaar melkvee en voor drachtig vee extra
ruimte beschikbaar moet zijn.
Tevens moet bij de vaststelling van het aantal dieren, dat in stallen
mag worden geplaatst, de reisduur en de bestemming der te ver
voeren dieren in aanmerking worden genomen.
Artikel 5
1. Drachtig rundvee, waarvan het afkalven tijdens de voorge- Vervoer van
nomen reis waarschijnlijk moet worden geacht, moet zodanig worden drachtig rundvee
gestald, dat het te allen tijde mogelijk is, voldoende ruimte voor het
afkalven gemakkelijk beschikbaar te maken.
2.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bepaalt het aantal
plaatsen, dat beschikbaar moet gehouden worden voor rundvee, dat
tijdens de te ondernemen reis waarschijnlijk zal afkalven en maakt
hiervan een aantekening op het dierenvervoercertificaat.
Artikel 6
1. Elk ruim, waarin dieren worden vervoerd, moet zijn voorzien Luchtverversing
van een goede natuurlijke en kunstmatige ventilatie, waardoor onder
alle weersomstandigheden de aanvoer van zuurstofrijke buitenlucht
en de afvoer van zuurstofarme stallucht verzekerd zijn.
_.
Daartoe moeten doelmatige, werktuiglijk bewogen waaiers wor
den aangebracht, welke zo nodig zowel lucht in het ruim kunnen
persen, als lucht uit het ruim kunnen afzuigen.
De capaciteit van de ventilatoren moet zo groot zijn, dat onder
alle weersomstandigheden voor elk volwassen paard en rund ten
minste 70 m3 verse lucht per uur beschikbaar zijn.
Bovendien moet voor elk ruim, waarin dieren worden vervoerd,
ten minste één koelzeil aanwezig zijn.
3
In de ruimen mogen geen dieren worden geplaatst op meer
dan 3 meter afstand van de uitmondingen van op de ventilatoren
aangesloten luchtleidingen.
Bijlage XIX
4. In overdekte en ingesloten ruimten, waarin dieren worden
vervoerd, moet aan boord van stoomschepen ter hoogte van de stook
plaatsen en van de machinekamer tussen de ketelkoelkast, de
machinekamerschacht en de beschieting van de stalruimten een isole
rende luchtlaag aanwezig zijn van ten minste 0,075 m dikte.
Artikel 7
Verlichting
^lle ingesloten dekken, waar dieren over worden geleid, of waarop
deze in stallen zijn ondergebracht, moeten van een electrische ver
lichting zijn voorzien. De lichtpunten moeten op onderlinge afstanden
van ten hoogste 6 m zijn aangebracht. In elk lichtpunt moet een
lamp van ten minste 40 Watt zijn geplaatst.
Artikel 8
Gangpaden
i. Tussen elke twee rijen dieren en bij elke enkele rij moet een
langsscheeps gangpad worden vrijgehouden, zodat een goede voor
ging van de dieren onder alle weersomstandigheden mogelijk is Daar
toe moeten deze gangpaden een breedte van ten minste 0,75 m
hebben en steeds vrij worden gehouden. In het uiterste voor-
achterschip en daar, waar constructiedelen over een lengte van met
meer dan 1 m in het gangpad uitsteken, mag deze breedte tot 0,45 m
afnemen.
,
.
. .
2
Twee of meer langsscheepse gangpaden m een ruimte moet
door ten minste één dwarsscheeps pad van ten minste 0,50 m breedte
zijn verbonden.
Artikel 9
Afvoer
Doeltreffende voorzieningen moeten zijn getroffen voor de afvoer
van urine en water van alle dekken, waarop dieren worden vervoerd
Daartoe moeten voldoende spuikleppen, spuigaten of afvoerpijpen
Steeds' moet de vrije toegang tot deze spuikleppen, spuigaten en
afvoerpijpen verzekerd zijn.
Afvoerpijpen naar de bilges moeten zijn voorzien van een rooster
of korf, waardoor stro, hooi en andere vaste stoffen worden teg
gehouden.
Artikel 10
Drinkwater,
1. De kapitein is verplicht zorg te dragen, dat het schip Jevoor-
voer en iigma-
. •
t
en hoeveelheid drinkwater, voldoende voor het drenüe
teriaal
van de dieren gedurende de te ondernemen reis; hij is tevens ver
plicht zich te vergewissen, dat de afzender voldoende voer aan boord
heeft gebracht voor het voeren van de dieren gedurende de te onder
"Tverband met de mogelijkheid van onvoorzienevertr^ingt.jdens
He reis door slecht weer of andere oorzaken, moet ten minste 10 h
vL het te berekenen verbruik « t r a worden mede genomen voor
reizen van één week of van langer duur en ten minste 20 /D voor
Bijlage XIX
reizen van korter duur. Bij de beoordeling of de hoeveelheid drink
water voldoende is, mag rekening worden gehouden met de mogelijk
heid van aanvulling gedurende de reis, eventueel door distilleren.
Bij de beoordeling of de hoeveelheid voer voldoende is, mag reke
ning worden gehouden met de mogelijkheid van aanvulling gedurende
de reis. Goede, waterdicht afgedekte berging moet aan boord be
schikbaar zijn voor het voer.
Het drenken en voeren moet op voor de dieren gemakkelijke wijze
geschieden.
De dieren moeten ten minste 's morgens en 's avonds worden ge
drenkt en gevoerd.
2.
De drinkwatervoorziening moet zodanig zijn uitgevoerd, dat
onder alle weersomstandigheden op elke plaats, waar dieren' zijn
ondergebracht, voldoende vers drinkwater beschikbaar is. Voor het
drenken van de dieren moet een voorraad vers drinkwater beschik
baar zijn, voldoende om elk paard of rund gemiddeld 50 liter per
etmaal, elk varken, schaap of elke geit gemiddeld 10 liter per etmaal
te geven.
3.
Het voer moet zodanig zijn geborgen, dat onder alle weers
omstandigheden op elke plaats, waar dieren zijn ondergebracht, vol
doende voer beschikbaar is. Voor het voeren van de dieren moet
een voorraad voedsel beschikbaar zijn, voldoende om elk paard of
volwassen rund gemiddeld 10 kg hooi per etmaal, elk niet volwassen
rund 6 kg hooi per etmaal, elk kalf jonger dan 3 maanden gemiddeld
1 kg meelvoer of \ kg volle melkpoeder, elk varken gemiddeld 2 kg
meelvoer, en elk schaap of elke geit gemiddeld 2 kg hooi per etmaal
te geven.
4. Aan boord moet een voorraad stro of ander doeltreffend lig-
materiaal aanwezig zijn, voldoende voor de ligging van de dieren
in de stallen, gedurende de reis.
Artikel 11
1. Paarden en rundvee, horenloos of niet, moeten gedurende het vastmaken der
vervoer met de hoofden goed vastgebonden worden, op zodanigedieren
wijze, dat geen onnodig leed of onnodige kwelling wordt veroorzaakt.
Voor het vastmaken van paarden en rundvee moeten sterke zachte
halsters worden gebruikt. De kapitein kan van het voorschrift tot
vastmaken afwijken, indien de omstandigheden zulks noodzakelijk
maken.
2. Stieren mogen niet aan de neusring worden vastgemaakt op
zodanige wijze, dat bij plaatsing in een stal het trekken aan het
halstertouw wordt overgebracht op de neusring.
3. De achterijzers van éénhoevige dieren moeten vóór de reis
worden afgenomen.
Bijlage XIX
Artikel 12
Oppassers
i. De afzender moet er voor zorg dragen, dat een aantal terzake
kundige, zo mogelijk bevaren oppassers, die belast zijn met de ver
zorging van de dieren gedurende de reis aan boord zijn en wel voor
paarden en voor rundvee ten minste één op dertig stuks, voor var
kens, schapen en geiten ten minste één op honderd stuks.
2. Indien geen volle aantallen, als in lid 1 genoemd, of veei-
vouden daarvan worden vervoerd, mag één oppasser met de ver-
zorging van ten hoogste 35 paarden of stuks rundvee worden be
last, dan wel met de verzorging van ten hoogste 120 varkens, schapen
of geiten.
3. (a)
Bij een transport van ten minste 150 stuks paarden of
rundvee moet de afzender tevens een ploegbaas medegeven, die ver
antwoordelijk is voor de wijze, waarop de oppassers hun taak uit
oefenen en voor de goede verzorging van de dieren in het algemeen.
(b)
Bij een transport van minder dan 150 stuks paarden of rund
vee moet de afzender één der oppassers aanwijzen, die naast zijn
taak bij de verzorging van de dieren ook met de functie van ploeg
baas is belast.
4. Bij het vervoer van melkkoeien en verse koeien moet op elke
15 koeien een vakbekwame melker aanwezig zijn. Bij het vervoer
van drachtig rundvee moeten onder de oppassers steeds enige vak
bekwame melkers aanwezig zijn.
5. Indien een zending dieren bestaat uit ten hoogste 5 paarden of
10 stuks rundvee of 15 varkens of 30 schapen of geiten, kan de ver
zorging, in afwijking van het hierboven bepaalde, worden opge
dragen aan leden van de bemanning van het schip, wanneer zulks
naar het oordeel van de kapitein geen bezwaar oplevert.
6
De verzorging van dieren, waarvan verwacht kan worden, dat
zij tijdens de reis zullen werpen, valt nimmer onder de afwijking in
lid 5 bedoeld.
7. De oppassers mogen niet in de stalruimten worden gehuis
vest Hun zal huisvesting en voeding worden verstrekt door de ver
voerder onder de voorwaarden, overeengekomen tussen de aizender
en de vervoerder.
Artikel 13
Reiniging en
Alle afdelingen van het schip, bestemd voor het v^voer van
ontsmetting
dieren moeten vóór de inscheping grondig worden schoon0emaaK
en ontsmet ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.
Tijdens de reis moeten alle stallen, waarin dieren worden vervoerd,
geregeld worden gereinigd. In de tropen moeten de stallen ten minste
tweemaal per etmaal worden gereinigd.
Bijlage XIX
Artikel 14
1. Dieren mogen alleen worden ingescheept na goedkeuring door inscheping
de Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst voor de te onder
nemen reis en na goedkeuring voor export.
2. Gedurende de inscheping is de kapitein verplicht zorg te
dragen, dat het aantal en de soort dieren, dat in de stallen wordt
gebracht niet het aantal overschrijdt, dat overeenkomstig deze rege
ling door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie voor de verschil
lende stallen werd bepaald.
3.
Bij de inscheping moeten maatregelen worden genomen, dat
de dieren niet kunnen uitglijden op loopplanken, loopbruggen, in
doorgangen enz. van het schip, waarover en waardoor zij worden
geleid.
Artikel 15
Op elk schip, waarmede dieren worden vervoerd, moet een be- Apotheek
perkte hoeveelheid medicamenten en hulpmiddelen aan boord zijn,
welke voor de te ondernemen reis noodzakelijk kan worden geacht.
Artikel 16
Op elk schip, waarmede dieren worden vervoerd, moet een door instrumenten
het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd schietmasker dan vanrdi'eeren0den
wel een pistool of revolver met een kaliber van ten minste 7,65 mm
met bijbehorende munitie aanwezig zijn. Tevens moet op elk schip,
waarmede dieren worden vervoerd, een scherp mes met aanzetstaal
aanwezig zijn voor het verrichten van de halssnede.
Artikel 17
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie bepaalt voor elk dieren- Reserve plaatsen
transport het aantal stallen, dat beschikbaar moet worden gehouden
voor zieke of gekwetste dieren.
Vervoer als deklading
Artikel 18
Bij het vervoer van dieren als deklading gelden de voorschriften Geldende be-
voor het vervoer, anders dan als deklading, welke zijn opgenomen palin8cn
m de artikelen 3, 4, 5, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16 en 17.
Artikel 19
De kapitein van een schip, dat dieren als deklading vervoert, is Bescherming
verplicht voor de aanvang van de reis de plaats en het aantal van' de van dieren
te vervoeren dieren te bepalen in verband met het jaargetijde, de te
bevaren route en de diepgang van het schip.
Artikel 20
Op de plaatsen, waar de dieren in hun stallen worden vervoerd, verlichting
moet voor een goede dekverlichting worden zorg gedragen.
BIJLAGE XX
SEINEN IN VERBAND MET DE VEILIGHEID
VAN DE SCHEEPVAART
Artikel 1
Begin van
Alle berichten, geseind krachtens artikel 128 van het Schepen-
elk sem
besluit, moeten worden voorafgegaan door het veiligheidssein T T T
gevolgd door een aanwijzing van de aard van het gevaar en wel al
dus: TTT IJs; TTT Wrak; TTT Storm; TTT Scheepvaart.
Artikel 2
wijze van
j
gjj jg te verstrekken inlichtingen is de tijd in alle gevallen de
middelbare tijd Greenwich.
2.
Bij het seinen van berichten omtrent ijs, wrakken en andere
onmiddellijke gevaren voor de scheepvaart moeten worden vermeld:
(a) de aard van het ijs, wrak of gevaar, dat is waargenomen;
(b) de plaats, waar het ijs, wrak of gevaar het laatst werd waar
genomen;
(c) datum en tijd, waarop elke waarneming werd gedaan.
3
Bij het seinen van berichten omtrent tropische stormen (or-
kanen in West-Indië, typhonen in de Chinese zeeën, cyclonen in de
Indische zeeën en stormen van overeenkomstige aard in andere
streken) moeten worden vermeld:
(a)
Het ontmoeten van een tropische storm.
De verplichting tot mededeling moet ruim worden opgevat,
zodat ook berichten moeten worden verzonden, indien er
goede redenen zijn om te veronderstellen, dat een tropische
storm in de nabijheid woedt.
(b) De meteorologische inlichtingen.
Aan de onder (a) bedoelde mededeling moet, voor zover mo
gelijk, met het oog op de grote waarde van juiste meteorolo
gische gegevens om de positie en de richting van beweging
van stormcentra te bepalen, toegevoegd worden:
(aa) de barometerstand in millibaren, Engelse duimen of milli
meters met toevoeging „gecorrigeerd" of „niet-gecorrigeerd ,
(bb) de verandering van de barometerstand gedurende de vooraf
gaande drie uren;
(cc) de ware windrichting;
(dd) de windkracht volgens de schaal van Beaufort;
(ee) de toestand van de zee (kabbelend, golvend, aanschietend,
hoog);
. , .
( f f ) de deining (laag, matig hoog, hoog) en de ware richting, waar
zij vandaan komt. Periode of lengte van de deining (kort,
matig lang, lang);
(gg) de ware koers en snelheid van het schip;
(c)
Uur, datum en plaats van het schip;
De tijd in uur en datum en de plaats van het schip behoren
te worden gegeven voor het ogenblik, waarop de medegedeel
de meteorologische waarnemingen werden gedaan en niet
voor het ogenblik, waarop het bericht gereed was, of ver
zonden werd.
(d)
De latere waarnemingen.
Indien een kapitein mededeling heeft gedaan van een tropi
sche storm is het gewenst, zolang het schip onder de invloed
van de storm blijft, verdere waarnemingen te doen en deze
door te geven met tussenpozen van zo mogelijk één uur,
doch in elk geval niet langer dan drie uren.
Artikel 3
Als voorbeelden van mededelingen worden de navolgende tele- Voorbeelden
grammen gegeven:
(a) IJs.
T T T I J s . G r o t e b e r g g e z i e n 4 6 0 5 n o o r d 4 4 1 0 w e s t t e 0 8 0 0
middelbare tijd Greenwich 15 Mei.
(b) Wrak.
T T T W r a k . W a a r g e n o m e n w r a k b i j n a o n d e r w a t e r o p 4 0 0 6
noord 1243 west te 1630 middelbare tijd Greenwich 21 April.
(c) Gevaar voor de scheepvaart.
T T T S c h e e p v a a r t . A l p h a l i c h t s c h i p n i e t i n s t a t i o n 1 8 0 0 m i d
delbare tijd Greenwich 3 Januari.
(d) Tropische storm.
T T T S t o r m . 0 0 3 0 m i d d e l b a r e t i j d G r e e n w i c h , 1 8 A u g u s t u s ,
2204 N. 11354 O., Barometer gecorrigeerd 994
millibaren, verandering 6 millibaren dalende,
wind NW, kracht 9, zware buien. Hoge Oos
telijke deining, Koers 067, 5 zeemijlen.
T T T S t o r m . V o o r t e k e n e n
w i j z e n o p n a d e r e n d e o r k a a n ,
1300 middelbare tijd Greenwich, 14 Septem
ber, 2200 N. 7236 W., Barometer gecorrigeerd
29.64 inches, verandering 015 dalende, Wind
NO, kracht 8, veelvuldig regenbuien, Koers
035, 9 zeemijlen.
T T T S t o r m . W e e r s o m s t a n d i g h e d e n w i j z e n o p v o r m i n g v a n
een
hevige cycloon 0200 middelbare tijd
Greenwich, 4 Mei, 1620 N. 9203 O., Barometer
niet-gecorrigeerd 753 millimeters, verandering
5 millimeters dalende, Wind Zuid ten Westen
kracht 5, Koers 300, 8 zeemijlen.
T T T S t o r m . T y p h o o n i n h e t Z u i d o o s t e n . 0 3 0 0 m i d d e l b a r e
tijd Greenwich, 12 Juni, 1812 N. 12605 O.,
snel dalende barometer, Wind aanwakkerend
uit het Noorden.
Bijlage XX
BIJLAGE XXI
A. MODEL VAN HET RADIODAGBOEK
(TELEGRAFIE)
Eerste bladzijde
RADIODAGBOEK (TELEGRAFIE)
van het zeeschip:
Rederij:
over het tijdvak
19
tot en met
19
Kapitein:
Bijlage XXI
Tweede bladzijde
Het dagboek wordt bijgehouden ingevolge artikel 9 van de
Schepenwet en met inachtneming van hetgeen daaromtrent in het
Schepenbesluit is voorgeschreven.
In het dagboek moet aantekening worden gehouden van alle voor
vallen met betrekking tot de radiodienst, welke van belang zijn voor
de beveiliging van mensenlevens op zee.
In het bijzonder moet daarin volledig worden vermeld alles wat
het noodverkeer betreft, ongeacht of het schip zelf daaraan al dan
niet deelneemt.
Voorts moeten in het dagboek worden aangetekend de tijden, ge
durende welke luisterdienst is gehouden. Deze aantekeningen moeten
door hen, die deze luisterdienst hebben verricht, worden ondertekend.
Bijlage XXI
Derde bladzijde
Bezetting van het station
Naam, voorletters en kwaliteit
:—;
—
Certificaat als:
Radiotelegrafist,
Radiotelegrafist
Chef van het station
Op deze staat worden de namen van alle personen, die met de
radiotelegraafdienst zijn belast, geplaatst.
Bij vertrek van boord wordt de naam van de betrokkene door
gehaald, terwijl nieuw aan boord gekomenen op deze staat worden
vermeld.
Vierde en volgende bladzijden
RADIODAGBOEK (TELEGRAFIE)
bij te houden in middelbare tijd Greenwich
/s:
Rederij:
Varende in zóne:
van:
naar;
(Bijl. 13 Radio-Reglement Atlantic City)
Frequentie waarop werd
Stations waarmede
Tiid
gecorrespondeerd werd
.
Datum
M77,
Middag-
m.i.u.
bestek
Aantekeningen
Ontvangen
Geseind
Naam
Roepnaam
^ag,
19
.
dag,
19
De Kapitein,
van
statjorif
w
ET
CTQ O
X
X
HH
Bijlage XXI
B. MODEL VAN HET RADIODAGBOEK
(TELEFONIE)
Eerste bladzijde
RADIODAGBOEK (TELEFONIE)
van het zeeschip:
Rederij:
over het tijdvak
19
tot en met
Kapitein:
Bijlage XXI
Tweede bladzijde
Het dagboek wordt bijgehouden ingevolge artikel 9 van de
Schepenwet en met inachtneming van hetgeen daaromtrent in het
Schepenbesluit is voorgeschreven.
In het dagboek moet aantekening worden gehouden van alle voor
vallen met betrekking tot de radiodienst, welke van belang zijn
voor de beveiliging van mensenlevens op zee.
In het bijzonder moet daarin volledig worden vermeld alles wat
het noodverkeer betreft, ongeacht of het schip zelf daaraan al dan
niet deelneemt.
Voorts moeten in het dagboek worden aangetekend de tijden, ge
durende welke luisterdienst is gehouden. Deze aantekeningen moeten
door hen, die deze luisterdienst hebben verricht, worden ondertekend.
Bijlage XXI
Derde bladzijde
Bezetting van het station
Naam en voorletters:
Certificaat:
Op deze staat worden de namen van alle personen, die met de
radiotelefoondienst zijn belast, geplaatst.
. f
kk
e door_
Bü vertrek van boord wordt de naam van de betrokkene door
gehaald, terwijl nieuw aan boord gekomenen op deze staat worden
vermeld.
Bijlage XXI
Vierde en volgende bladzijden
RADIODAGBOEK (TELEFONIE)
bij te houden in middelbare tijd Greenwich
/s:
Rederij:
Varende in zóne:
van.
(Bijl. 13 Radio-Reglement Atlantic City)
Haan
Frequentie waarop werd
Stations waarmede
Datum
MTjidc
getelefoneerd werd
Middag
'
'
Ontvangen
Gesproken
Nailm
|
Roepo>am
teKk
-
dag'
19
•
dag,
19
_
De Kapitein,
De Chef van het station,
BIJLAGE XXII
TARIEF VAN DE VERGOEDING, BEDOELD IN ARTIKEL 17,
LID 5, VAN DE SCHEPENWET
Het maximum van de vergoeding, bedoeld in artikelL 17, 1lid 5,
van de Schepenwet, bedraagt per etmaal of gedeelte daarva .
( a ) voor schepen
zonder
eigen
werktuiglijke voortstuwing:
f 0,08 per ton;
.
.
( b ) voor schepen met eigen werktuiglijke voortstuwing, met uit
zondering van passagiersschepen als onder (c) bedoeld en s eep
f 0,15 per ton;
( c ) voor passagiersschepen, welke zijn ingericht voor het vervoer
van meer dan vijftig passagiers: f 0,45 per ton;
( d ) voor sleepboten: f 2,25 per vierkante meter verwarmd opper
vlak van de hoofdstoomketels of f 0,50 per rempaardekracht van de
voortstuwingsmotor;
( e ) voor dokken: f 0,08 per 1000 kilogram hefvermogen;
( f ) voor drijvende voorwerpen, andere dan dokken ^elkeovcr
zee naar hun bestemming zullen worden gesleept, f 0,
p
De hiervoor afgedrukte bijlagen I t/m XXII behoren bij Koninklijk
besluit van 31 December 1952, Stb. 679.
Mij bekend,
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J. ALGERA.
I N H O U D
Hoofdstuk
Blz.
I. Inleidende bepalingen
2
II. Onderzoek
2
III. Certificaten
p
IV. Toestand van de scheepsromp, de werktuigen en de
aftimmering
j2
V. Uitrusting:
§ 1. Reddingmiddelen
24
§ 2. Veiligheidsmiddelen
29
§ 3. Hulpmiddelen bij de navigatie
31
§ 4. Hulpmiddelen ter voorkoming van aanvaringen
35
§ 5. Radio-inrichtingen
35
§ 6. Niet-voorgeschreven uitrusting
38
VI. Bemanning
VII. Uitwatering en diepgang
43
VIII. Belading, stuwage en ballasten. Gevaarlijke ladingen ...
44
IX. Vervoer van passagiers
53
X. Verplichtingen van de kapitein
55
XI. Voorschriften met betrekking tot oorlog en oorlogs
gevaar
"
7o
XII. Van de eigenaar
^
Vrijstellingen en aanvullende voorschriften
71
XIV. Strafbepalingen
72
XV. Slotbepalingen
^
Bijlage
Blz.
I. Voorschriften betreffende de keuring van materialen
ankers en kettingen
75
II. Constructie van passagiersschepen
gj
III. Constructie van pelgrimsschepen en van passagiers
schepen, welke grote aantallen passagiers, voor wie
geen vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, vervoeren in
bepaalde gebieden
j2g
IV. Voorschriften voor de vaststelling van de uitwatering
van schepen
136
Bijlage
Blz.
V. Opsporen en blussen van brand
190
VI. Voorschriften betreffende de electrische inrichtingen
204
VII. Vervoer brandbare vloeistoffen, welke licht ontvlam
baar zijn
223
VIII. Luchtvaten
232
IX. Bepalingen betreffende de inrichting van de motor-
kamer en de daarin geplaatste motor met toebehoren
in schepen van minder dan 500 ton
236
X. Filmcabines en -toestellen
246
XI. Reddingmiddelen
250
XII. Reddingmiddelen aan boord van pelgrimsschepen en
van passagiersschepen, welke grote aantallen passagiers,
voor wie geen vaste slaapplaatsen aanwezig zijn, in
bepaalde gebieden vervoeren
262
XIII. Radio-installaties
268
XIV. Genees-, heel-, ontsmettings- en verbandmiddelen
280
XV. Hulpmiddelen ter voorkoming van aanvaringen
290
XVI. Reglement betreffende de verkrijging van het diploma
als volmatroos
294
XVII. Reglement betreffende de verkrijging van het diploma
?Q7
als sloepsgast
XVIII. Reglement op de geneeskundige keuringen van kapi
teins, stuurlieden, machinisten, machinist-stokers en
personen, aan wie aan boord de wacht of het houden
van uitkijk in zee kan worden opgedragen
299
XIX. Voorschriften betreffende het vervoer van dieren
331
XX. Seinen in verband met de veiligheid van de scheepvaart
338
XXI. Model van het Radiodagboek
340
XXII. Tarief van de vergoeding, bedoeld in artikel 17, lid 5,
van de Schepenwet
348